Part 28
Zij keek om zich heen in de heete middagstilte, en het geloof steeg hooger, over haar lichaam, tusschen haar vallende handen op; zij had een gevoel in zich als een kreet, die zij moest uitschreeuwen; in haar tintelende hoofd zetten de zieleduizelingen op, die geen voorstellingen vormden in haar verbeelding, die niet dachten in haar verstand, maar die haar dronken maakten als een donker druppelende drank in haar achterhoofd gegoten. Zij zag naar de somber-staande hutwanden, of zij niet spraken, wat zij waren, wat zij wilden tegen haar bewustzijn, wat zij meenden met het vreemde gevoel, dat zij haar inspraken. Toen kwam er inéens een vink, die, vóor haar onbewegelijkheid heen, wipte en tripte, wit, bruin, grijs, over den zonnigen grond, met zijn glad gestreken kopje haar bekijkend en in éens wegvliegend in een hoogen boom aan den weg. Mathilde ging slenteren door den tuin; de warme wind nam haar haren, en speelde ze wech uit haar gezicht, de zon walmde neêr op haar hoofd; de kleuren lachten vlak uit om haar heen.
In de om haar hoofd vlagende heete wemelingen bewoog Mathildes teedere vleesch boven den grond, in de weeke rijzing der onder het grijs deinende leden. Hoog naast haar donker-glansde het dennenboschje; merelklanken zilverkrulden in de zware hittelagen, die zwalkten in groen-geel smeulende zwenkingen door de ruimten. Zij voelde zich loopen hoog op het licht-zwarte pad, haar oogen doorvoelden, tusschen den hard vlakken grond en haar zieke droomenhoofd, den afstand, vol van zwart en glans-gele stukjes krulrinkeling, wasem-warrelend op en neêr, rillend van haar eindeloos verlangen. De kleine dennen stonden hoog in de lucht boven haar uit en verritselden hun bladering, proppelend, stippelend tegen de lucht, wuifbuigend naar Mathilde; het grasveld, rechts, groende zit vlakte uit, stijf-zijig, met de donkere ondersten en de lichtere uitpuntingen der sprietjes, het ging verder en verder, met de gegleden gebogenheidjes en de ranke opzwiepingen der grasjes, een vooruitgang van dribbelende, schubbige lachjes, breeder en meer, groen, donker groen, geel-groen, goud-groen, lang en ver, wijkend, zoo dat haar armen het niet konden overreiken, en het strekte heen, oneindig klein en oneindig veel, éen goud-groene lach, die opsloeg en zijn ligging wechschaterde tegen de wijdwijkende blauwte: Jozef! Jozef!
Mathilde voerde het uit haar oogen wazemde in haar goud-warm verbeelden heenbruisende verlangen langs het hek bij den breeden straatweg. Zij zag de groote iepen haar langzaam voorbijgaan. Zij knikte een boerenmeisje goeyen dag, dat daar liep met haar koe. Zij zag het kind loopen boven den grond, maar hóog hielden de iepen hun bladerenzwaarte op de lange breede nekken der stammen geheven, en stootten hun groene ontzachlijkheden naar den hemel en wierpen hun jubelende groeningen tot de blauwe effenheid en smeten hun takken uit naar alle kanten, in krampen van bloeying, in een rumoerig warrellied van stijgend en woest-willend verlangen: Jozef! Jozef!
Mathilde ging te-rug, de statig zijgende sparren-groep, bij de waranda, met zijn verspitsende betorening van neêrgeschuinde stekeltakjes, met zijn stil-blinkende groentinteling en zijn innige binnen-duisternis, naderde, naar haar heenschuivend met den warm-gevenden grond, en de glans-armpjes suizelden heete fluisteringen en trilden op in de rondte, bijna allen, heel even, en toen weêr, en toen weêr, boven holen van zwartheid; als glimwormen glommen takjes en sprankten in de zon uit als stukjes glas en van de schuinende neêrveêring rolden en ruischten parelende klankjes voor Mathildes voeten: Jozef! Jozef!
Onder haar voeten licht-zwartte de pad-breedte voort. Haar blikken vlotte neêr, maar de grond trok ze vooruit, breed-zwart vooruit, glans-zwart vooruit, heen-zwartend tusschen het stijgende gras-groen, voort-atstandend tot achter in den tuin. Zij was bang voor de ruimte tusschen haar en den afstand; liep zij, dan voelde zij den grond weêr achter haar, ver, wech, wech onder haar voeten, en de ruischende ruimte van licht-lucht en de zwaar-roerloosheden der opstanden. Maar het pad trok haar geloovende oogen verder, over een kabbeling van gelig-zwart voort, tot zij stuitten tegen den opsteigerenden gezichteinder; daar dwarrelden de verre hooge heesters omhoog, en joegen door-een, en dansen van groen, licht-groen op springend en borend hun spelende wildheid door het lage neerdruischende blauw: Jozef! Jozef!
Mathilde keek langzaam in de rondte, met verfletsende oogen. Alle boomen stonden luid in de hoogte, in heftend opstamping gestooten naar de lucht. Alle heesters krioelden hun groene zenuwnetten in dikke dof-verstijfde groenvlammen tusschen de boomen door, schuin tegen elkaâr in stijgend, op-schreeuwend tegen den blauwen middag, maar hoog van de boomentoppen wemelde in hitte-zilveringen, een kokende goud-geel-waseming tot de gloeyende blauwbekapping, waarin de laatste wolkendradingen wechsluyerden En over de buigende boomen gleden en beefden de goudblauwingen tot Mathilde. En achter haar, van de verre geelstoffing van den weg, waarin, door de gaten der hooge groenmassaas pakken hittelicht neêrsidderden en doodreutelden op het platgebrande wit van den grond, kwamen, omstuwd door de breede kreten van het woestdartelende heestergroen om de blank-glansen de stukken huizengevels, de hooge iepen op haar aan, klein in de verte, maar grooter, grooter wordend, man aan man met hun dikke, warme stammen, grooter breede, hooger, en eindelijk opstaand achter haar, bij haar, aan haar, in éen geweld van geluidbos leven, éen staan van groene krachten, éen gestolten klimming van wil en van daad. En de hoogheden der boomen en de heete begeerten, die aanrolden kletterend geel over den weg, drongen Mathilde, vóor de sparrengoep heen, op het groote grasveld vóor het huis.
O, het was een feest van lichten. De witte muur van het huis, éen staande vlakte van hellicht, samengedrukt door de daling van het goud-bruine daklicht, perste zich in-een en smeet het hevige zonne-weêrlicht uit de ruiten met de klaterkaatsingen der witte muurvlakken neêr tegen den groenen grond, tegen de iepenstammen, door de openheden tusschen de stammen, verder over den weg. Mathildes oogen bedroomden het huis, zoo als het opstond in zijn lichting, in zijn heerlijkheid van wit, tot vastheid opgerezen hittelicht, zij geloofde in het huis, zoo als het glansde hooge en breed. En het grasveld helde op naar het huis, een spreidsel van zacht groen licht, doorstikt met de teeder fonkelende steenen der roode bloemen, maar dat steeg in zijn breedheid, sidderend gespannen, schemeringen van lichter groen in de hoogte ademend. Op hun zuilen van bruin licht waren de miljoenen groene vlammetjes der iepenblâren ontstoken, en in de bevende licht-zee boven het grasveld, waadde Mathilde, met drooge dwaas-verglansde oogen.
Maar zij keek naar boven, en het viel op haar als een tintelende sneeuw van verukking. Al het wit was ingeslurpt door het blakende, daverende hemel blauw, dat gloeyend glinsterde in neêrwarrelingen van zwartgoud-poeyering en als een ziedende zee met donkere blauwbulten en lichtere blauwheffingen, daalde en steeg, daalde, daalde, zijn zonnevlakten neêrbreedend om den hettenden vuurkolom van de stortende zon, die een regen van bliksems los stookte over de schroeyend vermoorde uitstrekking der zich openwentelende en heen-spreidende tuinvlakten. Breede slangen laayend blauw wimpelden af van de lucht, in een foltering van blauw tusschen het schuin wegkrimpend boomengroen zijgend, goud-blauw over de buitenste bladeren brandend, een doffe krijt-goud-gloed over de midden-bladeren drukkend, in gouden grillen windtrillend, vonkend, spuitend, uitspruitend, neêrsprietend, heensprankend om de hijgende takjes, bosjes gouden naalden schietend in de diep-groene boomenharten. Zware afblauwsels goudden neêr over het dak, over de boomen en heesterhoogten in de verte, van alle zijden naderend en zich rond neêrdrukkend in éen vlammende vuurschittering. Golvenwolken van witte hitte zwalkten door de ruimten, tusschen de openingen glijend en voort stoom-dwarrelend in de verheid. En het werd gedragen door alle lagen der ruimte, in éen begeestering van heete kleuren, éen vervlamming van het heete leven, en Mathilde voelde zich juichend onder haar kleeren beven, en in haar gouden weten, dat zij gelukkig zoû zijn, werd zij getrokken naar de groensombering der warande.
Verbijsterd in haar snikkende bedwelming, vroeg wat het was. Wat was die gouden lichtruimte voor haar uit? En al de takken, die naar haar heen reikten? En al die verdere plannen van bleekere lichtstrekking en kleurenstand voor haar uit? De kleine gezicht-einders waren samengebakken en smolten zich vast aan den hemel. Zij was in een groote zaal vol vreemd leven, vol rare vervoerende dingen. Er waren geen menschen bij haar, achter haar. Niets was achter haar, geen stemmen, geen gerucht. Zij wist van geen verleden, van geen vroegere gedachte; haar leven was dit oogenblik. Zij wist van geen afstand en ruimte; de eenige wereld was hier bij haar. Langzaam, terwijl alle kleuren vonkten en naderden naar haar oogen, loste haar bewustzijn zich op in de lichtkrachten die kleursidderden over haar heen. Haar leden zonken samen, achter tegen haar stoel. Zij zag wel, door de verblinding, die over haar gezicht was neêrgeschitterd heen, dat de blauwe lucht was losgebarsten en er kokende stroomen gloeyend goud gudsten over de vlakte, klotsend op haar toe. En verder, in de rondte, hagelslingerden gouden vonkenvlagen neêr over de wechbleekende groenheden, botsgolvend tot elkaâr, opzwiepend om haar hoofd, neêrzijpelend door haar lichaam, haar beenen. Hoog stormden de iepen hun vrachten vlas-groene dronkenschap op tegen de neêrbruisende gouding, de bruingouden stammen, los en week, gloeiden op en neêr, als zuilen van vloeyend goud hun lijven hoog en laag kristallend door de ruimte. De bloemen kleurden door het vuur, vliegend, schietend, hoog in de lucht, laag op den grond.
Mathilde voelde zich heffen en zich wechgaan, heen-gedragen door de kleurenverbijstering. Haar oogen doofden uit. Eén even onstaken zij weêr. Toen zag zij alles met wit-krullende wit-blauwe gazen en vlekken glans blauw beneveld. Haar oogen snikten hun heete tranen uit, die als zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden.
En langzaam sliep zij in met openhangende mond. De zomerhitte verdroogde haar verhemelte en tintelde over haar bovenhoofd.
Mathilde sliep twee uur lang; toen Felix haar kwam wekken, even voor het eten, voelde zij zich als na een koortsnacht, loom, dof, zwak; Marie zeî, dat zij erg bleek zag.
Na den eten zat Mathilde op de kanapee en sliep weêr. De dag wentelde zijn zware kleurenvlakten voort. De middagkleuren koelden op, teederden uit in de rooye groeyingen, van de stervende zon. Zij dronk laat thee. Felix was al naar bed, toen zij weêr alleen zat in de groote kamer. Zij had gezegd, dat de lamp niet hoefde, om dat zij liever woû schemeren. In haar afgematheid, speelde het lichtje onder de theepot met haar oogen, lange stralen schietend heen en weêr door de vredige zacht-zwart staande duisternis van de kamer, Mathilde voelde het ruischen van den tijd zij voelde zich heengeduwd naar den wachtenden dag op de regelmatige tik-tak-begeleiding van de duistere pendule, die als de stille radeling was der kracht van haar leven, haar voortuitvoerende naar het geluk. Het eene venster stond wijd open voor den stillen mooyen avond van buiten. Mathilde dronk haar lauwe thee met weeken slurpenden mond, en, daarboven, samentrekkende proevende oogen.
Zij was zoo wech in haar stille afwachtings-stemming dat het geschuif van haar stoel over de vloer haar een vreemd hard geluid klonk toen zij opstond, om vlak voor het venster te gaan zitten met haar kopje. In de teêr-grijze duisternis was het groen in een zware donkerte tot rust samengevallen. Maar hoog en ver, in een oneindige wijdheid, was de sterrenhemel opgeslagen over den tuin. Alles was zeer stil. Mathildes verslapte blikken klommen over de zwarte bladerenmassaas naar de sterren, die verward boven de bladeren lagen en er door en er over neêrhingen in een fonkelende bepuntering. Zij keek, en een sussende weemoed zweefde stil door haar moede gemoed. En zwerm lijnloze droomen steeg langzaam in haar gedachte. Al wat zij haar leven-lang mooi had gevonden en gehoord had, dat mooi was, in de sterren, waarde als een vaag gevoel door haar bewustheid. Het waren oude melodiën van toen zij nog niet getrouwd waren, kleine refreintjes van de straatorgels uit haar jeugd, een liedje, uit zijn jeugd, dat haar vader wel eens neuriede, het waren alle kleine oogenblikken van kleine teêre aandoening, een buitengewoon innige handdruk van haar vader op een avond, het op straat ontmoeten van een meisje, dat zij langgeleden had gekend, het terugzien van dezelfde huizengevels van vroeger na een lange afwezigheid, de eerste boeket van Jozef, eens, toen zij jarig was, een mooye bladzijde uit een mooi leesboek, de oprechte hartelijkheid van Jans in zekere omstandigheid, die, zonder tot herinnering te worden, een dierbaren nevelgrond spreidden onder haar mijmering. Zij voelde haar bewustzijn gedragen door het leven als door een lagen wiegelenden leuningstoel. De kuische duisternis met haar oneindige ruimte, onder de verre sterren, weekte lange aandoeningen van oneindige liefheid en gedachtenzwemen van eeuwig geluk, zalig-zacht rein-te-vreden, in haar voelen los. Het was als een warme zachte hand die over haar wangen ging, over haar bleeke wangen, met lange zwijgende streelingen. Zij stak haar gezicht schuin omhoog en uit de diepste schuilhoeken van haar gemoedsleven kwamen, van heel, heel lang geleden, vreemde bewegingen van hoop, trillingen van geluk en vertrouwen, naar boven, die zij eerst niet herkende, maar die langzaam uit hun verflensing nauwkeuriger opleefden. Uit al de vage stukken van het vroeger met teêre genieting waargenomene, die nu in haar verbeelding kwamen schemeren, drong Jozefs figuur naar voren en bleef alleen, alleen in haar verbeelding, die was als een vreemde schilderij zonder afmeting in den roerloos ritselenden zilvergrijzen nacht, en stond hoog omhoog als een vast lichaam vol heerlijke zekerheid van leven en liefde. In hem had zij altijd geloofd, aan hem had zij zooveel gedacht in eenzaamheid. Zij geloofde in zijn borst, waar haar hoofd tegen-aan kon leggen, zij geloofde in zijn armen, die haar aan zijn borst konden drukken, zij geloofde in zijn beenen, die naar haar konden naderen, zij geloofde aan zijn hoofd, dichtbij het hare, met liefde in de oogen en liefde in den mond, Zij geloofde, dat zij altijd samen zouden zijn, altijd, altijd, zonder stoornis meer, allen dag en allen nacht.
En de melodie van haar geloof leefde nog dien avond in haar voort, tot lang na dat zij naar bed was gegaan. Mathilde droomde dien nacht van Ster. Zij zag hem heel vreemd loopen, in de lucht, zonder iets aan te raken, en eindelijk in een der hooge iepen gaan zitten. Zij droomde ook van Felix, dat die op het uiterste kantje stond van een steile berghelling, terwijl Marie met een bal naar zijn hoofdje gooide.
Eindelijk kwam de Zaterdagochtend, onder een donker bewolkten hemel, zonder zon, zonder regen, zonder wind. Mathilde had moeite om uit haar bed te komen. Ging haar hoofd even in de hoogte, dan trok het liggende lichaam het weêr neêr. Daar was dan de Zaterdag, de laatste dag, koud en onverbiddelijk in haar kamer geschoven. Wat waren die dagen verschrikkelijk gauw voorbijgegaan! In haar hoofd werkte de stemming van den vorigen avond nog voort, maar bekoeld en verlept, half wechgesmolten in de koude zuivering van de slaap. Zij voelde zich leêg. Haar verlangenleven der laatste dagen scheen haar gemoed te hebben uitgebrand. In een lauwe onverschilligheid, met een in zich opnemen van den dag als was die heel gewoon met een blinde botheid der zenuwen, die voort bleven slapen, de kamers en de meubels langs ziende zonder ze te zien, ging zij den ochtend door. Zij was naar, beverig, als onder den invloed van een naderende ziekte, van een zware koû, die zij gevat zoû hebben. Herhaaldelijk moest zij weêr in huis gaan. Zij vond den dag zeer vervelend. Hij grijnsde haar toe met de wanhopige eentonigheid zijner vormen en kleuren van altijd. Alles was grijs. De luchtgrijsheid kilde over de paden en over het gras en flenste door de boomen.
Om kwart over drieën werd zij door Marie in huis geroepen met vertrouwlijke en te kennen gevende armgebaren. In de groote kamer vond zij mevrouw van Borselen zitten, in een grijs satijn japonnetje onder het groen dooroogde, lichtelijk doorkleurde vleesch van haar stijfjes bekamde hoofd, midden tusschen de warse meubelen gezakt. Hoe zij het maakte, hoe zij-zelve het maakte, dat zij haar in zoolang niet had mogen zien, lieve omstreken, Mathildes buitentje mooyer gelegen dan het hare, vlak aan den straatweg, gezellig leven, elkaâr veel bezoeken, Felix, haar zoontjes, Jozef, het rijtuig, de spoor, de heer Ster, geen madera, neen, nooit iets gebruiken voor den eten, nog eens Jozef, spoedig te-rugzien, onaangenaam weêr.
De woorden sprongen naar Mathilde, vielen om haar heen op den grond. Zij andwoordde en sprak als met een hoofd, dat een eindje vóor haar eigenlijke zoû wezen. Maar het woord "meneer" tikte op haar hersens, en toen begonnen de woorden haar te slaan, op haar schouders, tegen haar hals, tegen haar wangen, als de gepolijste gemeenplaatsen van het onverschillige leven, dat ruw langs haar heen ging. Toen mevrouw v. Borselen de tweede maal van Jozef sprak, schrok Mathilde. Het was een tergende spaak in haar hersens, waaraan die vreemde vrouw roerde, iets wat zij niet wilde, maar dat moest, een akelige macht, die wreed in haar leven was.
Mevrouw v. Borselen ging wech. Mathilde zag haar glimmend satijnen, oogelozen rug heengaan door den gang, tot den romp de stoep afzakken en voor 't laatst doezelen tusschen de boomen. Achter mevrouw v. Borselen heen, het glanzig grijze wezen in den hollen dofferen dag, kromp de dag zelf voort, zijn rondingen verdonkergrijzend en schemerneêrplattend in den avond, droog en geruchtloos.
De Zondag was mooi, een dartele dag, met een sterken zuiden-wind, die de rozen deed wiebelen aan hun takjes. Marie was in een stijf gestreken katoentje en vroeg: Hoe laat komt meneer? en over het stijfschoone dekkertje op de tafel heen, zeî Mathilde: Ik denk om elf uur, zoo als altijd. Zij was wrevelig gestemd dwars tegen den levensloop. Onder haar oogen dachten stuursche wangen onverschilligheid Het ontstemde haar zich voor niets zoo opgewonden te hebben. Zij zoû stellig nooit verstandig worden. Het leven ging immers zoo eenvoudig en gewoon; nu was er weêr een dag, net zoo as gistere, zoo meteen kwam haar man. Wat was daar nu eigenlijk aan. Zij leek wel niet wijs. Zij leek wel een aktrice. Toen hoorde zij een rijtuig aankomen en wist-voelde te-gelijk, dat het hét rijtuig was. Toen was 't net of haar hersens in de war zouden gaan en er heet bloed voor haar oogen zoû komen. Haar heele lichaam begon te beven. Zij hield haar tanden op elkaâr; als zij 't vergat tikten zij op elkaâr in een stootend geluid van haar hoofd. Haar handen werden koud aan de toppen, vochtig aan den palm. Zij kon niet opstaan en zag van haar stoel door het venster alles nauwkeurig. De hit voor het tentwagentje stond in éens stil, zijn voorpooten als schuine staken naar voren op den grond. De koetsier sprong van den eersten bank onder den kap uit; hij was jong, hij had een rood gezicht en had een pet op. Het lage portiertje ging moeyelijk open, maar met een duw van binnen lukte het. Toen zag zij Jozef; die er langzaam uitstapte, in een lichtgrijs pak, zijn korte jasje met twee rijen knoopen van voren, en zijn broek die wijd over zijn lage schoenen afhing, met zijn linkerbeen op het ijzeren treêtje, toen zijn rechter en linker bijna te-gelijk op den grond. Zijn hand kwam boven de binnenhand van den koetsier, terwijl hij zijn kin een beetje introk. Hij had een lagen licht-geelen strooyen hoed op en, toen hij zich weêr had omgekeerd en den tuin inkwam, een erg lage boord, een koerant en een paar gele handschoenen in zijn linker hand. Maar hij ging achter de boomen en zij zag hem niet meer.
Toen Jozef de kamer binnenkwam, hadden zij beiden in éen snelheid van opkomen en vergaan, dezelfde gedachtewaarwording.
--Daar ben ik! Hoe maak je 't Thilde? Je hebt in 't geheel niet geschreve. En zijn glimlach naderde van de schuin-open deur, en slonk wech toen hij haar bleek zag beven, en zijn oogen voelden: wat ziet ze er vreeselijk vreemd uit, ze is stellig met een anderen man geweest, in elk geval blijf ík kalm; en zijn glimlach dacht in haar voort, in éen slag van uiterste angst, éen stuipende siddering van haar verstand, éen vreeselijke stilstand van haar hart: dit is hij niet, dat is hij niet, ik ben met een anderen man geweest.
Zij voelde haar denken vernield, zij voelde zich wezenloos worden. Haar voeten werden koud en zij waggelde, met een licht doorbuigen van haar knieën. Maar de groote smart van haar verstand rukte haar te-rug in de levende werkelijkheid der angst-licht vlammende kamer. En zij wist de grootte van haar liefde en dat hij die liefde niet was.
In het naderend uitsteken van zijn handen vroeg hij: Beê-je niet wel? Wat scheelt je? Wat is er? Zij zeide Och nee, 't is al weêr over, dat heb ik tusschenbeye tegenwoordig, ik weet niet wat het is. Zijn lippen zoenden, de zoen gleed wech van haar rillende wang. Felix was binnengekomen uit het rieten kabinetje en zijn hoofd stond over de tafel heen te kijken naar die twee groote menschen, strak, zonder begrip. Mathilde had Jozefs hand genomen, flauw tusschen de haren. Dat was een vreemd gevoel, die koude hand. Zij zoende hem op zijn wang, die hard was. Alle mannenwangen waren hard, zij wist het wel, ja, zij wist het wel, zij had het altijd gehoord en altijd geweten.--Hè, ik moet even tot bedaren komen, zeide zij, en zij ging zitten op haar stoel, een eind van de tafel geschoven. Jozef ging aan de tafel zitten, zijn voorarmen er op, de gevouwen koerant in zijn handen, zijn hoofd er over heen gebogen en schuin naar Mathilde gekeerd, met een streelende deelnemende uitdrukking. Hij zat maar stil te kijken, om te zien wat er gebeuren zoû.
Felix kwam naar hem toe: dag, vader. Jozef zeî tot Mathilde: wil je niet iets drinken? ... of wil je misschien gaan leggen? Zij schudde van neen, haar hoofd naar den grond. Toen keerde Jozef zich naar links, nam Felix op zijn knie: dag, vent, hoe heb jij 't gemaakt? Niet stout geweest? Toen temperde hij zijn stem: moeder is niet wel, he? We moeten een beetje zachies spreken. Ben-je altijd lief tegen haar geweest?
Mathilde voelde hen en hun spreken. Zij wist wel, dat zij buiten haar om spraken, dat zij de haren niet waren, iets anders dan zij. Zij was alleen, als een dwaasheid in het gemakkelijke gewone leven. Al haar voelen duizelde in haar blikken over den grond, en stootte tegen de tafel en stoelen, en vermartelde in het felle licht, dat de dag door de vensters bij breede lachbuyen naar Jozef heensmeet. Over den grond wipten de eile stalen licht-kwatelingen, schoten te voren uit het behangsel, spiraalden neêr van het plafond, en te midden van de huiverende kamer en den angstigen licht-dans was Jozefs stil bewegende lichaam, waar van elke beweging in Mathilde schokte.