Part 9
Terwijl de Stuwen den brief weêr bij de andere papieren in den omslag leî, dacht hij na over het besluit dat hij zoû nemen. Hij glimlachte. Mathilde had sinds die paar dagen nauwelijks van Jozef durven spreken. Alleen gisteren-avond, toen hij haar een beetje plechtig had afgevraagd, of zij wezenlijk, in het volle besef van wat de toekomst zoû brengen, van Wildens vrouw woû worden, had zij hem doen blijken, hoeveel zij van Jozef hield. Zij verzekerde alles overwogen, over alles nagedacht te hebben en tot het besluit te zijn gekomen, dat haar toekomst was aan de zijde van dien man te leven en te sterven.
Er was dus, dacht de Stuwen, niets tegen het huwelijk ... Hij had immers zelf, hij, die Jozef misschien 't best van allen kende, toch nog de laatste dagen hier daar in de stad naar de reputatie van zijn aanstaande schoonzoon geïnformeerd en overal waren hem de beste berichten gegeven. Vroeger had Jozef wel een beetje "gesjouwd", schreef een van de heeren, dien hij inlichtingen had gevraagd, maar hij was toch altijd, vooral in den laatsten tijd, een bedaarde jongen geweest. Hij zoû van Wilden dus maar andwoorden en Mathilde, als zij thuis kwam,--zij was van-avond bij mevrouw Berlage--gelukkig maken.
Ja, Mathilde was uit. Hij zat hier alleen en kon dus dat zaakje nu juist goed ten einde brengen. Plotseling dacht hij aan zich-zelf, hoe alleen hij zich op 't oogenblik voelde; de kachel was aan 't uitgaan, zijn thee werd koud. Mathilde was er ook niet om voor dat alles te zorgen. En in éens voelde hij geheel de verlatenheid, waarin hij in 't vervolg zoû zijn. Hoe was 't mogelijk! Nu pas dacht hij aan wien hem toch het naaste was! Wat moest hij nu worden? Alleen zijn ouden dag tegemoet gaan, dat was geen pleizierig idee. En was dat het lot van alle vaders in zijn omstandigheden, in zijn noodzakelijke omstandigheden, dit besefte hij wel. Zijn glimlach verdween en hij huilde. Hij voelde zich koud, hij keek rond. Wat was het eenzaam hier in huis! 't Gebeurde wel meer, dat Mathilde eens uit was 's avonds, maar nooit had de kamer hem zoo kil en leeg geschenen als nu, ofschoon hij zeker wist, dat Mathilde op haar gewonen tijd thuis zoû zijn om hem goeye nacht te zeggen, naar zijn warm kruikje te zien en zijn kussen te schudden, en dat, al ging het huwelijk ook door, zij toch minstens nog een maand of zes bij hem zoû zijn.
Hierna vermande zich de heer de Stuwen. Hij stond op, sloot zachtjes de deur en kreeg uit de zwaar mahoniehouten sekretaire, rechts van het raam, dat op het binnenplaatsje uitzag, zijn schrijfgereedschap. Hij schreef, met een beetje schuin uitloopende regels, aan Jozef, dat hij, na lang over den stap nagedacht te hebben, besloten had zijne dochter te permitteeren hem te trouwen, dat hij verder Jozef verzocht een dezer dagen eens nader over deze aangelegenheden te komen spreken. De brief was min of meer koel ingericht. De Stuwen voelde voor Jozef niet meer de vriendschap van vroeger. Maar hij kon nu eenmaal niet anders, ofschoon hij 't zelf onredelijk vond.
Gedurende den tijd, die aan het huwelijk voorafging, veranderde de Stuwen zichtbaar in de oogen van Mathilde. Meestal was Jozef 's avonds bij hen, maar éen of twee maal in de week, als de Stuwen alleen zat met Mathilde in den schemerschijn van 't lichtje onder de theepot, dan was 't of hij niet meer op zijn woorden kon komen, zoo als vroeger, dan gebeurde 't wel, dat er een uur verliep, terwijl de Stuwen zich in zijn koerant verdiepte en Mathilde over haar borduurwerk gebogen zat, in geheele stilzwijgendheid. En was Mathilde verwonderd over haar vader, vroeg ze hem, of hem iets scheelde, of er soms iets aan zijn gezondheid haperde, dan verbaasde hij zich over die vragen, dan zeî hij volstrekt zelf niet te weten, haar anders, met minder hartelijkheid en vertrouwelijkheid, te behandelen dan vroeger. Zij ging nu trouwen, dat was heel, heel goed, dat was de weg, dien iedereen ging op haar jaren en hij zoû wát trotsch zijn eenmaal in zijn dochter een mooye flinke getrouwde vrouw te zien. Wat hem dan zoo stil maakte en afgetrokken, hij wist 't zelf heusch niet, hij vertrouwde van Wilden geheel, hij was over 't toekomstig lot van Thilde niet ongerust. Maar onbewust vulde hem het voorgevoel van de verlatenheid, die hemzelf te wachten stond. Hij had nooit veel vrienden gehad en sinds den dood van zijn vrouw, na zijn langen rouw, had hij er in 't geheel niet aan gedacht zijn oude kennissen weêr op te zoeken, nog minder nieuwe aan te knoopen. Hij was altijd een huiselijk man geweest, die een stillen kleinen kring, rustig 's morgens aan 't ontbijt, rustig 's avonds in het schemeruur, de voorkeur gaf boven menschen-zien en vertooning-maken. Daar Mathildes aard hierin nogal met den zijne over-een-stemde, hadden zij zich met hun tweeën, hoe langer hoe meer buiten het algemeene, gedruismakende maatschappelijke leven gesloten. Nu, nu het oogenblik van scheiding en verandering in die huiselijke orde naderde, zag hij in gedachten eens uit naar de jaren, die komen zouden. Zijn dochter ging wech, natuurlijk! Ja, zij zoû wel altijd veel van hem blijven houden, veel van zijn uren zoû hij nog in haar stil en aangenaam gezelschap kunnen slijten. Maar hij wist heel goed, hij herinnerde zich nog wel deugdelijk uit de eerste jaren van zijn eigen huwelijk, met wat een scheele oogen jonggetrouwden aanzien, dat een derde zich in hun intieme leven mengt en dat hij een tijdperk van ondragelijke eenzaamheid tegemoet ging, daar twijfelde hij geen oogenblik aan, en deze gedachte maakte hem stil. Want even afkeerig als hij was van veel en druk gezelschap, een even groote behoefte had hij aan enkelen in zijn nabijheid, om zijn vertrouwelingen te wezen en zijn gemoedsleven te deelen. Mathilde kwam er niet op te vermoeden, wat de eigenlijke reden was voor de verandering in haar vaders manier van zijn. Zij had al van alles verzonnen, maar wat haar in was gevallen, om de onhoudbaarheid dadelijk weêr verworpen. Vroeg zij 't hem, dan bleef hij maar andwoorden, dat hij daar zelf niets van merkte. Zij ook dacht voortdurend alleen aan de toekomst. Maar 't kwam haar zoo natuurlijk en zeker voor, dat vader bij hun in zoû komen wonen! Zij twijfelde daar zoo weinig aan, dat niets haar meer verstomd zoû hebben als te hooren, dat de onmogelijkheid van wat zij voor natuurlijk hield de eenige oorzaak was van haar vaders droefgeestigheid.
Eens op een avond, toen haar vader bizonder treurig voor zich uit zat te turen, kwam zij weêr op iets:
--Vader, is u zoo verdrietig, om dat ik trouwen ga?
--Och, nee, dat is het niet.
--Maar wat is er dan toch, wat dan in 's hemels naam, er moet toch iets bizonders aan de hand zijn. Waaraan dacht u nu op 't oogenblik? Zegt u dat nu eens oprecht. Het zal toch niet eenvoudig aan uw gestel liggen. Ik heb ten minste nooit gehoord van een lichamelijke kwaal, die op zoo'n manier aan den dag zoû komen.
--Kind-lief, ik weet het zelf niet.
--Maar het kan toch niet zijn om dat ik trouwen ga, want, lieve hemel, dat doen alle meisjes op mijn leeftijd en het is nog nooit gezien, dat een vader zich dat zoo erg aantrok. U houdt wel veel van me, dat weet ik wel, maar ik kan toch niet gelooven, dat u zooveel van mij zoû houden, dat u ziek wordt bij de gedachte, dat we een beetje van mekaâr moeten gaan, dat zoû toch al te erg zijn. Dat zoû ziekelijk zijn en eenig in zijn soort, en nee, en dat kan niet, dat is onmogelijk. Ik kan het mij niet verbeelden ... Och toe, vader, doet u nu niet zoo raar ... Kan u er zelf niets, niets aan doen? ... Vader, wil ik dan maar liever niet gaan trouwen?
--Nee, kind, ik verzeker je, dat is het niet, het moet iets lichamelijks zijn. Ik zal er den dokter eens over spreken ... Denk je nog wel dikwijls aan je moeder? vroeg de Stuwen plotseling.
--Tusschenbeide. Ik kan eigenlijk niet goed aan d'r denken. Hoe wil ik me iemant voorstellen, die ik mij nog maar zoo weinig herinner.
--Je moeder was net zoo als jij, lieve kind, je bent haar sprekend evenbeeld. Ze was net zoo opgewonden als jij wel zijn kan, en ook haar uiterlijk had héel veel van het jouwe ... En weet je, waar ik nu eigenlek bedrukt over ben? ... Als 't eens met jou ging, zoo als 't met haar is gegaan ... Kind, je hebt zóoveel van d'r!
--Maar, vader, hoe bedoelt u? Ik begrijp u niet; dat ik ook vroeg sterven zoû?
--Ja, kind, je kon niet weten. Laten we eens iets veronderstellen ... Als jij ook een kindje kreeg en je stierf dan, zoû je dat niet verschrikkelijk vinden?
--Och, vader, ik weet niet, ik kan me daar volstrekt geen voorstelling van maken.
De heer de Stuwen was ongerust. Den volgenden dag, toen hij weêr een uurtje alleen zat, kreeg hij hoofdpijn van het denken aan zijn vrouw en aan Mathilde. Hij dacht aan Mathildes zwarte haar, aan haar donkere oogen, die zij, zonder verandering bijna, van haar moeder had. En dan haar levendigheid, haar vuur; dat hem vroeger juist zoo op zijn vrouw, die maar zoo kort geleefd had, verliefd had gemaakt. Mathildes levenslustigheid sloeg nu en dan in wildheid over. Dat maakte hem ook bang. Nu, in den laatsten tijd met het huwelijk in 't vooruitzicht, was dat wel beter geworden, maar vroeger, wat kon zij aangaan! Het was wel gebeurd, dat zij stil alleen samen zaten en lazen, hij de koerant, zij een roman. Dan was zij dikwijls niet van het boek af te krijgen geweest, haar slapen gloeiden vlak boven de bladzijden, tot zij in-éens ontsteld op-sprong, gejaagd de kamer rondliep en eindelijk tegen de muur ging staan leunen, haar voorhoofd op den rand van een schilderij. Een oogenblik duurde dat maar, dan keek ze om en proestte het uit van het lachen over haar eigen kinderachtigheid. Met tranen nog in haar oogen, liep zij dan naar haar vader, die verwonderd naar haar had zitten kijken, en drukte hem bijna te pletter in een omhelzing. Wat kon zij woest zijn! Wat kon zij op de piano dreunen en urenlang zitten spelen, zonder ooit op te houden, zonder om te zien. Zij was bepaald een vreemdsoortig meisje; haar moeder had ook wel zoo iets. Maar zij veel meer. Wat kon ze met een hartstocht teekenen, uren lang, boven alleen op haar kamer, zonder ooit voor 't venster te kijken naar de menschen beneden langs de straat. En dan, die vlagen van godsdienstigheid tusschenbeide! Daar begreep de Stuwen nog 't minst van. Hij was ook wel naar de kerk gegaan in zijn jeugd en had veel preêken gehoord van een vromen pastoor, maar met de jaren kwam de onverschilligheid en het vage, geheimzinnige geloof van zijn vrouw, had hém juist nog meer doen verflauwen. Hij was bepaald van de liberale partij geworden, hij las het Handelsblad en was 't vrij wel eens met dominee Hugenholtz. Maar Mathilde niet. Zij kende God, had zij dikwijls beweerd, en als ze iets goeds deed, voelde ze duidelijk de zegening van God in haar binnenste. Of pastoor Sluyter, die vroeger wel eens aan huis kwam, haar dat had geleerd, dat wist de Stuwen niet. Maar hij merkte elken dag, hoe gelukkig of haar geloof Mathilde maakte. Daarom sprak hij er zoo weinig mogelijk met haar over.
Ja, het geloof alleen maakte Mathilde vroeger gelukkig, zij wist het zelf heel goed.
Tot haar vijftiende jaar toe, had zij alleen den God van haar moeder en van pastoor Sluyter gekend. Zij stelde zich hem voor als den oppersten rechtvaardigen rechter, een bejaard eerbiedwaardig mannelijk wezen, met langen sneeuwwitten baard, die haar zag en zijn wenkbrauwen fronste, als ze kwaad deed of dacht, als ze ongehoorzaam was aan vader, lui was onder 't werk of met een vriendinnetje lachte in de kerk of de japonnen van de dames haar daar meer bezighielden dan Hij en Zijn Majesteit; die welwillend op haar neêr zag en haar zegende, als zij braaf was, goed werkte, en gedwee tegenover haar meerderen.
Maar toen zij volwassen werd, het een en het ander gelezen had en haar ziel groot voelde worden, toen had het gevoel over dien God noodzakelijker en levendiger dan vroeger aan haar voorgedaan. Als ze 's zomers 's morgens opstond en de zon goudgloed was in haar kamer, als ze, even voor het venster staande, de blaadrenmassaas van de iepenboomen zag waayen en ruischen en de lucht zoo blauw was boven de glinsterende daken, vooral ook als ze eens buiten kon zijn en rondwandelen in de vrije natuur, of als ze muziek hoorde of een prachtigen roman las, dan rees er een onnoemlijke behoefte aan uitstorting en aan dank in haar gemoed, dan richtte zij zich tot dien hoogen Persoon, uit Wien al dat vreemde geluk moest voort komen. Dan dankte zij Hem voor de gave van haar leven, voor haar genieting en voor de hoop op nog grooter geluk, die zij in zich droeg. Zij wenschte ook zoo zeer geleid te zijn, een raadgever te hebben. Nu besefte zij het: Hij zoû haar leider wezen! Zij bad van Hem veel goeds te mogen doen in haar leven, zij dankte Hem, als ze iets goeds had gedaan. Zij droomde ook van liefde. Daarom óok bad zij aan den God van alle liefde. Het gebeurde wel, dat zij woorden vond om Hem toe te spreken en Hem haar vereering te betuigen, net zoo als zij tegen haar stoffelijken minnaar zoû zeggen, als die mocht komen.
Toen ze van Jozef begon te houden, had zij gehuild van dankbaarheid in haar gebed aan God.
* * * * *
Intusschen verliep de winter, een zachte winter. In 't voorjaar zouden Jozef en Mathilde trouwen. Het engagement was publiek. Mathilde had zich al gewend aan de pleizieren en aan de eentonigheid van zoo geengageerd te zijn. Jozef hield nu zijn arm om haar middel geslagen en zoende haar in het bijzijn van den ouden heer. Het kwam Mathilde voor, dat haar liefde op dezelfde hoogte bleef staan. Dan zaten zij met hun drieën bij mekaâr en bespraken plannen voor de toekomst. In weêrwil van zijn afwijzingen was 't nu vast bepaald, dat de oude heer bij het jonge paar in zoû komen wonen. Eens maar werd er nog een avondje met meer menschen gegeven.
Toen de tijd van het huwelijk kort op handen was, werd Mathilde zenuwachtig. Haar stil genoegen van dagelijks met Jozef te zijn werd vermengd met zekere nog nieuwe gewaarwordingen van gejaagdheid en angst. Als ze soms op de kanapee in de binnenkamer naast mekaâr zaten en praatten, terwijl de oude heer, op een stoel voor de tafel, goedig en stil er opmerkingen tusschenvoegde, voelde Mathilde in-éenen met een soort van bevreemding, van verwondering, dat zij daar nu zoo zat, in dezen toestand en pratend over de inrichting voor haar volgend leven, die zoo bizonder verschillend van de tegenwoordige wezen zoû en waarvan zij nog zoo weinig wist. Als Jozef, op den heel gemeenzamen toon, waarop hij deze onderwerpen behandelde, over de wenschelijkheid gesproken had met zijn vrouwtje een huis op de Heerengracht te huren en haar vroeg, wat zij dacht van de Heerengracht bij de Gasthuismolensteeg, om dat hij zijn kantoor hield op het Cingel daar dicht in de buurt, dan kon zij hem plotseling aanzien, alsof zij geschrokken was van wat hij zeide. Zij keek ernstig en hield zich stil. Men hoorde het lichtje onder de theepot branden. En dan sprak hij weêr voort, zonder iets te merken. Het gebeurde wel, dat de oude heer indommelde midden-in de gesprekken overdag of 's avonds. Als Mathilde dan Jozefs stem alleen voort hoorde gaan, kwam het voor dat zij hem niet vertrouwelijk aan dorst zien, maar een groote droefheid over zich voelde komen en haar blikken maar niet van den slapenden vader afhouden kon. Zij zag de kamer rond en, 's avonds of overdag, in de voor-of in de achterkamer, het was zóo donker, dat zij kippenvel kreeg. Zij keek naar de wanden, een voor een, en begreep maar niet, waarom zij die al-gauw voor andere, lichtere en vroolijkere waarschijnlijk, verruilen zoû. Er kwam haar een weemoedige vriendelijkheid van de vormen van de meubels, die tegen het behangsel stonden, tegemoet. Het buffetje herinnerde aan de heerlijke oude dagen, die voorbij waren voor altijd, de lijsten van de schilderijen herinnerden, dat haar vader, na een schoonmaakdag, die altijd recht hing, om dat de schoonmaakster ze schuin aan het driehoekig koord weêr opgehangen had; zij dacht er over, dat haar vaders haren vroeger veel minder grijs waren, en Jozefs stem klonk dan als heel uit de verte, als het gelui van een stalen klok. 's Avonds naar haar slaapkamer gaande en daar zijnde, onder het uitkleeden, had zij een gevoel van vagen angst voor Jozef. Het was zoo donker overal. Hij kwam haar toch niet na op de trap! Hij stond toch niet aan haar deur te tikken, na dat zij hem afgesloten had? Hij had zich toch niet in de een of andere kast verborgen, om haar te verschrikken of te verrassen? Hij zoû toch niet van onder de tafel of het bed vandaan kruipen, om bij haar te zijn, al te dicht bij haar, om haar aan te raken, vriendelijk, hartelijk, stevig, om haar te omhelzen al te vurig, haar zeer te doen, om haar pijn te doen, haar te knijpen, iets van haar te stelen, iets voor altijd van haar wech te nemen, wat haar dierbaar was, iets innig van haar eigen? Hij drong zich toch niet tegen haar aan, eischend dat zij iets af zoû geven, wat zij niet missen kon? En in een groote haast ging zij naar bed. Dáar verdwenen de onrustige gedachten en ging zij teeder aan hem liggen denken, schikte zich gemakkelijk op de matras en de kussens, om niets te voelen en zich niets te verbeelden dan hem en hem alleen, om in haar éentje gemakkelijk en ongestoord van hem te houden. Zij had voor dek een laken, een deken en een sprei. Zij sloeg die tusschenbeide heelemaal uit over haar hoofd om zóo, in de pikke duisternis, Jozef alleen te zien. Of wel, wanneer het haar te benauwd werd, vouwde zij het dek om en trok het, zoo eens zoo dik, zoo hoog mogelijk onder haar kin en dan, met dichte oogen, wreef zij zachtjes haar kin over dat dikke dek heen en wêer; dan stond hij, in al de bizonderheden van zijn persoon, zóo levendig voor haar geest, alsof hij wezenlijk in haar kamer was. Maar zij hield er van haar eigen denken over hem na te pluizen. Hoe kwam het, dat zij hem nu zoo erg zag? Gesteld eens, dat hij op dit oogenblik wezenlijk was op de plek, waar zij zich nu verbeeldde hem te zien, in welke houding zoû hij dan zijn? Stónd hij, gewoon rechtop? Neen, dan moest hij op haar bed staan, zoû zich dus ten eerste niet stijf staande kunnen houden op het weeke beddegoed, ten tweede zoû zijn hoofd tegen den hemel stooten om dat hij zoo lang was, ten derde zag zij hem zoo van dichttebij, dat zij te-gelijk zijn voeten en zijn haren zoû kunnen aanraken, iets wat dán niet mogelijk zoû wezen. Lag hij dan naast haar of op haar, stond hij buiten het ledikant? Neen. Stond zijn beeltenis dan afgeschilderd ergends midden in haar hoofd? Dat moest zijn. Zij zag hem uitkomen op een donkeren kleurlozen of naar het grijs-rood aardenden achtergrond. Die beeltenis moest dan wel heel klein wezen, om daar binnen geborgen te kunnen zijn. En toch zag zij hem levensgroot. Hij was er en hij was er niet. Dat maakte haar weêr bang. Dan kwam daar nog bij waarom sloop die vreemde gestalte zoo bij haar binnen en overmeesterde al haar denken? Wat had die man een overdreven punten aan zijn snor, die zij langs haar wang voelde scheren; een heele lichte, nauwelijks merkbare onaangename geur kwam er rechts uit zijn boord op. De even zichtbare kringvormige indruksels onder zijn oogen vond zij leelijk ... En dan was hij haar weêr heelemaal vreemd. Wat kwam hij doen, wat wilde hij toch van haar? Zij en hij waren toch twee verschillende menschen. Hoe kon zij dan niet aan haar zelf denken zonder hem te zien? Waaróm drong hij zich dan zoo aan haar op en ademde zij met hem samen? Hij vervolgde haar; wat zoû hij haar doen? ...
Dikwijls keek Mathilde in deze dagen weêr naar het portret van haar moeder, droever en bleeker elken dag. De straffe rimpels van de neusvleugels tot de mondhoeken prentten zich dieper in het gezicht van de vroeg gestorvene.
De laatste veertien dagen vóor het trouwen zorgde Mathilde met haar modemaakster voor haar japonnen en met boodschapjes in de stad, die al haar middagen vulden, voor haar verderen uitzet. Zij was ongeduldig. De tijd moet nu maar gauw verloopen, nu alles toch eenmaal besloten was. Maar heviger dan vroeger had zij aanvallen van berouw over hetgeen zij ging beginnen. Zij zoû haar goeden, ouden, armen vader alleenlaten? Want hij kon de huwelijksreis toch niet meêmaken, dat ging niet. Hoe had zij daartoe kunnen besluiten? Maar hij kwam immers later bij hen inwonen? Ja, ja, maar ondertusschen! Hij werd hoe langer hoe stiller en meer in-één-gedoken. Wat zoû er van hem te-recht komen?
Door allerlei zulke bespiegelingen heen, brak de huwelijksdag aan. Toen Jozef haar dien avond, dien oppersten avond, meênam naar het station, was alle gevoel in een verdooving ondergegaan. Het afscheid van haar vader ging flauwtjes te werk. Zij had den heelen dag bijna niets gegeten en alleen maar een paar glazen water gedronken. In den trein had zij de koorts. Geen woord werd er gezegd. De bezorgdheden van Jozef, die haar alles zoo gemakkelijk mogelijk maakte, merkte zij niet eens. Zij zat daar, lijkwit. Een onbestemde nieuwsgierigheid drong huiverig door haar verdooving heen. Zij dacht aan niets eigenlijk. Haar keel was droog. Het was haar te moede, als stond zij in een dikken grijzen damp met een ondoordringbaar verschiet in de rondte. In een nevel van onuitgedrukte aandoeningen ging zij haar nieuwe leven in.
V.
Jozef en Mathilde waren voor den burgemeester getrouwd en voor den pastoor. Dit laatste om dat de Stuwen het, voor de menschen, om niet af te wijken van het gebruik, gewild had en zonder op Mathilde indruk te maken. Zij was te erg wech geweest door al het andere. Haar vaag gevoel als het 's zomers 's morgens heel mooi weêr was of boven een roman, dat zij zich als haar geloof dacht, werd wel even een beetje opgewekt, maar zij voelde zich eigenlijk geen echte, katholieke vrouw, zoo als haar moeder geweest was. Maar toch, toen zij een week getrouwd was, begon zij te denken meer dan zij vroeger had gedaan, dat 't van Jozef vreemd was zoo aan niets bovennatuurlijks te gelooven. Buitendien had zij haar liefde van verleden jaar nog niet voelen te-rugkomen. Zij was nog altijd een beetje bang voor Jozef, hoofdzakelijk 's avonds en 's morgens vroeg. Zij had geen verwondering in zich zelve gemerkt over wat er met haar gebeurd was, maar zij had er Jozef niet liever om gekregen. Alles kwam haar natuurlijk en toch vreemd voor. In vreemde omgevingen, onder allerlei vreemde gewaarwordingen, leefde zij als een heel nieuw en versch leven. Vele herinneringen van haar eerste halve jaar op het kostschool vulden haar brein. Toen had zij ook zooveel ongekends beleefd en had haar bestaan zich nieuw aan haar voorgedaan. Maar krachtiger dan toen mengde zich nu de gedachte aan haar vader onder de andere. Hoe zoû 't met hem gaan? Hoe zoû hij zijn dagen wel slijten? Zij schreef hem alle dag en kreeg driemaal in de week antwoord.
De huwelijksreis was door Jozef en den ouden heer na rijp beraad zoo vastgesteld: Zij zouden den avond van hun vertrek gaan tot Arnhem, verder naar Parijs: dan zouden zij langs de Middellandsche Zee naar Rome gaan en de terugreis over Duitschland doen. Jozef voorspelde ontzaglijk veel genot van zoo een groote reis. Hij was tóch een liefhebber en had er in een helen tijd niet aan gedaan maar ook voor Mathildes wereldkennis was de uitgestrektheid van de roete uitstekend. In Valkenburg een dorp bij Maastricht, zouden zij een eerste halte maken langer dan een dag, van een week waarschijnlijk.
Daar waren zij aangekomen den vorigen avond en hadden er, met open ramen, een rustigen nacht gehad. Het was nu zeven uur in den ochtend, de tweede helft van Mei.