Een Meisje-Studentje

Chapter 2

Chapter 23,927 wordsPublic domain

"Nee, voor zóó'n maaltijd niet,"--en toen schuivend met 'r pantoffeltjes over 't zeil om de kachel--"voor 't spatten van de vonken," had de juffrouw gezegd--"da's glad, zeg, zeker gewreven." En ze gleed er langzaam overheen.

"Hé...., leuk--laat 's voelen," en Go sprong op, al etende. "Lekker--laten we glijbaantje spelen, Elsi, dan smaakt 't eten meteen beter."

"Jij niet met je laarzen; dat maakt krassen."

"Nee, 'k zal ze uitdoen.--Zoo, jij eerst.... neem 'n aanloop."

In 'n oogenblik waren ze er "in": hun wangen begonnen te gloeien; lachend en jolig gleden ze dicht achter elkaar, vielen soms bijna, balanceerden langs den kachelgloed.

"Dat zeil hoeft in weken niet gewreven te worden; wij politoeren het."

"Neem nog 'n stukje vleesch; dat vorige is al lang verteerd bij zooveel beweging."

"Verbeeld je toch, dat iemand ons zóó eens zag," proestte Else 't opeens uit, die in Den Haag altijd 't keurigste dametje van de wereld was, en nu de neerzakkende haren vergeefs in de hoogte trachtte te houden.

"En wat zouden ze thuis zeggen," zei Go, 'n beetje peinzend, zich op 't lage stoeltje neerlatend.

Het verwonderde haar zelf, dat ze in 'n paar weken zich hier al zoo heelemaal ingeleefd voelde, zoo gewoon vertrouwelijk met Else en gewend aan hun levenswijze. Den eersten Vrijdag, dat ze naar huis was geweest, had 't weerzien haar 'n hevige emotie gegeven; ze had 't gevoel gehad, weken lang weg te zijn geweest, had druk van alles door elkaar verteld, zich vergissend met de dagen, alles dooreen haspelend, en al maar willen weten, wat thuis gebeurd was, niet kunnende begrijpen, dat alles z'n gewone gang bleef gaan--en 's nachts was ze wakker geworden van moeder, die over haar heen gebogen stond en met zachte, innige zoenen haar kuste over haar heele gezicht...

Maar dien tweeden Maandag was 't afscheid heel rustig en veel minder pijnlijk geweest; de nieuwe dingen, de nieuwe menschen namen haar aandacht in beslag; alleen soms, in schemer, of 's nachts, als ze in de groote, donkere kamer lag...

"Zeg," zei Else, de kammen in haar haar vaststekend, "ik heb nog honger. Wat hebben we nog in de kast?"

"Kaakjes, maar die zijn oudbakken en vochtig.... en flikjes."

"We kunnen de kaakjes wel roosteren in de kachel.... op 'n vork--en de flikjes ook."

"Maar je schroeit van de hitte." Go hield haar servet voor haar gezicht, de arm zoover mogelijk uitgestrekt. "Pas op, de jouwe valt."

"'t Smaakt lekker," keurde Else, voorzichtig kleine hapjes nemend van de heete kaak; "een eigenaardig smaakje.... vanille of zoo, komt er aan."

"Maar we kunnen er toch ons maal niet mee doen," zuchtte Go, 'n slap flikje in haar mond latend glijden. Ze zag purper van den gloed, en de zware, zwarte krullen, die uit haar kapsel springend over haar slapen hingen, wuifden heen en weer door de trilling van de heete lucht. "We lijken wezenlijk wel stokers--en de juffrouw zal niet begrijpen, wat ons bezielt. 't Is al half zeven."

"Zeg, laten we naar Ceres gaan. 't Is dichtbij."

"Ceres.... nou.... maar heb-je dan nog trek in boonen of zoo?"

"Nee, 'n toespijs, ommelet of zoo iets.... Bij ons op college zijn er meisjes, die er altijd eten; 't moet er goed zijn."

"Maar zou de juffrouw 't niet gek vinden.... niets begrijpen...."

"Maar m'n hemel, de ploerterij!" praatte Else Han na. "Kom, trek gauw je laarzen aan; 't is niet ver."

Even later liepen ze samen op 't donkere grachtje; ze waren nog nooit 's avonds uit geweest, doorlevend als thuis, waar meisjes dat ook niet deden. Maar dien middag, geanimeerd door 't uitgelaten spel, tintelend van levenslust en jeugd, proefden ze de zoetheid van hun heelemaal-vrij-zijn; en, Go's arm grijpend in 'n warme verrukking, zei Else opeens: "Dol toch, hè, zoo saampjes; en te kunnen doen, wat je wilt."

Het was stil op straat, nog stiller dan gewoonlijk: de meeste menschen waren thuis, aan den maaltijd. Onder den lichten, ster-witten hemel stonden de kale boomen, waar nog slechts hier en daar 'n welkend blad aan hing, onbeweeglijk met uitgestrekte takken. De huizen waren dichte, doode dingen. Maar op 't water, daar leefden rillend de lantaarnschijnsels en de roode lichten der booten; daar kwam 'n donkere, puffende motorboot langzaam doorheen hijgen, wegduikend onder 't oude ophaalbrugje, dat tooverachtig lichtte tegen den donkeren huizenachtergrond.

"Wat mooi," zei Go zacht, "wat 'n beeldig oud grachtje!"

Er kwam 'n jongen aan, rinkelend met z'n stok; 'n paar huizen van haar af bleef hij staan, begon te fluiten; 'n verlicht raam werd opgeschoven, 'n jongensstem riep: "Hallo!"

"Laat je de sleutel neer?"

"Nee, kom maar boven, de deur staat aan."

"Daar woont 'n student," zei Else, nog 's even omkijkend, "'t is dicht bij ons.... dat was zeker hun clubfluitje, hè?"

"Ja; wat klonk 't leuk!"

Ze waren nu bij 't lichte huis op de Breestraat gekomen, gingen naar binnen, onzeker en 'n beetje verlegen. 'n Onaangename etenslucht kwam hun in de gang al in den neus: "Hier ook ui, hoor," lachte Else. Maar 't zaaltje binnen, vriendelijk met wit tafelgoed, bloemen en eenvoudige muurversieringen deed haar prettig aan, en 't gedempte stemmengerucht gaf 'n warm gevoel van intimiteit.

Terwijl ze 'n tafeltje zochten, fluisterde Else opeens blozend: "Kijk 's; Han."

"Waar?" en Go wilde dadelijk op 'm afstappen, maar hij zat met 'n clubje vrienden, groette vormelijk-beleefd, waarna de anderen de hoofden tot 'm overbogen, zacht praatten, en daarna zijdelings naar hen bleven gluren.

Ze bestelden een ommelet, maar hadden eigenlijk alleen belangstelling voor hun omgeving; overal zaten clubjes studenten te eten, niet met gezichten, zooals ze zich op college hielden, maar levendig en jolig, met klaterende lachbuien en doorklinkende uitroepen.

"Wat zijn jongens toch leuk en gezellig met elkaar," zuchtte Else, terwijl ze langzaam 't hoofd van Han's clubje afwendde. "Je kunt zoo zien: ze hebben allemaal aan zich-zelf genoeg."

"Nu, dat hebben wij toch óók wel; denk maar 's aan die glijpartij."

"Ja," peinsde Else, "zou Han hier altijd eten?"

"'k Weet niet; misschien alleen in tijden van geldgebrek."

"'t Smaakt heel goed; we konden wel 's meer hier gaan, hè?" vroeg Else, 't hoofd dieper buigend, want eenige jongens waren opgestaan, fixeerden haar in 't langs-gaan met bewonderende blikken. Go zag 't, zei eenvoudig: "Die vinden je mooi, zeg, gaan bepaald informeeren, wie je bent," en merkte niet, dat uit 't andere zaaltje algemeen de aandacht werd gewijd aan háár sprekend, frisch gezicht, waarin de groote grijs-blauwe oogen levenslustig straalden.

"Ze gaan weg," zei Else zachtjes, de vork neerleggend. Maar nu kwam Han naar haar toe.

"Eet u vandaag hier, dames?" vroeg hij verwonderd. "Heeft de juffrouw u dan tòch weggejaagd?"

"Nee, alleen maar op rantsoen gesteld," lachte Else, "we hadden nog honger, en zijn daarom nog even 'n ommelet komen eten."

"O, dus u bent al klaar; 'n paar vrienden van me wilden graag aan u voorgesteld worden, ook om 'n verzoek.... zoudt u dat goed vinden?"

"Uitstekend," zei Else verward, terwijl Go ging betalen.

Even later stonden ze, allemaal 'n beetje verlegen, voor de stoep van Ceres, in 'n clubje.

"Vinden jullie goed, als we 'n endje oploopen, dan praten we makkelijker," zei Han, "nee, niet allemaal op 'n rijtje." En hij ging met Else vooruit.

"Heerlijk, de Breestraat bij avond," zuchtte Go bewonderend. "Ik heb nooit 'n straat als de Breestraat gezien.... Dat is nu zoo iets, waar je altijd heelemaal in 't midden moet loopen, met al die groote huizen aan twee kanten ver van je af.... dat geeft zoo'n koninklijk gevoel."

De blonde jongen naast haar--Leeden geloofde ze, dat Han zei--lachte met 'n kort, nerveus lachje. Hij had 'n forsche, hooge gestalte, en 'n stoere, rustige Germanekop, zooals ze zich altijd Ferdinand Huyck had voorgesteld; z'n oogen waren vriendelijk en open, al meende ze nu ook: "wat 'n echt kind" er in te lezen.

"Het stadhuis is heel mooi, 's avonds," zei hij met z'n scherpe stem.

"Het stadhuis, o, dat is heerlijk, en het carillon! Maar één ding heeft me vreeselijk teleurgesteld. U moet weten, Han had heel vroeger, toen hij pas hier was, me eens verteld, dat hier 'n torenwachter was, die 's nachts om twaalf uur naar alle windhoeken op z'n hoorn blies; daar had ik me wonderen van voorgesteld.... Ik was toen pas op 't gymnasium, maar altijd als ik aan Leiden dacht, kwam die torenwachter er bij.... ik vond 't zoo sprookjesachtig.... en ik was vast van plan één van de eerste nachten hier om twaalf uur op de Breestraat te gaan staan, om 't te hooren.... En nu, toen ik hier kwam, hoorde ik, dat hij er niet meer was...."

Aan haar anderen kant liepen 'n slanke, veerkrachtige jongen, dien de blonde: Elders noemde, en 'n smalle, zwak-uitziende droomer-figuur, die met z'n melancolieke oogen door z'n lorgnet haar, terwijl ze sprak, dwepend fixeerde.

"Dat idealisme zal hier wel gauw vertrapt worden," mompelde hij voor zich heen; waarna Elders, zonder zich aan zijn woorden te storen, levendig inviel:

"Maar laten we nu tot ons eigenlijk doel komen en juffrouw Herderts vragen, wat ze van ons plan denkt. We zijn namelijk allen lid, Han is zelfs praeses van 'n letterkundige club: "Laborando vincimus."

"Het is geen faculteitsvereeniging," vulde Leeden aan, "maar we trachten de superieure elementen uit alle faculteiten bij elkaar te brengen..."

"Anders dan genieën worden er niet geduld," verzekerde Elders.

"Vooral ook, omdat de verschillende studierichtingen de zekerste waarborg zijn tegen eenzijdigheid," ging de scherpe stem onverstoorbaar voort. "Er ontbreekt in onze vereeniging maar één ding."

"Een gróót ding," zei de droomer.

Go keek met haar groote oogen ze een voor een angstig aan; ze voelde 't komen en was bang en gevleid.

"We hebben geen meisjes."

"Ons ontbreekt de vrouw."

"Na elke vergadering moet de ploerterij 'n nieuw tafelkleed geven, zóó is er met bier en thee gemorst," spotte Elders, maar Leeden schudde afkeurend 't hoofd. "Daarom is 't niet," zei hij eenvoudig. "'t Is, omdat 't dwaas en verkeerd is, zoo'n vereeniging alleen onder jongens te houden; omdat voor ons zeker, en we hopen ook voor de meisjes, 't veel beter en prettiger zijn zou, wanneer we samen leerden werken."

"Col-laboratie," vulde de in-zich-tevreden Elders aan.

"Eén meisje, dat Hoefman kende,"--de dichterlijke droomer keek trotsch maar bescheiden--"heeft 't lidmaatschap van ons dispuut willen aannemen; maar ik geloof zeker; ze vindt 't niet prettig alleen te zijn, met acht jongens.... Nu heeft Herderts ons van u beiden verteld en wagen we u te vragen, of 't u aangenaam zou zijn, als we u eens te hospiteeren vroegen, opdat we wederzijds beter kennis kunnen maken."

"Sprekend 'n huwelijksadvertentie," bromde 't weer aan den anderen kant.

"En..." hij zweeg, keek Go even afwachtend aan: haar wangen waren blozend van opwinding en verlegenheid, en hakkelend begon ze:

"Ik begrijp niet, hoe u op 't idee van ons komt.... van Else wil 'k niets zeggen, maar ik heb heelemaal niets, geen talenten of zoo, en geen meeningen, en ik weet nergens iets van; u zou wezenlijk niets met me kunnen beginnen."

"U hebt vizie," zei de droomer met 'n plechtige stem; waarop ze niets terugzeggen durfde.

Maar Leeden lachte en trachtte te kalmeeren: "U stelt 't u allemaal veel te erg voor. Natuurlijk streven we er ernstig naar, om iets te praesteeren, maar gewoonlijk komt er toch nog maar zoo weinig van terecht. En u denkt nu, dat u niets te zeggen zult hebben, maar u weet niet, hoe gauw dat oefent. En trouwens wij allemaal...."

"Komen toch ook nog maar pas kijken."

"Jij tenminste, Hans," viel Leeden licht-geërgerd uit. "U moet ook denken: hospiteeren is niet iets bindends; we kunnen kijken, hoe 't gaat. Maar zeg dan, of u dat tenminste wilt probeeren."

"Ja graag, als Elsi ook wil," zei Go dapper.

"Daar zal Herderts wel voor zorgen. U krijgt dan nog 'n convocatie, wanneer de eerstvolgende vergadering is."

'n Half uurtje later kwamen ze stralend en opgewonden thuis. Else bleef in de gang haar handen wasschen, terwijl Go de deur van haar kamer openstootte. Het was er pik-donker. Ze waren met den sleutel binnengekomen, de juffrouw had ze niet gehoord, er was niemand, die verwelkomde, of helpen wilde. Ze was 's avonds nog nooit uitgeweest, had heelemaal nog niet aan zoo'n thuiskomst gedacht. Tastend zocht ze op den schoorsteen naar lucifers, toen over de tafel--ze stootte tegen de pan met melk, die de juffrouw op 'n bord al voor haar neer had gezet: 'n plomp, gevoelloos ding.

En opeens, in de hooge zenuwspanning van haar opwinding, zag ze, hoe 't thuis altijd 's avonds was, wanneer ze uit was geweest: de lichte gang, de lichte kamer, en moeder met 't naaiwerk, die 'r zoende, en vroeg, of 't prettig was geweest.

En neerbonzend met haar hoofd op de tafel, barstte ze in een wild snikken uit.

Zoo vond Else haar, die glunder kwam vertellen, dat Han en zij elkaar al bij den naam noemden.

HOOFDSTUK IV.

Het was op de eerste groote vergadering van de vrouwelijke-studenten-vereeniging, in de pauze. Ze hadden allemaal in 'n grooten kring zitten luisteren naar de lezing over "De kinderwetten," de meesten in schommelstoeltjes, anderen op den grond, gestut door hun knieën; maar nadat 't groote, blonde meisje met 't rustig-verstandige gezicht ook de debatteerenden nog even kort maar overtuigend had geantwoord, had de opgewekte praeses de vergadering geschorst: "om limonade te schenken, en nader kennis te maken," en met vroolijk geraas van opgelucht-zijn, omdat de ernst van 'n "vergadering" toch altijd iets drukkends had, waren alle lichte figuren opgestaan, op elkaar toegeloopen, dooreen gedwarreld, het statige bestuur had z'n plaats achter de groene tafel verlaten en zich onder 't "vulgus profanum" gemengd, er werd gelachen, geplaagd, ijverige huismoedertjes gingen rond met de limonade en de taartjes die op het biljart klaar stonden "ter eere van de hospitanten," terwijl nu en dan één achter 't scherm, dat de lekkernij-voorraad verborg, omwipte, om er ééntje te snoepen, waarbij ze meestal in flagranti werd betrapt en luidruchtig gehoond.

De zaal had een kleurig, levendig aanzien, met al die vroolijke, licht-gekleede jeugd. Zelf sober en rustig met donker-effen behangsel, waarop foto's van klassieke beelden, een eenvoudig, smaakvol meubilair en warm-tintige rustbanken in de hoeken--werd door niets het harmonisch lijn- en kleurenbeweeg van de onbezorgd-vroolijke, in 't oogenblik levende jonge vrouwen gestoord. En Go, die, 'n beetje achteraf, tegen den muur leunde, en stil toekeek, hoe geanimeerd de gesprekken waren, hoe levendig en uitdrukkingsvol de meeste frissche gezichten, moest onwillekeurig glimlachen, als ze dacht, hoe de menschen vaak "meisjesstudenten" nog beschouwden--als leelijke, onvrouwelijke, bleeke stumperts--terwijl ze hen hier zag, elegant en bloeiend als weelde-artikel-meisjes, maar met een bezieling en overtuiging in haar stemmen en oogen, die ze maakte tot bewuste vol-menschen.

Aan den overkant van de zaal stond Else met 'n clubje rechten-collega's,meest Haagsche meisjes, met de gemakkelijke manieren en van-zelf-glijdende conversatie, van die veel uitgaan.

Go voelde zich daaronder wel een beetje beklemd; zij had altijd te veel in haar groote familie geleefd, te zeer waren haar bezoeken tot ooms en tantes beperkt gebleven, om zich tegenover vreemden, die niet van thuis, en niet van familie-omstandigheden wisten, vrij en open te voelen.

Eerst toen ze 'n meisje van college ook alleen zag staan, ging ze er schuchter naar toe, stak haar hand uit. "Je heet Lize hè.... Lize Schermer?"

"Ja," zei de ander, verbaasd en niet te vriendelijk. Ze had een bizonder leelijk, melancoliek gezicht: met haar breed-vooruitspringenden mond, wijkenden neus en diepliggende, donkere oogen, deed ze denken aan een aap, en het berustende heimweh, dat uit haar heele verschijning sprak, was hetzelfde, dat de uit 't zonnige zuiden naar dit koude land overgeplaatste dieren zoo roerend maakt.

"Maar jij bent hier toch niet voor 't eerst," praatte Go door, "je bent toch al tweede jaars."

"Ik ben er voor 't laatst; 'k ga er uit."

"Hé, vin-je 't hier dan niet prettig? Ik krijg zoo'n mooien indruk vanavond, en 't is toch goed...."

"Ik heb geen tijd om er altijd naar toe te gaan, en dan kan ik m'n geld wel beter gebruiken.... Ik studeer niet voor de aardigheid. Ik moet later voor mezelf zorgen."

"Ik ook," zei Go eenvoudig. "Maar je kunt toch niet altijd werken, zonder ophouden, en dan lijkt dit me juist zoo'n uitstekende ontspanning: ontwikkelend, gezellig...."

"Nou, zet gezellig maar voorop. Ontwikkeling zul-je hier niet veel halen. De meeste meisjes studeeren zoo weinig ernstig. 't Is maar 'n pretje, 'n afleiding. Vroeger maakten ze handwerkjes om den tijd te dooden, en nu komen ze studeeren, omdat dat toch wel zoo vermakelijk is."

"Maar de meesten doen 't toch wezenlijk uit overtuiging, roeping!" Go had een kleur gekregen, en voelde zich pijnlijk-opgewonden worden onder de afbrekende woorden van het sombere vrouwtje.

"Roeping! Maar m'n hemel, wie doet dáár tegenwoordig nog aan! Denk je wezenlijk, dat één van de meisjes, die je hier ziet, alleen uit roeping haar vak gekozen heeft, en iedere levensverandering zou afwijzen, omdat haar studie haar boven alles gaat.... Maar dat is trouwens bij mannen meestal 't zelfde; alleen die drijft tenminste de noodzakelijkheid, 't heilige moeten, dat de menschen tot heel wat hoogs en groots brengen kan. Maar nu ook díe prikkel ontbreekt bij bijna alle vrouwen...."

Op het hamergeklop van de praeses was Go naar haar plaats geloopen; er zou nog 'n stelling verdedigd worden, met gelegenheid tot debatteeren.

Maar telkens moest ze het verdere gedeelte van den avond even 't hoofd wenden naar den hoek, waar Lize Schermer zat, den bitteren trek om de hard-gesloten lippen, het heimweh in haar oogen naar 'n zonniger land.

Om half elf, nadat ze de glazen en kopjes 'n beetje opgeruimd hadden, gingen ze in clubjes naar huis. Go was nog even naar Lize toegegaan, om, in 'n warm meelijden, te vragen, of ze denzelfden kant uit moest, maar ze had kort geantwoord, dat ze heelemaal buiten woonde, was toen in 'n donkere regenmantel met verkleurende strepen, weggegleden als 'n schim.

Toen waren Else en zij met vier ouderejaars de stille stad doorgetrokken. Ze zouden eerst een meisje wegbrengen, dat op 't Noordeinde woonde, en liepen nu het plechtig-zwijgende Rapenburg langs. De hooge huizen stonden onbeweeglijk en ook het water kabbelde niet. Het was, of alles in 'n oogenblik van volmaaktheid was verstard, en vanzelf temperden ze hun overmoedig-luide voetstappen.

"Jullie worden toch allebei lid van de club zeker?" vroeg één der oudere meisjes.

"Ja, ik geloof, dat het er prettig is, 'n hartelijke geest heerscht er, en alles is aardig ingericht...."

"Ik vind," zei 'n andere oudere weer, "dat je dán eerst er over oordeelen kunt, wat ons studentenleven is, als je ons clubleven hebt meegemaakt. Als je je terugtrekt, alleen college loopt, is je leven niet zoo heel verschillend van dat van onderwijzeressen of zoo. 't Is juist ons samenleven, ons vereenigings-leven, dat van 't gewone vrouwenbestaan afwijkt. We staan in verbinding met de zustervereenigingen aan andere universiteiten, we zenden afgevaardigden, als er feest is.... en alles onder meisjes."

"Dat vind ik nu juist jammer," kwam Go opeens, met haar heldere, besliste stem. Ze had den heelen avond bijna niets gezegd, ook nu onder weg niet, en alle hoofden bogen verwonderd en belangstellend naar haar kant, nu ze, zonder eerst in lichtere gesprekken zich 'n beetje te hebben doen kennen, opeens met 'n overtuiging kwam. "Ik meen, dat we zoo heelemaal niets met 't corps te maken hebben, dat we twee gescheiden vereenigingen zijn.... Ik had gedacht...."

"Op de kroeg wordt geen enkele vrouw toegelaten," viel Mary Bruining, 'n ernstig, donker meisje, in, "en ik geloof, dat ze gelijk hebben en dat de maatregel meer is genomen uit angst voor de ongebondenheid der heeren--, dan uit afkeer voor de dames-studenten. Omdat voor ons dergelijke bezwaren niet bestonden, hebben we introductie voor jongens mogelijk, ofschoon niet makkelijk gemaakt. De studenten zijn voorloopig niet zóó, dat we van houding veranderen kunnen."

"Maar komt 't een niet door 't ander?" riep Go levendig, en haar kinderlijk-geëmotioneerde stem stak sterk af bij de rustige zekerheid van haar bestrijdster. "Was 't niet onze plicht méér voor de jongens te zijn, en zou dan niet vanzelf alles anders worden? Nu ik zelf op kamers woon--en ik heb toch nog altijd Else--begrijp ik 't pas, hoe vreeselijk 't voor jongens, die altijd thuis zijn geweest, moet wezen, hier opeens in eenzaamheid op een ongezellige kamer te land te komen, hoe ze 't er niet uit kunnen houden, en naar de kroeg of naar vrienden moeten loopen,--en dan weer niet naar huis willen, omdat ze weten, dat 't er koud en donker zal zijn...." En rillend dacht ze even aan haar eigen thuiskomst laatst, toen ze de lucifers niet had kunnen vinden, en er niemand was om haar te helpen.

"Ik geloof, dat je overdrijft," zei Mary rustig. "Zooals je daar 't kamer-leven van jongens voorstelt, zoo voel jij 't, en zoo zullen meer meisjes 't voelen, omdat 'n meisje veel meer aan haar huis, haar familie en de gezelligheid is gehecht. De jongens, die hier hun corps, hun clubs, hun vrienden hebben, genieten meer van hun vrijheid, dan dat ze over eenzaamheid klagen. Vind-je, dat 'n student gewoonlijk 't meelijden opwekt? Zie je hem niet veel meer als één op 't hoogtepunt van z'n kracht, z'n verwachtingen, z'n levensvreugde? Maar àls er nu inderdaad eens jongens waren, die er onder leden, wat zouden we dan nóg kunnen?"

"Onze vrouwelijkheid, onze zachtheid in hun leven brengen. Dat ontbreekt hun 't meest, en dat kunnen wij, die bovendien hun collega's zijn, hun 't beste geven. Dat is toch geen co-educatie, die zich beperkt tot 't in dezelfde zaal college loopen, dezelfde studie volgen. Ik had me alles zoo anders, zooveel hartelijker voorgesteld, en 't zou voor ons allemaal zoo goed zijn. Alle meisjes vinden toch niets heerlijker dan gezelligheid te kunnen geven, en zooveel meisjes zijn eenzaam, en voor de jongens.... we zouden elkaar aanvullen."

"Ik geloof dat hier weer één van de moderne dwaalbegrippen bestreden moet worden," oreerde nu 'n klein, in haar mantel gedoken wezentje, met de scherp-geaccentueerde stem van iemand, die gewend is te betoogen: "nl. dat veel menschen de co-educatie zóó op de spits willen drijven, dat 'n meisje alleen nog maar vrienden, 'n jongen alleen vriendinnen hebben wil, dit ultra-modern principe grondend op 'n lang-overwonnen meening: dat de eigenschappen van man en vrouw elkaar aanvullen. Er is al meermalen met klem betoogd, dat specifiek vrouwelijke of mannelijke eigenschappen, eigenschappen uit kracht van hun geslacht, maar fictie zijn, tenminste in 't gewone leven. Dat die volkomen 't gevolg zijn van individueele aanleg, herediteit, omgeving, enz. Daar meisjes, die komen studeeren, gewoonlijk boven de middelmaat staan, zullen er zeer uiteenloopende, sterksprekende karakters onder zijn. Die brengt de club bij elkaar. Ieder kan zoeken, bij wie ze zich aansluiten wil; welke eigenschappen elkaar aanvullen.... Wat de jongens betreft, die hebben eveneens hun corps."

"Waar ze níet vinden, wat ze noodig hebben," verweet Go. "Ik weet 't zeker. Misschien hebben wij ze niet noodig; zij ons wel."

"Dat zijn idealen, droomen, waarmee menig eerste-jaartje hier al aangekomen is. Dat slijt wel mettertijd, omdat je gauw staat voor de onmogelijkheid. De jongens moeten hun eigen weg vinden, net als wij. We zijn niet in de jaren elkaar tot rustigen steun te kunnen zijn."

Ze waren nu juist bij de kroeg, waar 't licht door de neergelaten gordijnen siepelde. 'n Paar jongens liepen pratend de hardsteenen stoep op, en onwillekeurig volgde Go ze met verlangende oogen en dacht: "Als ik nu 's ze na ging, naar binnen, en aan allemaal m'n evangelie van verbroedering verkondigde?"