Chapter 10
"Wel, dat is aardig, Margo, dat je nu eindelijk weer 's komt... Ik heb al lang naar je uitgezien;--maar wat is er? Scheelt er wat aan? Je ziet zoo bleek."--
Go's oogen vlogen nerveus door de groote ouderwetsche kamer, met het stemmige eikenhout en de koele familieportretten, keken dan naar het rustige kind, dat zoo paste in die omgeving, koel-vriendelijk, verstandig-onderhoudend, en met toch iets droomerigs in de donkere oogen van veel denken in 't verleden.
En ze voelde zich onharmonisch, 'n wanklank in die rust, en starend in den ouden tuin met veel klimop en vochtig-donker, zei ze beverig: "Elsi is ziek, al van Maandagnacht af."
"Maar 't is nu pas Donderdag;.... dat is nog niet lang," en Go verbaasde zich: 't was waar, en 't leek zoo'n eeuwigheid...
"Maar wat scheelt je nichtje, en wat zegt de dokter?"
"We hebben geen dokter, dat wil ze niet;... ze heeft hoofdpijn en ze eet niet,--en koorts 's nachts."
"Ze zal kou gevat hebben; er zijn op 't oogenblik zooveel menschen ziek; de heele stad door; m'n broer is ook pas beter.... Hoe is 't mogelijk met dit weer, hè? 't Komt zeker van de dikke nevels 's avonds, maar overdag is 't zalig, vin-je niet?" Ze praatte door met haar aardige stem, vroeg, of Go naar de comedie was geweest, Maandag;--ze vertelde van 'n reisje in de kerstvacantie en 'n voorstel tot reglementsherziening op de club. Toen Go opstond, hield ze hartelijk even haar hand vast: "Je moet je niet ongerust maken over je nichtje; in 'n paar dagen is ze weer beter;.... haal anders even den dokter, als je dat kalmer maakt."
Go knikte, bedankte; die menschen begrepen niéts; die meisjes, die zelf in 'n veilig huis woonden met vader en moeder altijd beschermend om zich heen, konden zich eenvoudig geen voorstelling vormen, hoe je kon zitten tobben op 'n paar gehuurde kamers, waar je gebrek aan alles, ook aan 't eenvoudigste, hadt; waar je geen lekkere kostjes voor je zieke kon krijgen, waar je geen warme pap of 'n kruik voor ze maken kon; waar het huishouden met drukte en hinderlijk gebel vlak bij je doorging, al was ze nu juist eindelijk 'n oogenblikje in slaap gevallen.
Haar kon niet iemand helpen, die 't niet zelf 'n beetje mee had gemaakt, en ze had nog meer aan de jongens en hun hartelijkheid-zonder-ondervinding, dan aan zóó'n familie;--de juffrouw zou ook boos zijn, moest de soep hebben gevonden, waarvan Else niets had gegeten;... ze was nu wel heelemaal zonder steun. Ze dacht eraan naar 'n professor te gaan; Van Hoof was altijd zoo aardig, zoo'n menschelijke man, en hij had er zich zoo voor geïnteresseerd, toen ze vertelde van hun kleine ménage;... z'n vrouw zou misschien--maar alle menschen waren zoo rustig en kalm en wijs en deftig hier, en ze voelde zich zoo opgezweept, ze was alle gevoel van proportie kwijt; ze verbeeldde zich, dat Else levensgevaarlijk ziek kon zijn, ze stelde zich voor, dat 't iets héél ergs was;... 'n bordje blikkerde in haar oogen: Arts; ze had al aangebeld, voordat ze er zich rekenschap van had gegeven, de meid trillend gevraagd, of de dokter vooral, vooral dádelijk na z'n spreekuur komen wilde;--en nu was ze weer op weg naar huis, 'n beetje moe, 'n beetje verbaasd, bang voor boosheid van Han of Else;... en verbeeld je nu 's, dat ze al 'n heeleboel beter was...
De juffrouw stond met Lou en Coba in de voorkamer te praten, en ze zwegen allemaal, toen ze binnenkwam.
"Heeft ze nog iets noodig gehad?"
"Nee, ze ligt stil; ze heeft erge pijn overal. Komt Mies 'er moeder nog?"
"Nee, ik heb den dokter gehaald."
"Wie?" vroeg Coba, maar dat wist ze niet; had niet naar den naam gekeken.
"Of u gelijk heb," knikte de juffrouw voldaan, "mijn beviel de juffrouw niks;... dat is maar: ik lus niks, en ik wil niks; dan mankeert er wat van binnen.... En 'n dokter weet toch meer as 'n ander, daar is-tie dokter voor."
Lou en Coba gingen nu weg met hartelijke wenschen en handdrukjes, terwijl Go naar de kamer van Else ging, gevolgd door de juffrouw-in-actie, die 'n sprei op 't bed wilde leggen, en de kamer wat netjes maken en de patiënt moest 'n schoone nachtpon aan: "ja, guns, voor de dokter,"--en Else weerstreefde niet, liet met zich doen als 'n kind, knikte, dat 't goed was, ja, 't moest wel; ze werd eer erger dan beter.
Go had Han en Gerard weggestuurd; 't stond zoo mal, als de dokter kwam, en er zat zoo'n heele gemeente. Ze bleven op de gracht heen en weer loopen, telkens inkijkend door 't raam, of hij er nog niet was, vingen Eduard en Lize, en Coba en Francis en Beerenstijn op, die allemaal belangstellend wilden komen vragen, zoodat er 'n lange rij voortdurend heen en weer trok onder groote belangstelling van de buren, daar ze in hun jeugdige luchthartigheid allemaal, behalve Han, zoo nu en dan de ernst van 't oogenblik vergaten.
Go kwam soms voor 't raam, met roode wangen, de schouders ophalend; dan liep ze weer heen en weer, bedacht, of ze zich voorstellen moest,--ze wist zijn naam ook niet,--of dat ze maar ineens beginnen zou met 't verhaal, hoe alles zich had toegedragen;--ze moest vooral opletten, dat Else 'm alles zei van de beenen en de kramp en het benauwde gevoel in haar maag soms.--
Om half vier werd er gebeld. De juffrouw, met 'n schoone schort voor, kwam opgewonden vragen, wat ze doen moest, "als 't den dokter was...."
"'m Hier binnen laten," zei Go beverig, en ze schudde afwerend 't hoofd tegen Gerard, die even tegen 't raam tikte: "daar istie."
't Was 'n vriendelijke, oude, gemoedelijke man, die rustig naar 't nerveuze verhaal zat te luisteren, toen opgewekt vroeg, de patiënt eens te zien. Achter in de gang stond de juffrouw met de jongste op den arm, de anderen om haar heen, de gebeurlijkheden af te wachten, knikte Go bemoedigend toe, toen de dokter de slaapkamer inging.
"Geen eetlust--nee, pijn in de beenen zeker; armen ook? 'n Beetje."--"Hoe weet die man dat zoo precies," dacht Go in bewondering,--"wat koortsig; ja; je hebt influenza, beste kind; maar flink onder de wol blijven. Reizen, morgen? Nee, geen kwestie van; deze week je bed niet uit;--Zondag misschien wat in de voorkamer; oppassen voor kou vatten, verder geen gevaar bij. Nee, juffertje, jij hoeft je niet zoo op te winden, hoor,"--en hij gaf Go gemoedelijk 'n tikje op de ijskoude hand;--"dat is de volgende week weer in orde. Ik zal 'n drankje geven, 'k kom Zaterdag nog 's terug"....
Go bedankte 'm in de gang, huilend bijna: "Ik ben zóó ongerust geweest,"--en zoodra hij de deur uit was, brak de heele wachtende schare van buiten en de juffrouw met vele kinderen de voorkamer in.
"Wel, wat zeit-ie? Wat is 't?"
"Ze heeft influenza," verklaarde Go triomfantelijk; "'t is 'n allerliefste man, en het kan niets geen kwaad, als ze erin blijft. Hier is 't receptje."
Beerenstijn nám het, studeerde er zwijgend op.
"Is dat om te éten?" vroeg de juffrouw, "zei die ook nog, dat ze iets bizonders moest hebben? Ik ken alles klaarmaken."
"Lichte kost--kalfsvleesch en iets frisch..." fantazeerde Go, "maar ze mag natuurlijk niet naar huis, Han."
"Ik ga vanavond zelf even naar Den Haag, het aan haar moeder vertellen; dan schrikt ze niet zoo."
"En wanneer komt-ie terug? Begrijp-u, wat er op staat?" informeerde de juffrouw bij Beerenstijn.
"Ze zal er wel beter van worden... ik breng 't dadelijk zelf weg," antwoordde hij, met 'n sfynxig lachje.
"Zaterdag zou-die weer komen; ze mag Zondag misschien wel 'n beetje op," vertelde Go, "maar laten we 'r toch niet zoo lang alleen laten liggen."
"Ik ga mee naar de apotheek; adieu!" zei Eduard, en Go keek 'm voor 't eerst weer's gelukkig aan, nu de angst haar vrij liet, dankbaar, dat hij zoo lief was.
"Ik kom nog vertellen, hoe 'k ze in Den Haag heb gevonden." Han reikte Go 't briefje, dat hij snel in 'n hoekje nog even had geopend.
"Kan ik nu alleen niets doen?" vroeg Gerard, "weet je nu wezenlijk niets te bedenken? Ik ben tot alle boodschappen bereid."
Go dankte: "Jullie zijn allemaal zoo aardig, jullie nemen me alles uit de hand."
"Neem nu vannacht 's goed rust," raadde hij bij 't afscheid nemen, "je ziet er zoo dood-moe uit, en nu ben je toch niet bang meer... Gaan jullie misschien mee, meisjes?"
"Mogen we even bij Elsi?" vroeg Francis, "ik zal nu niet zoo uitgelaten zijn, als de vorige keer."
In de slaapkamer vergaderden ze nóg 's "en petit comité": de juffrouw met de twee oudsten, Coba, Francis, Lize en Go. Else lag 'n beetje te lachen, gerustgesteld, maar verveeld, dat ze vast niet voor Zondag er uit mocht.
"Ik geloof wel, dat ik niet eens kan; maar 't is toch 'n akelige boel."
De juffrouw knikte veelwetend, en troostte: hoe lang influenza soms duren kon....
Go vertelde nu nog 's precies, wat de dokter gezegd en gedaan had; ze voelde zich zóó opgelucht, dat 't haar was, of Else eigenlijk al beter was; en ze stonden allemaal tevreden en rustig bij 't licht van de kaars om het bed, en praatten over ziekten van henzelf en familie, en dat je toch ongerust was, als je niet wist, wat 't was; altijd weer eindigend in de tevreden beschouwing: dat ze het nu wél wisten en daarom allemaal zoo kalm en voldaan waren.
Om tien uur den volgenden ochtend kwam tante, in 'n keurige japon met 'n opgewekt gezicht, en nam, zonder eenigen pathetischen uitroep van zorg en ongerustheid, Go's plaats aan het bed van haar dochtertje in.
"Dat leek me toch gezelliger," zei ze met 'n vriendelijk knikje, "en bovendien was zoo'n oppas voor jou alleen veel te zwaar.... Else is niet zoo'n heel makkelijk patiëntje, hè kindje;--en je ziet er wezenlijk miserabel uit. Vanmiddag gaan Han en jij maar 's samen 'n flink eind loopen...."
Mevrouw Gerzon sliep nu in Go's bed, die zoolang 'n kamertje boven betrok. Het heele huishoudentje veranderde oogenblikkelijk onder leiding van 'n "moeder", en Go was er verrukt over, dat de kamers opeens zoo'n ander aanzien hadden gekregen, nu tante met 'n handwerkje naast de kachel zat, nu zij 't vleesch sneed, of 's avonds achter 't theeblad troonde. 't Werd volmaakt, toen Zondag Else wankelend en langzaam, 'r bleek hoofdje bijna verdwijnend in de kraag van de wijde cape, de kamer binnenkwam, die feestelijk was met bloemen en alle lichten aan, en waar Han wachtte, die z'n "kleine vrouwtje" zoo dankbaar in de armen sloot, en zóó vol verrukking haar telkens in 't vermagerde, fletse gezichtje staarde, dat Go zich bekende, dat hij toch wel veel méér en wezenlijker van haar hield, dan ze had gedacht.
Hij mocht dien middag blijven eten, en er was taart en wijn en dessert, en tante stuurde 'n heele bezending naar boven voor de juffrouw.... en de volgende dagen was er telkens bezoek, dat keurig ontvangen werd, en gezellig onderhouden; elken avond was de kamer vol jongens- en meisjes-vrienden, en tante was allerliefst, vond het aardig ze allemaal ook 's te leeren kennen, liet zich vergoden door Coba en Riek, die bloemen aan haar brachten, en gaf den jongens huiselijken, hartelijken raad; toch ook blijvend femme du monde, die au courant is van opera's en concerten en tooneel. Eduard vond ze "charmant", z'n gentlemanmanieren voortrekkend boven Gerard's rondheid; en Go droomde hem al 'n lid van de familie, als ze 's avonds in 'n kring zaten onder het licht, Han en Else bij elkaar; zij met hun drieën om de tafel, en zijn stem afwisselend met die van tante door de stilte.
"Gaat u wezenlijk morgen weg, mevrouw?"
"Ja jongen, m'n plicht is hier volbracht--Else heeft me niet meer noodig." En ze keek lachend naar 't dochtertje, dat stoeide over de canapé.
"U moest maar altijd blijven," vleide Go, "het is zoo prettig."
"Of jullie je vrijheid niet liever hebt! Waarom loop-je anders weg van je ouders?"
Er was 'n beetje bitterheid in haar lieve stem; ze had de laatste dagen weer zoo gevoeld, dat Else haar eenige was.
"Maar tante, u weet toch..."
"Welke ouders kunnen hun kinderen altijd bij zich houden," peinsde Eduard. "Ze studeeren--of ze trouwen; dat komt op hetzelfde neer."
"En mijn dochtertje doet allebei: eerst studeeren en dan trouwen," tante lachte alweer. Maar Else had Henri 'n papieren muts gemaakt: "Hoe vin-je 'm!" juichte ze jolig.
"Zijn jullie altijd zulke kinderen? Elsi, denk toch aan je waardigheid als student."
Maar zachter zei ze toen tegen Go en Eduard: "Misschien doet ze 't eerste ook niet."
HOOFDSTUK XIII.
Nu was het overal lente en iedere dag was 'n feest.
Dat begon al 's morgens vroeg, als ze wakker werden van het vroolijk geklok van de kippen op 't zonnige plaatsje, en 't rinkelen van 't gordijn, heen en weer bewogen door geurige koeltjes. 't Was nu 'n plezier dadelijk uit bed te springen, en te plassen en te stoeien met water, tot je heelemaal lekker frisch en lenig was.... En dan 't binnenkomen in de huiskamer, waar de tafel, mooi-wit, voor hun tweeën stond gedekt, het glimmende trekpotje op 't comfoor met doorschijnende glaasjes. Dan moesten ze lachen tegen elkaar van louter vreugde om hun heerlijk huishoudentje, in die aardige kamers; dan scharrelden ze zonder veel praten innig-vergenoegd 'n beetje rond, om eieren te koken en de bloemen te verfrisschen; en staken de jonge hoofden uit 't raam in de koele morgenlucht om te kijken, of hun zwanen nog niet aan kwamen drijven. Die gleden statig op 't lichtende water, zon over den blanken staart, en bleven stil voor 't huis, de koppen in trotsche in-zich-zelf-gekeerdheid gebogen, ongevoelig in hun afwachting, als 'n beest van papier-maché.
Else en Margo liepen de deur uit, de handen vol brokjes brood, en wierpen ze in 't water, en zagen, hoe ze ze oppikten, terwijl de duiven van den overbuurman jaloersch begonnen te fladderen.
Als 't carillon negen speelde, moesten ze hollen naar college; ze stormden op tegen de hooge brug, dat ze zwiepend neerveerde in 't midden, ze sprongen de stoepjes op en af, hijgden binnen met warm-roode wangen. Ieder scheen nu levendiger en helderder te zijn, en er was 'n eenheid van geanimeerde belangstelling. De professor sprak bezield; de jeugd was open om z'n woorden op te nemen. In den ouden tuin zag Go de knoestige pereboomen met 'n sluier van blanke bloesems getooid, en overal werkten kleine, groene puntjes zich open aan de struikjes. In 't vrije kwartier ontplofte de wetenschap-spanning in 'n jubelend gejoel vol uitgelatenheid; de meisjes, enkel in hun japon, meestal zonder hoeden, speelden krijgertje om de groote, oude kerk, waarvan de kleine, groene glaasjes in de zon schitterden. Als er één goed gerespondeerd had, werd er op koekjes of caramels getracteerd bij de "snoepjuffrouw" 'n paar huizen van college; en het zakje ging van hand tot hand, opdat 't leeg zou zijn, wanneer ze weer naar binnen moesten.
Onderwijl liepen de jongens, bezadigder, op het Rapenburg aan den zonnekant kalm heen en weer en rookten sigaretjes, vaderlijk glimlachend als de uitgelaten meisjesschaar hun lachende voorbij trok.
Eén ochtend, dat 't buitengewoon mooi was,--je zag, je rook, je hóórde de lente,--waren ze in 't vrije kwartier met z'n allen naar den hortus getrokken: niet alleen de meisjes van het tuinlokaal, maar ook de candidaten van boven en de twee classicae, die enkele colleges in de Kloksteeg hadden.
Alle boomen stonden te trillen van verwachting, alsof het wonder dadelijk gebeuren zou; er was geen wind, en de lucht zóó overvol van geur en zoelte, dat ze scheen te zullen bréken bij de minste beweging.
Ze liepen allemaal stil langs de perken, waar de lilas crocusjes stonden, en de blanke akermannetjes, groen gestipt; en ze gingen met hun handen tegen de bottende boomen, en over de kleine struiken; het water lag in de zon; neuriënd en diep-ademend liepen ze door 't rots-partijtje, en gingen even op 'n bank zitten bij de groen-glazige serre.
De oude tuinman, die toegewijd z'n kleine potjes in de zon droeg, knikte vriendelijk van: "heerlijk weertje," opende daarna gedienstig het hek;.... maar toen ze op 't Rapenburg liepen, nog stil-gelukkig om de mooie wereld, speelde het opeens kwart-over, en met gilletjes van schrik en kinderlijke pret hólden ze op de groene deur toe, de kille gang door, bleven dan huiverend staan voor 't gesloten lokaal, waar de professorsstem al uit opklonk;--en eindelijk, binnendringend, verlegen en buiten adem, zagen ze de eerste rij stoelen open, hun cahiers op de verlaten tafeltjes, en ze begonnen te lachen, en de jongens proestten, en de professor lachte ook, en keek op z'n horloge, en naar 't stoffige raam, waar de zon zoo tergend-mooi door schilferde,.... en, even z'n hoofd schuddend, recapituleerde hij nog maar 's, wat hij zooeven gezegd had.--
Dan--'s middags na college--werden groote wandelingen gemaakt. Eerst was 't geweest om de eerste elzekatjes en 'n enkel, kortstelig madeliefje te zoeken, uitglijdend op den weeken grond aan de slootkanten, waar hier en daar nog 'n ijsvliesje zichtbaar was, overblijfsel van fel-koude nachtvorsten.
Later gingen ze met 'n boek aan den kant van den weg zitten, en Go had er op aangedrongen, dat het een studieboek zou zijn; maar terwijl zij voorlas van sa-bâ ahas, en de ontwikkeling van beteekenis van het naamwoord nasati, lagen Lou en Coba over het vlakke weiland te kijken, waar de vredige koeien zich koesterden in 't zonnelicht, en dan zweeg ze eindelijk ook, en staarde over het boek heen in den wolkeloos strakken hemel, en naar 't zonnige slootje met rietpluimen aan hun voeten; en ze luisterden met hun drieën naar de stilte van het herlevend land.
Na het eten, dat jolig verliep met gekibbel over het vleesch en de pudding en den sinaasappel, liepen Else en Go dadelijk de deur weer uit, om voor 't laatst van het lieve stadje te genieten, dat nu als betooverd lag in den gouden avondgloed. Nu was het 't drukst-stil op straat van den heelen dag: overal gingen ramen en deuren open, ieder wilde nog genieten van de heerlijke, zoele lucht. In groepjes kwamen de studenten uit de kroeg en 't Vegetarisch, liepen de Breestraat af, 't Plantsoen, de Singels langs. Fietsers gleden zachtjes de gladde paden over, rustig-rechtop, één hand even aan 't stuur; er was 'n zacht geklink van fluiten en van éven-zingende vogeltjes in de stilte, 'n teere blijheid lag over alle huizen en boomen, en over alle jonge gezichten.
Het was zeker, dat ze kennissen tegenkwamen: De Veer in 'n open bakje, met 'n bloem in z'n knoopsgat; Coba, die met mevrouw wandelde, Gerard of Beerenstijn of Hoefman. Han werd altijd gefloten, als ze langs z'n kamer kwamen, en dan liep hij mee op, tusschen hen in, en gewoonlijk kwam na 'n poosje 'n vierde en vijfde er bij.
Eens waren ze met Eduard, die met Bruno wandelde, 'n eind buiten Leiden geloopen; het was toen al bijna heelemaal donker en de slooten leken looden strepen; achter hen was de hemel rossig van de lichtende stad. Ze hadden niet veel, en niet intiem gepraat, maar er was een groote vrede in de onbeweeglijke duisternis, en Go had soms stil haar hand op Bruno's kop gelegd, in 'n behoefte zachte teederheid te geven, zooal niet aan hém, dan toch tenminste aan 't dier, dat z'n eenzaamheid troostte, en bij 'm was in de uren van verslagenheid.
Opééns was de figuur van 'n gebogen man voor hen opgedoken, en vlakbij hadden ze Hans herkend.
"God, kerel, wat doe-jij hier op je eentje?" riep Eduard.
"Ik mag eer vragen, wat jullie hier met je vieren doet?" had hij, even ontstemd, geantwoord. "Dit is het paadje om alleen te loopen, als je je zonden eens overdenken wilt."
"Wij overdenken sámen onze zonden, en dan is 't zoo akelig niet," antwoordde Eduard, met 'n lachje tegen Go; en ze waren met hun vijven naar de stad terug gegaan, die als 'n zwarte massa tegen den rossen hemel stond.
Bij 't licht viel 't Go op, hoe slecht Hans er weer uitzag.
"Zeg, je werkt toch niet te hard?" had ze hartelijk gevraagd. "Je ziet zoo bleek, jongen."
"Ik weet niet, hoe iemand ooit hard genoeg werken kan. Als je 's rekent, dat die groote, groote wereld met al die menschen nu al duizenden eeuwen bestaat.... en dat wij, laten we zeggen zestig, zeventig jaar dat leven mogen meemaken, en in dien tijd alles doorwerken en doordenken moeten, wat er ooit op de wereld is gedacht en gedaan, om tot 'n waarheid te komen, die ons nú bevredigt---"
"Vooral als je van die zeventig jaar, vijftien jaar onbewustheid, èn alle lentes moet aftrekken, wanneer geen verstandig mensch iets uitvoert, ieder zich alleen láát leven."
En Eduard barstte juichend uit: "Es brechen in schallenden Reigen die Frühlingsstimmen los."
"Alleen heb ik 't gevoel, dat je niet wezenlijk "leven" kunt, voor je weet, wat 't leven eigenlijk is," peinsde Hans. "Maar misschien is 't zóó wel beter; als je de mechaniek van de tooverlantaarn kent, is er 'n hoop van de aardigheid van de plaatjes af.... Hou-jij óók zoo dol van de tooverlantaarn, Go?"
En ze vertelden vroolijk hun herinneringen van kinderpartijtjes, tot ze bij het oude grachtje waren.
Alle dagen waren licht, alle nachten zoel en geurig, terwijl de lente aanzwol tot zomer, en de boomen schaduw begonnen te werpen over den blikkerenden weg.
Ze zouden 'n middag op 't "Witte huis" gaan koffiedrinken: alle leden van "Laborando vincimus" met Lou en Coba en Francis als invitées. Na college stormden ze weg om de fietsen uit de bergplaats naast 't gebouw te halen, en de professoren stonden door de blauw-gehorde ramen toe te kijken, hoe jolig en vief het clubje opsteeg en wegreed, met vroolijk roepen van den een naar den ander en gelach van 't haasten.
Lize was alleen nog na blijven pennen, omdat hier en daar 't dictaat haar te snel was gegaan, en Hoefman ziende, die nog draalde bij de deur, vroeg ze zijn cahier om even in te zien, verdiept in de namen en jaartallen van de schismatische pausen.
"Wat 'n zalig weer, juffrouw Schermer," begon Hoefman tegen haar tafeltje leunend.
"Ja... staat daar 65?" vroeg ze zonder opzien.
"'t Is echt weer om te wandelen... Doet u dat wel 's?"
"Nee; dank u voor 't cahier... Dag meneer Hoefman."
"Ach, ga nu nog niet weg..." en hij liep haar na in 't kamertje. "Ik wilde u wat vragen... toe, u moest 't maar doen. Bijna alle meisjes van college zijn naar 't "Witte Huis". 't Is zulk eenig weer, en 't zal er zoo prettig zijn. Gaat u ook mee!"
"Ik dénk er niet over; ik moet op de bibliotheek werken vanmiddag."
"Dat kunt u toch; 't is maar om 'n uurtje te doen... we fietsen er in 'n oogenblik heen."
"Ik heb geen fiets."
"Dan loopen we; zooveel te gezelliger. 't Is zoo'n mooie weg... en u zult beter kunnen werken na zoo'n wandeling."
"Maar ik ken er niemand," zei ze met zwak verzet. Wat wou die jongen toch van haar! Maar hij wàs aardig.
"U kent juffrouw Herderts en juffrouw Gerzon, en die twee andere dames van college, en mij, 'n beetje."
"Toe dan maar... U zult zien, dat ik storend werk op de pret; maar dan heeft 't tenminste 't voordeel, dat u me niet meer lastig valt."
En ze begon 'n gesprek over de moeilijkheid 'n leesbare uitgave van Ruysbroec te vinden, maar bij 't station had hij haar al over bloemen aan 't praten, haar oogen begonnen levendiger te worden, ze kreeg 'n beetje kleur, en toen in de laan bij 't "Witte Huis" de fietsende en krijgertje spelende menigte hun joelend te gemoet kwam, stak ze niet te zeer af bij de uitgelaten pret.
Er was buiten 'n groote tafel gedekt, waar ze zelf de stoelen voor aansleepten; Frieda, die er in 'n grijs japonnetje met haar fijn, sereen gezicht allerliefst uitzag, werd tot tafelpraeses benoemd, verzocht de heeren dringend niet te vechten om hun plaatsen. Hoefman zat naast Lize, maar de stoel aan haar anderen kant bleef geruimen tijd leeg, en er werd over "gesmoesd" onder de jongens, tot Hans, zonder opvallendheid, naast haar zitten kwam, en dadelijk begon te praten over 'n artikel in de Gids over het stamland der Indo-Germanen.
"Komt Rolands niet?" vroeg Go, terwijl ze boterhammen "hakte" van den langen broodstok.
"Nee, die had geen zin of geen tijd; allemaal suiker en melk?--" en Gerard rammelde met de groote koppen en de koffiekan.
Coba gaf aan Hoefman de beste adressen voor boter en koffie op, "maar je moet natuurlijk niet te veel tegelijk laten halen; dan bederft het."