Part 8
De ziekte van den ouden heer was nu op zijn ergst geworden. Het begin, de eerste hevige stooten waren voorbij, nu was zijn lichaam met kalme, zware aanhoudende pijnen. Mathilde verzorgde hem voortdurend hetzelfde en zonder ongeduld. Zij dacht veel aan Jozef, ook vooral als hij er niet was, maar de telkens in denzelfden vorm opkomende gedachte, die telkens weêr te-rugkwam als ze haar driftig had wech gestooten, zoo als de altijd weêr verschijnende telegraafpalen, die men te niet zoû willen kijken door het raampje van den sneltrein, maar die met een ruk weêr aankomen, die gedachte bleef haar als een zoete kwaal met een onbestemde heerlijke hoop vullen. Gelukte het haar 's avonds in te slapen, dan voelde zij in den doezeltoestand, waarmeê haar slaap begon, in die oogenblikken dat zij zelve niet wist of zij wakker was of sliep, en als hij zich weêr heelemaal van haar denken had meester gemaakt, haar vleesch koud, maar de hoop, zonder begeerte-voorstellingen, bleef bestaan en regende door de vale duisternis van de ziekenkamer haar zinnen binnen. Over-dag wilde zij niet aan hem denken, zij vond dien hartstocht nu akelig wereldsch vergeleken bij den heiligen plicht, dien zij vervulde. Dit was nu het leven, dit was nu de ware hooge roeping van een vrouw, en het andere was wereldsch, was slecht, was uit den booze en niets dan ijdelheid.
Na vier weken was Mathilde half-ziek van afgematheid. Zij kon, zij kôn doodeenvoudig niet meer. Wanneer zij niet oppaste zoû zij-zelf ziek worden, en wat dan, dan kon zij toch zeker haar vader heelemaal geen goed meer doen. Zij had zich-zélf zoo gemaakt, zij had het werk, dat zij zich had opgelegd, overdreven. Zij had er een genoegen in gevonden zich af te sloven, dát te doen, wat zij wist dat overbodig was. Zij had een vaag verlangen gevoeld om zich zelf te vernietigen; zij wilde Jozef vergeten, zij wilde zich dood sloven om haar vaders leven te behouden. Het was de onbevredigde liefde voor Jozef, het onuitroeibaar onvoldaan verlangen, de stormende en stijgende zucht om haar leven aan zijn doel te geven, die zich in dezen hartstocht van verplegen een doorweg baande. En voor een gedeelte was zij geslaagd, zij had zich-zelf zoo weten te verzwakken, dat de dokter en Jans haar op een morgen met geweld aan de ziekenkamer onttrokken en naar bed brachten. Toen sliep zij achttien uur achter mekaâr. En zij voelde zich zoo krachteloos, dat zij zich wel moest laten aanleunen, het verschijnen van een liefdezuster, beneden, die men zich gehaast had te laten komen. Maar twee dagen later sukkelde zij in haar grijzen peignoir, door Jans ondersteund, weêr de trap af; zij wilde haar vader zien. Hij was nog hetzelfde; hij had zoo'n rillende en huilende pijn, door al zijn leden, vooral door zijn linker zij, dat men biezen hoepels om zijn matras had gespannen, om zijn dek op te houden, daar hij zelfs de druk van de dunne lakens en van éen katoenen deken over zijn beenen en borst niet velen kon. Hij jankte tusschenbeide als een hond.
Een week later bleef de pijn bij lange tusschenpoozen wech. Na nog een week beterde hij merkbaar. Mathilde, die weêr aansterkte, zat in de voorkamer beneden te teekenen en te borduren; elke tien minuten liep zij de trap op om naar haar vader te kijken.
Jozef kwam elken dag áan. Hij stuurde nu geregeld verfrisschinkjes voor den ouden heer; en voor Mathilde de laatste bloemen van het jaar. Mathilde vond 't heel mooi van hem, dat hij nooit vergat te komen. Zij zag hem op de vaste uren, altijd netjes aangekleed, altijd even lief en hartelijk, met zijn trouwe, nu beproefde, dacht zij, onveranderlijke liefde. Hij bleef nu dikwijls een half uur alleen met haar in de voorkamer, na boven den vader te hebben bezocht. Iederen ochtend zag zij weêr met meer verlangen naar zijn komst uit. Zij begon bij zich-zelf te redeneeren, dat vader waarschijnlijk, zoo hij al beterde, toch ziekelijk blijven zoû, en heel hulpbehoevend zijn volgend leven. Zij zoû zich niet van hem kunnen scheiden en hem moeten blijven verzorgen tot aan zijn dood. En langzamerhand ofschoon zij eerst voor haar eigen weinige zelfstandigheid te-rugdeinsde, werd zij gewaar, hoe zij zich neêrleî bij het denkbeeld om Jozef te trouwen en vader in huis te nemen, met hun drieën verder samen éen leven te leiden. Haar bezwaren van vroeger kwamen nog zwakjes op, maar verbleekten en schenen vernietigd te zullen worden. Weêr dacht zij aan de kinderen. Men moest verstandig zijn, men moest, wilde men zoo een gewichtigen stap doen in het leven, niets over het hoofd zien, alles wikken en wegen, alle bezwaren indachtig wezen. Zij dacht dan, dat de kinderen misschien vooreerst niet zouden komen, dat, al werden zij hun werkelijk gezonden, alles toch nog misschien geschikt zoû kunnen worden. Alles wat vroeger een onoverkomelijke hinderpaal scheen, werd nu makkelijk uit den weg te ruimen. In alle gevallen bleek gemakkelijk te kunnen worden voorzien. Zij zouden dan maar, zoo lang vader nog leefde, niet veel menschen zien en probeeren het huis stil te houden.
Eens op een Donderdag-middag waren de heer en mevr. Berlage een kaartje komen poesseeren, de ingenieur Ster was er ook al verscheidene keeren geweest, om deelneming in de ziekte van den huisheer te betuigen, maar Mathilde ontving niemant, voorgevende zelf ook nog ongesteld te zijn. Zij wilde alleen zijn met al haar gedachten. Die nacht, van Donderdag op Vrijdag, deed zij bijna geen oog toe en lag zij aldoor aan Jozef te denken. Vrijdagochtend tegen elf uur, den tijd, dat hij komen moest, was zij zoo ontzettend verlangend naar hem, dat ze het venster van de voorkamer open schoof en in de Oktober-koelte haar haren liet zwieren om naar hem uit te zien. Zij reikte zoo ver mogelijk naar voren, dat haar borst er zeer van deed.
Toen hij kwam, maakte zij open:
--Ben-je daar? Zij gaf hem stil een arm. Samen gingen zij naar boven.
Na dat Mathilde Jozef zich had laten overtuigen, hoe-of vader beterde met den dag, hoe opgewekt hij er weêr begon uit te zien en met hoeveel pleizier hij zijn krantje las, en hoe lekker hij weêr brood at, stonden zij op het portaaltje buiten de deur van de ziekekamer een oogenblik stil.
--Ik ben boven aan een aquarel bezig, die nog al goedgaat, zeî Mathilde. Ik zal hem eens even halen, dan kan-je zien. Zij ging twee treden van de trap op en keerde zich toen om. In een wangenwarmte en een verlegen lachje, zeide zij: Ja, hij zit eigenlijk strak gespannen, vast gestoken op een houten bord ... Ik heb ook nog een heeleboel op mijn tafel liggen, om je te laten zien. Wil-je niet even meêgaan?
Het denkbeeld om Jozef haar kamer binnen te brengen en hem alles daar te laten kijken bekoorde haar erg. Dat Jans iets zoû denken, viel niet in haar; Jozef was een oude huisvriend. Toch een beetje aarzelend ging zij hem vóor, en ze werd in-éens heel rood, toen zij zijn stap achter haar hoorde, zoo hoog in het huis, de trap op. Maar de kleur bleekte zachtjes op, toen zij haar deur openduwde. Het was buiten geen bizonder klare dag, integendeel, het kon op regen uitdrayen. Zij wist niet waarom, maar toch trok zij de gordijnen niet op. Hij trad op haar toe en nam haar bij haar arm. Sints dien eenen zoen, op dien grooten morgen, hadden zij mekaâr niet meer gezoend. Want een schijn van verkoeling had er wezenlijk bestaan. Hij zoende haar dan even, zachtjes op haar wang. Zij kleurde zijn gezicht met de liefde van haar oogen, maar zoende niet te-rug. Zij vond den toestand toch wel een beetje vreemd, zoo, hier op haar kamer. Op-éens merkte zij haar nachtjak, dat voor het bed op een stoel lag. Zij gooide het jak gauw op haar bed en deed de gordijnen zorgvuldig over mekaâr en de stoel er tegen aan, zoo dat er geen opening meer zichtbaar bleef.
--Ga nou maar even voor de tafel zitten, zeî ze, dan kom ik naast je zitten.
En samen bogen zij zich over de teekeningen en bezagen alles. Zij vermeed zijn blikken en leì hem haar moeite en haar werk uit, haar oogen naar de tafel. Plotseling zeiden zij geen van beiden een woord meer. In de stilte keken zij allebei voor zich uit. Toen nam hij een besluit en maakte een gauwe beweging. Hij deed zijn arm om haar middel en trok haar naar zich toe, zijn hand aan haar borst. Een hitte steeg in haar op. Zij ging achter over, haar hoofd op zijn schouder. Haar lichaam hijgde naar boven in zijn armen.
--O, fluisterde zij, zonder te weten wat zij bedoelde, ik kán nu niet langer wachten ... Laten wij toch trouwen.
En zij wrong zich naar hem toe, op zijn schoot, tegen hem aan. Hij viel haast òm met stoel en al. Zij maakte zich tot een klein kind aan zijn borst. Zij dook in-één in de houding, als toen zij, zoo lang geleden, als klein kind speelde op zijn schoot en hem aaide. Zij nam zijn hoofd tusschen haar handen; zijn haren sidderden onder haar vingers.
--Wij zullen trouwen, nietwaar, gauw, zoû gauw mogelijk?
En zij zoende zijn gezicht wit en hijgde heet over zijn wangen. En zij streelde alles aan hem, zijn hoofd, zijn gezicht, zijn schouders, zijn hals, zijn borst. Zij zoende zijn wenkbrauwen, zijn oogen, zijn lippen, zijn voorhoofd, zijn das, alles wat van hém was. Jozef andwoordde zonder te spreken, met te-rug te zoenen. Toen zonk zij met dichte oogen, haar hoofd op zijn houder, haar handen achter zijn hals samengeklemd, tegen hem neêr. En ze zeiden allebeî niets, hun hoofden waren heet in de vreemd-warme kamer, Daarna gingen zij zachtjes samen weêr naar beneden.
IV.
Jozef en Mathilde spraken af dat hij, zoodra de oude heer weêr heel hersteld zoû zijn en beneden in huis weêr in zijn oude leventje, een formeel huwelijksaanvraag doen zoû. Mathilde-zelf durfde er niet het eerst over spreken. Zij doorwachtten nu het langzaam beteren van den heer de Stuwen. Over een groote veertien dagen, had dokter Hansen gezeid, zoû de vader zich weêr gemakkelijk bewegen kunnen en de trappen op-en afloopen. Tot zoolang moest men geduld hebben, want Mathilde bracht Jozef aan 't verstand, dat zij volstrekt niet gissen kon, wat vader van de tijding denken zoû. Als hij weêr op zijn gemak den gewonen levensloop volgde, moest men hem alles meêdeelen.
Met dendag draaide nu de oude heer bij. Hij begon eerst wat beter te eten, toen bleef hij even ópzitten met zijn koeranten, toen stopte hij zijn pijpjes, toen begon hij pleizier in keuvelen te krijgen, en eindelijk stapte hij de duffe ziekenkamer uit. Dit zal nu een dag of tien geleden geweest zijn.
De maand Oktober eindigde stil. Het was een heldere koele avond buiten. Er passeerden weinig menschen op de gracht. De heer de Stuwen zat voor de tafel in de binnenkamer. Het kolomkacheltje brandde flauwtjes. De gasbekken waren boven het grijze hoofd ontstoken en hij las de krant onder 't soppen van een tafelbeschuitje in een juist weêr volgeschonken nagemaakt blauw Saksiesch theekopje. Tegenover zijn plaats aan tafel stond een groot ouderwetsch bruin blad met opstaanden rand in koperen beslag. Het vlammetje onder het oud-zilveren theepotje bewoog: zóo hoog stond het ouderwetsch toestel, met de ketel met kokend water, dat de stoom tegen het lichtje áankwam. De overgeblevene helft van een manille-cigaar lag op het met asch en gestortte suiker bedekte schoteltje, naast de linkerhand van den heer de Stuwen, waarmeê hij de krant vasthield.
Mathilde was juist wechgegaan om klarigheid te maken om met haar vader naar de komedie te gaan.
Daar werd hard aan de voordeur gescheld. Toen Jans bijna bij de voordeur moest zijn, gingen de Stuwens blikken even luisterend links langs het bedrukte blad, zijn mond ging op een kiertje staan: Wie, dacht hij, kan daar zijn?
Jozef was aan de deur. De Stuwen herkende zijn stem toen hij Jans goeyen-avond zeî, en vond 't vervelend, dat hij juist nû kwam.
--Zoo, van Wilden, ik had niet gehoopt je van-avond nog te zien.
--Hoe maakt u 't, meneer de Stuwen? ... Ja, ik zal u zeggen ... ik woû u graag eens spreken ... over ernstige zaken ...
--Nou, kom binnen, kom binnen ... Jans, neem meneer z'n jas eens aan.
--Nee, dank u, die zal ik maar aanhouwen ... Ik zal u niet lang ophouden ... ik heb maar weinig tijd.
--Ga zitten ... zoo, en wat heb je nu voor gewichtigs?
De Stuwen was ook weêr gaan zitten.
Jozef zat op de kleine kanapee, die tegen den wand stond. Zijn cylinder-hoed stond naast hem op het karpet met de lichtrood zijden voering naar boven. Zijn overjas hing open; zijn ellebogen stonden op zijn knieën; zijn donkerbruine glacé-handschoenen kraakten sisten tegen mekaâr; zoo krachtig poogde hij zijn handen te vouwen. Zijn hoofd hield hij gebogen, zijn oogen neêr. Een enkelen keer dwong hij ze echter den heer de Stuwen sterk aan te zien. Hij sprak boekachtig.
--De stap die ik doe is wel een beetje onvoorbereid, meneer, ... maar wij zijn toch al oude vrienden en daarom ben ik er des te gereeder toe overgegaan ... Meneer, ik kom de hand van Mathilde vragen ...
Jozef hoeste en keek den ouden heer lang, heel lang met zenuwachtig trillende oogen aan.
--Houdt zij van u?
--Ja, meneer, dat weet ik ... Wij hebben samen al over ons hartsgeheim gesproken ... Zij heeft mij wel lief en ik, ik haar onuitsprekelijk ...
--Ik moet je ronduit bekennen, dat je me erg verrast. Ik had nooit aan zoo iets tusschen jullie gedacht. Je scheelt, als ik wel heb, dertien jaar met mijn dochter. Je karakter ken ik genoeg ... Maar wat praat ik? Wat moet ik beginnen, als jij met mijn eenig kind gaat strijken? ... De Stuwen huilde nu. Van Wilden, ik houd zooveel van dat kind, zij is 't eenige, wat ik nog over heb ... Mag ik wel vragen, oprecht en vrij, hoeveel inkomen je wel hebt, van Wilden, en hoe je je huishouden denkt in te richten? ... Wezenlijk, je komt me zoo met je aanbod uit de lucht vallen, dat ik er heelemaal door in de war ben ... Laat me d'r eens wat over denken, hè? ... Kom dan over een week of zoo maar mijn antwoord hooren ... Gut, jongen, van Wilden, geloof me, ik had zoo iets nooit vermoed ... Ik houd van je, dat weet je, en 't geluk van Mathilde gaat mij erg ter harte ...
Jozef was opgestaan, beverig, klammerig. Boven in huis zong Mathilde het liedje uit Faust van den koning van Thule; zij kwam de trap af. Toen zij aan de onderste drie treden was, had ze juist haar handschoenen dicht geknoopt en kwam nu met een sprongetje de achterkamer binnen: Vader, is u klaar?
Jozef had nog juist kunnen zeggen:
--Mag ik u dan per schrift nog 't een en ander over mijn zaken melden? ... Ik hoor Mathilde, bedenk u nu rustig ... ik wil ook niet dat er in deze kwestie iets te overhaast of tegen uw goeddunken gebeuren zal, ... maar ... vóor alles, ... houd in 't oog dat niemand haar ... in staat is haar ... gelukkiger te maken, ik ... daar is ze, ... dat ik oneindig veel van haar houd ... Tot ziens dan!
Hij kwam Mathilde aan de deur tegen. Hij dorst niet tegen haar te glimlachen. Zij zag ontsteltenis in zijn oogen. Zwijgend drukte hij haar hand. Zijn hand beefde. Zij zag haar vader ook opgewonden. Zij begreep dat Jozef alles had gezegd. Eén oogenblik had zij de gedachte haar vader te omhelzen en hem zoo smeekend aan te zien, dat hij dadelijk zijn permissie zoû geven ... éen oogenblik maar, want zij hield zich in en ging stil in de kamer staan. De heer de Stuwen liet Jozef uit. De buitenlucht koelde de gezichten van Jozef en de Stuwen af. Jozef nam zijn hoed af en verdween in de schemering van 't lantaarnlicht aan den wallenkant.
Vijf minuten later ging de oude heer met Mathilde naar de komedie. Jans liet ze uit en bleef verder in haar eenzaame keuken te-rug om naast de poes in te dommelen zonder te merken dat de lamp knersend uitging.
De Stuwen en Mathilde zeiden dien avond weinig tegen mekaâr.
* * * * *
Dien avond, een paar uur na dat hij bij de Stuwen geweest was, ging Jozef naar de club. 't Was al over tienen. Het gas in de winkels vlamde, de gordijnen voor de clubventers waren neêr. Jozef draaide den hoek om en richtte zich naar de deur in gezelschap van twee andere elegant gekleedde heeren. Beneden, van de keldervensters van het clubgebouw, steeg een warme damp van gekruid eten op in de neuzen.
De straathoek hier was vol loopende menschen. De lucht stond bewolkt en de gezichten blonken geel in het gaslicht. De oogen blonken, als lichten van diep uit de hoofden schijnend. Soms ging het geraas van rijtuig en paard plotseling van de straatsteenen over in het doffe geklok van den hoefslag op het asfalt. Schorre fruitventers-kreten, heesche jodenschreeuwen een schel hondgejank riepen op onder de schuifelende gebarende en gesprekken houdende menigte, donkere lijven in een ver gebrom en een morrend gesuis tot de lucht.
In hun baarden lachend wandelden Jozef en zijn kennissen langzaam. Boven de fluweelen kragen van hun overjassen schemerden, in helder witte boorden geklonken, hun roode door de pret vettige halzen. Er kwam een donkere jufvrouw onder een breedgeranden rubenshoed achter hen aan. Zij kuchte. Jozef keek om. Van weêrszijde werd toen giechelend gelachen.
De groote zaal van de club was in lichte kleuren beschilderd: licht-rood, lila en blauw; ovale vakken met bloem-en fonteinafbeeldingen, gescheiden door half uit den muur gebouwde hoekige pilaren, die van boven en van onderen zich in een opeenhoping van gouden krullen verloren. De bloemvakken werden afgewisseld door geslepen spiegels. Midden in den zaal stonden drie bieljarten, waar heeren met lekker-ruikende-baarden in hun overhemdsmouwen om heen liepen; de lampekappen stortten het licht over de bieljarten neêr, dat de spelden in de kleurige dassen deed blinken, maar de gezichten in de schaduw liet; de heeren droegen de keuën geweêrsgewijze over den schouder, de pomeranz, met krijt besmerend. Achter in de zaal stond de lankwerpige groene leestafel, waar meer bejaarde heeren kranten lazen; aan de vensters waren de zwart ebbenhouten tafeltjes; kletsende, rookende heeren zaten er om heen grokjes te drinken.
Jozef kwam binnen met zijn vrienden. Een knecht vol blauwe liverei met zilveren knoopen nam de over-jassen en de hoeden aan. Aan een tafeltje, dicht-bij de deur, waar al drie jongeluî aan zaten, gingen zij ook.
--Bonsoir, Hasman ... Dag, Piet, hoe maak jij 'et? D'Ablaincourt! ... Zitten jullie hier al lang?
--Nee, even maar, we hebben koffie gedronken in Suisse.
--Was 't er vol?
--Nee, och God, niemant.
--Jawel, en Dobber van Rotterdam dan? Zeî Hasman.
--O, was die d'r ook? Die heb ik t'r gisteren gezien, zeî Jozef. Verbeel-je, hij proponeerde me om een spelletje ekartee te spelen, maar dat kon ik niet doen, dat begrijp je, nee, zeg ik, dat gaat hier in Amsterdam volstrekt niet, als de menschen mij hier na den eten ekartee zagen spelen, zoû ik morgen aan de Beurs niets te doen hebben.
--Nou, zoo erg geloof ik nou niet, dat het is, zeî Piet.
--Asjeblieft, zeî Jozef, de menschen zijn hier nog verschrikkelijk kleinstädtisch. Ik durf in geen publiek koffiehuis kaart te spelen. Dat kunnen alleen renteniers doen en in geen geval jonge menschen, die in effekten doen.
D'Ablaincourt was met den knecht aan 't overleggen wat hij drinken zoû.
--Mag ik je iets offreeren, van Wilden?
--Ja, groc américain, heel graâg!
--Jongens, ik heb vandaag zoo'n mooye meid gezien, zeî Hasman.
--Ja? Waar?
--Op de Heiligeweg. Ik ben d'r nog een tijdje nageloopen door de Leidsche straat, maar 't duurde me te lang.
--Ja, à propos, van Wilden, hoe staat 't met jouw Lucie?
--Dank-je, heel goed; jammer, dat 't uit is tusschen ons ... maar van den anderen kant toch niet jammer, want ik geloof dat 't heel goed is, dat ik nu eindelijk eens ga trouwen.
--Ja, maar, beste vrind, wat heb je aan een ongefortuneerde vrouw?
--O, dat hangt er heelemaal van áf ... as je een meisje trouwt, mooi, en die op je verliefd is, en als je dan de overtuiging hebt, dat je een uitstekende getrouwde man zal zijn ... Ik zal veel van d'r houën en we zullen 't heel goed met mekaâr kunnen vinden.
--Jongen, jongen, wat ben jij toch 'n degelijk mensch ... en dan na een jaar of zes zoo vijf kleine springertjes om je heen ... heel plezierig nie-waar? Je bent tóch altijd zoo'n liefhebber van kinderen!
--O, waarom niet, andwoordde Jozef, al sjouw je wat voor dat je trouwt, daarom kan je later toch wel een goeye huisvader zijn.
--Ja, en je leeft op 't oogenblik ook heel bedaard, dat is waar.
--Wel zeker, heel bedaard, maar, beste jongen, dat heb ik altijd gedaan ... ik leef altijd bedaard ... ik ga nu van-avond bijvoorbeeld waarschijnlijk weêr eens dood bedaard naar Josephine uit den Haag.
De knecht kwam nu met een platina blaadje, waarop drie grocs américain stonden, die de heeren met een lucifer aanstaken, zoo als ze het in Parijs hadden zien doen.
--Op je aanstaande, Jozef! zeî een van de andere heeren, zijn glas in de hoogte.
--Blaas eerst de vlam uit, je zal je branden, riep een ander er tusschendoor, om een aardigheid te zeggen.
--Nou, en ik drink op Josephine! zeî Hasman.
--Nee, profaneer niet, zeî Jozef, je moet geen dingen met mekaâr in verband brengen, die niets met mekaâr te make hebbe.
--Nee, dat moeten jullie ook niet doen, zeì de heer Blas, die tot nu toe gezwegen had en voor een heel verstandig mensch doorging, maar, van Wilden, ik zoû je toch wél eens iets willen vragen ... hoe of jij toch eigenlijk de meisjes op je verliefd maakt, bijvoorbeeld, zonder indieskreet te willen zijn, je aanstaan nu, die houdt nou toch bepaald van je, nietwaar?
--Ja wel, ik hoop het ten minste wel.
--Hoe komt dat dan nou? Je bent altijd op de Beurs, op je kantoor, hier in de club, en je neemt het leven verder nog al luchtig op, je bent zelfs een beetje fatterig, hoe kan jij een meisje uit een stille burgerlijke ingetogen familie zoo gecharmeerd op je maken?
--Dat is nog al eenvoudig, andwoordde Jozef, ten eerste, omdat haar vader en zij met weinig menschen omgaan en ik zoo wat de eenige jonge man ben, dien zij kent, ten tweede om dat ík veel van haar hoû.
De heeren zaten met hun ellebogen op de tafel, met de eene handen de hoofden steunend of aan de glazen, de andere in de broekzakken en op tafel trommelend, te luisteren; om hen heen leefde de zaal in het rollen en klotsen van de bieljartballen, het applaudiseeren voor een mooyen stoot met een licht geklop van de keuën op den vloer en het stemgegons van de babbelende tafeltjes met een enkelen luiden schater; de rooknevel van geurende cigaren steeg langzaam naar de zoldering.
Na een uurtje begonnen Jozef en zijn vrienden zich te vervelen. Aan andere tafeltjes spraken zij nog een paar vrienden aan, en groetten een paar kennissen en gingen nog een beetje de straat op.
Twee dagen later ontving de heer de Stuwen een dik zorgvuldig toegemaakt koevert, dat hij ook op een avond, ook in zijn achterkamer, bij het nog flauwer brandend kolomkacheltje, openmaakte.
Jozef legde er zijn maatschappelijken toestand in bloot. Hij was eigenaar en bestuurder van een effektenzaak, die jaarlijks een acht-à tienduizend gulden afwierp. De omstandigheid, dat hij aan een bekwaam en ijverig kashouder de leiding van het kantoor had toevertrouwd, stelde hem in de gelegenheid zijn tijd, die niet aan het maatschappelijk verkeer was gewijd, met lezen en studeeren door te brengen. Dikwijls was hij maar een half uur per dag op zijn kantoor en zijn overigen tijd thuis, of, zelden, in de club. Maar 't sprak dat hij voortaan al zijn lidmaatschappen van sociëteiten en verdere celibatairs-genootschappen op zoû zeggen, om met zijn vrouwtje, alleen voor en in zijn eigen huis te leven. Hij wilde zich ook ernstiger nog als nu op de studie toeleggen, een bezigheid, die, wilde zij vruchten dragen, op zich zelf al veel van zijn vorderen zoû.