Een Meisje-Student over 'Een Meisje-Studentje'

Chapter 1

Chapter 13,393 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

Een Meisje-Student over "Een Meisje-Studentje"

door Annie Sillevis

Rotterdam--1907--W. L. & J. Brusse

Typ. Van der Want & Co. :: Amersfoort.

Het is niet om het boek zelf dat ik over "Een meisje-studentje" van Annie Salomons enkele dingen wensch te zeggen, maar wel om den indruk, dien het boek naar buiten maakt. Was het een minder belangrijk en belangwekkend milieu, waarin het zich beweegt en ware dit minder duidelijk naar het leven geteekend, dan zou het niet zóó zeer de moeite waard zijn, de aandacht nogmaals op dit boek te vestigen. Maar het is nu eenmaal zoo, dat alles wat vrouwelijke studenten betreft, uitermate belangrijk wordt gevonden; dat ieder die "gelezen" wil worden tegenwoordig, een studeerende vrouw tot heldin van het verhaal maakt;--tot in de feuilletons zijn ze doorgedrongen--en hoe tuk zou men dan wel niet zijn op een boek midden uit die afgesloten academiewereld zelve voortgekomen, en zooveel stof gevend aan nieuwsgierigen, die in eens heel wat verder worden toegelaten dan tot nu toe het geval was. Nog zóó sporadisch is het verlangen tot meerdere openbaarmaking van ons meer intieme leven, dat een enkele poging er toe met graagte tegemoet gegaan wordt; dat zoo'n onschuldig romannetje heel wat opschudding teweeg brengt.

En werkelijk, wanneer met ernst en toewijding een poging gedaan was om uit het rijke leven dat wij genieten in onze studiejaren--een leven zoo geheel verschillend van dat van andere vrouwen, meestal zoo geheel uitgaand boven het milieu waar wij zelf uit voortkwamen;--wanneer met liefde getracht was uit dat leven van ons, studeerende vrouwen, iets te geven naar buiten met het doel anderer leven rijker te maken en mooier, dan zou dat pogen met vreugde begroet mogen worden. Te veel toch leven de studeerende meisjes op zich zelf, geven ze aanleiding om beschouwd te worden als een afgezonderde categorie, en nauw aangesloten zouden ze moeten staan in de rij van allen die bewust willen meewerken tot de opheffing van den mensch. Maar als een geheel moesten ze daar staan, niet als individuen, in de eerste plaats nauw aangesloten onder elkaar, van elkaar leerend, elkaars inzicht ruimer makend, sàmen levend in die jaren, waarin vriendschap het eigen leven zoo verruimt, ons zooveel zachter en wijzer maakt.

Maar nog veel te weinig in aantal zijn de jaren, dat de vrouwen zich afgewend hebben van den haar conventioneel toegewezen weg. Nog weinig vruchtbaar kan er over gedebatteerd worden of ze al of niet geschikt zijn voor het werk dat ze op zich namen; en al blijkt de ongeschiktheid van de tegenwoordige vrouwen, zal daaruit besloten mogen worden tot die van de toekomstige? Als er maar ernst is in het streven, dan kan het falen van de enkelen geen verlies, maar soms winst zijn voor de volgenden; als er maar één vaste lijn gevolgd wordt en opgebouwd wordt in één richting. En hierin nu juist ligt de teleurstelling, die Ans Salomons ons gaf met het uitgeven van haar boek. Hier is niet het ernstig streven om van zich zelf of van anderen analyses te maken, om meer te begrijpen of te doen begrijpen,--hier is eenvoudig een geven van enkele feiten, zooals ieder oppervlakkig beschouwer ze om zich heen zien kan hier in onze omgeving; zooals iemand praat over dingen die hij wel meegemaakt heeft, maar waarvan hij het ware nooit begreep. En eigenlijk gezegd, kunnen we anders verwachten: Wij die al vele jaren van studie en omgang onder de vrouwelijke studenten gehad hebben, herinneren wij ons nog onze opvattingen, onze meeningen en oordeelvellingen uit ons eerste jaar? En voor zoover we ons daar nog in terug kunnen denken, weten we niet hoe we veranderd zijn, milder in ons oordeel geworden, ruimer in onze inzichten? En wie is het hier die de buitenwereld vertellen zal van de vrouwelijke studenten?--een eerste-jaartje, iemand die ook al vòòr ze aan de academie kwam van meisjes-studenten schreef, eenvoudig weg alleen om verhaaltjes te schrijven, en wellicht terwille van de aantrekkelijkheid studenten makend van schoolmeisjes: want voor méér mogen we de daarin geteekende figuren niet nemen. Zijn het meisjes-studenten geweest die daar tot model dienden.... het pleit niet voor haar. Weinig studenten bijv. in de wiskundige faculteit zullen zich zelfs uit hun eerste jaar herinneren, dat ze 's avonds sommen maakten met potlood en passen "die den volgenden dag af moesten zijn"? Maar toch geven ons die eerste novelletjes van Ans Salomons een eigenaardige kijk op haar boek. Weliswaar staat alles hier dichter bij ons; de studentenwereld is reëeler geworden, maar over 't algemeen blijven de meisjes er uit bakvischjes, met om zoo te zeggen geen begrip van ernstige studie--daar wordt zelfs bijna niet over gesproken--wel weer over 't inprenten van op te zeggen lesjes. In haar visie op studie is blijkbaar niets veranderd door haar komen aan de hoogeschool; ze wist het vroeger ook al, of liever.... ze weet er nu nog blijkbaar even weinig van als te voren. Dáárvoor juist moeten we het studentenleven meegemaakt hebben, om al onze eigen opinietjes en opvattingen omvergegooid te zien, om kennis te maken met de meeningen van honderd anderen, uit allerlei kringen voortgekomen, en onze eigen levensopvattingen daarin te zien verzinken eerst, maar later weer boven te zien komen, verrijkt met heel veel moois en ontdaan van heel wat kleingeestigheden en vooropgestelde meeningen. Maar hier is geen tijd geweest voor bezinken van het nieuwe, op de oude opvattingen is doorgebouwd en sterk worden we in vele hoofdstukken herinnerd aan de schoolmeisjesverhaaltjes uit de eerste periode.

Hier hebben we dus de omtrekken van de gedachtenwereld waarin het boek ontstaan is, een gedachten wereld van een schoolmeisje, nog niet ontgroeid uit haar vorige omgeving, en zich "af" voelend--meenend niets meer te leeren te hebben van de ouderen die haar voorgingen en die zoo weinig "interessant" waren. Lang niet zoo interessant als de "jongens"--vandaar ook dat in het boek de "jongens" in heel wat meer hoofdstukken voorkomen dan de "club"--die als wijs en gewichtig-doenerij wordt op zij gezet, maar toch pour l'acquit de conscience er wel weer eens bijgehaald wordt. Maar dan niet wijs en gewichtig, maar integendeel vrij onnoozel, en--aan den St. Nicolaasavond denkend--vrijwel als Spielerei.

Maar ik heb in het begin al gezegd, dat het mij niet om het boek zelf te doen was; ieder moet zelf weten in hoever hij z'n eigen gedachtenleven of phantasie openbaar wil maken. Maar het gaat hier om méér, en dat is de indruk dien de buitenwereld van de wereld der meisjes-studenten krijgt. Het is nog zoo nieuw, het trachten der vrouw naar zelfbewustzijn, naar eigen vrijen weg van ontwikkeling, en zeer zeker is er groote belangstelling hòe de eerste pogingen verloopen. En zóó groot zijn altijd nog de moeilijkheden, dat het best de moeite waard zou kunnen zijn te trachten een enkele op te heffen, die door een onvoorzichtige opgeworpen werd. Ik wil niet zeggen dat Annie Salomons niet naar het leven geteekend heeft; ik weet niet in hoever ik dat zou mogen doen; maar wel weet ik, dat dit boek niet opgevat mag worden als nu eens te vertellen hoe het leven der vrouwelijke studenten is. En alle kans is er dat dit gebeurt, waar nog zoo weinig werkelijk besef van ons streven is. Is het dan niet van het grootste belang dat het weinige wat gehoord wordt, een zoo juist mogelijk beeld geeft en niet een kleine minderheid beschrijft, die voor het geheel niet staan kan? Zal niet iedereen het boek van Ans Salomons ter hand nemen met het idee nu meer van "de" meisjes-studenten te zullen leeren kennen? Zal niet ieder na het lezen er van--niet beter wetend--"de" meisjes-studenten beoordeelen? En ik moet zeggen: ik twijfel sterk of het oordeel gunstig zal vallen.

Prof. Blok in zijn jongste geschrift over vrouwelijke studenten neemt ook haar boek als uitgang--ja, niet geheel--meer nog gaat hij uit van eigen aanschouwing--maar ziet een hoogleeraar ons leven niet van den buitenkant alleen? en versterkt haar boek--van een van ons zelf, en dùs echt--niet al zijn opinies van meisjesachtigheid, van onwetenschappelijkheid, van dilettantisme? Had het niet juist moeten zijn, dat hij hierin vond de bestrijding zijner argumenten? Al zegt hij zelf haar boek slechts als bijzaak te beschouwen, daarboven eigen ondervinding te stellen, overal treft men aanhalingen aan, overal worden haar uitspraken genomen om te bewijzen de juistheid zijner inzichten. En 't is immers te gek, dat hier de uitspraken van een eerstejaars zullen genomen worden als juistheden, dat een dergelijk oppervlakkig romannetje zal gelden als basis tot meerder begrijpen van het leven van vrouwelijke studenten. Ik geloof niet dat de schrijfster het als zoodanig beschouwde, maar de buitenstaanden nemen het wel degelijk zoo op. Als Prof. Blok spreekt over de lichamelijke en geestelijke minderwaardigheid, over den weinigen echt-wetenschappelijken zin, dan zal hij in Ans Salomons' boek wel termen vinden om dit wàar te maken, maar niets wat hem tegenspreekt. Van studie is in het boek geen spoor--zou ik bijna zeggen--te vinden. Als veel naar het leven geteekend is, als hier gegeven wordt de gedachtenkring, waarin de jongere meisjes-literatoren zich bewogen, dan kan ik me begrijpen dat Prof. Blok--waar juist deze zijn collegianten vormden--zijn uitspraken over vrouwelijke studenten gegrond meent op eigen ervaring. "Een meisje-studentje" zal hem niet dieper doen zien in het leven der meisjesstudenten. De uiterlijkheden die hij waarnam zijn zeker juist--zéker is het begrijpelijk dat de getrokken conclusies getrokken werden, maar er is zooveel méer nog te zeggen, dan de schrijfster doet voorkomen--misschien of zelfs allicht, geldt het niet voor allen--maar voor velen zeer zeker.

Waar de druk, waaronder de meeste meisjes studeeren, zoo groot is, is het werkelijk geen wonder dat velen bezweken, d.w.z. hun kracht overschatten; ze hadden zelf hun weg te vinden, meest zonder eenige leiding. De beweging in deze richting onder de vrouwen is nog zoo jong, is het wonder dat de eersten mannelijke kracht moesten hebben om vol te houden en baan te breken? Waarlijk, de later komenden weten niet hoe dankbaar zij ze moesten zijn, in stede van ze uit te lachen en te bespotten, en zich er zoo op voor te laten staan dat ze vrouwelijke zachtheid behielden,--behouden konden, zou ik zeggen, dank zij de anderen die het ruwe werk durfden doen. Onder de tegenwoordig studeerenden zijn ze schaars meer te vinden, "de treurige wanschepsels van het feminisme." Voor de meerderheid der vrouwelijke studenten bestaat er geen feminisme meer dat door dik en dun gelijkheid wil prediken, waar geen gelijkheid is. Zeker zijn de physieke vermogens van man en vrouw verschillend, is het voor een man heel wat makkelijker regelmatig ingespannen arbeid te verrichten, maar wel moeten hierbij niet vergeten worden de tegenwerkende factoren die voor de meisjes golden en nòg voor een groot deel gelden. Wat valt er nu reeds te zeggen van een volgend geslacht, waarbij jongens en meisjes gelijke physieke opvoeding zullen genieten, wanneer meisjes gewend zijn aan regelmatig gymnastiseeren en gehard zullen worden. En al blijven er verschillen bestaan, het meisje zal heel wat beter toegerust aan de universiteit komen dan nu nog het geval is. Vraag daarbij eens hoeveel moeilijkheden een meisje van nu nog te overwinnen heeft, eer ze mag studeeren--misschien is dit de laatste jaren--nu het "gewoner" is, reeds afgenomen. Terwijl een jongen aangezet wordt tot studie, voor zijn werk alles moet wijken, moet een meisje het dikwijls met kracht doorzetten om te mogen werken, en gaat alles in de huishouding voor boven haar werk. Vraag eens welk deel van haar kracht gevergd wordt voor het geven van gezelligheid in den huiselijken kring, voor het meedoen aan allerlei dingen, waaraan zij zich niet onttrekken kan? Hoeveel meisjes hebben gezucht onder de klacht dat er blijkbaar van haar gevergd werd, examens te doen zonder studeeren, waar op zoo groot deel van haar tijd beslag gelegd werd? Hoe weinigen waren er die zich aan de studie, aan het student-zijn mochten wijden? Uit dezelfde kringen, waar het vanzelf sprekend was, dat een jongen op z'n tijd naar de academie ging, met een goed jaargeld, en alleen de verplichting eenigszins op tijd z'n examens te doen, bleven de meisjes in huis, mochten hoogstens spoorstudent worden, moesten alles zoo zuinig mogelijk doen, en moesten beschikbaar blijven voor zooveel buiten haar studie om. Als we van de vrouw sprekend, de vrouw uit het volk niet vergeten, dan krijgen we een geheel anderen kijk op haar lichamelijke vermogens, maar de meisjes die aan de academie komen, zijn van huis uit niet bestand meestal tegen de lichamelijke vermoeienis, die van ze gevergd wordt, en die menig jongen ook niet uit zou houden als hij er voor geplaatst werd. Om statistiek op te maken moeten alle factoren in aanmerking genomen en ook onderscheid gemaakt worden in de faculteiten, bijv. tusschen de rechtenfaculteit met z'n weinige uren college en de philosophische met z'n jaren van over de twintig uur college per week, waar nog bij komen de talrijke middagen van praktisch laboratoriumwerk. Hier kwam het ook voor, dat een hoogleeraar aan een meisje-student vroeg of het "haar" beurt ook nog niet was, doelend op zenuwoverspanning onder.... haar mannelijke collega's! Trouwens in deze en ook in de medische faculteit zal men uit den aard der zaak de meeste kans hebben meisjes aan te treffen, bij wie het om studie te doen is: het werk dat van ze gevorderd wordt 7 à 8 jaar lang is veel te zwaar en veel te ernstig om volgehouden te kunnen worden waar het maar voor de aardigheid of omdat het mode was, begonnen werd. Het groote percentage van meisjesstudenten in de literarische faculteit mag m.i. geenszins tot de conclusie leiden dat daar de meeste kennis omtrent "de" vrouwelijke student opgedaan kan worden. Als men een kijkje neemt in de opgaven van de leden der vrouwelijke studentenclub over enkele jaren geleden (ik spreek van Leiden) dan zal men vinden dat de letterenfaculteit steeds eer minder dan meer leden telde dan de overige faculteiten, de meerderheid bleef dus buiten de vereeniging; wellicht waren daar ook velen onder, die slechts voor een enkel uur college naar Leiden kwamen en dus maar ten deele onder de studenten meegeteld mogen worden. En de club is en moet zijn het middelpunt, de kern van het studentenleven der meisjes; en wat daar buiten blijft staan, blijft buiten haar samenleving en kan wel studeeren, maar leert niet begrijpen waar het om gaat. Hier is juist, omdat de Vereeniging nog zoo jong is, de ideale zijde nog zoo groot, het is nog zoo om ernstig samenwerken te doen, en wie een ruimen blik op haar studie heeft en liefde voor haar werk, die zal zich ook aansluiten.

In hoofdzaak was het mij in 't voorgaande te doen om de meestal niet in aanmerking genomen, en weinig bekende factoren op den voorgrond te brengen, die van het grootste belang zijn bij de bespreking der schijnbare resultaten van het verschijnen der vrouw aan de academie. De zaak is veel te gecompliceerd om zoo maar in eens uit te maken het al of niet goed recht van het studeeren der vrouwen en de al of niet minderwaardigheid van physieke en geestelijke vermogens. Trouwens deze beide zijn moeilijk te scheiden, waar de omstandigheden voor de meisjes tegenwerken en haar gezondheid benadeelen, volgt van zelf geringe wetenschappelijke productie. Als de vele moeilijkheden in aanmerking genomen worden die bij de meisjes zooveel meer van haar kracht vergen dan bij de jongens het geval is, en die men alleen leert kennen, wanneer men veel geleefd heeft in, en gehoord heeft van de particuliere omstandigheden van werkelijk ernstig studeerende meisjes,--menigeen zou verbaasd staan als ik cijfers noemde van het uiterst geringe, en dikwijls nog zelf verdiende jaargeld, waar meisjes "het mee doen"--dan kan men niet meer die tot nu toe nog betrekkelijk geringe productie als bewijs nemen van geestelijke minderwaardigheid. En Prof. Blok spreekt wel van "verschillende" vermogens, maar wanneer het gevolg is, dat de vrouw alleen tot ondergeschikte betrekkingen, tot bijwerk zou moeten komen, dan zijn we toch niet ver af van minderwaardigheid. Eerst als we vele jaren verder zijn en de ernst niet weg zal gaan uit dit streven der vrouwen; als de moeders van een volgend geslacht hun meisjes den weg zullen wijzen in wetenschappelijk werk in plaats van als "Go", door eigen ondervinding wijs geworden, ze verre te houden van de Universiteiten, eerst dan zullen we resultaten kunnen zien, die, geloof ik, meer algemeen het goed recht van dit streven aan zullen toonen dan de enkele goede resultaten op het oogenblik nog kunnen doen. Ja--misschien dat er een enkel vak blijven zou, waarin de vrouw in 't algemeen minder wetenschappelijk werk kan leveren dan de man, en als er zoo'n vak is, dan zou dit juist in de eerste plaats "geschiedenis" kunnen zijn, waarvoor een bij uitstek objectieve blik noodzakelijk is, en objectiviteit is nu eenmaal een eigenschap, waar onze subjectieve vrouwen nog zoo weinig begrip van hebben. Of dit mee veranderen zal, wanneer de vrouw geleerd zal hebben meer als mensch in de maatschappij te staan?--

Eén ding is jammer, en ik kan dat niet voorbij gaan, waar ik hier zoovele malen Prof. Blok's werk aangehaald heb, en dat is de uitspraak van den hoogleeraar, als zou zelfmoord in de geschiedenis der meisjesstudenten niet geheel onbekend meer zijn. Voor zoo ver ik weet, is hier één geval van voorgekomen, en waar men de maatschappelijke en familieomstandigheden kent, die van dat leven den achtergrond vormden, en een resumé geven van alle mogelijke moeilijkheden die ik aanhaalde als geldende voor de meisjes in 't algemeen; waar men weet hoe weinig de uren waren dat zij voor een enkel college aan de academie kwam, zoodat ze nauwelijks enkele maanden den naam van student kon dragen, daar zal men waarlijk de schuld hiervan met geen mogelijkheid kunnen schuiven op het studeeren der vrouw in 't algemeen.

Uit het geheele schrijven van Prof. Blok blijkt hoe gerechtvaardigd het is op te komen tegen de gedachte als zou de roman van Annie Salomons nu eens in werkelijkheid de uiting zijn van de vrouwelijke studenten zelf, over haar academieleven; zij het ook dat de hoogleeraar niet uitgaat alleen van haar boek, zooals ik ook reeds vroeger zei. Ook critici heeft men slechts op te slaan om de uiting te vinden van wat vanzelf sprekend bij ieder de indruk was: dat we hier te doen hadden met een meisjes-student die zelf het studentenleven mee maakte en daaruit vertelde, zoodat het beeld dat zij geeft, vrijwel den toestand weer zal geven zooals die gevonden wordt aan onze Universiteiten. Zegt niet Graadt van Roggen in de Amsterdammer: "Mejuffrouw Salomons is zèlf studente, heeft in haar academische jaren natuurlijk een massa ondervindingen en ondervindinkjes opgedaan omtrent het leven van den student in het algemeen, van zijn studeeren en student-zijn, maar in 't bijzonder omtrent het wel en wee der jonge dames, die hetzij uit liefde voor wetenschap, of .... mode zich der academische studie wijden"? Spreekt niet Dr. C. H. Ph. Meyer in datzelfde blad van het frissche openhartige boek van mej. Salomons? Moet niet ieder verbaasd staan en een geheel ander inzicht in de zaken krijgen en nog eens even wachten met zijn oordeel of veroordeel, als eens gezegd wordt dat het een eerstejaars was die hier haar ondervindingen geeft, zooals het een schoolmeisje was, die de vroegere episoden uit het studentenleven van meisjes ten beste gaf. En nu neem ik haar niet kwalijk dat zij dezen vlot geschreven roman uitgaf, die speelt in haar omgeving, en dat zij niet verder gaat dan de oppervlakte van die omgeving; ook niet dat ze misschien zelf niet weet dat ze ver blijft staan buiten de werkelijke kern van studeerende vrouwen, maar waar men alleen hàar hoort, moet terwille van het goed begrip, ook van anderen kant iets gehoord worden, opdat men niet denken zal, dat wij allen het eens zijn hiermee, en waarlijk geen dieperen grond in ons leven voelen dan waarop haar figuren gaan. Het is niet voor mij zelf alleen, maar uit naam van velen, dat ik opkom tegen het als algemeen geldend opnemen van de uitspraken van Annie Salomons. Waarlijk, als er niet meer ernst, niet meer degelijkheid gevonden werd, dan had men groot gelijk ons komen op de hoogeschool met glimlachend schouderophalen te begroeten en te denken: het zal van zelf wel weer verloopen deze beweging, en de orde zal zich wel weer herstellen.