# Een liefde

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-liefde-10820/index.md

Nu was Jozef op zijn beurt ten hoogste verwonderd. Hij had integendeel gedacht, dat 't haar heel aangenaam zoû zijn zoo gauw mogelijk met alles klaar te komen en alles lang vooruit te bespreken en te bepalen. Hij had haar nog nooit op zoo'n vreemden toon hooren spreken.

--Maar, Mathilde, hoe kan je nu zoo wezen! Als ik je pas een paar maanden kende of zoo, als ik je een het hof had gemaakt en ik woû je daarna op manier ten huwelijk komen vragen, dan zoude wij misschien ... of nee, dan zoû toch nog mijn eerste gedachte zijn, natuurlijk, over ons huwelijk, de huwelijksreis en al die dingen, ... dat spreekt immers vanzelf ... en hoeveel te eerder nú, wij kennen mekaâr al zoo lang, we zijn als 't ware voor mekaâr geschapen en wat nu gebeurt is een natuurlijk gevolg onzen heelen omgang van vroeger, ... nu is 't des te natuurlijker, dat wij dadelijk over die zaken spreken.

Maar zij liet zich niet overreden. En om nu over de zaak zelf te spreken, zij had óok verstand van het leven. Wanneer ze dan eenmaal gevestigd zouden zijn, zoû vader nooit bij hun in komen wonen; schoonmoeders of schoonvaders in huis brachten nooit geluk. Vader zoû zijn kleine gewoontes geëerbiedigd willen zien, die met hun levenswijze niet stroken zoû. Vader was gewend aan stilte, aan rust, aan eenzaamheid, aan zijn minste verlangens dadelijk te voldoen. En zij met hun tweeën, ze begreep heel goed, dat ze veel uit zouden gaan, menschen zien, partijtjes geven misschien en allerlei drukte hebben, waar vader niet van hield. Mathilde telde een massa bezwaren op, het eene kwam voort uit het andere, zij vond er een zeker pleizier in, in een hoop woorden zich de toekomst zoo naar mogelijk voor te stellen. En in-éens midden in al dat gepraat, kwam haar toekomstig moederschap voor den dag. Zij zeide, en werd dadelijk vuurrood: En als er een kindje komt, wat dan? Ze had Jans, de meid, dit wel eens hooren zeggen. En zij redeneerde voort over het kindje. Als er een kindje kwam, wat dan? Dan zoû 't voor vader niet meer om uit te houden zijn. Ten eerste het voortdurend geschreeuw van het kindje, later zijn vermoedelijke wilde speelschheid, ten tweede de onmogelijkheid voor haar, om zich verder veel met haar vader bezig te houden. Dit zoû dan heelemaal onmogelijk worden. Neen, 't kon niet, onmogelijk; zij moesten nooit een oogenblik denken, dat vader bij hen in zoû komen wonen.

Dood-bedaard had Jozef naar haar geluisterd. Hij vond haar allerliefst in haar kriegligheid, die hij zich niet begreep. Het driftig bewegen van haar lippen deed hem plezierig aan. Toen zij van 't kindje sprak, had hij 't lastig gevonden haar aan te blijven kijken en was met snel knippende luisterende oogen weêr uit het raam gaan kijken. Heel ernstig vroeg hij:

--Hoû-je van me, 'Thilde, is 't wezenlijk waar, zooals je het gezeid heb?

Haar goede gemoed kwam boven: Ja, wezenlijk heel veel.

--Nou, laten we er dan maar niet meer over spreken. Als wij van mekaâr houden, zal alles verder zich van zelf wel schikken. Ik zal over alles, wat je gezeid heb, eens op mijn gemak nadenken. Jozef had de Stuwen, met zijn zwak in-éengedoken gangetje, op straat aan zien komen en woû dus een einde aan de diskussie maken.

--Geef me dan nog een zoen, daar is je vader, zeî hij. De zoen werd gegeven heel gauw, maar Mathilde hield haar mond op-zij en er bleef eventjes een klein vochtig schaduwkringetje op haar wang. Toen haar vader de stoep opkwam en Jozef hem groette met zijn hand, veegde haar zakdoek 't stilletjes wech.

't Was half-twaalf geworden. De heer de Stuwen morrelde even met zijn huissleutel in het slot, veegde zijn voeten af op de vloermat, en hing zijn jas en hoed aan den kleinen standaard, zette zijn stok in den bak en kwam binnen, met een groote witte linnen zakdoek zijn neus snuitende. De twee heeren gaven mekaâr een hand. Hè, hè, 't is heerlijk weêr, zeî de Stuwen. Van Wilden, waar kom jij van-daan? ik dacht dat je gestorven was ... Zeker weêr op reis geweest ... Hè, hè, ik ben lang wechgebleven ... Gaan we nog geen koffiedrinken, kind? Mathilde keek op haar horloge, dat, met een dik zwart koordje in een knoopsgat van haar lijf vast zat. Zij schrok, om dat 't al zoo laat was en ging gauw de kamer uit. Zij kwam nog even te-rug.

--Mag ik voor jou ook dekken, Jozef?

--Nee, dank-je, ik zoû 't heel graâg doen, maar ik heb afgesproken om in de club te komen.

Wech was zij. Zij hoorden haar in de achterkamer bij het buffetje bezig. Jozef kreeg donkergrijze handschoenen te voorschijn uit de pandzakken van zijn jas en trok den linker aan. Hij streek zijn hoed glad met zijn voorarm waarover hij met de hand het laken van zijn mouw strak gespannen hield, en maakte een praatje met de Stuwen. Hij vroeg hem, of hij ook gezien had, hoe of het stond op den Dam met het opbreken van de gaspijpen vóor Hajenius, dat al zoo lang de passage had belemmerd. Zoo spraken zij nog over eenige andere zaakjes.. Jozef nam daarna afscheid. Nee, blijft u binnen, zeî hij, toen de heer de Stuwen hem wilde uitlaten, ik zal er alleen wel uitkomen. De heer de Stuwen liet zich gezeggen; hij was nog moe van de wandeling. Toen Jozef den knop van de voordeur omdraaide, om het huis uit te gaan, kwam Mathilde gauw achter uit den gang naar hem toe. Zij sprak gejaagd, terwijl zij hem met hevige oogen aanzag: Ik heb zoo'n berouw over mijn stuurschheid van daar-zóo; ben je d'er nog boos om?

--Dat weet-je wel beter, zeî hij, en het was ook eigenlijk mijn schuld. Maar hij moest het nog eens zeggen:

--Wat zeg-je?

--Dat ik volstrekt niet boos ben en dat ik nooit boos op jou zoû kunnen zijn.

--Zeg in allen geval nog niets aan vader, laat hem niets merken. Ik moet het hem langzamerhand vertellen. En kom van avond te-rug, toe, zal je 't doen, ja, toe, of uiterlijk morgenvroeg, dan ben ik weêr alleen, vóor de koffie.

--Goed, zeî hij en wilde haar voorhoofd zoenen. Maar zij ging achteruit.

--Pas op voor Jans, zeî ze, die mag ook nog niets zien.

Toen Mathilde weêr binnenkwam met het dekkertje en den witten broodzak, zat haar vader uit te rusten in den leuningstoel, die in den hoek bij het venster stond.

--Als 't zulk mooi weêr is, zeî hij, hebben die ruiten een glans, precies als van blinkend staal ... Ik had volstrekt niet gezien, dat van Wilden hier was ... Was hij er al lang? ...

--Nee, op zijn hoogst een kwartier, antwoordde Mathilde, wat ie eigenlijk doen kwam, weet ik niet.

--Och, hij kwam zeker maar een morgenpraatje maken vóor ie naar de club ging.

Mathilde zette klaar: den broodbak in het midden van de tafel met een lankwerpig versch brood, niet aan den eenen kant een laag wit paperig kruim, dat in een koker van korst was geborgen. Het hellende dak der korst, van boven, was donker zwart bruin en ging, bij het zijwaards afdalen van de korst, in een melkchocolade-kleurig bruin over, van daar in lichter bruin, geel bruin, en de onderkant was grijzig geel, zwart doorschemerend. Aan den éenen uithoek was ook weêr het kruim zichtbaar, de andere was een geel bruinig rontetje, als de kin van een Indische vrouw. Aan weêrszijde van de tafel werd een bord van glimmend wit aardewerk gezet, een stalen tafelmesje met hard zwart-houten heft er naast. Aan den linkerkant van Mathildes bordje schoof zij het chineesch verlakte blaadje, waarop een flesch bessensap en twee bierglazen stonden, een witte suikerpot en een ingeleid lepeldoosje. Vier witte mekaar flankeerende schaaltjes, als vreeselijk groote verstijfde rozebladen, om den broodbak heen. Op het eene was grijs onmachinaal roggebrood, een stapeltje van zes dunne sneêtjes, want vader was er dol op; op het tweede en stuk oranje-bruine stroopkoek, met een weeke zwarte korst, van regelmatige ribben oversneden. Op het derde lag een log stuk zoete-melksche kaas; op het vierde lagen zeven plakjes vettig blad-dun, bleekrood, van gespikkeld goud beglansd gekookt rookvleesch.

De heer de Stuwen voelde zich heerlijk thuis te midden van die kleine burgerlijke spijzen. Hij zeî: Kom-an, laten we nu maar aan den gang gaan. En hij ging op een door Mathilde klaar gezetten gewonen stoel zitten, vóor het bordje. Hij was een erge liefhebber van brood en vond het ook een aangenaam gevoel brooden te hanteeren. Hij nam het brood, dat nu vóor hem lag dan ook uit den bak en sneed er het uit-einde af, na er eerst met de punt van het mes een kruisje opgemaakt te hebben. Dit was een gewoonte, die zijn vrouw hem geleerd had en die hij, ofschoon hij niet aan de godsdienst deed, toch aan had gehouden. Hij dacht altijd aan zijn vrouw, die streng katholiek was, als hij dit kruisje maakte. Mathilde schonk de bessensap in. Zij wist van alles de maat voor haar vader: zooveel suiker, zooveel bessensap en zooveel water. Door te roeren loste zij de suiker op en gaf haar vader het glas aan. Deze vond 't lekker koel en stelde voor een raam open te zetten, hetgeen Mathilde deed. Een verward gegons, doormengd met een paar schrille schreeuwen van koopvrouwen, woei naar binnen. Er rolden rijtuigen over de brug met ratelend geraas en den matten paardenhoefslag. Muschgetjilp suizelde in den zomerwind uit de boomen. De heer de Stuwen duwde een sneetje roggebrood op zijn boterham, hield dezen vast met de linkerhand en sneed hem aan vier gelijke reepjes, die hij, éen voor éen, met een tevredenheid over het voldoen van deze zoo geoorloofde en gemoedelijke en bedaarde lust, aan zijn mond hief. Daarna dronk hij zijn glas weekroode bessensap tot aan den bodem leêg en vroeg om nog een glas aan Mathilde, die al met haar hand zat uitgestrekt; terwijl een klein koeltje door het open venster haar lichtste haren liet wuiven over haar voorhoofd, en haar bleek gezicht beter liet zien.

--Kind, wat zie-je bleek.

--Ik weet niet, vader; dat is zeker om dat ik van morgen een beetje hoofdpijn heb gehad.

Eigenlijk was 't van geluk. Zij was wel een beetje boos op zich zelf, over de onaangenaamheden, die zij, zij zelf kon zich nu niet begrijpen hoe en waarom dat was gebeurd, aan Jozef gezegd had, maar dat hij gekomen was, eindelijk na dat eeuwige wachten van die lange, lange week, dat maakte haar erg blij. Zij wist weêr niet wat zij doen zoû van plezier. Ze kwam op het idee, dat haar vader verbaasde, om hem, ter gelegenheid van dit hun gewone koffidrinken, op iets extraas te trakteeren van haar eigen geld. Zij zeî het hem; zij sprak van een blikje sardines, een leverworst, een ommelet, een biefstukje, dat Jans even kon halen bij den slager op den hoek van den steeg, enfin, wat hij maar woû. De vader begreep er niets van. Hoe kwam 't in haar op? Waarvoor die bizondere traktatie van-daag? Had ze een lotje uit de loterij getrokken, of was 't maar een nieuw grilletje? In allen geval bedankte hij, en zeide, dat als ze wilde, ter eere van het mooye weêr of wat dan ook, zij voor het eten maar iets lekkers moest laten klaarmaken, dan zouden zij samen weêr eens smullen. Nu vroeg Mathilde of de koffie gedaan was. Zij had haast om alleen te zijn, stil boven op haar kamer.

--Ik ga van middag naar _Artis_, Thilde, zorg dat je over een kwartiertje klaar bent;

--Ik woû liever thuisblijven, vader; ik heb boven nog zooveel te doen. De heer de Stuwen was verwonderd. Het was voor het eerst van zijn leven, dat hem zoû iets overkwam. Hé! ging ze niet meê! Maar waarom dan niet, wat scheelde haar dan toch? Wat had zij dan nog te doen, wát? Den heele bak met linnen te bergen, die er nog stond! Een mooye grap, kon dat dan later niet gebeuren in plaats van vader alleen naar _Artis_ te laten gaan, waar hij zich zeker vervelen zoû. Maar er was niets aan te doen. Mathilde noemde nog tien andere zaken op, die volstrekt gebeuren moesten. Vader ging alleen naar Artis.

Mathilde was een te goede huisvrouw, om niet eerst het schoone goed, dat al zoo lang in de stof stond, te bergen, vóor zij ging zitten teekenen en denken op haar kamer. Terwijl ze éen voor éen de stapels lakens, sloope en nachthemden, die nog een beetje vochtig áanvoelden en zwaar op elkaâr lagen, in de ouderwetsche bruine kast, met een wit papier op eiken plank, schikte, en daarna vaders overhemden een plank hooger appart leî en zijn kousen nazag, of die ook gestopt moesten worden misschien, dacht ze er aan, dat deze huishoudelijke drukte nog niets was bij wat haar later te wachten stond als ze eens eenmaal getrouwd zoû wezen. Ze woû dezelfde orde volgen, waaraan ze nu eenmaal gewoon was en die op den duur het best beviel. Zij ging voort met na te denken over al de groote pleizieren van het hebben en het bestieren van een eigen huishouding. Zij deed 't nû ook wel bijna, maar 't was toch dát niet; ten eerste moest alles gebeuren precies zoû als vader het woû, en al dacht zij tusschenbeide heel anders als hij over allerlei dingen, zij sprak er nooit van, maar deed, wat hij wilde; ten tweede was Jans er, die haar had zien geboren worden en aan wie nooit in te prenten zoû zijn, dat Thilde, die ze zoû dikwijls schoone luyers had aangedaan, en die ze daarna zooveel jaren had zien spelen en springen door het huis, dat Thilde nu heelemaal behandeld moest worden zoo als men het anders een mevrouw deed; ja, Jans dorst op een heel wat hooger toon te spreken tusschenbeide, dan Mathilde het de meiden, die zij later zoû nemen, zoû laten doen. Zij wist wel, dat er nog in lang niet van komen zoû, maar het zoû er toch éens van komen en ze vond 't hoogst prettig zich dat alles nu al zoû levendig voor te stellen. Ze zouden bepaald twee meiden houden, want Jozef zijn geld plus het hare, maakte dat zij best op zoo'n voet zouden kunnen leven. Op deze manier zoû zij zelve ook meer tijd krijgen voor piano-en teekenstudiën, dit hoofdzakelijk voor hem, om hem het leven aangenaam te maken. Zij vond het zóo verschrikkelijk heerlijk te denken aan hem, aan het leven met hem alleen, dat zij deze gedachte voor een soort van opperst onthaal voor haar hart en hersenen bewaarde. Zij ging namelijk door met zich in haar heele toekomstige leven in te denken, maar zich alleen met al het bijkomende bezighoudende, met de gracht, waar-zij een huis zouden kiezen, met de meubeleering van de kamers, met de wasch, met de meiden, met de partijtjes, die zij geven zouden, met den zolder, met den gootsteen, met de toiletten, waarin zij gekleed zoû gaan en zoo meer. Een enkele keer liet zij even de gedachte doorschemeren, die haar het meeste geluk gaf: het samenzijn en het alleen-samenzijn met hem; zij bespaarde die stof, met glinsterende oogen en zuchtende borst, en leî voorzichtig de overhemden van haar vader in de linnenkast, evenals een kind eerst het bladderdeeg om een taartje heen, opeet, om voor de laatste hap het genot van de konfituren te bewaren. Eindelijk dan ook, toen alles geborgen was en netjes op zijn plaats gelegd, toen Mathilde over alles had nagedacht, tot over Jozefs garderobe en over de nieuwe soort heerenborstrokken, die mevrouw Berlage zoo geprezen had en die Mathilde, als eenmaal de intimiteit groot genoeg geworden zoû zijn, aan Jozef te dragen zoû geven, toen zij over de mogelijkheid had gedacht om 's zomers naar buiten te gaan, om een hond te houden, en ook over de brievenbus, die ze in haar voordeur zoû laten maken, toen liet ze plotseling dat alles wech gaan, gooide al die wezenloze dingen ver uit haar geest, dacht aan niets meer van de omgeving, aan geen enkele bijzaak meer, maar aan hem, aan hem alleen, aan de uren van onbeschrijfelijk geluk, die zij ver van de waereld, ver van iedereen, tot ver van haar vader toe, in een achterkamer of zoo, ergends, waar het ten minste schemerdonker was, waar geen geluid hen zoû bereiken en ook de zon hen niet zoû kunnen verlichten, heelemaal alleen samen zouden zijn. Zij voelde den stroom van het denken aan hem alleen, die zij zoo lang mogelijk had tegengegaan, om hem de meeste kracht te geven, met alle geweld langs alle kanten doorbreken en haar hart overgolven. Zij wilde nu denken áan en door de kracht van haar gedachte het nu al in den geest beleven, dat geluk van het alleen-samenzijn. Daarbij kwam, dat er een onopgelost iets, een vraagstuk vol duisterheid, iets, dat zij zich ten innigste bewust voelde zonder het te begrijpen, verbonden was aan de bepeinzing van dit heerlijke onderwerp. Zij dacht aan al wat ze hem zeggen zoû, als ze eens heel en al, zonder te-rughouding, in volle oprechtheid, wat in haar hart omging voor hem bloot zoû kunnen leggen en zich zonder voorbehoud van hem afhankelijk stellen. Zij zinde er op, wat ze zoû doen, hoe ze zich zoû kunnen gedragen, hoe zij haar eigen wezen zoû kunnen veranderen, zich vervormen, zich liever en beter maken of wat of hoe ook ze in Godsnaam zoû kunnen handelen, om een ongehoord bewijs, een heilige en onbetwijfelbare bekentenis te geven van haar liefde. Wat moest ze getuigen, wat had ze te openbaren, op dat die getuigenis en die openbaring hem onweêrstaanbaar overtuigden, dat haar liefde zoo waar was, dat zij het wel met haar bloed tegen een witte muur zoû willen schrijven. Want zij had een angst. Zij twijfelde niet, geen minuut, aan zijn liefde voor haar; die liefde moest bestaan, dit had zij al zoo lang geweten vóor hij het zelf zeî; maar zij was er niet zeker van of hij wel zeker was van haar liefde voor hem. Zoû haar stuurschheid van van-ochtend niet gemaakt hebben, dat hij een beetje aan haar liefde was gaan twijfelen? En tôch, al was dàt niet zoo, zoû ze het hem duidelijk genoeg hebben te verstaan gegeven? Wie weet hoe of hij twijfelde, wie weet wat een angst en verdriet of hij had. Zij vond ook zelf dat zij het niet krachtig en duidelijk genoeg gezegd had, dat andwoord, dat hij was komen vragen. En daarom zocht ze in haar verbeelding naar een middel om haar liefde te zeggen, naar een daad van opoffering, die zij zoû kunnen doen. Zij bekeek zich-zelf van top tot teen; daarna betastte zij zich. Er moest een handeling zijn, een akte, een daad, waarin het heele lichaam en de heele ziel zich ten innigste vereenigde om van liefde te spreken, waarin het heele ik in al zijn onderdeelen onverdeeld zich uitte en zeide: ik hoû van je, hier ben ik, ik hoor van jouw, heelemaal en altijd. Zij kwam eindelijk tot het besluit, dat zij haar vader zoû vragen, wat het huwelijk eigenlijk was. Maar dit durfde zij in 't geheel niet zoo maar.

