Part 29
Zij keek naar Jozef, en dan weêr niet, en dan weêr naar zijn strooyen hoed, die plat op een stoel lag. Zij voelde als een plotselinge langzame losschroeving van haar verbeelding-en gedachte-vermogens. Zijn lichaam was daar toch, bij haar, vlak bij haar, tastbaar in zijn begrensde vormen, met een ruimte er om heen, waarin zij gaan kon, waarin zij haar armen kon bewegen, om ze te leggen om zijn hoofd, en haar lippen naar voren duwen aan zijn mond. De liefde-bewegingen van haar armen en hoofd, die zich onbewust onder de plannen van hetgeen zij hem zeggen zoû in haar denken hadden voorbereid, leefden nu op in haar verbeelding; zij zag vreemde armen gebaren maken, vreemde achterhoofden neigen en bukken en zich vlijen. En daar achter, ver in haar voorstelling, zag zij een donkere holte onder de sterrenlucht van Vrijdagavond, waarin wezenlooze eilingen voortholden en verdwenen in den nacht, de mijmeringen, die het denkbeeld van haar man in haar waren geweest, en die vernietigd werden tegen zijn zittende levende lichaam.
--Hoe gaat 't nu? Een beetje beeter? vroeg Jozef, haar effen bruin aanziende, in ratelend tegen haar schedel slaande klanken.
--Het gaat al beter, maar ik ben nog wat duizelig.
--Komt de dokter vandaag nog?
--Ik weet niet, hij is er de heele week niet geweest.
--We moesten maar wat vroeg koffie drinken, zeî Jozef, ik heb honger.
Mathilde stond op om 't zelf in de keuken te gaan zeggen. Toen zij haar waarnemen in haar, hem, die stil bleef, zag naderen, en toen zij zag op zijn hoofd, dat onder haar kwam, en zijn gezicht van boven af, begreep zij zijn lichaam niet en begreep niet meer hoe zij hem kende. Maar toen zij voorbij hem was gegaan en zijn vormen uit den hoek van haar oog gestooten waren, ging er een tinteling door haar hoofd en een drift door haar beenen, waarin haar oude voornemen te-rug gaan wilde en zich gooyen over Jozef om hem te beminnen. Maar hij was achter haar hersens zoo als ze hem gezien had en in trijterende schrikken ging zij voort en was alleen met de wanden zonder het te weten.
Uit de keuken ging Mathilde naar haar slaapkamer, nam Floridawater en ging zitten voor de tafel, met den zakdoek onder haar hoofd. Op 't zelfde oogenblik kwam Marie in de groote kamer om te dekken. Jozefs oogen werden warm, Marie hoestte en keek vóor zich uit met de bedeesdheid der wangen.
--Is ie heel zoet geweest deze keer? vroeg Jozef terwijl hij gauw hevig keek naar Marie en daarna Felix bij zijn kinnetje pakte en hem aanzag met elders denkende oogen.
--O ja, meneer, andwoordde Marie, ook schuin naar Felix ziende, heel zoet, is 't niet, Fik?
--Dat weet ik niet, zeî Felix, en douwde zijn gezichtje tegen Jozefs schouder.
--Dan heb ik wat moois voor je bij me, zeî Jozef en met langzaam-voorzichtige gebaren, om Felix niet te laten vallen, haalde hij een dun prentenboekje in een prachtbandje, uit zijn binnenzak.
--Hè, zeî Felix, met een eensklaps aangestoken vroolijkheid, hè, da's mooi! en hij gleed van Jozefs knie en ging, zonder verder te bedanken, voor het venster zijn boekje bekijken.
Daarna werd er koffie gedronken. Mathilde zag Jozefs bovenlijf vóor haar, boven het witte tafelvlak, het op en neêrgaan zijner grijs zacht omkokerde armen, bij de gladwitte schoteltjes, den bal van zijn hoofd met de levende gaten en uitsteeksels, waarnaar zijn handen klommen met het eten en drinken, de schouders van zijn jasje, die zwollen en neerstreken bij de armbewegingen, zijn blinkende en knippende oogen, zijn hoofd, dat telkens even boog en rees, zijn hakkenden en trekkenden mond, zijn snor die van onderen nat werd en met een kruimeltje en die hij afveegde met zijn vingerdoekje. Zij zag zijn hals met het diepe kuiltje aan den boord, zijn ooren, die zoo mooi dicht aan zijn hoofd stonden, zijn rechte neus, het fijne rood van zijn wangen, zijn haar, dat even mooi zat als altijd. Zij keek, en het was haar alsof zij iets zocht, iets dat zij vroeger altijd van hem gezien had en dat nu voor altijd verdwenen was. En zij dacht, of zij dat lichaam had liefgehad, of het zich niet had losgescheurd van iets anders, een wezen, een waas, zij wist niet wat, dat alleen zij had bemind. Maar zijn lichamelijkheid sloeg haar denken voortdurend en zij kon maar niet inzien, dat haar eindelooze begeerte bij haar was. Nadat hij gegeten had en zijn zware vale woorden over het brood en de boter en het vleesch boven de tafel hadden gerold, neêrkletterend op haar rug met klamme streken, liet hij haar vertellen hoe zij den laatsten tijd had doorgebracht, of mevrouw van Borselen er al was, of de bloemen nog goed opkwamen in den tuin, of zij al een wandelingetje verder dan de tuin had gemaakt, en hij zeide herhaaldelijk dat zij erg bleek zag.
Na de koffie deed hij een cigaret van voren in zijn mond en rookte. Hij zeî:
--Willen we ook een beetje in den tuin gaan?
Zij gingen. Lief en goemoedig leî hij haar rechterarm in de kromming van zijn linker. Zij stapten samen regelmatig voort, en hij blies zijn rook, blauwetjes, van zijn hoofd, den anderen kant uit. Toen ze hem nu goed raakte en voelde in de jubelende lucht van den waayenden tuin, leefde stormend in eens in haar te-rug een gevoel van lang geleden. Als een klaterend beeld in een spiegel waarde zij snel bij haar, de herinnering van toen zij hem angstig-vreemd had gezien op den ochtend van hun eersten zoen. Maar krachteloos viel de herinnering terug voor de eenmaal zoo nauwkeurig en vast in haar gevormde gedachten der laatste dagen, die onweêrstaanbaar opzetten naar de klanken en klanksmartten uit haar mond:
--Ik zoû wel eens over iets met je willen spreken ...
--Zoo waarover dan?
--Ja, je zal het wel heel gek vinden, maar voor mij is het een ernstige zaak.
Hij keek haar over zijn schouder aan. Zij keek naar den zwarten grond, zij was koud, zonder ontroering, zij deed niet, zij onderging de macht van haar besluit, dat haar deed spreken buiten haar wil om.
--Wat bedoel je dan? Ik begrijp het niet.
Toen zeide zij hem kalm-koud:
--Je houd niet van me. Wil je niet weêr van mij gaan houden? Anders weet ik niet, hoe ik langer moet leven.
Hun hoofden gingen voort, dicht bij elkaâr, met een stuk heestergroen er tusschen en er boven wijd wech de wind-spelende wit-blauwige ruimte. In zijn hoofd, naar voren gewend, was verwondering. Dáár begreep hij niets van. Wat scheelde haar nu weêr in eens? In háar hoofd was de harde gevoellooze koelte, maar een scherpe wrevel over de tegen haar wil in gesproken woorden zwart-lemmette op en tegelijk begon een gloeying, vreemd opkomend, van diep beneden. De wrevel hief haar arm een beetje en deed hem bijna niet meer liggen in den zijnen, en zij kreeg ook een goeddoend gevoel van gemak, van breede tevredenheid, van bedarende opklaring van haar gemoed. Zijn beenen bewogen gelijk op met de hare, zijn lang gewachte lichaam was hoog naast het hare, en zij dronk blijde zijn tegenwoordigheid in al het waarneembare van zijn leven. De zomer baadde hen bij lauwe vlaagjes, bestoeide hun opwippende haren, glom tegen hun niet-ziende oogen. Jozef zeî in den licht-wind: Maar, lieve kind, ben-je dwaas? Ik hoû nog altijd even veel van je, waar haal je dat vandaan, dat ik niet meer van je zoû houën?
Haar arm zeeg weêr neêr op den zijnen. De gloeying vlamde op in haar, haar geest geheel vullend. Al de liefden, die in haar voor hem geweest waren, rezen aan-éen, niet te temperen, en in een brand uit haar oogen en over haar borst sproot uit haar splijtend gemoed een kletterende op-een-volging van zware, doffe, heesche fluitende klankjes, waarin zij hem zeide, wel te weten, dat hij dit zoû andwoorden, alles te weten, wat hij nog meer zoû willen zeggen; maar dat dit alles niets beduidde, dat hij, als hij zich maar eens goed wilde onderzoeken, wel zoû merken, dat zij gelijk had met te zeggen, dat hij toch eigenlijk niets meer van haar hield. Zij verweet hem al zijn verwaarlozingen zij vertelde hem van al de dingen, die haar zijn verflauwing hadden doen weten. Maar zij klaagde niet, zij was boos, en het voorgenomen smeeken verstijfde in een vergen tusschen haar verdunnende lippen. Zij had zijn arm aan haar linker borst gedrukt, haar hoofd dicht bij het zijne gedaan. Maar toen zij alles in ééns gezegd en uitgesproken had, met zacht rood aan haar slapen en haar voorhoofd, en hij andwoordde: maar, lieve kind, dat verbeel-je je allemaal maar, je hebt de koorts, je moet wat kalmeeren,--toen liet zij hem los en bekeek hem zoo als hij daar was met den tuin om hem heen, zijn blanke voorhoofd en zijn stille korte haar, zijn kalme wangen, zijn gewone oogen en grijze schouders. Hij tuurde voor zich uit met hooggestreken wenkbrauwen als om in het dennen-boschje een oplossing van de vreemde ziekte van zijn vrouw te vinden en hij drukte zijn bovenlip over zijn onderlip. Haar armen krompen tegen haar lijf, haar hals kromde een weinig om laag, in haar oogen kwamen roode spikkeltjes, zij zag hem niet aan.
--Kom, Thilde, zeî hij, laten we over iets anders spreken. En zij spraken er over, om Ster en mevrouw v. Borselen ten eten te vragen, om Felix op een bewaarschool te doen. Mathildes verbeelding voelde hem nu niet meer, haar verstand dacht hem. Zij merkte zijn heele persoonlijkheid, met al zijn doen en laten, als een kleinigheid in haar grooten hartstocht. Zij voelde hem heelemaal te kunnen overzien. Hij was een gewone, verstandige en mooye man. Hij had vroeger veel bij hen aan huis verkeerd, daarna waren zij samen getrouwd, en hij had zich altijd gedragen zoo als een fatsoenlijk man zich tegenover zijn vrouw gedraagt, wat wilde zij toch eigenlijk nog meer? Toen zij ziek was geworden, hadden zij natuurlijk niet zooveel samen kunnen zijn als vroeger. Haar verdriet was, dat zij hem geheel waarnam, want eerst was er, behalve zijn neigingen en gedachten, die zij wist, iets onbekends voor haar in hem, een verborgen geheimzinnige kracht in zijn wezen, ondoorgrondbaar en heerlijk,--het was de liefde, de zij voor haar in hem veronderstelde, Zij zag hem nu zônder dat groote en diepe, met een hoofd leêg van haar, leêg van wat zij wilde, zonder begrip. Zijn wezen was gering, hij had niets dan zijn leden en zijn dagelijks zelfde hersens, waarin elken dag de indrukken en gedachten van den vorigen zich herhaalden, zonder ooit zoo'n vreemden droom, zonder ooit zoo'n onbegrijpelijk gevoel voor iets hoogers, iets meers. En zij wist niet en vroeg zich, waarom zij zoo van hem was gaan houden. Wat had zij eraan voortdurend aan dien man te denken, wat hoefde zij zich ziek en ongelukkig te maken om zijnentwil? Haar hersens werden hoe langer hoe kouder. Zij voelde zich een oogenblik staan, als gelukkig in haar leven, buiten haar liefde. Zij dacht een kalm, zuiver, geregeld, gezond dagelijksch bestaan, waarin zijn hoofd en zijn schouders naast haar niet meer trilden, waarin hij niets was dan haar gewone maatschappelijke echtgenoot, keurig en fatsoenlijk, zonder die nutteloze bombarie van dwaze grillen en opwindingen. Wat was er niet veel te doen in het leven, ook voor een vrouw! Wat zoû zij een mooye handwerken kunnen maken, en koeranten en boeken lezen om op de hoogte te zijn! Niet alleen zoû ze haar huishouden uiterst zorgzaam kunnen doen en veel meer in de perfektie dan tegenwoordig, maar ze zoû b.v. ook voor arme kinderen kunnen naayen, zooals andere dames deden. En dan, om het voornaamste niet te vergeten, wat zoû zij veel meer moeite en oplettendheid aan de opvoeding van Felix kunnen geven! Nu werd die voor het meerendeel overgelaten aan Marie, en dat was eigenlijk volstrekt niet zooals het hoorde. Verder, als zij dan ook weêr heelemaal gezond zoû zijn, had zij voor uitspanning de konversatie met mevrouw v. Borselen en met andere dames, waarvan zij de kennis kon maken. En, och Heer, er waren nog zooveel andere dingen. Waarom moest zij zich ook zoo afzonderen in de laatste jaren? En zij zag in eens een leven vol verscheidenheden en kleine gelukjes, dat zij in haar bespottelijke hersenkoorts geminacht had zonder nagedachte.
Jozef meende daar het middel gevonden te hebben, om zijn vrouw tevreden te stellen.
--Wil ik, nu je weêr zooveel beter bent, eens een week of drie achter elkaâr hier blijven? vroeg hij.
Maar een onoverkomelijke warschheid klom tot aan haar mond. Zij zeide:
--Ja, ik zoû 't wel heel graâg willen, want man en vrouw hooren bij elkaâr, maar ik geloof wezenlijk, dat 't beter voor me is, dat ik vooreerst nog maar alleen blijf, want als ik niet zooveel rust mogelijk heb, kan ik niet slapen.
--Dat spijt me, zeî hij, en glimlachte, haar liefweemoedig aanziende.
Maar zijn glimlach werd vernederd en wrevelde wech op de strakheid van haar gezicht. Zij gingen te-rug in huis en liepen wijder van elkaâr over het pad, met schokjes van stuursche verlegenheid in hun armen en beenen. Het witblauw van boven en het dartelende groen krioelde tot hun hoofden en tusschen hun leden.
Den volgenden ochtend, toen Mathilde mat opstond, met een moeheid van het leven in haar beenen en in haar hoofd, zag zij haar fletse gezicht in den spiegel, haar flauwe oogen, de vale plekjes er onder, en de lange rimpels over haar voorhoofd. Zij voelde een grooten wrok tegen Jozefs frissche lichaam. Zij zag, dat het buiten al-weêr een lichte dag was, een uit dezelfde eentonige opvolging, die tot gisteren geduurd had en die morgen en overmorgen en altijd weêr verder zoû duren. Weêr zag zij den tuin door het venster, zonder iets buitengewoons, in zijn zelfde aanzien van steeds, zij alleen verouderde intusschen en het erge heerlijke van haar jeugdleven zoû verminderen en eindelijk heelemaal wechblijven. Zij keek naar de voorwerpen die stil stonden om haar heen. Wat was het nu? Ging zij naar een doel? of wat deed zij eigenlijk? Wat gaf het? Zij, die dacht, dat er zooveel met haar gebeurde, wat beteekende zij, wat gebeurde er met haar? niets. De dag van vandaag leek precies op den dag van vijf, zes jaar geleden. Zij had eenvoudig haar zenuwen, haar lichaam vermoeid en ziek gemaakt en zich voor altijd berimpeld door zich allerlei dingen in te beelden waarvan niets bestond en door het gewone leven te vergeten, dat toch eigenlijk alleen waarde had. Maar hij was er de schuld van, hij, die man, die zich aan haar zij had gedrongen. Aan hem had zij het beste, alles, gegeven wat zij had. Hoe was 't mogelijk, dat zij zich in 't begin zoo gelukkig had gevoeld door hem! Wat gaf zij nu om hem? Niets! Hij was daar met zijn onverschillig-beminnelijke, koele, bekrompen wezen. Zij was mooi geweest vroeger, zij had ten minste een lief gezicht, had iedereen gezeid. Nu was ze het niet meer. Haar vader was alleen gestorven uit verdriet over haar huwelijk. Neen, zij kon hem niet meer lijden, die man, die haar gebruikt had, om een tijdje pleizier met haar te hebben, die haar ongelukkig had gemaakt en dien zij nu verveelde. In de zweterige mufhe van haar eerste op-zijn liep zij met driftige zwartgalligheid door haar kamer.
Jozef kwam haar goeyen dag zeggen. Hij moest wech met de diligence.
--Nee, ik ben nog ongewasschen, zeî Mathilde, geef me maar alleen een hand.
--Dat kan mij ook wat schelen, zeî hij, daarvoor hoû ik te veel van je.
Hij zoende haar voorhoofd, maar zij deed niets te-rug.
--Zeg, hoe maakt Emilie Berlage het toch, daar heb ik heelemaal vergeten je na te vragen.
--O, ik geloof goed, maar ik heb der in lang niet gezien.
--Nou, doe der me komplimenten as je der ziet ...
--Nou, dag kind, aanstaanden Zondag kom ik weêr, hoor!
--O, uitstekend!
In een gevoellooze rust leefde Mathilde de zacht-grijze week die nu volgde. Zij bleef zonder gewaar-wordingen en sprak bijna niet. Zij was, na de vermoeying van haar te veel voelen der laatste tijden, in een begeerteloze vrede met de stilte van elken dag. Zij had plotseling op een dag oud naaiwerk voor arme kinderen uit de kast gehaald en was daar met een niet-opzienden ijver aan gaan werken. Maar de week was al voorbij en Jozef zat weêr tegenover haar aan tafel, vragende, waar zij daar zoo druk aan bezig was.
Hij stond op en ging eens bij het venster staan en daarna weêr zitten op een stoel vlak bij Mathilde, met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn hoofd naar haar werk toe. Het was als snuffelde hij met de vooruit-stekende gedeelten van zijn gezicht naar Mathilde en haar werk. Een oogenblik later stond hij weêr aan de piano en bladerde in de muziek. Hij keerde zich om, stond met zijn handen in zijn zij, keek op Mathildes hoofd.
--Kan je velen, dat ik piano speel? vroeg hij.
--O ja, woû je iets spelen? Dat heb je in lang niet gedaan.
--Ja, zeî hij, zijn woorden slepend, ik woû nog eens zien of ik dat nog kon.
--Wat?
--Nies, zoo'n deuntje van Offenbach, dat ik vroeger uit mijn hoofd kon.
En in eens, terwijl Jozefs lange nagels onaangenaam de toetsen tikten, geluidde de piano los, met een verwondering der stilte in den hoek, waar zij zoolang met haar gewone meubelstomheid gestaan had en een geklinkklank door het hol-ziende huis, vervuld met de woordelooze klanken van dat vreemde onbewegelijke beest uit de hoek van de groote kamer. Felix kwam toegeloopen uit den tuin en door het open venster, bleef staan in een zonnebegieting van zijn blauw pak en blonde haar. Een boerenjongen die juist voorbij kwam op den weg bleef ook staan, kijkend uit de verte. Mathilde werkte door, met gebogen hoofd, en zij begreep niet, welke rare aandoening haar in eens overviel. Het was haar of zij met haar smarten, vergeten was door het leven, waarvan zij eerst het middenpunt was geweest. Buiten waren de boomen in de zon en de kalme omtrek, hier binnen, de leêge kamer, Felix, en Jozef, die zijn luchtig melodietje speelde, dat een uitlachende vroolijkheid langs de ruiten deed gaan en dribbelen langs al de onverschillige muren. Met wibbelende tredjes hakkelden de pianoklanken over haar breede lijden. Zij gold niet meer, zij telde niet meer meê. Alles leefde buiten haar om. Haar verdriet was vergeten en begraven. Het groen, buiten, was vol van glans. Felix stond met rooye wangen van het loopen in den tuin, de kamer was netjes in orde, en zij was getrouwd, zij waren immers getrouwd, zij was immers een fatsoenlijke getrouwde vrouw, die een gelukkig en benijdbaar leven had. Dát was zij en anders niet, maar dat was ook genoeg. En zij was níet dat andere, die afgrond van lijden in haar wezen, waarin zij niet woû zien, maar die zij open voelde vlak onder haar oogen.
Mathilde voelde toch een stil genoegen, dat Jozef in haar bijzijn was. Hij was voor haar een wezen, dat haar nog den vroegeren Jozef herinnerde, maar waaruit dát gedeelte van zijn leven, dat hem tot haar alles gemaakt had, voor altijd was verdwenen.
Jozef was nog aan 't spelen, toen Marie binnenkwam om klaar te zetten. Hij speelde gauw een paar slot-akkoorden, stond op, met éen knippenden blik op Marie, waarin hij het laatst over haar nadacht, stak zijn handen in zijn broekzakken, keek op Mathildes werk die voortdurend zat te naayen. Hij keerde zich snel om, klapte in zijn handen vóor Felix, nam hem onder zijn armpjes op en hield hem in de hoogte boven zijn hoofd, lachende, en met zijn goedig-lichtzinnige uitdrukking, zeggende; kijk, nou beê-je nog grooter als ik! En met Felix op zijn schouder ging hij in den tuin om een roos voor zijn knoopsgat te plukken. 's Avonds dronk Mathilde thee onder de warande en onder het stilletjes in den avond wechkwijnende daglicht mijmerde zij over Jozef. Jozef was na den eten dadelijk uitgegaan, om in de societeit een partij billard te spelen, met een meneer uit het dorp, met wien hij kennis had gemaakt.
Mathilde leunde in haar stoel, met een borduurwerk, dat zij roerloos op haar schoot hield in haar linker hand. Zij had hem heen zien gaan over den breeden weg, met het blauwe sigarenmistje om zijn hoofd, tusschen de dikke boomenstammen. Zij was allen. Zij voelde zich leven in den dof-blonden avond, die neêr-zachtte over de klagende slaapgebaren der verdonkerende boomen. Maar zij leefde tegen den dommelenden avond in, bóven den duisternis-spoelenden grond, met haar hoog hittende hoofd óp onder de drijvende wolken, met haar droomenfonkelende oogen vóort door de nachtende eenzaamheid.
Het was wel plezierig zoo'n beetje stil te zitten 's avonds en niets te doen dan denken. Daar had zij altijd veel van gehouden, ook toen zij nog een jong-meisje was. Hê, het was drukkend warm van-avond. De warme lucht werd haar als uit open monden om het hoofd geblazen. Die tijd was lang voorbij, ja, heel lang. Waaraan dacht zij toen ter tijd ook weêr zooveel, gedurende al die verdroomde uren? Ja, dat wist zij niet meer, het waren wel mooye dingen, maar het was te lang geleden, dan dat zij 't zich nog kon herinneren. Zij dacht aan het geluk, dat wist ze wel, en zij had ook nog het vage gevoel, dat zij zich er onbegrijpelijk veel van had voorgesteld, toen, van dat toekomstige levensgeluk. Wat was zij een buitensporig en wild schepsel geweest, als kind. Dat was later al gauw overgegaan. Wanneer men eenmaal een groot mensch is, beweegt men vanzelf zijn leden minder onbesuisd en wordt het heele leven stemmiger. Waar was toch het geluk? Het was niet boven haar, het was niet voor haar uit, het was niet aan haar zij, zij kon het niet zien in de duistere warmte, die dreigend naderde en ijlings week en ommewaarde in zwartgestaltende zwenkingen. Neen, het was in haar. Als zij maar nadacht, dan kwam het vanzelf te voorschijn. Zij dacht na ... Het was toen haar vader al lang dood en begraven was, maar zij woonden toch nog in het oude huis. Zij voelde zich op een avond leêggehuild en moe van droefheid, onverschillig voor alles.
Toen was Jozef bij haar gekomen en had heel lief tegen haar gedaan.
Mathilde was in de zilverschemerende herinnering. Op de tafel lag een opengevouwen koerant, die witterig opritselde in de lauwe donkerte en in den wind een eindje voorschoot naar haar toe over de tafel. Haar oogen sloegen wakker uit de mijmering en zij zeî zachtjes; wat is er toch?, toen zij zich in eens te-rugvond in dezen avond. Hoog klom het tegen de zwarte stijlen der warande, waarôm de klimop in warrelende donkere rukken steeg, en vlakte met den grond onder haar voeten en drong in haar bewustzijn, met de zielloze gekantheid der voorwerpen, het Tegenwoordige. Zij wàs nú. Zij keek om zich heen: och, waar was toch de tijd, die voorbij was gegaan? Zij wist het verledene niet. Zij wist den avond van nu, en haar wachten. Maar was zij hier toch? Zij voelde zich als met een plomp neêrgezet op haar stoel, van de hooge dragingen harer verre mijmering. Hoe vreemd was het hier! Boven haar was de bekapping der warande, daar naast de leêge kamers van het stille huis, en verder, buiten, de groote ruimte, met de boomen zonder oogen, met de lage heesters zonder mond, onder de behuiving der stommelende wolken, die geen stemmen hadden. Aan d'overkant was licht achter de vensters. Daar waren onbekende menschen, die niet wisten, dat zij hier zat. In haar huis naast haar waren de meiden, vrouwen zoo als zij, die ook spreken konden, maar zij wisten haar niet en waren met hun zelf, en het was ook ver, van haar tot de keuken. Daar was veel donkere ruimte tusschen, ruimte, die zij niet door kon gaan. Het was te ver, veel te ver. En toch wilde zij het geluk weêr. Zij had het noodig. Zij kon er niet buiten, nu, op 't oogenblik, zonder uitstel.
Zij was alleen. Zij kon kijken rechts in de tuinruimte, er was niemant, die naar haar toekwam, met voeten over den grond, zij kon kijken voor zich uit, er waren geen menschenvormen, die zich schiepen uit de donkerte. Niets dan haar warme leden, en haar handen, die als rare blanke stukken uit de vale mouwen staken, zoo ver van haar willende hoofd.