Chapter 14
Ze kwamen 's middags,--een, twee tegelijk,--langzamerhand allemaal naar haar kamer toe. Eerst Lou en Coba, die 't op college hadden gehoord, bleek, geschrikt, met behuilde oogen. Toen Hoefman en Lize, en De Veer, en Rolands; Frieda 't laatst, die zich kalm hield, ofschoon ze er afgetobd en gebroken uitzag. Han en Beerenstijn waren naar Den Haag, om 't aan z'n vader te gaan zeggen, "beroerde geschiedenis," bromde De Veer, "ze lagen zoo'n beetje overhoop met elkaar," en Eduard was met Gerard naar den burgemeester van Leiderdorp om de brieven af te halen, en de begrafenis te regelen.
Ze zaten stil om de tafel, als 'n troep bedroefde kinderen; praten deden ze bijna niet; ze hadden alleen maar behoefte allemaal bij elkaar te zijn. Go had getracht thee te zetten, had gerommeld in de kast, alles omver gehaald. Maar opeens viel ze neer met 'n snik; ze kòn niet; ze kòn haar hoofd niet bij elkaar houden om 't klaar te krijgen; en ze was blijven liggen, met haar gezicht tegen 't gordijn, uitgeput, verslagen.... Ze begreep 't nog niet; ze had nooit iemand verloren, die ze goed kende; ze had geen idee wat het: "nooit weer" eigenlijk beteekende. Ze betrapte er zich op, dat ze telkens even dacht: waar blijft Hans? of z'n stem meende te hooren in den winkel beneden; hij ontbrak immers nóóit op 'n vergadering....
Rolands zat op de canapé, ineengedoken als 'n klein, ziek poesje; z'n triestig gezichtje drukte angstige verbazing en schrik uit, en hij schudde telkens z'n hoofd, zuchtend: "Hans Elders--De beste van ons allemaal. De flinkste. De sterkste." En dan opeens als 'n besluit: "Maar als die niet eens kon blijven leven, hoe moeten wij 't dan uithouden, die zooveel minder zijn?"
"Frits," zei Coba met nadruk, "het is dwaasheid, wat je zegt." Maar Frieda keek 'm aan met ongewone zachtheid in haar donkere oogen, en zei: "Dat we beneden Hans staan, zullen we wel allemaal moeten bekennen... Z'n leven is voor ons een voorbeeld geweest. Maar al hebben we niet 't recht hard te zijn: z'n dood was zeker 'n misslag. Daarom zou 't wel heel verkeerd zijn, als wij, die 'm in 't goede niet navolgden, het hierin juist wèl wilden doen... Laten we liever hopen, Rolands, dat we nog 'n heeleboel tijd overhouden om ons zelf beter te maken."
"Ik ben daarvoor niet op den goeden weg," klaagde 't bruintje weemoedig.
"Laat dit dan 'n keerpunt in je leven zijn."
De Veer trok zich zuchtend recht op z'n stoel. Hij had 'n gezonden afkeer van alle verdriet, en wist ook bijna altijd de narigheid van zich af te zetten. Maar dit, dit diep-ellendige vlak náást z'n eigen zonnig-onbezorgde leven, had hem 'n geduchten schok gegeven, 'n vreemd gevoel van ijdelheid en vergankelijkheid, van veel schijn en geveinsheid bij alles, wat hem zoo heerlijk leek, en noch de dikke poes van de juffrouw, die binnengeslopen was, noch 't komische kindergebler van beneden kon z'n sombere stemming breken.
Om vier uur kwamen Han en Beerenstijn. Ze gingen tusschen de anderen zitten, praatten met doffe stemmen over "de oude heer, die er zoo kapot over was geweest, dat die twist niet bijgelegd was."--
"Zijn Leeden en Neerwinden er nog niet met de brieven?"
"Nee."
"Er zal wel wat voor hém bij zijn. Hans zal 't wel goed gemaakt hebben natuurlijk."
"Wist-ie niets?" vroeg Go, en begon weer te snikken, als ze zich den ouden man voorstelde, alleen in z'n huis, die opeens hoort: "uw zoon... dood." Ze klemde krampachtig de handen voor haar gezicht.
Lou gaf haar wat water, huilde zelf kinder-hard mee, terwijl ze fluisterde: "Stil nou, Gootje, je maakt je ziek.... toe, huil nou niet," en toen zelf doorsnikte, het hoofd op haar schouder.
"Jullie moeten niet alleen blijven, kom allemaal vanavond bij mij," vroeg Han, "dan weten we, wat in de brieven staat." En toen tegen Go: "Ik heb 't Else geschreven;... wat zal ze schrikken; ze hield zoo van Hans."
"Dat deed iedereen," zuchtte De Veer, overtuigd.
's Avonds waren ze weer samen: Gerard en Eduard, moe en nerveus, praatten eerst over zaken met Han en Beerenstijn, scharrelend met papieren en verklaringen. Toen kwam Otto naar Go om te vragen, of ze geslapen had;--en ze spraken er kalm-treurig over, hoe alles geregeld zou worden voor de begrafenis.
"Als z'n vader er niet tegen is, wilden we 'm naar Warmond laten brengen; hij hield zoo van dat vriendelijke, begroeide kerkhof."
"Wàs er 'n brief aan z'n vader?"
"Ja, we hebben 'm vanmiddag nog gebracht. Hij was er zoo blij mee."
Eduard zat naast Go; hij leunde z'n bleek hoofd op z'n handen, de oogen gesloten, en om z'n mond trokken lange, moeë strepen neer.
"Was-tie dadelijk....", vroeg ze zacht aan Gerard, "of zou hij nog pijn hebben gehad?"
"Hij had direct getroffen, zeiden ze.... denkelijk vannacht om één uur."
"O, dus gisteravond nog... Als we toèn...."
"Zoo moet je niet praten," zei Beerenstijn, medisch-beslist, "'n mensch is altijd geneigd allerlei bijkomstigheden de schuld te geven: àls we ons maar meer met 'm hadden bemoeid, àls we 'm maar minder alleen hadden gelaten, àls we er maar eerder werk van hadden gemaakt. Dat is onzin. 't Is 'n ziekte. Als we 'm er nú van terug hadden gehouden, zou hij 't de volgende gelegenheid hebben gedaan. Misschien met 'n halfjaar voortdurende observatie was hij er over heen gekomen; maar tòch: dat verlangen naar den dood,.... zonder dat er reden voor is.... Hij hàd geen enkele reden---"
Ze bleven stil zitten luisteren, en levendiger praatte hij door, verdiept in z'n lievelingsstudie:
"Een van de treffendste voorbeelden, dat 't doodsverlangen bepaald 'n soort waanzin, 'n idée fixe is, is 'n werkman, getrouwd, met kinderen, niet ongelukkig, alleen heel nerveus, die opeens op 'n middag zich den hals afsnijdt.... Enfin, 't mes weigerde halfweg; hij wordt opgenomen, met de uiterste zorg verpleegd, en wezenlijk: hij geneest.... Vrouw en kinderen komen 'm verheugd van 't ziekenhuis halen; hij gaat mee naar huis, 's avonds is hij niet te vinden, en na lang zoeken, vinden ze 'm op den zolder aan 'n balk bengelen.... opgehangen."
De Veer knikte, dat hij 't ook wist; maar Go barstte in 'n zenuwachtig lachen uit: "Och Otto, 't is niet waar. Praat toch niet zulken onzin.... 't Is zoo idioot, als die menschen al hun zorg hebben besteed, maanden lang, om 'm beter te maken, en als hij dan...."
"Toch is 't waar," besliste Beerenstijn, "en dit is de eenige oplossing van zooveel duistere gevallen...."
"Maar Hans beschouwde 't toch zelf niet als 'n ziekte-geval."
"Nee; natuurlijk niet," en Eduard gaf Go z'n afscheidsbriefje; hij las over haar schouder mee. "Is 't niet heelemaal Hans," zei hij zacht, "dat ons zelf nog over z'n dood willen troosten: "Jullie moet niet denken, dat de laatste uren, als het besluit vast staat, zoo pijnlijk zijn. Wel de onzekerheid vooruit, als je niet leven kunt, en nog niet wilt sterven. Maar als je tot klaarheid bent gekomen, als 't besloten is, dan is 't net, of je er al niet meer bent."
En dan dit: "Je begrijpt, dat ik door deze daad geen uitspraak over het leven doe, waarvan ik zoo weinig heb kunnen begrijpen. Ik toon hier alleen mee aan, dat mijn leven hier geen plaats, geen bevrediging vinden kon. Daarom is 't beter zoo. Waarom zou er één mee-eten, en mee-ademen en mee-streven in deze overvolle wereld, als hijzelf niet dankbaar om z'n bestaan kan zijn, en anderen 't brood ontneemt?""
"'t Is zoo logisch, hè," peinsde Eduard, "maar er móet toch iets mankeeren aan 'n levensleer, die tot zelfvernietiging leidt. Wàt 't hier is, weet ik niet: Hans stond moreel hoog, was ernstig, ijverig..."
"Hij was de beste van ons allemaal," zuchtte Rolands, en hij huilde, stil en nederig. Lou gaf 'm eau-de-cologne, en Coba, die van mevrouw 'n groote flesch eau-des-Carmes had meegekregen, bereidde voor ieder 'n glaasje van 't melkige vocht, "toe, heusch, dan slapen we vannacht tenminste."
Het licht suisde. Ze zaten heelemaal stil. Eduard had verteld, dat hij 'm nog gezien had: nu schemerde voor hun oogen z'n lieve gezicht, verstijfd, de oogen dicht, den mond strak, en de wond bij de slapen.
Ze zaten bang te zwijgen in de groote kamer, en voelden den angst voor den nacht, als hij daar liggen zou, alleen in 't donker.
Toen keek Go langzaam de rij langs; en dacht aan de picnic, aan den avond, toen ze gezongen hadden, één van ziel, op het balkon. Else was naar Parijs gegaan,--Hans... wie nu? Wie zou nu 't eerste uit hun midden weggaan? Ze zóuden gaan, de een na den ander, naar verschillende steden, naar vreemde landen, in allerlei betrekkingen, hooge en lage;--alleen de studietijd bracht zóó verschillende menschen bij elkaar.
Er zou 'n tijd komen, dat ze elkaar nauwelijks meer kenden; zij, eens één in vreugde; en nu vereend in 'n groote droefenis.
HOOFDSTUK XVII.
De eerstvolgende dagen was Go bijna nooit thuis; dadelijk na college en 's avonds weer ging ze met Frieda Gerard, Han en Beerenstijn helpen, die Hans' vader beloofd hadden, alles te zullen regelen en in orde brengen. Er was 'n huiselijk testamentje gevonden, dat ze met toewijding uitvoerden; kleeren en boeken moesten in groote kisten worden verpakt, rekeningen gesorteerd en aangezuiverd, brieven en dagboeken verbrand;--ze werkten te zamen uur na uur op de stille kamer, waar iets kils bleef hangen, ondanks de lustige zon; soms even onderbroken door iemand, die kamers zocht en boven kwam, aangetrokken door 't houten bordje, dat tegen 't raamkozijn kletterde. "Cubicula locanda;" het klonk zoo koud; of de vorige bewoner ruzie met de juffrouw heeft gehad, of gepromoveerd is of gesjeesd, of om geldverlies z'n studie heeft moeten staken, of zelf 'n einde aan alles maakte--"cubicula locanda"; het bleef 't zelfde. En telkens, als Go weer aan kwam met, bijna onbewust, de hoop, dat hij er wel zou zijn, dan zag ze weer dat bordje, dat alle verwachting versloeg, en in de zon blikkerde als 'n emblema van de snelle wisselvalligheid, èn de onaantastbare gelijkmatigheid van het leven.
Ze overlegden nu alles met elkaar, en de zorg voor de nalatenschap scheen 't werk van "het dispuut" te zijn; telkens kwamen De Veer en Rolands, Beerenstijn of Hoefman met 'n rekening, 'n brief: wat Go er van dacht; en door de noodzakelijkheid van eenvoudig-practischen ernst groeide hun vriendschap in de kil-droeve dagen tot een wezenlijk, steungevend, bemoedigend gevoel.
Zoo kwam ook Gerard 'n avond met 'n pakje lidmaatschap-kaarten, om te bespreken, of ze afgeschreven moesten worden, of door den dood vanzelf vervielen, toen hij Go wild snikkend met haar hoofd op de schrijftafel vond, de handen in wanhoop door haar haren woelend.
"Maar Go, kindje; wat is er gebeurd?" begon hij verschrikt, maar toen ze z'n stem hoorde, ging er opeens 'n schok door haar heen, en 't betraand gezicht opheffend fluisterde ze nerveus: "Ga weg, Gerard; hoe kom-je hierbinnen? Hield ze je niet tegen? Heb-je 'n scène gemaakt?"
"Wie? Ik heb niemand gesproken." En z'n oogen staarden verbaasd haar aan.
"De juffrouw--ze zegt--o, Gé, ze zegt..." Nu begon ze weer opnieuw en erger te huilen, telkens tusschen twee snikken door hijgend: "Ga weg.... ga weg.... ze wil 't niet hebben."
Hij schonk haar een glas water in, en ging op den rand van de tafel zitten; hij dácht er niet over heen te gaan, vóór ze wat kalmer zijn zou, en z'n afgebroken stem dwingend tot rustig spreken, begon hij:
"Je hebt dus herrie met de juffrouw gehad. Maar is dát nu een reden om zóó te huilen? Is 't heele mensch wel één traan van jou waard? Als je me nu maar 's wou vertellen, kalm en verstandig, wat er eigenlijk is, dan zouden we kunnen overleggen, hoe 't in orde te brengen.... Maar als je zóó blijft, word-je ziek en ellendig en kan ik onmogelijk iets voor je doen."
"Maar je moet dadelijk weg.... Ze zegt juist, dat heeren.... dat 't geen pas heeft, als 'n méisje hééren op 'r kamer ontvangt.... Eerst was jij alleen gekomen, en toen had ze niets willen zeggen.... het kon.... het had...."--en even trok 'n glimlach over haar trillende lippen--"het had 'n fatsoenlijk engagement kunnen zijn, ofschoon ik geen ring droeg,--maar nu telkens andere,.... ieder oogenblik 'n ander...."
"Vervl...," viel hij uit; "heeft ze dat durven zeggen?"
"Ze zei, dat het 'r goeien naam kwaad dee. En ze had zélf groote dochters... En de heeren mochten vroeger ook nooit dames op hun kamer ontvangen; als je 'n heer had, ontving-je heeren, als je 'n dame had dames."
"En wat antwoordde jij, Go?"
"Ik weet niet; het kwam zoo vreeselijk opeens. Ik probeerde 'r eerst uit te leggen, dat 't m'n collega's waren, en dat onze verhouding anders is dan van gewone jongens en meisjes.--Maar ze keek me zoo raar, zoo verdenkend aan, en zei weer iets over 't fatsoen van haar dochter, en toen kón ik opeens niet meer; tegen zoo'n mensch, over zoo iets..."
"Nee, natuurlijk. Laat mij maar 's..."
"Nee, Gé, nee, als je blieft niet... Dan wordt 't immers nog veel erger..."
"En wat wou-je nou doen?"
"'k Heb gezegd, dat 'k zoo gauw mogelijk van 'n andere kamer werk zou maken."
"Goddank; dus je hebt toch niet toegegeven, 't Is... 't is... zoo'n mensch tegen joù, tegen joù... zóó iets..."
"Ja maar," zei Go, kalmer door zijn opwinding, "we moeten ook niet onredelijk zijn. Ik kan er eigenlijk best in komen, dat ze zoo praat. Wat weet ze van de verhouding onder ons, studenten, af? Hoe kan ze ons samen-zijn zich anders voorstellen dan 'n jongelui's partijtje in háár jeugd? Bovendien zouden voor vijf-en-twintig jaar àlle menschen 't met haar eens geweest zijn..."
"Voor vijf-en-twintig jaar, jà. Maar 't veranderen van de publieke opinie is geen toeval; die volgt de omstandigheden, en daarom..."
"Toe, je verwacht van háár toch geen redelijkheid!... En ik ben hier pas zoo kort; en juist in 't begin, door den dood van Hans, zijn er zulke vreemde dingen gebeurd: Otto en jij dien ochtend vroeg... en 's middags de heele club... en later telkens weer iemand om iets te vragen... telkens 'n ànder, zooals zij zegt..."
"Praat er maar niet meer over. Ik kán dit niet filozofisch opvatten... Ik vind 't min, láág, afschuwelijk.--Enfin; wat doe-je nou? Weet je 'n kamer?"
"Nee, 'k moet toch ook eerst naar huis schrijven."
"Ja, natuurlijk. Doe dat dan nu dadelijk. Dan breng ik den brief naar 't postkantoor... Het was eigenlijk beter, als je naar huis ging, tot je iets anders hadt. 't Zal je zoo irriteeren, als je hier moet blijven, en 'k heb de kamer altijd beroerd gevonden."
"Och, 'k zal 't maar niet al te erg maken voor moeder. Die vindt 't zoo vreeselijk, als iemand iets slechts van ons denkt."
"Maar de ploerterij..."
"Nou, ja, die scherpe afscheiding bestaat bij ons niet. Moeder vertrouwt me natuurlijk, maar ze is wel 's bang, dat 'k onvoorzichtig ben."
Gerard knikte: "Kwam Van Neerwinden veel bij je?"
"Nee; hij is zoowat de eenige, die nooit op deze kamer geweest is."
"Zoo... Weet je wat, je moest ook even aan Frieda schrijven;--die wéét misschien wel 'n kamer. Ik ga dan zelf met 't briefje naar haar toe."
"O, wat ben ik toch blij, dat jij gekomen bent. Ik was zoo wanhopig,--alleen tusschen al die vijandige menschen."
"En je wou me nog al dadelijk wegsturen... Nou, schrijf maar."
Bij den brief aan moeder kwamen de tranen toch weer. Wat zou-die wel zeggen? Ze hadden nooit aan die mogelijkheid gedacht;.... de kamer, die je huurde, was toch je eigen,--maar natuurlijk, 't was 't huis van de juffrouw.--Hád ze schuld? Moesje had gezegd: "Maak nooit misbruik van je vrijheid," maar ze had de jongens toch niet in den winkel kunnen ontvangen, vooral niet in die omstandigheden...
Gerard hoorde haar de snikken in haar zakdoek smoren: "Ben-je bijna klaar?" riep hij uit den hoek van de kamer, waar hij water kookte voor thee.
"Ja, dadelijk." En vlugger pende ze het briefje aan Frieda.
"Nu heb ik alles in je kast kunnen vinden, zelfs het zeefje en 'n zakje biscuits, behalve de thee zelf," klaagde hij hulpeloos; "ik zou je zoo graag met 'n kopje verrast hebben, en 't water kookt "als 'n see", zou mijn juffrouw zeggen."
"O, Gé, hoe lief van je. Wat zou ik toch beginnen zonder jou!"
"Kon ik maar wat meer voor je doen. Nu moet 'k je weer alleen laten. Beloof me, dat je je best zult doen niet bedroefd te zijn."
"Nee, nee," zei ze, maar haar lippen trilden.
En hij keek haar aan, met 'n oneindig zacht medelijden in z'n eerlijke open oogen, en eenvoudig-weg, of 't zóó in z'n hart opkwam, zei hij:
"Ik wilde, ik kon u iets geven Tot troost diep in uw leven; Maar ik heb woorden alleen, Daden en dingen geen..."
Toen nam hij de brieven, die op de tafel lagen en met 'n bemoedigend knikje, ernstig en opgewekt, ging hij de deur uit, wegstommelend langs de ongelijke trap.
Den volgenden morgen, toen Go na 'n onrustigen nacht, want ze hóórde de vijandigheid uit alle geluiden om zich heen, de ontbijtkamer binnenkwam, vond ze naast haar bord 'n groote bos witte seringen en donkerroode anjers; de heele muffe kamer was vol lentegeur, en achter op z'n kaartje had Gerard geschreven: "Goeienmorgen Go. Vanmiddag komt Frieda bij je, en brengt 'n prettige boodschap mee."
Ze drukte haar hoofd dieper in de bloemen, dankbaar, zalig; opeens niet bang en niet eenzaam meer.
HOOFDSTUK XVIII.
Drie dagen later was Go bij Frieda en Mary Bruining ingekwartierd. Voorloopig kreeg ze alleen maar 'n zit-slaapkamer, omdat er nog iets verbouwd moest worden, vóór de meisjes met hun drieën de heele verdieping konden betrekken, maar Gerard had er zoo op aangedrongen, dat Go dadelijk verhuizen zou, dat Mary en Frieda beide hadden gezegd, dat ze zoo vaak in haar kamer kon komen zitten, als ze wilde, en als 'n droom zoo vlug was alles gegaan: Frieda had haar dien middag dadelijk meegenomen om bij haar te eten; den volgenden dag hadden zij tweeën en Lou en Coba alles gepakt en de breekbare waar zelf overgedragen, en nog geen vier maanden, nadat 't binnengedragen was, was haar heele huishouden weer uit de donkere straat weggereden naar de lichte Jan-van-Goyenkade, met 't wijde uitzicht over water en land, en de vroolijkheid van meisjes-huishoudentjes in de zonnige huizen.
Gerard was in de wolken, dat ze nu zoo prachtig onder dak was gebracht, niet langer alleen--"het wàs geen kind om alleen te laten," maar met twee aardige, verstandige meisjes, die voor haar zorgen zouden en lief voor haar zijn. Ook haar moeder had enthousiast over de gunstige verandering geschreven en gesproken. "Ik begrijp wel, kindje, dat je, zoo heel alleen, behóefte hadt aan gezelligheid, zoowel van vrienden als van vriendinnen. Maar ik ben toch wel bang, dat de bezoeken wat erg druk zijn geloopen den laatsten tijd. Dat zal nu heelemaal anders worden; jullie maaltijden met je drieën geven veel meer de gezelligheid van een huishouden. Je kunt met je drieën bezoeken ontvangen..."
Iedereen was tevreden en voldaan over de schikking, maar Go, nadat de eerste roes van nieuwigheid voorbij was, nu ze als gewoon huisgenoot was opgenomen, ze voelde 't wel: voldaan was zíj niet. Ze zat voor Frieda's schrijftafel en staarde over het kale, wijde land, en, de ellebogen op haar boeken, redeneerde ze met zichzelf: "Het kwam dus niet door de kamer, en niet door de eenzaamheid, dat onrustige, onbevredigde gevoel. Het komt uit m'n eigen hart, en daarom kan niemand er iets aan verhelpen... Want deze kamers zijn licht, en aan elken maaltijd en 's avonds ook, zijn Mary en Frieda er, met hun hartelijke gezichten en opgewekte gesprekken, en ik zit er zwijgend bij, en voel, dat 't me niet schelen kan. En als Gerard vraagt, hoe deze levenswijze me nu bevalt, dan kan ik lange verhalen van lof houden; maar ik wéét 't alleen met m'n verstand. In mijn hart voel ik 't anders. Dit samenwonen is uitstekend, en 't moest veel meer door jongens worden gedaan; ik zou wel willen, dat Gerard en Han en Eduard ergens met hun drieën gingen wonen. Dat zou voor Eddy zooveel beter zijn, dan zou hij misschien wel weer anders worden... en dan zou ik ook weer kunnen voelen, dat 't leven prettig is."
Ze legde haar handen nu voor haar oogen om aan z'n laatste bezoek te denken; hij was op de vergadering zoo koel tegen haar geweest, zoo anders dan de anderen, die nog onder den indruk van Hans waren. Hij had alleen even met 'n naren lach gezegd: "Voor menschen, die pessimist praten, hoef-je niet bang te zijn; juist de opgewekten maken er opeens 'n einde aan," en uit 'n paar losse woorden van Rolands had ze gemerkt, dat er weer druk gefuifd werd in hun clubje. Bij 't weggaan had ze toen gevraagd, of hij 's op haar nieuwe kamer kwam, en toen hij ontwijken wilde, er beslist op aangedrongen, omdat ze 'm noodig spreken moest.
Zoo was hij 'n avond in Frieda's kamer ontvangen, maar er was geen stemming, geen harmonie geweest. Go had gemerkt, dat Mary en Frieda geen van beide vóór z'n bezoek waren, ze had zich onzeker en gegêneerd gevoeld, en hij had niets gedaan om 'r tot kalmte te brengen: hij was heen en weer blijven loopen, had de fotografieën en beeldjes bekeken, en steeds over allerlei onverschillige dingen gepraat.
Na 'n kwartier had hij al weer weg gewild. Ze kon 'm niet laten gaan; ze moest toch zeggen, dat ze 't zoo akelig vond...
"Waar ga-je heen?"
Hij moest naar de kroeg, afgesproken met vrienden...
"Waaróm nou? Ik heb je al zoo lang niet gezien."
Ja, maar ze zouën spelen, kaarten...
"Hè nee, Eddy, doe 't niet."
Er had in z'n oogen dat ongeduld gebrand, dat haar altijd even bang maakte: "Natuurlijk zal ik gaan."
"Ja maar, 't is zoo verkeerd; jullie spelen om geld."
"Ik hoop zelfs veel te winnen; daarom ga 'k eigenlijk. 'n Lastige beer."
"Je kunt toch onmogelijk zoo heel veel winnen op 'n avond."
"Twintig, vijf-en-twintig gulden is ook al genoeg. 'k Moet 't hebben."
"Dus dáárom alleen?" En ze was naar de kast gegaan, en, smeekend, dat hij niét boos zou worden... 't was wezenlijk beter.... had ze 'm het bankbiljet van vijf-en-twintig gegeven, terwijl hij weifelde, ontroerd keek.
"Ik schaam me, Go," had hij alleen gezegd, en toen was hij gauw weggegaan, en ze had 'm niet weerhouden, omdat ze voelde, hoe pijnlijk 't voor beide zijn zou, nog samen te blijven.
Den volgenden middag had ze geen vleesch gewild aan de koffie. Of ze vegetariër werd?--Nee, 't was zuinigheid; haar maandgeld was op....
Mary had haar even doordringend aangekeken, toen luchtig gezegd: "Mooi zoo! Enfin, Frieda en ik hébben nog 't onze. Eet dus gewoon mee; zoo sterk ben-je niet."
En daarna had ze niets meer van 'm gehoord of gezien. Zelfs niet op de laatste vergadering van L. V.; Rolands had zoo iets gepreveld, van dat hij uit moest, maar Gerard had er dadelijk over heen gepraat, en hij was beboet "wegens niet verschijnen ter vergadering, zonder hiervan vooruit schriftelijk kennis te geven," en "wegens niet inleveren van z'n verplichte werkzaamheid."