Een Meisje-Studentje

Chapter 11

Chapter 114,229 wordsPublic domain

En nu kwam Go los met 'n grappig verhaal over 'n scène met de juffrouw, die geen ons boter en geen half ons vleesch tegelijk wilde halen. "We zijn nétte menschen, en voor ons zelf zouë we 't ook niet doen. Ze kijke je er in de winkel op an, en noeme je "halve-onze-juffrouw." 'n Half ons ham of rookvleesch; dat plááts ik nog... maar leverworst, of cornét-bief..."

"We wisten eenvoudig eerst niet, wat ze meende, met 'r cornét-bief," lachte Else.

"En hoe liep 't af? Némen jullie nu, om 't fatsoen van de juffrouw, 'n héél ons?"

"Nee, die onbetamelijke boodschappen doen we nu zelf...." en Go gaf reikend het vleeschschaaltje aan Lize, die stil was geworden, en met wijd-open oogen keek in de boomen en de blauw-lichte lucht.

"Juffrouwen-die-kamers-verhuren zijn de heerlijkste, vermakelijkste, interessantste menschen, die je je denken kunt," begon De Veer gezellig. "Als mijn juffrouw kwaad op me is, omdat we 's nachts herrie hebben gemaakt, of vuile boel op mijn kamer, geeft ze me olie in m'n lamp, die niet branden wil, "vergeet" me m'n brieven te geven, en stuurt alle berenleiders naar m'n kamer;.... maar heb ik daarentegen haar goedgunstigheid opgewekt, dan heeft ze allerlei kleine verrassinkjes: ik krijg 's avonds opeens 'n ommelet binnengebracht, of ze wascht m'n handschoenen.... en alle schuldeischers, zèlfs 'n deurwaarder, houdt ze met mooie praatjes aan de deur."

"Komen die dan zoo druk bij jou, deurwaarders?" vroeg Frieda, die brood voerde aan Bruno.

"Nou, zoo in 't begin van de maand, hè Eddy?" en Eduard vertelde lachend aan Go, dat hij en Wim en Rolands 'n driemanschap hadden gesloten tegen die lastige rustverstoorders: in 't begin van de maand huisde ieder op de kamer van den ander, zoodat "meneer" nooit thuis was, en ze toch niet den heelen dag in bed hoefden te blijven, of op de kroeg te hangen.

"Want je weet niet, hoe melancoliek dat maakt, als je uur na uur met je boek, met de krant, maar zoo'n beetje ligt te soezen in 't grijze licht, en telkens schrik-je wakker van 'n stem, die naar "meneer Neerwinden" vraagt, en je hoort je juffrouw, nijdiger, naarmate de dag verder vordert, snauwen: dat meneer op bed leit, dat meneer niet bij de hand is. En de kerels nijdig terug, dat ze nou al zoo lang er om loopen, dat 't nou 's uit zijn mot,... zoodat je aan 't eind ligt te rillen bij de gedachte, dat ze wel 's zouën kunnen binnenkomen."

"Nou; wat dan nog?" lachte De Veer, "als je 't nu toch eerlijk niet hebt?"

Maar Francis leidde de aandacht af, door op 'n beeldig, klein vogeltje te wijzen, dat op den grasrand sprong; ze wierpen er stukjes brood heen, en slopen zachtjes nader om 't van dichterbij te bekijken. De tafelorde was verbroken; Go snoepte klontjes suiker, en wierp er ook den hond van in den geopenden bek; Lou en Coba liepen arm in arm den kant naar Endegeest op, vanwaar 'n geheimzinnig, triestig gezang opklonk; de anderen stonden en hingen over de stoelen te overleggen, wat nu.

"Ik ga dadelijk terug," zei Lize. "Je hadt gezegd, dat 't maar 'n uurtje duren zou en 't is kwart voor twee."

Hoefman trok zich den verwijtenden toon niet aan: "Als je per se wilt, ga ik mee," en hij keek met voldoening in haar levendig gezicht; ze had haar hoed afgezet, en haar haar sprong weerbarstig uit den stijven wrong.

"Dag lui," wuifde hij, en hij voelde zich trotsch, toen ze 'm verwonderd nakeken.

"Wat wíl die kerel toch met dat meisje?" vroeg Eduard, terwijl ze den weg langs de tulpenvelden in gingen. De groote bloei was al voorbij; hier en daar wiegden nog enkele roode en witte ballonnetjes, maar er tusschen was veel kale aarde, en ze vonden ergens in 'n sloot 'n heele hoop verwelkende bloemen, die zoo maar als waardeloos waren weggegooid.

"Hoe zonde," zei Go, er bij neerknielend, maar Gerard trok haar weg: "Moet je nou in de sloot vallen, meisje, om zoo'n verrotte bloemen-hoop; kijk, daar bloeit meidoorn en wikke en convolvulus: pluk dáár liever van."

Hans en Wim waren aan 't ver-springen over de sloot, zonder stok; en Eduard ging aan den kant zitten om 'n fluitje van het riet te maken, dat schallende klank gaf over den stillen weg. Hij moest er toen ook een voor Go maken en voor Else en voor alle meisjes, behalve voor Frieda, die 't "afschuwelijk" vond, toen ze toeterend en krijschend naar 't hôtel terugkuierden.

Daar stonden de fietsen in 'n lange rij; er werd betaald; de meisjes ordenden haar haren, en met veel geplaag om Coba, die "er nooit óp komen kon," vertrokken ze in groepjes, snel wegwielerend door de hooge laan.

Go en Eduard kwamen achteraan; hij had haar fiets met de lange wikke-ranken en de geurige meidoorn opgesierd; de warme lente woei in hun lichte gezichten, en ze praatte opgetogen over den mooien weg en de aardige, wuivende boomen. Ze reden binnendoor, langs smalle kronkelende paadjes; telkens zagen ze fietsen glimmeren in de verte, en dan was 't weer weg; soms riepen ze tegen elkaar, schallend, dat de vogels schrikten.

Eduard dacht, dat Go nu heelemaal was, zooals hij haar 't liefste zag: jong, open, gelukkig, genietend van 't oogenblik, vertrouwend in het leven, in de menschen, vóór alles in hem. Hij keek haar zacht en innig aan, en voelde, dat zoo'n meisje bij de lente hoorde.

Nu bogen ze den hoek om, en opeens, langs 'n zijpad, zagen ze Rolands' klein figuurtje naast 'n rijzig "jufje" gaan, Rolands' bruin kopje vragend naar haar opgeheven, terwijl z'n beenen onzeker gingen, en z'n heele houding pijnlijke verwachting uitdrukte.

Eduard keerde zich dadelijk naar Go, zei iets van den weg, om haar af te leiden, maar hij zag in haar oogen, dat zij 't begrepen had en zweeg, in z'n hart foeterend op "die stomme, kleine nikker."

Maar toen tranen kwamen, en Go al maar zwijgen bleef, met iets zoo hopeloos-bedroefds en gebrokens in haar gezichtje, dat hij begon te voelen, wat 't voor zóó'n kind zijn moest, als ze iets dergelijks zag, boog hij zich over haar heen, zacht vragend: "Wat is er, Gootje?"

Ze schudde haar hoofd, en haar haren bewogen rythmisch op den wind.

"Ja, nu jok-je; er is wel wat. Je ziet er opeens zoo vreemd uit. Je was zoo even heelemaal anders."

"Maar 't is ook zoo verschrikkelijk," barstte ze smartelijk uit, "het was alles zoo mooi, de weilanden en de boomen, en de hééle wereld, en ik had zoo 't gevoel, dat iedereen goed moest zijn, bij zulk weer. En nu hij daar opeens, zich weggooiend, vragend aan.... op zoo'n heerlijken lentedag iets zoo leelijks."

"Maar 't is juist in de lente en met 't mooie weer, dat zulke dingen gebeuren," antwoordde Eduard zachtjes, en hij zag, hoe ze over de lichtende landen keek met 'n nieuwe gedachte in haar oogen, dat ze vaag iets nieuws voelde in de groeiende wereld om haar heen, waar ze vroeger nooit aan had gedacht, en dat ze ook niet mooi vond.

"Ik ben zoo bang, ik word zoo bang voor al dat vreemde overal, waar ik wel 's van gehoord heb, maar nooit over gedacht.... En vóór je 't ziet, heb je 't niet begrepen.--Ik voel me hoe langer hoe onrustiger, nu ik weet, dat zoo iets met een van onze vrienden gebeuren kan."

Ze streek nerveus haar haar weg; 't stuur wankelde, en hij legde z'n smalle hand naast de hare.

"Ja," zei hij zacht; "zoo zijn wij studenten;--zoo zijn we bijna allemaal."

Ze gleden voort onder de hooge boomen, de handen vlak naast elkaar. Ze voelde z'n oogen over haar gezicht gebogen, en stil keek ze recht voor zich uit. De wereld was anders, dan ze ooit had gedacht in haar meisjesdroomen; en 't geluk was anders. Het groeide in haar met toenemende pijn.

HOOFDSTUK XIV.

Go zat op de kist, die in 'n hoek van de kamer stond, maakte zorgvuldig 't boodschappenbriefje voor de juffrouw op: "Dus nog vier eieren, Elsi, en den man van de schuit waarschuwen voor de koffers... en pakpapier voor de gravures."

Else knikte, zuchtte even. "'t Laatste briefje," zei ze zacht, en opeens scheen 't haar, dat ze het toch verschrikkelijk vond haar leven hier te verlaten, dat ze toch altijd terugverlangen zou naar Go en de kamer in de kleine stad, al was 't in 'n vreemd land nog zoo mooi en interessant. Toen haar moeder voor 't eerst er over sprak, dat ze liever met studeeren ophouden moest,... over één, anderhalf jaar zou ze met Han kunnen trouwen, en wat hád ze er dan aan, of ze candidaat in de rechten was,--had ze zich eerst hevig verzet, en gehuild, dat ze hiéld van haar studie--"erg platonisch", had haar vader geplaagd--, dat ze niet weg wilde uit haar lief Leiden--, maar toen later over het plan was gesproken haar eerst 'n poos naar Brussel en daarna naar Londen, misschien ook nog naar Duitschland te zenden, om goed de talen te leeren, wat breederen blik te krijgen en zich te bekwamen in 't huishouden,--en toen de brieven met inlichtingen over families waren gekomen, en er gepraat was over uitstapjes en opera's en concerten,--had ze er langzamerhand plezier in gekregen, en zich 'n beetje "grande dame" gevoeld tegenover de andere meisjes, die altijd stil hier zouden blijven; en prettig ook met Han erover gepraat, dat ze nu een echt huisvrouwtje ging worden, dat dat toch beter was dan geleerdheid. Maar nu.... nu haar kisten al voor 'n deel naar huis waren gestuurd, nu de kamers rommelig en ontredderd waren, en ze samen in den schemer 't laatste briefje voor de juffrouw zaten samen te stellen en ze straks voor 't laatst met Han langs de stille grachtjes loopen zou, voelde ze zoo'n wijden weemoed om het heerlijke jaar, dat voorbij was, dat ze álles had willen geven--Brussel en Londen en alle grootsche weelde,--om hier te kunnen blijven, met Han en Go, tusschen de jeugd, tusschen de vrienden, in de bescherming van de oude huizen.

"Och," zei Go, "je moet maar denken: 't afscheid is voor ons eigenlijk 't zelfde; of je nu voor altijd gaat, of voor drie maanden;.... 't is iets, dat je niet kunt overzien. En in deze kamers zitten we allebei voor 't laatst."

"Ja, 't is jammer, dat jij niet alleen blijven kunt."

"Ja; maar 'n tweede meisje is zoo moeilijk te vinden, en zoo'n meneer altijd vlak naast me.... nee, 'k ben érg voor coëducatie, maar 'k zou 't niet gemoedelijk vinden."

"Och.... als-tie aardig was."

"En dan wil ik liever ook maar dit jaar heelemaal apart houden. Nu begint er weer iets nieuws. Ik zou je veel te erg missen, als ik hier bleef op ónze kamers."

"We zullen nu wel nooit meer zoo samen zijn," peinsde Else... "Je komt natuurlijk wel 's bij ons logeeren, maar dat is toch anders... We hebben 't altijd vreeselijk goed met elkaar kunnen vinden, hè; we hebben nóóit gekibbeld, we zijn nooit boos op elkaar geweest."

"Nee," en Go dacht aan dien keer, toen Els met Eddy geflirt had, en zij zoo onredelijk was geweest. Goeie Elsi, ze vergat zulke onaardigheden altijd dadelijk. En ze had nooit gezinspeeld op de verhouding met hem, nooit geplaagd...

"Ga nu maar naar Han toe, anders laat je 'm nog wachten voor 't eerst en voor 't laatst... Ik moet nog gaan spreken over het bewaren van m'n planten, en dan naar Lize."

"Gootje," zei Else zacht, met ongewoon ontroerde stem, "hier is 't allemaal voor me begonnen, dien avond voor den spiegel, toen hij opeens binnenkwam... En je hebt 't allemaal meegemaakt, en nu gaan we gauw trouwen. Je bent altijd erg lief voor me geweest." En na 'n woeste omhelzing draaide ze zich opeens om, en als beschaamd over haar weekheid, riep ze: "Dàg!" en vloog de deur uit, terwijl Go glimlachend zuchtte: "Schat, ik zal je zoo missen."

Toen zette ze de melk, 'n glas, 'n ei, den klutser op tafel klaar, voor 't geval, dat Else vóór haar mocht thuiskomen, ging stil de kamer uit.

Er lag dien avond 'n drukkende melancolie over de grijze stad. Voelde ze al, dat de jeugd haar weer ging verlaten, en drukte haar nu opeens het gewicht van haar hoogen ouderdom, omdat het nieuwe geslacht, dat haar altijd jong hield, weer wegtrok? Of was 't het verdriet van de scheiding in alle jonge harten, dat de lucht zwoeler maakte en de kleuren doffer? Het hielp niet, of Go al diep zuchtte om zich te bevrijden van het benauwde gevoel; de weemoed in haar vermengde zich met den weemoed van de omringende dingen, en ze voelde, hoe bijna achter ieder licht raam nu één dacht aan 't scheiden: "scheiden thut weh," één gebogen zat over z'n koffers, zwaar van gedachten aan 't jaar, dat voorbij was. Maar er zouden er toch ook zijn, die blij waren naar huis te gaan. Ze vond het ellendig, dat zij niet blij was. Daar waren vader en moeder en de kinderen allemaal, en ze verheugden zich, dat ze nu weer 's 'n poos in hun midden zijn zou; moeder zou vanavond stralend aan de theetafel zeggen: "Morgen zijn we weer met ons tienen, kinderen"--en zij zag er tegenop weer onder die menschen te moeten leven, die toch allen zooveel van haar hielden; ze huiverde terug voor de degelijke gezelligheid, de stille regelmaat, en vond 't punctueele irriteerend en banaal. Wat zou arm moesje bedroefd zijn, als ze wist, hoe ze in 'n jaar haar al was ontgroeid! Hoe zou ze zelf in zoo'n verandering hebben kunnen gelooven, zij, die negen maanden geleden snikkend uit het ouderlijk huis naar den vreemde trok? Alle leven was haar vlak en onbelangrijk geworden, vergeleken bij het hevig-genietende, diep-rampzalige, altijd-in-uitersten-zich-bewegende om haar heen. In dit jaar was ze gaan begrijpen het studentenleven, dat haar eerst alleen iets grappigs, iets van pret maken had geschenen; dat ze nu voelde in z'n jonge kracht en z'n verwording, met z'n idealen en désillusies, levensmoed en wanhoop, altijd heel groot en heftig, heerlijk of afschuwelijk. O, ze vóelde, dat ze het stadje liefhad, zooals ze nog nooit 'n stad had liefgehad. Ze liep nu afscheid te nemen van ieder huis, van de boomen, van het water, van de brugjes, van de lantaarns. Op elk plekje was immers 'n lieve herinnering aan iets, dat ze dáár had gedacht of gehoord of gezien. Van allerlei huizen wist ze immers: daar woont die, of heeft die gewoond; en het water, waar de vrouwen hun goed in uitspoelen kwamen, waar 's ochtends de kleurige groenteschuitjes door voeren, en 's avonds de motorbooten, de bruggen waarschuwend met schetterenden hoorn--had ze het niet bewonderd van den eersten dag af?

Nu liep ze langs den Witten Singel, staarde peinzend naar de sterrenwacht, die haar altijd 'n geheimzinnig kasteel had geleken; het was zoo donker en plechtig onder de dik-bebladerde kastanjeboomen, dat het scheen, of ze in 'n kerk liep, en ze zei: Nu moet je naar Lize, je loopt al zoo lang maar rond;--voelde toch ook, dat ze zóó niet bij haar zou kunnen werken.

Om haar gedachten af te leiden begon ze zich af te vragen, of ze dit jaar met haar studie nu wel genoeg was opgeschoten; en dàt bracht haar de grappige herinnering van de eerste maanden van samenwerken met Coba en Lou. Ze kenden elkaar toen nog heel weinig, maar hadden afgesproken eens in de week bij Coba of Go op de kamer bijeen te komen. 's Middags gingen ze dan al vast koekjes en andere lekkernijen koopen, en 't begin van den avond was: theedrinken met koekjes en vroolijkheid. Dan werden om 'n uur of acht alle mogelijke wichtige boeken bij elkaar gehaald: Franck's etymologisch woordenboek en mittelniederländische grammatik; Stoett; Uit de geschiedenis der Nederlandsche taal; Den Hertog; Braune.... en na eenig gekibbel begon er één 'n bladzijde van den middelnederlandschen tekst voor te lezen. Maar dan kwam de groote moeilijkheid. Soms vonden ze elk wóord "der aandacht waardig," grepen ieder naar 'n boek om te kijken, of er iets over te vinden was, en hun wijsheid door elkaar mee te deelen. Dan weer scheen hun alles dood-eenvoudig,of verwezen ze elkaar voortdurend naar 't middelnederlandsch woordenboek. Ze konden elkaar soms minuten-lang diepzinnig zitten aanstaren om den een of anderen duisteren regel te doorgronden en dan opeens alle drie te gelijk in lachen uitbarsten, omdat ze zoo bespottelijk geleerd deden. 't Was hun onmogelijk geweest zichzelf au sérieux te nemen, wanneer ze in al die dikke boeken zaten te kijken; technische termen vonden ze allervermakelijkst, en zeiden ze nooit zonder de professorsstem na te doen, en om negen uur stormden ze ziels-vergenoegd de deur uit om zich 'n beetje te verfrisschen van de inspanning en melk of limonade te gaan halen, ondertusschen elkaar op de gelezen regels vergastend. Als ze terug waren, begon er weer een te lezen, terwijl de anderen chocolademelk brouwden, of kastanjes poften, wat door alle drie zooveel belangrijker werd gevonden, dat èn Stoett èn Franck, èn Braune èn Den Hertog als zitplaats werden gebruikt om in de melk te kunnen roeren, en op de mooie, roode kaft van de Geschiedenis der Nederl. taal brandplekjes schroeiden van de gepofte kastanjes. Als ze om tien uur samen Lou naar den trein brachten, zeiden ze telkens weer, dat 't zoo toch niet ging, en Lize werd den volgenden dag bestormd met de vreemdste vragen: Hoe je aan 'n woord zien kon, of er wat van te zeggen was? En hoe je dan kon weten, waar je het op moest zoeken?...

Eindelijk had Lize bedacht, dat het 't beste was, als ze hen eerst 'n beetje op weg hielp. Voor haar zelf was 't een goeie oefening, en 'n proef, of ze er nu wezenlijk wat van wist, en zij zouden er dan misschien een beetje kijk op krijgen. En het was beter gegaan van den eersten avond af; wel kon er soms iemand niet respondeeren, omdat ze 'n vollen mond had, en moest de lezing onderbroken worden, om op te staan voor 't laatste koekje; maar er werd ook flink gewerkt, Lize "rook", bewonderde Coba, als er over 't een of ander woord iets in Franck of Stoett stond, en ze zouden nu dezen avond hun tweede middelnederlandsche tekst ten einde brengen.

Maar ook bij Lize in de kamer hing de doffe treurnis.... Er was nog geen licht aangestoken, en de meisjes zaten en lagen zwijgend bij het open raam, starend op den kalen muur en het stukje violetten hemel er boven.

"Ik dacht, dat ik veel te laat was; ik heb nog overal rondgeloopen," zei Go.

"Ik weet niet, hoe laat 't is; ga ergens zitten."

"In de vensterbank maar; God, wat is 't zoel vanavond."

Lou speelde met Go's boeken. Ze was de kinderlijkste en de jongste van allemaal, had ook, omdat ze thuis was gebleven, minder den invloed van 't studentenleven gevoeld.

"We zullen nu maar niet werken, hè?" zei ze droomerig. "We zijn vanavond voor 't laatst bij elkaar, en kunnen 't morgen zelf wel even uitlezen op de bibliotheek."

Lize knikte. "Ik ben ook zoo suf in m'n hoofd; ik had moeite te bedenken, wat ik in m'n koffer moest meenemen."

"Ga-jij morgen ook?"

"Ja, Vader heeft me geschreven, dat ik moest komen."

"Ik ben toch blij, dat we hier nog 's terugkomen voor die pic-nic van Laborando vincimus," zuchtte Coba.

"Ja, dolletjes," fluisterde Lou, maar Lize zei, dat ze niet wist, of ze meegaan kon. "'t Hangt er van af, of ik weg kan, hè; er schijnt weer iets met de meid te zijn."

"O, maar je moet mee; 't zal zoo prettig zijn...."

"Och, ik ken de menschen zoo weinig.... ik hoor er niet bij."

"En òns dan, en Else en Hoefman...."

"Ja die, maar die is zoo vreemd. Laatst ging 'k met m'n koffertje naar 't station, 't was niet eens zoo erg zwaar. Daar kwam hij me opeens achterop en wou 't dragen. Nu, ik vind 'm niets geen reus, ben zelf misschien sterker. Ik zei, dat ik 't liever niet had,.... maar hij, o, lieve hemel, of ik er van breken zou, of 't iets ongehoords was... Nou, dat 's aanstellerij. Ik heb 'm wel 's wat van thuis verteld, en dan kan hij weten, dat 'k wel 's moeilijker dingen te doen heb, dan 'n koffertje te dragen."

Ze haalde de schouders op, en streek met haar handen over haar moe gezicht. Toen leunde ze haar hoofd op de ellebogen, en bleef naar buiten zitten kijken, in de lucht, waar langzaam sterren doorkwamen.

"Wat is 't hier stil," zei Lou, "is je juffrouw uit?"

"Ik weet 't niet. 't Is niet gehoorig hier."

Ze zwegen weer, dachten allen aan de toekomst, die zoo dicht bij scheen op zoo'n avond; zochten de profetie van hun leven in den muur en de sterren. Go verlangde naar Eddy: hoe zouden ze elkaar nog nader komen? Was zij niet 't eenige meisje, van wie hij notitie nam; was 't niet iets van-zelf-sprekends geworden, dat ze altijd samen waren? En zou dit eindigen in 'n engagement, 'n huwelijk? Ach, die dingen waren zoo ver, en daar gaf ze nog niet om;.... als hij maar van haar hield, als ze maar voor 'm zorgen mocht... Ze had er nog over gedacht 'm te vragen eens te komen in de vacantie, maar ze dacht toch, dat moeder 'm niet aardig vinden zou;... zeggen zou, dat-ie meer moest werken;... ledigheid maakte melancoliek...

"Leise flehen meine Lieder... durch die Nacht zu dir...," zette ze onwillekeurig even zacht in; zweeg toen, benauwd door den weeën weemoed.

"Hè, wat is dit toch eigenlijk 'n lam weer." En Coba rekte zich uit in ongeduldig zuchten. "Je kunt niets, je weet niets, je hebt alleen maar 't land. Vanmiddag heb ik met mevrouw in de populierenlaan bij Poelgeest gewandeld;... en daar verlangde het toch zoo;... ieder blaadje hing te trillen van verlangen;... je werd er akelig van... Ik heb tegen mevrouw gezegd: Als we hier niet dadelijk uitgaan, word ik gewoon gek."

"Maar je bent immers morgen weer thuis," troostte Lou, die hierin het geneesmiddel voor alle verdrietelijkheden zag.

Maar de anderen antwoordden niet. De kamer was vol angst en verlangen.

Den volgenden middag kwam de wagen voor, die Go's boeltje naar de nieuwe woning zou brengen. Else was 's ochtends al vertrokken, nu weer kalm en correct, in het koele morgenlicht; en Go zat alleen op de tafel zonder kleed te noteeren, hoeveel stuks uit werden gedragen. De deuren stonden open, en 't gejoel uit de gang klonk jolig door de kamer. De kinderen vonden 't een pretje, liepen glunder lachend de dragers in den weg, en Go was teleurgesteld, dat het zelfs Joostje niet schelen kon, dat "tante" nu weg zou gaan. Ze ergerde zich, dat zij zich zoo gehecht had aan menschen, wie haar vertrek absoluut niet raakte; ze moest lachen, omdat ze zich had verbeeld, dat de juffrouw wezenlijk "moederlijk" voor haar was gaan voelen. Voor háár immers 'n ander, en heeren waren makkelijker; en terwijl ze noteerde: kastje in twee stukken; bureaustoel; studeerlamp, stelde ze zich voor, hoe over 'n paar maanden hier weer 'n huishouden zou worden binnengedragen, onder dezelfde blije belangstelling van de kinderen;--'t was 'n komen en gaan, een onrustig rond-getrek in de stad, waar de jeugd geen "thuis", geen vaste woonplaats had: ze gingen allemaal van kamer tot kamer, kwámen vol verwachting, scheidden in leed...

"Is dat alles, juffrouw?" kwam de man vragen, en Go keek na door 't raam, hoe de wagen wegschokkerde, 'n kantelig tafeltje bovenop; en dan opeens, met tranen, wendde ze zich af, sloot de deur, en ging lang-uit op de oude canapé liggen. Dit was het laatste uurtje met haar kamer alleen; de city-bag stond al klaar, met kleinigheden, die ze nog mee naar huis moest nemen;... de wanden waren leeg, met nijdige prikken in 't behangsel,... prikken van versieringen van vroegere heeren, prikken, die ze zelf had gemaakt;--en ze peinsde, hoe de kamer nu weer worden zou, en wie er nu zou komen leven, en knikte ieder meubel nog 's vriendelijk toe: "dag goeie, groote kast, dag tafel, wat ben-je bekrast, ouë; en jij, m'n líeve canapé, wat zou ik je graag hebben meegenomen."

De kinderen speelden in de gang met de houtwol en de papieren, die waren blijven liggen. Ze gaf er niet om, ze nog goeiendag te zeggen; ze was hun toch een vreemde gebleven.

Maar de kamer, daar zou ze voor 't laatst nog 's heel vertrouwelijk mee zijn; daar zou ze zich dit uurtje nog 's heelemaal aan geven.

En ze lag en keek. Alle dingen spraken van herinneringen.

HOOFDSTUK XV.

"Hallo!" schreeuwde De Veer, en zwaaide met z'n kussensloop, toen hij de coupé, waarin Go en Else en Lou zaten, in 't oog kreeg.

"Prachtig weer; kom er uit, dames," ontving Gerard, "kijk, daar zijn de anderen."

"Maar Wim, wat zit er in dat sloop van jou? En o, kijk Hans, dat is nog gekker, die zak met roode ruitjes.... Je bent precies 'n boer."

"Verrassingen, verrassingen! waar hebben jullie je fourage? mag ik 's ruiken aan je koffertje, Elsi? En 'n blikje...'t is verleidelijk."