Chapter 13
Dadelijk vielen de anderen in; de zuivere, jonge stemmen, zingend de simpele, oude melodieën vol sentimentaliteit en naïven weemoed, klonken roerend door de onbewogen-stille dorpslucht, en Go, die opeens niet meer doorzingen kon, keek met vochtige oogen naar de levendige gezichten, die, verdiept in het lied, éven-aangedaan, in het licht stonden. En ze voelde: hoe één ze op dat oogenblik allemaal waren; hoe harmonieus hun stemmen klonken uit de harmonie van hun jeugdig-bewogen zielen. Hielden ze op dat oogenblik niet allen van elkaar als broers en zusters van 'n groote familie? Waren hun gedachten niet mooi en zacht en open, als de avond, als het kinderlijke lied, waarin ze hun ziel uitzongen?
Ze dacht niet in 't bizonder aan Eduard; ze voelde haar hart wijd worden in liefde voor àl die jongens en meisjes om zich heen, en toen 't uit was, zei ze zacht uit den grond van haar hart: "Hè, we moesten ons heele leven bij elkaar kunnen blijven."
"Nou, maar zou dat niet kunnen?" riep Gerard levendig. "Zouden we ons niet voor 't een of ander kunnen associeeren, wij allemaal gestudeerde, knappe lui.... 'n kostschool b.v."
"We zouden, om met mezelf te beginnen 'n classicus hebben," peinsde Hans, "'n natuurkundige, één, twee, drie, vijf, zes doctors in de Nederlandsche letteren;.... dat is wel wat overdadig."
"Nee, ik zorg voor 't huishouden," regelde Go.
"Misschien ben-jij dan de eenige, die wat te doen heeft;... twee medici... twee meesters in de rechten."
"Die kunnen ook van veel nut zijn, om de kibbelpartijen van de leegloopers te beslechten.... Een leerling zouden jullie natuurlijk nooit krijgen."
"O, maar dan zijn jullie getrouwd," bedacht Gerard opeens, Else teleurgesteld aanziende.
"Nu, maar dát geeft toch niets. Han en ik zullen altijd met alles meedoen."
"'n Tijdschrift," bedacht Hoefman, "voor wetenschap en kunst."
"En daarin al jouw verzen als kunst," plaagde Wim, "we hebben je in de gaten hoor, mannetje."
"Nou maar 't is waar," vond Frieda, "dat 'n tijdschrift verstandiger dan 'n kostschool zou zijn. We zouden ieder artikelen over ons vak kunnen schrijven; medische, etymologische, rechts-kwesties; Hoefman voor 't kunstgedeelte,--"
"En jij voor de rubriek: kinderkamer," zei Han zacht tegen Else, en streek even ongemerkt over haar haar.
"Nee, 't beste, verreweg 't beste zou zijn, als we 'n variété vormden," pleitte Wim met toewijding. "We hebben lui met aardige stemmen; ik kan 'n wandelstok op m'n neus laten balanceeren en met eieren ballen... Gerard loopt op z'n handen; de meisjes kunnen wel 's iets als 'n ballet geven, Hoefman kan declameeren--Rolands--"
"'n Slangenmensch," sloeg het lenige zwartje voor.
"En in 'n kermiswagen, Wim?" vroeg Coba.
"Ja, of met den trein en in hôtels, al naar 't ons lukt. En op de affiches. "Dispuut Laborando vincimus" uit Leiden."
"Kinderen, maar zoover zijn we nu nog niet. We moeten voorloopig allemaal nog terug naar onze ouderlijke woning,... nu is het tijd voor den trein."
"Hè Han, is er geen latere?"
"Ja zeker; we zitten hier in 't middelpunt van spoorwegen. Er gaan hier, geloof ik, drie treinen op 'n heelen dag."
"Rosenstock, holder blüth'," stemde Hans nog 's in, maar niemand volgde. Ze liepen stil langs den schemerigen weg, en treurden al om 't afscheid, terwijl ze nog samen waren.
"'t Is zoo vreemd," zei Go zacht tegen Eduard, "dat ik nu vanavond weer thuis zal zijn, en dan maar één dag weg geweest. Dat morgen weer alles als gewoon gaan zal, één dag van de lange, lange vacantie!"
"Och, waarom vreemd?"
"Het was zoo heerlijk. En 't lijkt zoo lang geweest. 't Is zoo wonderlijk nu zóó uit elkaar te gaan."
"Och kind, als je al vaak dat zacht-verteederde gevoel aan 't eind van 'n partijtje hebt meegemaakt, dan is 't eigenlijk niet zoo wonderlijk meer."
Hij zag, dat z'n woorden haar hinderden, plukte droomerig 'n paar bloemen af. "Vin-je ook verwonderlijk, dat die morgen verwelkt zijn?"
"Nee, alleen maar treurig," antwoordde ze.
Aan 't station in Leiden was druk gejacht om Go en Else en Han en Lou in den klaar-staanden trein naar Den Haag-Rotterdam te stoppen; Gerard wierp in der haast de wilde roosjes uit z'n blikje door 't raam in den coupé, nog pratend:
"Als 'k in Rotterdam kom, kom 'k je mama 'n bezoek brengen." Eddy riep tegen Han, zag Go's oogen niet. Maar toen de trein zich in beweging zette, begon Hans met volle stem:
Si l'on est si bien ensemble, On ne devrait jamais se quitter.
Het heele koor viel in; de vertrekkenden wuifden. De witte doekjes flapperden in de donkere lucht, totdat Go opeens 't hare terugtrok, ongeduldig haar tranen afveegde, die stroomden over haar gezicht.
"Zóó'n dag komt nooit terug," zei ze zacht tegen Lou, "zóó zullen we nooit meer allemaal samen zijn."
De trein donderde rommelend door het donkere land, weg van de stad van vreugde.
HOOFDSTUK XVI.
Het was een triestige kamer, ook niet erg groot. Ze keek op een kaaswinkel, waar alle soorten van dit artikel tot boven aan de ruiten opgestapeld waren, en er naast was 'n bakker; de bakkersjongens zaten in hun schaftuur bij haar binnen te gluren, en wierpen kushandjes naar de ramen.
De geuren van de kaas vermengden zich met de goed-lucht van het stoffen-magazijn beneden haar; er was altijd gerij en gefiets door de smalle straat, en 's avonds láát nog joelde het ruwe gelach naar boven van flaneerende fabrieksmeiden.
Ze dacht wel 's, dat ze niet erg gelukkig geweest was met haar keuze, al had ze Moeder nog zoo vast verzekerd, dat ze nu toch oud genoeg was en genoeg in Leiden bekend, om zélf voor haar kamer te zorgen. Afgeschrikt door haar eerste ondervindingen, toen ze in studentenhuizen was gekomen, of bij juffrouwen, die "geen dames namen," had ze maar dadelijk toegehapt, toen deze juffrouw "er maar één hebben kon, en heer of dame was gelijk." Maar nu ze er zat,--'t viel niet mee; 't huishouden slonzig,--de juffrouw.... ze wist niet, 't zou ook wel komen, omdat ze dat alleen-zijn zoo akelig vond, maar ze kón zich hier nog maar niet thuis voelen. Het was zoo triestig 's morgens wakker te worden van het lijzig-uitgehaald gezang van de oudste dochter, en dan te weten, dat de voorkamer leeg en ongezellig zou zijn, met 't muffe luchtje, zonder zon.
Het deed haar 's middags treuzelen weer naar huis te gaan, omdat ze 't binnenkomen van die kamer, waar ná haar niemand meer was geweest, zoo ellendig vond; en 's avonds kon ze vaak niet werken van het luisteren naar de stilte van het huis.
Ze miste Else zoo en haar opgewekte gelijkmatigheid. Nu ging ze wel dikwijls bij Lize koffiedrinken,--een ei en 'n paar appels in de mouw van haar mantel, haar broodje onder den arm,--maar die was toch zoo heel anders, al had 't engagement met Hoefman haar zachter en rustiger gemaakt. Ze kwam ook 's avonds wel bij andere meisjes theedrinken, nu meer opgenomen in hun midden, maar vaak had ze ook dáárin geen lust, omdat het haar toch niet bevredigde; ze wist altijd vooruit, hoe het zou gaan: de hartelijke ontvangst: "wat leuk, dat je komt, ik ben juist zoo alleen; gauw theezetten,"--dan getob met water en 'n spiritusstel, zoeken naar lucifers, veel onrust, en geen oogenblik van rustige, breede gezelligheid, zooals aan de theetafel thuis, waar ieder bezoeker dádelijk in den kring werd opgenomen. Nu ze weer de lange vacantie in haar familie was geweest en zich weer heelemaal had ingeleefd in hun vredige leven, wist ze het weer, dat al hun gehuishoud maar surrogaat was, dat ze allen gelijkelijk misten: het thuis, de familie, de moeder.
En dof, verveeld, werkte ze van Maandag tot Vrijdag boven 't gejoel van de straat, pas oplevend, wanneer ze met haar taschje naar 't station ging, naar huis.
"Laborando Vincimus" begon z'n vergaderingen pas weer ná de inauguratie van de nieuwe corpsleden, en de groentijd was nog in vollen gang: schuchtere, kaalkoppige jongens slopen, langs de huizen gedrukt, over de straat, en soms ook kwam ze 'n heele kudde tegen, opgedreven door 'n paar studenten met wandelstokken, die ze leerden hard-loopen, of marcheeren.
Gerard had ze een paar maal gesproken, meer gewoon en vertrouwelijker dan vroeger, omdat hij nu ook thuis was geweest, lang met moeder had zitten praten en gestoeid met de kleintjes. Hij klaagde over Hans, die tegenwoordig zoo ongenietbaar was, nergens meer kwam, en als je hèm ging opzoeken, je binnen 'n kwartier weer buiten de deur had gezet, omdat hij nét zoo goed ín z'n werk was.
"Komen jij en Lou en Coba dan tenminste 's bij me koffiedrinken, met Han en nog een paar.--Komen jullie drie October: dan is er muziek op de Korenbeurs, en dat is toch wel vroolijk en gemoedelijk."
Ze had 't aangenomen, en toen voor 't eerst na de vacantie Eduard weer gesproken. Ze had 'm wel al eens gezien: 't was geweest bij de inauguratie-rede van 'n professor van de juridische faculteit, toen hij als faculteits-praeses achter den senaat was binnen gekomen, en ze, ondanks de statigheid van de pedels met de zilveren bellen, de professoren in toga en de oude curatoren, die in de eikenhouten banken hadden gezeten als deftige patriciërs uit de zeventiende eeuw, niets zóó imponeerend had gevonden als zijn slanke figuur in den sluitenden rok, z'n fier gedragen hoofd met de dof-glanzende haarpracht, en het sterk-vaste kijken van z'n donkere oogen.
Nu kwam hij Gerard's kamer binnen, samen met De Veer, die in uitgelaten joligheid ronddanste op 't kopergeschetter, dat van beneden opklonk. Ze trachtten Gerard over te halen om 's avonds mee te gaan naar de kermis op Zomerzorg, maar terwijl Eduard er kalm over praatte, riep Wim de meisjes bij 't raam, weer schaterlachend om 'n vuurrooden kerel, die het vaandel van 'n aanrukkende muziek-bende torste.
"Kijk, nou gaan die óók spelen, tegen elkaar in! Toe dan jongens, mooi zoo, blaas d'r maar op los! Wie 't maar 't hardste kan! Kunstmin tegen Apollo! of hoe ze heeten mogen!"
En z'n heele lijf was in beweging van dol plezier om die lollige lui, die zoo parmantig achter hun groote koperen, in de zon schitterende hoorns liepen, en tegen elkaar op bliezen met bollende wangen.
"Kunnen wij niet mee naar de kermis?" vroeg Go, ineens in feeststemming.
Gerard schudde lachend 't hoofd. "Ik denk eer, dat de dochters van je juffrouw er naar toe zullen gaan."
"Maar jij komt toch," drong Wim, "Rolands gaat ook, dan zijn we met z'n vieren."
Eduard zag Go even kijken, met vragen, met angst; ze begreep niet, waarmee ze zich zouden vermaken, in 'n tuin met 'n paar kramen en.... de dochters van hun hospita's. Maar Wim vertelde van de draaimolen, en "waarachtig kerel, je moet mee, er is 'n schiettent ook, en je kunt met halters werken." Dit stelde haar weer gerust, al vond ze het niet prettig, dat Rolands er bij zou zijn; en 't koffiedrinken met haring en wittebrood, dè tractatie van de juffrouw, verliep vroolijk en ongeregeld, omdat telkens een muziekkorps voorbijtrekken kwam, en allen dan jubelend naar de ramen vlogen.
Maar toen 's avonds het brallende gezang uit de smalle straat opsteeg, dat in woestheid en gillen aangroeide, naarmate 't later werd, had Go, alleen in de kleine kamer, toch bezorgd het hoofd tegen 't venster geleund, en starend in de duisternis met wijde oogen, vol onrust aan de jongens, aan Eddy gedacht.
Ze zat weer alleen te werken, in onvrede met zichzelf, met donkere voorgevoelens van droeve dingen, die gebeuren zouden,--stemming, waar ze onder leed, sinds ze weer hier was teruggekeerd,--toen opeens Gerard binnenkwam, 't gezicht bleek, de blauwe oogen onrustig wijd-open.
"Je moet niet schrikken, Go; ik moet je iets akeligs vertellen."
"Eddy!" gilde ze, de handen uitstrekkend.
"Nee, Hans," antwoordde hij zacht, en hij zag den wilden schrik in haar oogen zich even ontspannen, maar dadelijk, angstig weer, vroeg ze: "Wat is er dan? Is hij ziek geworden?"
"Hij is al twee dagen zoek. Z'n juffrouw is 't vanmiddag bij Beerenstijn komen zeggen. Ze was eerst niet ongerust geworden, omdat-ie wel 's meer uitbleef; maar nu twéé dagen!"
"Maar kan hij niet naar huis toe zijn?"
"Nee, Hoefman had gisteren nog z'n vader gesproken."
"God, denk je aan een ongeluk?"
"Ik weet niet, wat ik denk, Go. Je hebt 'm niet meer gezien na de vacantie, wel?"
"Nee, 'k heb 'm niet gezien. Wat moeten we doen, Gerard?"
"Ik wilde nu naar z'n kamer gaan, en daar 's alles doorzoeken. Misschien vind ik iets, dat opheldert."
"Ik ga mee, 'k ben klaar." En ze draaide de studeerlamp uit, stond even onzeker in 't duister: was dit de reden van haar onrust van de laatste weken, was dit 't vreeselijke, dat gebeuren moest?
"Maar ik geloof 't toch niet, jij wel?" begon ze buiten, weer met 'n hoopvoller stem, "hij was altijd zoo opgewekt, hè? God, 't is toch pas twee dagen.... hij kan ergens bij familie zijn."
"Ik weet 't niet.... O, vroeger deed ie 't wel eens meer. Ik heb 'n jaar met 'm samen gewoond; dan zat hij soms eerst 'n beetje stil in 'n hoek,--mopperen of klagen deed hij nooit,--en dan opeens liep hij naar de deur, waar 'n groot treinenplan hing; hij keek op z'n horloge, ging na, waarheen hij 't eerste weg kon, en dan met 'n eenvoudig: "Dag kerel. Ik moet er uit," trok hij er van door, kwam na 'n paar dagen dood-op, maar veel opgewekter weer aanzetten."
"O, maar natuurlijk; dat doet hij nu ook. En omdat hij alleen was, heeft hij 't niemand kunnen zeggen."
"Mij leek 't meer de onrust van 'n eerstejaars;.... later deed hij 't niet meer, ofschoon hij altijd aanvallen hield, dat "'t 'm te benauwd werd", zooals hij 't noemde, maar dan ging-die 'n eind roeien of fietsen, of naar 'n mooi concert;--dat hielp ook altijd wel."
Ze waren nu aan z'n huis gekomen en zagen licht op z'n kamer. "Zou hij?" hoopte Go, maar de juffrouw vertelde huilerig, dat meneer Beerenstijn boven was; wat zij er toch van dachten, "zoo'n dierbare meneer."
Ze ging met hen mee de trap op, steeds klagelijk pratend, dat hij de laatste maanden toch ook zoo schrikkelijk veel gewerkt had, altijd in de boeken, en nooit er 's uit, de heele vacantie door op z'n kamer gezeten, en 's avonds, als 'r man en zij naar bed gingen, vast nog 't licht op, en als ze 's ochtends beneden kwam, meneer dikwijls nóg voor z'n schrijftafel met 'n kop koffie en 'n bleek gezicht, waar je akelig van werd.
Otto groette verstrooid; hij zat voor de tafel met z'n hand in z'n haar. "Er liggen dagboeken," zei hij, "maar je begrijpt, dat ik daar nog niet in kijken wil; verder niets dan cahiers met aanteekeningen, van wat hij den laatsten tijd gelezen had;.... kijk maar 's even."
Stapels boeken lagen naast en op de schrijftafel; Gerard las langs de ruggen, schudde somber het hoofd: "Wat 'n zware kost allemaal, en hoe on-systematisch alles door elkaar. Wat denk-jij, Otto?"
Beerenstijn keek naar Go; ze liep door de kamer alle dingen op te nemen, als wilde ze van hen het geheim van hun bezitter te weten komen; ze staarde naar de gravures, naar de piano, naar z'n klok; en toen draaide ze zich opeens om naar Gerard: "Hebben jullie eigenlijk al 's op z'n slaapkamer gekeken?"
"Nee; waarom zouën we?" maar ze gingen toch; ze hoorde de sleutels van de kasten knarsen, en Beerenstijn's stem, die zei: "'t Is dwaasheid, hij zal zich hier waarachtig niet verstoppen;... maar och, 't kan toch nooit kwaad, en we weten niets anders meer."
"Was hij nog bij iemand geweest?"
"Het laatste bij Frieda, geloof ik. Dat is 'n week geleden. Hij was er maar even, om 'n boek terug te brengen."
"Wat zouën we nu doen? Weet niemand van 't corps iets?"
"Neerwinden is bij al z'n intiemere vrienden geweest."
Go luisterde naar de juffrouw. "Hij was 's 'n nacht om drie uur met z'n fiets uitgegaan, en om zeven vreeselijk bemodderd teruggekomen. Toen had-ie aldoor gefietst. Hij zei, dat 't dan zoo mooi was buiten."--
"We moeten 't nu aangeven," zei Beerenstijn. "'t Is wel beroerd en mal, als er niets is, maar langer afwachten..."
"We konden ook zelf gaan zoeken."
"Dat kunnen we tóch doen, vannacht."
"Toe, neem mij mee," vroeg Go beverig.
"Nee; Gerard gaat naar 't politiebureau, en ik breng je thuis. 't Zou geen zín hebben, en ons hinderen, als jíj er bij was." En hij praatte nog even zachtjes met de juffrouw in de gang, sprak af met Leeden, dat ze elkaar bij Neerwinden zouden vinden.
"Maar je dénkt toch niet?" smeekte Go, in 'n wanhopig verlangen gerust gesteld te worden. "Hij hield toch zoo van al het mooie in 't leven. Ik weet nog, dat we 's samen over 't Rapenburg liepen, en dat hij zei: dat je toch wel een ingeroest-ondankbare, onverbeterlijke pessimist moest zijn, als je, wanneer je 't Rapenburg in de herfstzon zag liggen, iets anders voelen kon dan 'n diepe, blije dankbaarheid, dat je leefde."
Beerenstijn haalde de schouders op. "We wéten op 't oogenblik niets, en 't is nutteloos ons in supposities te verdiepen. 't Eenige, dat we kunnen doen, is handelen en afwachten. En 't zou heel dwaas zijn, ons al vooruit náár te maken," en hij wierp 'n afkeurenden blik naar Go's betraande oogen.
"Waar gaan jullie heen?" vroeg ze zacht.
"Ik weet niet, ieder 'n andere richting, hier in den omtrek."
"Neem Bruno mee. Misschien weet die den weg."
"We zullen 't Eduard voorstellen; dan moet hij iets van 'm ruiken, eerst, handschoenen of zoo... Maar ik weet niet, of setters..."
"We zijn 'm 's 's avonds langs de Haarlemmertrekvaart tegengekomen;--hij liep alleen, en toen kéék hij wel somber."
"Ja, ja, we zullen wezenlijk alle kanten uit zoeken;--kom even mee!" en hij ging 'n apotheek in, bestelde Hoffmandruppels: "Dat moet je innemen, zoodra je thuis bent, en dan naar bed gaan; opblijven dient nergens toe."
Ze knikte onverschillig, praatte weer: "Op die picnic was hij toch ook zoo vroolijk, zeg, wel onrustig opeens, toen ik vroeg, wat hij wilde worden. Weet je nog wel, hoe hij toen doorsloeg, en hoe vreemd z'n oogen stonden?"
"Nee, ik heb er niets van gemerkt. Ga nu in godsnaam niet fantazeeren. Je slaat 'n mal figuur, als hij morgen weer terug komt."
"O, dus je denkt toch ook...."
"Ik weet niet. Ga naar bed. Er is niets van te zeggen. Is de winkel nog open? Zoo. Dag Go. Morgen hoor-je verder."
Ze stak maar geen licht aan, en ging stil op de sofa in den hoek zitten. Het fleschje stond naast haar, en ze besloot te wachten, tot de jongens terug waren van hun onderzoekingstocht. Slapen kon ze nu toch niet en als ze in bed lag, zou ze telkens denken, dat ze hun stemmen in de straat hoorde en geen oogenblik rust hebben.
Hans! Hansje! Het kòn toch niet. Dat lieve, fijne gezicht, en die opgewekte klank in z'n stem, en z'n lachen. En z'n hartelijke eenvoud! Hij kòn het niet hebben gedaan. Maar natuurlijk zou hij wél een ongeluk gekregen kunnen hebben, ergens buiten, waar niemand langs kwam, of in 't water zijn gevallen;--maar 't hoefde toch heelemaal niet zoo iets ergs te zijn; hij kon er gewoon weer eens uit zijn getrokken. Toch was 't iets vreemds, die onrust, vooral bij iemand die zich altijd zoo kalm voordeed. Eigenlijk was hij wel erg gesloten, ofschoon hij niet den indruk maakte iets te verbergen. Er was altijd 'n sluier van opgewekte gelijkmatigheid over z'n dieper leven heen;--God, àls hij daaronder eens erg geleden had, en geworsteld met zichzelf en nù ondergelegen. Er wàs iets onder zijn woorden, achter z'n lach; dat lag soms éven in z'n oogen, als 'n onrust; dat gleed soms over z'n gezicht, als 'n schaduw. Als z'n heele leven eens één strijd was geweest tegen 'n groeiende melancholie, als hij 's vergeefs overal had gezocht naar een waarheid, die hem bevredigen kon.
Ze begreep niet, dat ze dit alles niet vroeger had ingezien; het was eigenlijk zoo duidelijk. Alle kleinigheden, die ze zich van z'n leven herinnerde: z'n bleekheid op Eduard's examen, toen hij den zonsopgang had gezien: z'n uitgelatenheid en dán weer z'n stil-zijn op de picnic, en 't nooit éven willen bekennen, dat hij triestig of ziek was, alles wees op 'n verwoeden strijd met 'n donkere macht, die ondanks 't verzet sterker in hem werd.--En tòch:--het zou bijna bovenmenschelijk zijn, als die levens-onwil zoo groot was geweest, dat hij er nooit iemand over had gesproken, ja, juist degene geweest was, die de anderen altijd opwekte en aanzette. Was het niet tè romantisch te denken aan 'n zóó moedig volgehouden comedie tot 't einde toe;... maar de laatste weken had hij niemand meer willen ontvangen. Wellicht was tóen z'n kracht op geweest; hij had gezocht en gelezen, geen uitkomst meer gezien...
Go rilde. Ze maakte haar haar wat los, en leunde 't kloppend hoofd tegen den harden muur.
Wat er toch niet allemaal in je omgaan moest, vóór je zoo'n besluit nàm. En als 't eenmaal vast-stond, hoe vreemd 't dan zijn zou te denken, bij elk banaal kleinigheidje, dat je deedt: voor 't laatst, voor 't laatst.... Als je je liet scheren,... als je ging eten.... En dan 't afscheid van je kamer, die je nooit meer zou zien; en 't denken aan al de menschen, die veel van je houden; en dan tòch gaan, en ergens, waar 't heel stil is, gaan zitten en je heele leven, àlles nog 's overzien--en dàn--
Ze sprong op en liep de kamer op en neer: het kòn niet, het kòn niet; ze mócht zoo niet denken. Ze wist immers nog niets. De jongens waren niet terug;... misschien was hij wel naar Amerika gegaan;... de wereld was zoo groot; hij hàd de trek-lust, den zwerversgeest.---
Ze werkte het idee verder uit, ofschoon ze het zelf niet geloofde. Ze liep heen en weer en ging weer zitten, terwijl uur na uur langzaam in wachten verging. Soms doezelde ze even in, steeds haar bewustzijn bewarend, dan schrikte ze weer op, schoof de ramen open, en keek gespannen door de nacht-onbeweeglijke straat. Alleen bij den bakker was licht op, en eens kwam 'n troepje luid-pratende studenten voorbij.
Toen 't dag begon te worden, maakte ze haar haar weer op, en waschte haar wit gezicht en haar beverige handen. Het huis sliep nog, maar bakkerskarren en melkwagens begonnen in de verte toch al te rijden, en fabrieksmeiden trokken in risten naar haar werk, op trijpen pantoffels, de handen onder de uitstaande schorten.
Opeens hoorde ze stemmen onder haar raam. "Natuurlijk slaapt ze nog."
"Nee, haar raam staat open."
Ze gleed de trap af, strompelde den winkel door, waar de japonnen en jassen spokig achter de neergelaten gordijnen huigen. Gerard en Beerenstijn kwamen zwijgend binnen; instinctmatig deed ze de deur weer op het nachtslot, klom ze toen na, naar de kamer. Beerenstijn schonk haar 'n glas water in, maar ze weerde 'm af: "Is-tie gevonden?"
"Ja, bij Leiderdorp," zei Gerard zacht.
"Verdronken?"
"Nee, 'n schot."
't Was, of ze onder water zakte, haar ooren liepen vol; Beerenstijn zei iets, dat ze niet verstond, en de kamer was in 'n nevel. Toen hoorde ze z'n stem, steeds duidelijker, vlak aan haar oor:
"Niet flauw vallen. Niet flauw vallen. Hier, drink eens." Hij zette het glas tusschen haar klapperende tanden.
"Het is niets," zei ze, terwijl ze op de canapé ging zitten. "Is 't zeker?"
"Ja, er is 'n groot couvert in z'n zak gevonden aan mij geadresseerd."
"O; wié heeft 'm gevonden?" Ze verbaasde zich over haar helderheid opeens.
"Ik weet niet; er is getelefoneerd aan het politiebureau. We gaan straks nog 's hooren."
Beerenstijn had in een hoek van de kamer iets in 'n glas water gemengd. "Dit moet je eerst opdrinken," zei hij, zacht-beslist, "en dan naar bed gaan."
"Weten de anderen 't al?" vroeg ze, zonder belangstelling.
"Nee, daar gaan we nu heen. Zul-je nu naar bed gaan? Er is niets meer, waarop je hoeft te wachten."
"Nee, dat is waar," zei ze slap, de deur openend.
Op 't portaal stond de juffrouw, de oogen wijd van verbazing; maar 't drong niet tot Go door. Ze gaf Otto en Gerard machinaal 'n hand.
"Ga nu dadelijk naar je slaapkamer," beval Beerenstijn, en ze knikte, wankelde weg, dof, gevoelloos; terwijl ze de jongens zacht de trap af hoorde gaan.