Een Meisje-Studentje

Chapter 17

Chapter 174,007 wordsPublic domain

Het was drie weken voor St. Nicolaas, en al geruimen tijd was er elken middag na college vergadering in 't clublokaal en 's avonds nog 's bij iemand aan huis geweest van 'n vijftien meisjes, ieder met 'n pakje onder den arm "als echte naaimugjes", die dat jaar de leiding van het feest-voor-arme-kinderen op zich hadden genomen. Buiten was het nevelig-koud, en vol verwachting de lucht, en zij-zelf waren zoo vroolijk, zoo verdiept in hun werk, dat Go zei, dat ze zich niet zou weten te bergen, als de menschen nog gingen prijzen en bedanken ook, alsof 't maken niet de gróótste pret was geweest. Daar vielen de vermakelijkste dingen bij voor: geen van de meisjes had, na de lagere school, nog grondig naaionderricht genoten, en haar onwetendheid werd alleen door haar voortvarendheid opgewogen. Vooral de eerste weken, toen alles geknipt moest worden, waren emotievol en spannend geweest: het biljart in de zijzaal werd opzij geschoven--want om te spelen had nu toch niemand tijd, en de witte en de roode werden nog slechts als maasbal gebruikt,--de groote lap over den grond uitgebreid, en allen er om heen om hun meening ten beste te geven. Onder de relikwieën van de club was het model voor 'n kinderjurk, "de" jurk, die jaar aan jaar werd nagemaakt, maar die volgens Mary latere kroniekschrijvers zich 'n eeuw met den oprichtingsdatum van de V. V. S. L. zou doen vergissen, daar alleen haar overgrootmoeder zoo'n model in haar jeugd gedragen kon hebben.

Francis en Riek,--nog steeds snoevend op het glorievolle feit, dat ze in hun eerste jaar met Else ieder 'n blouse hadden gemaakt, die ze alleen daarom niet hadden kunnen dragen, omdat ze bij het knippen de naden er niet bijgerekend hadden,--stonden er op nachtponnetjes, "met 'n glad stuk" te naaien, volgens 'n papieren patroon; en toen de kunstproducten bijna af waren, was het driejarig zoontje van de "juffrouw" naar boven getroond om eens te passen. Na 'n kleinen strijd over "achter" en "voor" was de mollige jongen er in geheschen, maar, ofschoon hij door het speculaasje in z'n hand in de tevredenste stemming van de wereld was, had hij toch groote neiging getoond om te gaan huilen, toen opeens alle meisjes in 'n luidruchtigen schater waren losgebarsten, al maar wijzend en kijkend naar hèm.

Go zàg 't dreigen, en nam den kleinen kerel steeds proestende in haar armen, zoende 'm op z'n verbaasde gezicht.

"Je bent 'n schat, hoor vent, en we lachen ook niet om jou, maar om dat dwaze jasje!" en Coba streek over den bolderenden bovenkant, aldoor nog hikkend: "'n Glàd stuk, 'n glàd stuk; dat noemt ze 'n glád stuk," en 't werk had nìet hervat kunnen worden, vóór de kleine baas weer in z'n buisje was; maar een kleine storing blééf, omdat ieder op de beurt 'm koekjes en chocolade toestoppen ging.

Frieda deed niet mee met de algemeene naaiwoede. "Ik ben er van overtuigd, dat juist aan dat eeuwige peuterige gehandwerk heel veel van de kleinzieligheid en bekrompenheid van de vrouw-in-'t-algemeen geweten moet worden, en 'k zal m'n hersens, die al genoeg geleden hebben door de zonden van m'n voormoeders, niet zelf ook nog 's af gaan stompen," had ze gezegd; maar Go vond juist, dat je onder 't naaien zoo heerlijk dènken kon: "Voor vrouwen, die niets anders kunnen of weten, lijkt 't me wel 'n suf werkje, maar wij, die zooveel door te denken en te verwerken hebben, worden rústig, als intusschen onze handen wat doen," en ze was blij, dat Mary er ook zoo over dacht, en 'n waar genie aan den dag legde in 't haken van wollen sokjes en kapertjes van rose-en-wit, ofschoon de medicae daar niet vóór waren, meer losse, warme jurken en wantjes aanprezen. Die waakten met veel toewijding voor de hygiëne. Van de lange, gekregen mama's-rokken moesten de sleepen worden afgenomen, géén hooge kragen, deugdelijke voering; en ook het speelgoed werd eerst zorgvuldig onderzocht, of 't niet gevaarlijk gekleurd was, te scherp of te hard voor onbestuurde handjes.

Go liet àlles om dit werk loopen; visioenen van zingende kinderen, ideeën voor 't model van 'n rokje, 'n schort, verstoorden haar aandacht onder de college-uren; de bloc-notes van de bibliotheek teekende ze vol met ontwerpen voor 'n poppenkamer, uit houten doozen getimmerd; en bij iedere poes bleef ze lang en diepzinnig staan kijken, omdat ze er een van goed maken wilde. De vergadering van L. V. had ze zelfs willen verzuimen "omdat ze haar naaiwerk niet in den steek kon laten," maar toen had ze permissie gekregen het mee te brengen, al was 't 'n beddelaken; en al had ze, heel bescheiden, slechts 'n wiegekleedje meegenomen,--nog van thuis, maar dat opnieuw gezoomd moest worden,--den heelen avond was de aandacht voor haar handen geweest, en de jongens hadden aan 't eind meer over den inhoud van haar naaidoosje en 't motief van het borduursel kunnen vertellen, dan van wat er literair en wetenschappelijk behandeld was.

Ru schudde z'n hoofd over die "manie"; naar geen enkele lezing was ze meer mee te krijgen. "Ik verzeker je, dat, zoodra je op gevoelsgronden van onrecht bent overtuigd, het allernoodzakelijkst is, dit met wetenschappelijke bewijzen te kunnen steunen," oreerde hij, "je doet wezenlijk méér voor de proletariërs, wanneer je je in de maatschappelijke wanverhoudingen inwerkt, dan als je maar zit te prutsen, aan weet ik wat... All charity is a silent admission, that justice has not been done to the poor. En als je meent daar nu 's heel nuttig bezig te zijn,--ik zeg je, dat juist de weldadigen veel meer dan de bruten meewerken om de ellende in stand te houden."

Maar Go hield lachend de handen voor de ooren, en hem 'n streng wol toewerpend riep ze vroolijk: "Kom, hou die maar 's op, meneer de boetprediker, en praat niet zoo wichtig van maatschappij en menschenplicht... Ik doe tegenwoordig niets dan over ernstige dingen nadenken, vraag 't maar aan Mary;.... ethische kwesties van 't begin tot 't eind,.... maar als je me nou met 'n ernstig gezicht vraagt, waarom ik die hemdjes en broekjes en jurkjes zit te fabriceeren,--och, dan beeld ik me heusch niet in, dat dat nou erg weldadig of edel van me is; en ik zeg mét Wim de Veer, verpletterend-logisch: omdat 't lollig is."

"En kennen jullie ook van: Zie ginds komt de stoomboot?" vroeg Mies de Bruin, die zoo'n beetje de leiding had, omdat háár mama de families uitgekozen had uit de armenlijst. En dadelijk vielen de kinderstemmen, hard en dreunend-maatvast in, terwijl Mies ze zacht begeleidde, voortdurend opzij kijkend naar al de open monden.

Go, Francis en Coba gingen met chocolademelk en speculaas rond; met hartelijke lachjes en 'n vriendelijk woord verdeelden ze hun goede gaven van bank tot bank, en naarmate ze verder kwamen, verminderde de animo voor 't gezang, mond na mond vulde zich gretig met de zeldzame lekkernij, zoodat aan het slot nog maar 'n enkel dun stemmetje in gespannen afwachting de melodie uitzong.

Erna Böhme, 'n verfijnd-artistiek meisje, dat op haar kamer geen enkel ding duldde, dat niet op zich-zelf mooi en bizonder was, kwam, nadat ze verteederd naar 'n leuk, blond kindje was toegeloopen, en 't opgetild had in haar armen, 'n beetje verschrikt achter het scherm, waar "gewerkt" werd, terug. "'t Is wezenlijk allerliefst," zei ze zacht tegen Go, "als die menschen maar niet allemaal zoo vreeselijk stonken."

"Ja, 'n eau-de-cologne-badje zou niet overbodig zijn, hè? Enfin, 't is voor ons 'n kleinigheid.... de stakkers, die zoo'n lucht altijd bij zich hebben," en gauw zich tot Lou wendend: "Och, Loulou, als je eerst al die kopjes afwascht, en dat telkens weer, zullen ze bijna niets binnen krijgen. Denk-je, dat 't hinderen zal, als ze ze van elkaar gebruiken?"

"Ik weet niet; de medicæ..."

"Kom, vooruit;" besliste Coba, "als ze nooit uit on-hygiënischer vaatwerk drinken, dan uit dit... De medicæ zijn boven bij de St. Nicolaas-kleeren. Schenk maar in."

Mary zat stil in 'n hoek met 'n kleintje op schoot, dat niet lekker was en toch niet naar huis wou; ze speelde door het haar met haar witte vingers, en keek droomerig naar het toenemend gejoel van de anderen. Toen het donker gemaakt werd voor de tooverlantaarn, steeg de nog-bedwongen luidruchtigheid tot 't hoogtepunt, en Go, die midden in 'n groote groep jongens was gaan zitten, werd geduwd en gedrongen naar alle kanten, onder harde kreten van verrukking en intieme geheimpjes, warm-gefluisterd aan haar oor.

De komst van St. Nicolaas met Coba, flikker-oogend, als knecht er achter, bracht eerst 'n strakke stilte in de zaal teweeg; maar de vriendelijk-hooge stem door den witten baard en vooral 't gul-handig pepernoten strooien van 't jolige zwartje deed den moed groeien tot "'n handje geven," en 'n enkele waagde 't zelfs hoog-stemmig en afgebeten 'n versje op te zeggen, zich vasthoudend aan den breeden, witten schoot van den vaderlijk-luisterenden, glimlachenden heilige.

"Nu in 'n kring om 'm heen dansen!" werd vroolijk rondgeroepen, en zingend liepen ze in 't rond, de kinderen opgewonden springend aan de armen der meisjes, die, heelemaal-er-in, elkaar stralend toeoogden, dat alles zoo goed ging.

Go had onder de moeders, die bleek en zielig-dankbaar tegen den muur zaten, vele met 'n heel kleintje op den arm, 'n rosharige, slap-mooie vrouw herkend, die ze eens, op 'n avondwandeling, met 'n kinderwagen bedelend tegen waren gekomen, en wie Eduard toen wat geld gegeven had. Háár koos ze dadelijk tot haar bizondere beschermeling, haalde wat melk voor 't kindje, grabbelde voor haar mee van de kaakjes en pepernoten, en zoo vaak ze haar iets bracht, voelde ze 'n vreemd geluk, scherpen doordringend, 'n wellust van herinnering, die haar oogen week maakte bij het bewonderen van het bleeke stumpertje

Later ging St. Nicolaas naar boven terug, en--de cadeautjes voor de kinderen verdeeld,--werd nu het goed voor den dag gehaald, waar de moeders, schichtig-verwachtend, omheen drongen. Go was Coba gaan helpen, die een en al opwinding was, en met haar gezicht nog half zwart, alle mogelijke luchtsprongen maakte in haar rood satijnen pakje, waar ze zich buitengewoon makkelijk in voelde.

"Hoefde ik toch maar nooit die vervelende rokken meer aan!"

"Wat zou De Veer je nù graag mee hebben op z'n tochten.... Toe, sta nu even stil!" en Go schonk voorzichtig warm water langs haar zwarte wang, zacht nawrijvend met den handdoek; want 'n spons was er niet te krijgen. Mies de Bruin liep, met haar haar los, in haar witte tabbaard rond. "'t Is 'n geslaagde avond. Als nu die goeduitdeeling nog maar geregeld gaat. Och Go, hier is 'n lijstje voor de familie Hendrix, die er later nog is bij gekomen. Wil-je er even mee naar beneden gaan?"

De uitdeeling was al bijna afgeloopen, en huiverig-ineengeschurkt waren de meeste families bedankend de deur uitgeschuifeld. De meisjes, moe, maar blijvend opgewekt, gaven de kinderen hun jassen en petten, hielpen de vrouwen de kleeren en de erwten en boonen tot 'n pak maken.

Go stond even te kijken, liep toen de al-verlaten zaal weer in, waar Lou alleen, pretentieloos-lief, de verspreide kopjes aan 't inzamelen was, zuinig kaakjes en krentenbollen, die ze hier en daar vond, in groote zakken stoppend.

"Dit was wel onze éigenlijke Sinterklaas, hè Lou," praatte Go helpend, "het cadeautjes-krijgen thuis kan onmogelijk zoo geanimeerd zijn, als deze avond."

"Heb-je dat kleine jongetje gezien met die groote oogen, die alleen maar chocolademelk wilde drinken en al z'n koekjes en appels in z'n blouse bewaarde "voor moeder"? Vin-je 't niet roerend?"

"'t Zoontje van vrouw Ties kon de overjas toch niet aan," kwam Mary vertellen. "Zoo zielig... Hij was in z'n enkele pakje, en zette eerst al zoo'n dol-blij gezicht. Hij paste 'm zeker, zei hij; maar toen hij er in wou, werd ie heelemaal rood; er was eenvoudig geen kijk op... Nou is-tie voor z'n broertje; die groeit er gauw genoeg in."

Coba, nog 'n beetje "grijs", kwam met Mies naar beneden; de helpster begon het gebruikte vaatwerk weg te dragen, en langzaam, in voldane moeheid, trokken ze mantels en mutsen aan.

"Ik begrijp niet, waar 't in zit, maar de cadeautjes voor de familie Schuring klopten niet," peinsde Francis, "'t staat toch op 't lijstje genoteerd. En nu bleken de kinderen opeens allemaal veel grooter."

"Zeker gegroeid in dien tijd... Ach Guus, zeg jij even tegen de helpster, dat ze meenemen mag, wat er over is."

Ze gingen met 'n heel groepje naar huis, oudere meisjes, vriendinnen van Mary en Frieda, die allemaal 't zelfde koel-heldere, verstandelijk-sympathieke hadden, en 'n twijfelloos-zekere harmonie in heel hun wezen. Eerst werd er nog 'n beetje over den avond gepraat, maar al spoedig verdiepte zich 't gesprek tot ernstige bewering, en 'n knap meisje, dat wijsbegeerte en psychiatrie studeerde, betoogde het voordeel van de filosofie-colleges; "wezenlijk, als je, wat dáár gedoceerd wordt, in je hebt opgenomen, behoor-je niet tot 'n partij, zooals 'n ander;... je bent niet Hegliaan òf theosoof òf sociaal-democraat... allemaal één pot nat;--maar je staat bóven de partijen, je omvat álles..."

"Maar dat zeggen immers anderen van hún leer;.... dat zeggen de theosofen ook."

"Zonder grond. Want als bepaald, beperkt stelsel moeten zij noodzakelijk andere uitsluiten. De Hegelarij alleen, door iedere overtuiging als 'n eenzijdigheid te zien, en bij iedere stelbaarheid dadelijk ook het tegenovergestelde te erkennen, is vrij van de bekrompenheid van partij-haat, die de menschen elkaar in 't haar doet vliegen...."

"Ja maar; al kòmt 't voor, bekrompenheid of onverdraagzaamheid is niet 'n inhaerente eigenschap van ieder, die voor 'n partij voelt. Integendeel geeft 'n overtuiging alleen krácht om te werken, om iets goeds tot stand te brengen, en al is zoo'n krachtsinspanning-naar-ééne-richting voor jullie opperste wijsheid ook 'n eenzijdige bekrompenheid, ik geloof, dat 't maar heel goed is, dat er nog velen zijn, die één ding vreeselijk gelooven en 't andere negeeren; want er is nog zooveel op de wereld te verbeteren, dat jullie voorkeurlooze gelijkmoedigheid voorloopig uit den booze is."

Het Hegliaantje haalde de schouders op en met 'n kort, beslist accent antwoordde ze: "Je bent in alle opzichten 'n ontwikkeld, verstandig meisje, Mary, maar toch valt er niet met je te debatteeren, voor je geleerd hebt dialectisch te denken. Volg éérst 's 'n collegium logicum."

Mary knikte, niet gepiqueerd. "Ik heb geen pretentie van 't beter te weten," zei ze met 'n glimlach, "en ik ben er van overtuigd, dat ik op die colleges veel leeren zou;.... maar 'k heb nu eenmaal geen lust, 'n sterke persoonlijkheid direct op me te laten inwerken, vóór ik in mezelf 'n beetje weerstandsvermogen en kritische helderheid voel. Zie-je,.... ik hou van m'n stillen vrede, m'n harmonie, en ik ben bang voor vuisten en fascineerende oogen. Toch zullen we 't volgend jaar 's gaan;--'t is laf 't te ontloopen; hè Go, wij samen?"

Maar in Go's hoofd zongen nog de Sint-Nicolaas-liedjes; ze zag de vrouw met het bleeke gezicht en rossige haar en al de kleine, zwakke, witte kindertjes, tegen de moeders aangeleund, hulpeloos;.... dan weer de woestheid van de ouderen, die tegen haar knieën drongen;--en opschrikkend zei ze: "O, Mary, ik liep te denken, of we niet nog geld inzamelen kunnen om 't jongetje van vrouw Ties tóch 'n overjas te geven. Ik vind 't zoo zielig, hè?"

"Ja, we kunnen 'n inteekenlijst op de club leggen."

"En ik ga zelf wel vragen bij 'n paar meisjes."

"Dat 's best," knikte Mary, trok Go's arm door den haren, "en ben-je verder nogal voldaan?"

"Ja, o ja; 't was 'n prachtige avond." Ze zweeg even, en toen bedenkend: "Wat doen de studenten ook weer?"

"Die gaan in de ziekenhuizen, de heele stad door. Dat is natuurlijk veel grootscher.... Ze hebben meer geld.."

"Ja natuurlijk. Maar zou dit nu niet mogelijk zijn: Dat we hierin samenwerkten? De jongens 't meeste geld; wij de meeste ijver en toewijding...."

"En naaitalent."

"Ik geloof niet, dat hier iets tegen kan zijn," zei Mary vriendelijk, "je wilt nu eenmaal je ideaal van samenwerking, hoe dan ook, niet opgeven. En in dit opzicht zal 't zeker mogelijk zijn."

En Go zuchtte zacht: "O, als we maar eenmaal zoo ver zijn, dat we het béste, dat we doen, sámen doen;--dan zal alles vanzelf goed worden."

HOOFDSTUK XXI.

"Nou; en toen?" vroeg Gerard, heen en weer loopend van blijdschap en opgewondenheid.

"Toen vroeg hij, of ik er nú niet over dacht in vergelijkende taalstudie door te gaan. Hij geloofde, dat 'k er wel 'n hoofd voor had."

"Prachtig. En wat zei-jij, Go? Dat je nóg uitstekender was in al 't andere?"

"Nee; dat ik blij was, dat hij tevreden was, maar dat 'k er ook veel moeite mee gehad had. En toen wenschte hij me evenveel succes met de andere tentamina, en liet me uit, erg hartelijk. En toen heb ik 't op 'n loopen gezet, hier naar toe, met 'n zalig, luchtig gevoel, net of ik al candidaat was, in plaats van een beginneling, die nog 'n berg werk door moet.... en nu weten jullie de heele geschiedenis."

Mary glimlachte zonnig. Ze kón niet uitbundig zijn. Maar Gerard, in 'n opwelling van jongensachtige uitgelatenheid, sprong 'n paar maal over de canapé, liet zich toen met 'n plof buiten adem er op neervallen: "Waarachtig, Gootje, je zou 'n bezadigd mensch weer wild maken. Je weet niet, hoe allemachtig veel plezier 't me doet. 't Móest ook wel goed gaan; je wist 't, je verdiende 't."

"Of niet 'n groot deel van de verdienste bij jóu ligt," antwoordde Go, 'm de hand toestekend. "Of jij me niet overal bij geholpen hebt, met je dictaten, met boeken, en met je eigen doceertalent. En dan.... hoe dikwijls heb-je me uit 't werk gehaald, als je vondt, dat ik overdreef,--om te fietsen, of te tennissen--; zoodat ik weer heelemaal frisch thuis kwam."

Ja; en dát zal ik nu dadelijk weer doen. Vandaag mag-je geen boek meer aanraken. Kom, doe gauw dat statiekleed uit, en laten we naar Katwijk fietsen."

"Nee, geen dwaasheden, Gé. Ik wil nu wel eerst wat wandelen. Maar vanmiddag begin 'k Den Hertog te repeteeren."

"Laat 'r," zei Mary rustig, "als 't heilige vuur brandt...."

"Ik vind 't dom. Maar dan zal 'k m'n excerpt nog even gaan afmaken; breng 't je vanmiddag."

"'t Is toch wezenlijk geen wonder, als ik 'n goed tentamen doe, met zóóveel hulp."

"Ga dan alléén wat loopen. Je hebt genoeg prettigs om over te denken. En 't is zoo heerlijk buiten."

Het "zwarte pad" was één koele zonnigheid. De herfsthemel, hoog-blauw, met ijle nevelwolkjes, spiegelde zich in 't gladglijdende water van de vaart, waar hier en daar 'n langzame schuit door ploegde, 'n bruine man aan 't roer, die eerst achterdochtig gluurde naar de eenzame wandelaarster, dan met 'n goeiig: "goe-mèrge" de stilte brak.

En Go riep, hoogstemmig, den groet terug, en knikte. Ze voelde haar hart wijd worden van genot. "Leiden, lief, heerlijk Leiden," zong 't in haar; "wat ben-je mooi en stil in 't licht; wat lig-je gedwee in den zonneschijn. Hoe láát je je leven." En dan weer: "Wereld, mooie wereld, wat ben-je licht! wat is alles mooi: ieder grasje, de verkleurde blaren, 't water, de hemel.... Heerlijke wereld, hoe blij ben ik, dat ik leef."

Het slagen voor haar tentamen lag veraf; ze was zelfs blij, dat Gerard niet mee was gegaan, Gerard, die met z'n gedachten haar altijd doorvorschen wilde, wiens belangstelling en genegenheid ze altijd nader voelde dringen. Ze wilde nu alleen zijn met de zon en de koele lucht; als 'n bloem in 't licht wilde ze zich voelen. Niet denken, niet denken; ze had de laatste maanden zooveel gedacht; ze had zooveel gestreden met zich zelf; met dàt, wat na 't eerste gesprek met Mary altijd weer boven was gekomen, het warme, onstuimige, onberedeneerde gevoel, dat haar ánders maakte, ánders deed blijven, dan Mary, de rustig-harmonische, en Frieda, die niets dan wetenschap zocht. Toen was ze gaan werken, hard, aanhoudend, en dát had haar wel geholpen. Ze had niet meer aan haar ziel, en niet aan haar levenshouding gedacht; ze had niet gevoeld de wisseling der seizoenen; afgesloten van alles, hadden haar hersens alleen gegolden.... en nu, ten deele bevrijd, was ze tot 't leven teruggekeerd op dezen lichten herfstmorgen, en liep met haar vingers open en haar hoofd even achterover zich te geven aan de ten-winter-neigende zon.

'n Geritsel door de struiken deed haar opschrikken, en tegelijk zag ze Eduard, die met den rug naar haar toe bij den waterkant stond, en Bruno, die, uitgelaten van vreugde, op haar afstormde. Eén blik op z'n verward-blozend gezicht was Go voldoende geweest om te weten, dat hij haar gezien had en ontwijken wilde, en, 't hart hevig kloppend, hoezeer ze zich ook tot kalmte maande, trachtte ze stil verder te loopen, Bruno's vroolijk herkennen negeerend.

Maar de hond stoorde zich niet aan haar koelen blik. Met zacht vreugdegehuil legde hij z'n breede voorpooten op haar ontwijkende schouders, en besnuffelde gretig haar gezicht en haar haar. En toen ze, geroerd door z'n hartelijkheid, met 't oude gebaar haar handen zacht om z'n kop legde, sprong hij op met 'n luid, juichend geblaf, rende naar Eduard en weer terug, blaffend en huilend, likte haar handen en laarzen; en eerst toen Eddy, licht geërgerd over 't malle figuur, dat de hond 'm deed slaan, zich omgekeerd had, en nader kwam, omhelsde Bruno haar opnieuw, met 'n kalme beweging van in-bezit-nemen.

Go hield hem, verlegen en trotsch, tegen zich aan. "Híj kent me nog; hij is me nog niet vergeten," zei ze glimlachend tegen Eddy, met zacht verwijt.

"Hij lijdt niet aan "stemmingen"," verweerde hij zich, "ik was niet ín 'n stemming jou te zien; had je de volgende week willen komen opzoeken om afscheid te nemen."

"Ga-je dan weg?"

"Ja, 'n jaartje rondtrekken, om wat in allerlei bibliotheken te snuffelen, voor m'n dissertatie."

"O, en dan promoveeren?"

"I think so, ja. Zullen we wat oploopen?"

"Nee, als je nu tégen je wil..."

"Welnee, dat was maar 't eerste oogenblik. M'n eerste opwelling, als ik 'n kennis zie, is altijd weg te loopen.... kun-je 't begrijpen? Ik heb er vaak zelf spijt van. Nu vind ik 't al weer heel gezellig. Ik heb je zoo lang niet gezien."

"Een kennis; niets dan maar 'n kennis," dacht ze teleurgesteld. Maar ze zei alleen zacht: "Wat 'n zalig weer," en liep naast 'm voort, stil, de hand op Bruno's kop, de oogen, in afwachting, naar Eduard toegewend.

"En vertel me 's: hoe heb-je 't tegenwoordig? Je bent nooit meer ergens te zien, en Gerard brengt op de L. V. vergaderingen altijd dezelfde boodschap: dat je werkt, hard werkt, en geen tijd hebt er uit te gaan... Het lijkt wel, of je genoeg van ons hebt."

Z'n stem was gemoedelijk-vriendelijk, maar 'n met moeite bedwongen onrust trilde telkens om z'n neusvleugels. Hij had wel gemerkt aan allerlei onzegbare kleinigheden, dat er iets veranderd was tusschen Go en hem, en ook begrepen, gevoeld, waardoor 't moest zijn. Nu vreesde hij niets zoo zeer als 'n "verklaring" tusschen hen beide, met tranen en verwijten, waarbij hij met z'n figuur geen raad zou weten; en hoewel twijfelend, of er iets tegen te doen zou zijn,--zoo'n spontaan kind als Go zou 'n grief toch wel niet kunnen verzwijgen--deed hij alles om 't gesprek aan de oppervlakte te houden, opgewekt en rustig.

Ze ging er dadelijk op in. "Ja, ik heb het nu eindelijk eens flink aangepakt. Vandaag heb 'k m'n eerste tentamen gedaan. Nu, 't wordt tijd in je vierde jaar..."

"In je vierde; ja, 't is waar; 'k word 'n oude man. Ik zag gisteren 'n lange, witte haar tusschen m'n zwarte; en jij draagt 'n sleepjapon... Ja, ja... maar hoe bevalt je nu alles bij elkaar?"

"O goed. Ik hou van m'n werk." Maar 't bezadigde glimlachje, waarmee ze 't zei, intrigueerde 'm: God, was ze zóó veranderd; dat was toch de Go niet, die hij kende, de vertrouwende, alles eischende, maar ook bereid àlles te geven. Hij vergat z'n voorzichtigheid, zei, uit gewoonte blagueerend: "En de idealenwinkel? Nog niet failliet?"