Een liefde

Part 27

Chapter 27 3,832 words Public domain Markdown

Zij was verwonderd èn aan den voet èn aan het been te voelen. Zij was in bed gaan liggen, op haar rug, haar armen aan weêrszijde langs zich uitgestrekt. Zij leî haar handen op haar dijen en er weêr af, verbaasd over haar tastbaarheid. Zoolang ze wakker was, had ze liggen denken aan haar lichaam. Haar huiverende beenen samendrukkend, had zij toen bedacht, dat Jozef haar lichaam liefhad, want zij was haar lichaam. Nu liep zij, in het helder vroolijke ochtendgeel, dat door de warme ruiten en ophaalgordijnen zwierf, blootsvoets door de lengte van de kamer, door de opengerukte bovenste knoopen van de nachtjapon, door de gleuf van het hemd en van het flanelletje heen, haar hals te bevoelen, er griezelige koude plekjes makende met haar saamgesloten vingertoppen, diep in gedachte. Toen trok zij haar nachtjapon uit en ging weêr in bed, met haar beide handen voelde zij over het lichaam, van de knieën tot de hals, als wilde zij er verborgenheden in opsporen.

Om kwart voor achten kwam Marie. Mathilde sloeg gauw het dek om zich heen en lag onbewegelijk. Zij zeî Marie de kachel aan te leggen.

Om kwart over achten was het heel warm in de kamer. Mathilde gleed uit het bed en ging zitten voor haar toiletje. Zij had nu haar hoofd en haar schouders vóor zich in het spiegeltje. Aan de bovenlip en aan de eene wang, zwol haar gezicht er in op, door oneffenheden van het glas. Zij nam de spelden uit haar haar en liet het over haar rug vallen. Langzaam streek zij er de schildpadden kam door, boven het rechter oor beginnend en telkens tot op de helft der lengte van het bosje haar doorgaand, het daar met de linkerhand aanvattend om verder de aan het eind verwarde haren uit te kammen, zonder zich zeer te doen. Het blauw zwarte haar golfde hoog over haar hoofd heen, met sprietjes glans er tusschen door. Het streek door de kammetanden heen, scheerde onder de kam door, telkens glijend en weêr rustend. Als een in zijn golving verstijfde zwarte vloed bleef het eindelijk stil, boven het achterhoofd, in een dikken krul zich hoog oprichtend, met zijn vlassige diepten achter de ooren, droog en mat neerhangend over Mathildes middel. Er was éen puntig pijltje haren, vlak bij het voorhoofd dat op en neêr wiebelde bij de minste beweging van het hoofd. De haren leefden en wachtten. Als Mathilde rechts of links keek of ging verzitten, streelden zij haar hals in een zijige buiging, trosten gazig over haar ooren, dansten vlinderend over haar voorhoofd. Zij waren het stuk innige staal zwarte kleur in de zonnebeprekenkelde kamer. Mathilde drupte eau végétae over het haar en wreef het er door en kamde ze weêr gelijk. Een blos van glans ging over de haren, die voortkrinkelden donker-zilver-blauw-zwart. Als zij voorbij de reten der gordijnen ging, lachten de haren met met een zonnestraaltje even hun glimmend-gouden lach.

Daarna nam zij een spons met enkelt Florida water en waschte haar gezicht en keek in den spiegel, of het er nu niet mooyer uit zag, en waschte weêr en keek weêr en nog eens en nog eens. Toen trok de zomer-ochtend Mathilde naar buiten. In zóolang was zij niet in den tuin geweest.

Het was half elf. Mathilde kwam op het straatje. Zware witte wolken hingen in de lucht, laag boven de kastanjeboomen, waarvan de hooguitstekende bladeren zich in het dikke wollige stoomwit schenen te doopen. Zij reiden hun in 't midden en aan de randen water-zwart- schemerende ovaalheden samen en voeren heel langzaam voort, naar den kant van het dorp. Plekken roerlooze hemel rondden tusschen hen door, door de verblauwmarmerende overrastering der witte wolkspiertjes. Aan de open hemelruimte boven het Florabeeld was de laatste wolk eener rij, wit-goud en glinsterend rose berand, door een wijde plek eerst zilverblauw, wit-blauw, grijzig-blauw, dan stil dof donker-blauw, van de volgende wolken gescheiden, die aanzweefden in wit en grijs gepropte samenkoppelingen, als scharen witte omkrulde hoofdvormen, met opduwende schouderblankingen, zich zachtjes samenvleyend, langzaam in elkaâr overbollend, altijd breeder oplangzamend, in statige vluchten, bij rondvervleugelde groepen uit het neêrwelvende oosten opkalmend, altijd doorblikt van wit-bedraadde of effen turende blauwingen. Zij teederden voort geluidloos hun warrige uitwassige sneeuwvachten zuchtend-zachtjes over de stil-groene boomen verder schuivend.

Mathilde ging de stoep af, daalde onder de donkerder groene zwaarte van de overbladeringen der oprijlaan. Zij zag in de breede beheestering tusschen de oprijlaan en den Vaarderweg. De te dichte samenplantingen stonden grijs-bruin en zwart-groen, glansloos, verslond. Toen zij zich omdraaide, hingen uit een keukenraam twee vaatdoeken te droogen. In het groote bemodderdspatte regenwatervat, links van dat keukenraam, drupte de nachtregen uit de goot nog af en toe neêr. Aan de lichtblauw-grijze muur van den achtergevel waren dunne vlekken, de deur van het tuinloodsje stond open en er lag morsigheid over de vloer tot op het straatje. Aan de sparre-en palmboompjes, op de helling tusschen de oprijlaan en het straatje, zag zij voor altijd verdorde grijsbruine takjes Voor haar uit, in de wijde opening, waarover van de wolkendikten grijze lichting neêrdroefde, was het stoffige Florabeeld, met zijn ongewasschen gezicht, met zwarterigheid in de oogen en aan de borsten. Al uitgebloeide seringetakjes waren er boven. De gouden regen en de jasmijnen geelden en witten in-één geslapt van den regen. Alleen de krans van aardbeziënplantjes over den grond puntte frisscher rood onder de dekkende blaadjes.

Mathilde ging vooruit over den natterig zwarteren grond, waar kastanjes, dorre bladen van verleden jaar en dennennaalden aan de kanten vuilden.

Plotseling aarzelde de zon bleek neêr, schuchtere glansen breedden over de bladen, wijd uit; daarna geelde zij, geler, en geler, geel-lachend over de treurige boomen, toen glimmend, warmend, goud-bruin strijkend langs de stammen, goud-zwart over den grond. En alle bladeren glinsterden een oogenblik.

Mathilde trad voort, bezijden het huis naar voren. Maar nauwelijks had zij op de kiezelsteenen, op het grasveld en tegen den gevel der dames Streelink de gele uitspreidsels gezien, of de zon werd opgeslorpt door de treuring van een voorbijtrekkende wolk, bleekte heen, met schokjes telkens eiler wordend, als de vreugde die wechkrimpt van een gelaat. De donkere tint zeeg weêr neêr uit de onrustige lucht.

De paden en het gras strekten zich onder Mathildes voeten met hun na den regen hard zwart en hard groen; scherpe, luide tinten prikten en riepen in de bloemen en bladeren. De breede straatweg was donker-grijs, plat, zonder opstuivend zand. De lauwe weeke geur der natterigheid schonk de wind in haar neus en mond. En de tuin verrastte haar smartelijk. Er had zich, zonder haar verbeelding, gedurende de dagen, dat zij in huis was gebleven, en zij den zomer had zien groepen en gloeyen door de ruiten, een vage gedachte van den tuin in haar gevormd, die geslagen en gedood werd door het koude zwart en groen. De kleuren, die anders haar oogen kusten, waren er niet meer; de tuin was veranderd, vreemd geworden, haar onbekend. Het booze zwart en groen sloeg de teleurstelling over haar gezicht, door haar achterhoofd, om haar schouders. De lucht was vol rare, vijandige ritselingen en geluiden. De hut stond rechts, donker en leêg, viezerig. De bloemen waren gewoon en er schenen er veel te weinig te zijn. Een lichte vaalheid hing van uit de boomenblaren naar beneden. En Mathilde zag plotseling de tuin klein en leelijk. Met half gesloten oogen, haar gezicht te-ruggedoken in het zwart kanten doekje om haar hoofd, ging zij naar de hut. Marie en Felix kwamen juist uit het dennenboschje. Felix had een groote gekleurde bal, die hij tegen den grond wierp, dan op liet springen een heel eind boven zijn hoofd, om hem daarna weêr te vangen. Hij gooide de bal ook tegen Maries rokken, die eerst omkeek en lachte, maar boos werd, toen hij 't nog eens deed. Marie drentelde te breyen.

--Hè, mefrouw, wat 'n naar weêr, vindt u niet?

--Ja, der is niet veel zon vandaag.

--Maar ik denk toch, dat 'et nog wel weêr op zal klare ... tegen twalef uur of zoo. Regenen zal 't niet meer doen.

Toen Mathilde in de hut zat, kwam Marie weêr even praten, snel voortbreyende, haar oogen over haar werk, haar ellebogen op de heupen, bij de belangrijkste punten van haar spreken een breinaald tegen haar borst vooruitduwend door de steken, haar neus afvegend met den rug van haar rechterhand.

--Der zijn van-morgen-vroeg al groote wagens gekomen uit Amsterdam voor hier achter, voor mefrouw van Borsele, die daar komt te wone, u weet wel ... ze heeft der goed vooruit gestuurd ... Der zijn prachtige meubels bij ... Vrouw Steyer vertelde 't ook ... kanepees met rood fluweel en ik weet al niet, wat ze gezien had ...

--Zoo, zoo, dat zal aardig zijn, als die mevrouw hier toch komt wone ...

Marie vertelde verder, haalde tusschenbeide haar neus op, kromde haar bovenlip om haar tanden heen en krabde zich er dan eventjes met een breinaald.

Telkens na een poosje waterde de zon neêr en trok weêr op. Eens bleef hij langer, waardoor de vrouwen er bijna aan gewend raakten. Felix speelde met zijn bal achter in den tuin. Hij liet hem nu van den grond tot de hoogte van zijn hand opspringen en gaf hem dan telkens een losse klap, waardoor hij met een doffen dsjieng klank als van ver-af-metaal tegen de aarde klakte en weêr opsprong. Om het spelletje af te wisselen gooide hij hem ook eenvoudig maar voor zich uit zoo hoog als ie kon in de lucht en ging hem dan oprapen, tusschen het hut en het huis. Eens gooide hij de bal juist op, toen de zon doorschoot; daardoor kon hij de bal niet nakijken, die met een bons te-rugviel op zijn schouder. Bij elken worp sprong zijn heele lichaampje op en met een open mond kreun-zuchtte hij van inspanning, terwijl zijn armpjes, beide opgeheven, beide te-rugvielen naast het rompje. Hij wilde de bal wel tegen de wolken gooyen, maar de bal ging niet hooger dan twee meter.

--Ik voel toch, dat ik veel beter ga, zeî Mathilde.

--Zoo, mefrouw? Ja, och, as 't maar weêr eerst heelemaal zomer is.

Boven den tuin bewoog de hemel voort. De kleine wolkenbrokken waren tot effener, grooter, zwaarwittingen samengeplompt, die hun damp-krul-omrande rompen wentelden onder de wijd-blauwe verheid. Zij waren nu weiniger, breeder, en bakten zich aan elkaâr en reten van één, en vielen verder en draaiden rond, zich verdikkend en weêr opensplijtend, zonder vaart, in witte kalming langs de breed-ziende velden van het diepe blauw, schulpten zich uit, om de blauwlieden te vergrooten en kudden weêr samen om de blauwing te dooden, en zwierven verder hun randen verdwazend in pluisjes. De zon glansgoudde door hun buiken en woei naar beneden, roosterde het dak van het huis en schitterschimde door den somberen tuin, sprankelend over de bloemen, glijend over den rug van Marie, schrijnend naar Mathildes oogen, die groot open stonden, die wachtten in zwartbrandende begeerten.

Er kwam een korte windbui; de zon bleekte wech; de wind scheen somberheid uit over de paden en het gras, suizel-wapperde door het dennenboschje links, ril-dartele door de hooge iepen rechts, omkoelde de kuiten der vrouwen, schokschouderde door Mathilde en behuiverde haar hersens met binnenshuis-verlangens. Maar de zon zoog weêr neêr door den wind, lichtte vaaltjes over den grond en smeet de breede lichte schaduw van Maries zware bouwsel in de hut, over Mathildes schoot en handen.

Marie stond in haar eene muiltje, de hiel van haar andere voet stond omhoog, opgekarteld uit bedeesdheid door haar spreken met mevrouw. Zij voelde de hiel warmen.

--Nu wordt 't toch mooi weêr, zeî ze, en zij draaide haar hoofd schuin op, tegen de sterke lucht in, die er prikkelend in afsloeg.

Mathilde voelde zich verblijden in den zonnewind, die haar omleefde. Zij had een boek voor zich op tafel liggen, mejonkvrouw de Mauléon, roman van Bosboom-Toussaint. Terwijl zij las, verglansde de zon de bovenste helft der bladzijde, de wind snerpte stil een blaadje op. De wind soesde om haar neus, over haar wangen, in zachte koeling, streek frischheid over haar oogledenranden, die naar de zon mondden, bebeefde haar heete hoofd met kil-prikkelingen, onder de haren door. De zachte wind kwam door haar mouwen, onder haar onderbroek en door de spleten van haar ochtendjapon van voren tusschen de knoopen, naar haar huid en plekte stil-frisch.

Marie was wechgewandeld, om te zien, wat Felix uitvoerde achter in den tuin. De wolken verdunden en gingen hooger, verder, in golvend bezoomde scharen zwalkend langs de zon. De lucht in het westen en heel-hoog boven, blauwde vrij. Donker-geel en zwarte stukjes, in wespen en paardevliegen, puntten voorbij, op een afstand. Mathilde bleef, zonder menschen, wier vormen en geluiden haar voelen braken, en vrije alleenheid, en het zuivere geloof, eenzaam en geheel, leefde in haar op; het kwam zachtjes over het bezonde geel-zwarte pad tot haar, het lachte in de zonne-wind-tintelingen in de rondte, het vloeide op over het getimmer aan d'overkant van den weg, over het klakkend gerommel van een rijtuig, over een ver hondgeblaf, het wolkte in het windgelach tot haar hoofd, het sneeuwde, sneeuwde in stille lichtdruppels van de deinende bladeren. Haar lichaam voelde zij als een vale warmte onder een koele bedekking. Zij deed haar armen een beetje in de hoogte, om de wind tegen haar oksels te hebben. Er was geen-een herinnering. Er waren haar wachtende wangen in den zomer, leêg en effen; er waren haar oogen, die zij niet voelde, waar al de zomer zwijmelend tegen verzotte; er waren haar voeten, die zich over elkaâr legden, om het geluk in haar wezen dicht samen te drukken. Er was een helle leêgte, achter in haar verbeelding, de angst-afwezigheid.

Marie kwam weêr naar de hut, met Felix aan haar rechter hand, die met zijn beentjes naar achteren sloeg en zijn hoofdje achterover hield.

--Drinkt u hier koffie, mefrouw?

--Ja, dat wil ik wel. 't Is nu heerlijk weêr geworden.

Felix bleef in de hut, hij lachte aldoór. Zijn lijfje werkte zich op de bank naast Mathilde hij zat op zijn éene been, hij leî zijn vuile handtje tegen Mathildes wang:

--Lieve moeder ... moeder-lief ...

--Dag jongetje, dag, ventje, heb-je goed gespeeld?

Felix' hoofdje ging heen en weêr, zijn oogen blonken, zijn hangend beentje slingerde op en neêr, de armpjes bewogen vóor de strakstaande rieten muur van de hut, het haar ripte bij vlokjes naar hoven, de gezichtshuid verroerde en opende zich aan zijn mond; uit het hoofdtje naast haar borst geluidden de klanken in Mathildes hoofd. Zij zag het bewegende leven vóor het zwart van de bank, het vaal van den grond, het licht-bruin van de muur, die wasemden heel even, en tóen wist zij gedurende de heele mènschloze stilte der kleuren vóor haar uit, dat Jozefs leven naast haar leefde in den zomer. Zij dacht niet, zij verbeeldde zich. Het zwart, het groen, het glansende geel van voren bewogen als dof glimmend gespannen elastiek voor haar zien, om dat haar vage geluksverbeelding over haar oogen gloeide, ze heerlijk vervalschend in den waanzin van het geloof. Het was boven haar verhemelte, waar de neus in de keel overgaat, het steeg in een onstoffelijken damp door haar hersens naar boven. Zij voelde een drukking en een ijlheid.

Marie kwam klaar zetten. Zij liep door Mathildes blik, door al de zomerkleuren, die ruischend achter haar aangloeiden, vlak voor de tafel ze wechplompend met haar dikke lijf tegen hen slaande met de drie-hoekige gebaren harer klaarzettende armen. Maar Mathilde bleef ze zien, boven het ritselend uit-duwen van de servet-vlakte, boven het rinkelend gestoot der uit Maries handen dalende en bewegenloos blijvende schotels, naast Maries rokken, tusschen haar armen en haar bovenlijf, om haar hoofd heen.

Marie ging weêr wech, haar hoofd en rug in gloei-geel, haar rokken krul-wapperend om de bruine kuiten, een korte, als vertikaal in den grond het onderste boven tegen haar voeten aanloopende schaduw onder haar hielden.

Felix verzette de schaaltjes, trok aan een lapje rookvleesch.

--Niet ankomme; niet an de schaaltjes komme! zeî Mathilde, je moest nu nog eerst even naar Marie gaan en vragen of ze je handen wil wasschen, vóor we gaan koffie drinken.

Felix bewoog wech onder de stille zonneschittering; met een geslinger en gedriehoek zijner jong-jubelende armen en beenen, een floddering van zijn gestreepte kiel. Mathilde was alleen. De wind verminderde; de wachtende kleurenpracht verroerloosde. Met de witte zuiverheids-tinteling harer kalmte over het gelaat, behandelde zij de bordjes, een mes, het brood, de boter, die haar vreemd-gewoon de vingers raakten. Wat was er dan toch; zij wist het niet. In eens zag zij in de hoogte van haar over de tafel geslagen blik, twee naderende heeren-broekspijpen. Een schrikvlaag berimpelde haar voorhoofd, haar handen bleven bewusteloos staan op de tafel. Zij hief het hoofd, zij zag, met een rilling door het achterhoofd, in de pijnlijke gaping der verbaasde oogen, den ingenieur Ster, dik, blond, zweterig, in een verslonsd grijs pak, die naderde. Zij had even gemeend, dat het Jozef kon zijn. Hij groette haar met zijn hoed en kwam dichterbij. Voor de hut staande, nam hij nog eens zijn hoed af, maakte met zijn bovenlijf een dikke-mansbuiginkje, zeide "mevrouw, ik kom u eens opzoeken" en zette zijn hoed weêr op. Hij gaf Mathilde, die was opgestaan, een dikke, harderige, natterige hand. Mathilde besproeide hem met blinkende verbaasd-bedeesde blikken, zwarte vonken uit het midden van haar gloeyende oogenwit, blinkend in de blondwiegelende schaduw van de hut. Mathilde bevoelde haar zakdoek, beide handen tegen zich aan. De hut was plotseling geheel vol met Ster; zij zag zich zelve niet meer.

--Gaat u zitte ... Komt u óok Hilversum us bezoeke?

Ja, zeî Ster, hij zoû in 't vervolg herhaaldelijk hier moeten komen, want hij was voor een gedeelte belast met de inspectie van de werken van de nieuw opgerichte Ooster-spoorwegmaatschappij, die te Hilversum een hoofd-station zoû hebben. Het werk vorderde goed; de rails lagen al tot voorbij Bussum. Ja, hij was hier ook gekomen vandaag juist, om mevrouw van Borselen, die als vrouw alleen was, een handje te helpen met het in orde maken van haar buitentje. Zij was vandaag ook gekomen, ja.

--Hoe gaat het u? vroeg hij.

--Zoo, zoo, de buitenlucht doet mij natuurlijk veel goed.

--U woont hier wezenlijk allerliefst. Ik kom nu juist van mevrouw van Borselen. Zij hoopt u ook gauw een visite te komen maken ... Ik ben heelemaal de hoek daar omgeloopen, ... maar de meid zeî, dat ik ook achter in den tuin had kunnen komen ... toen heeft ze me den weg gewezen naar de "hut" ... 't is hier heel aardig ... en een prachtige tuin ... u heeft mooye bloemen ...

Op de tafel leunende met haar voorarmen, het hoofd even schuin gebogen, zat zij naar hem te luisteren, met een nauwelijks geopenden mond, hem voortdurend aanziend, terwijl hij in de rondte keek of op zijn knieën, alleen haar blikken te-ruggooyend op de tafel, wanneer hij, bij een vraag en bij het eind van een volzin, háar aanzag. Het scheen haar, dat hij een ouden zeer innigen vriend van haar was, die kwam van een lang geleden en voor altijd door haar verlaten wereld. Hij kwam van de stad, die zoo vreeselijk ver was; hingen er nog niet weêrkaatsingen van die grachten en straten, waar haar gedachte leefde, in het fletse grijs van zijn jasje? En haar oogen trokken de woorden tusschen zijn lippen uit; zijn groenige tanden, die zijn grove stemklanken naar haar heen beten, schenen lief, gezellig, goedig, vol van herlevende herinnering, vol van haar weêrkeerend geluk.

--Ik dacht van-ochtend niet, dat 't nog zulk mooi weêr zoû worden, zeî hij.

Toen spraken ze over Jozef.

--Ik heb meneer gisteren nog gesproken ...

--Zoo? ... Ja, ik verwacht hem over-morgen weêr ... Hij komt meestal eens in de week over ... och, u begrijpt, met zijn zaken, is 't al heel lastig om meer te komen, maar als de spoor er zijn zal, zal dat wel beter gaan ...

O, hij sprak over Jozef! Lachjes over haar wangen glans-groetten, haar oogen begloeiden de tafel. Zij slikte, zij voelde zich weêr vreemd in haar hoofd, haar handen vervochtigden, zij streek de blaârtjes zweet wech van de haarzoom op het voorhoofd. Het was net, of er iets bewoog boven haar oogleden, in de tuinmassa van voren, bij rukken van kleur en licht, van links naar rechts. Ster zeî niet meer en keek in de rondte, Mathildes oogen bleven neêrgedompeld als in een diep donker water, waar zij vreemde gelukschatten konden grijpen. Plotseling beefden haar oogleden op, de tuinkleuren schemerden en schitterden, vervaalden in vlekken en joelden op in vonken en bleven, hevig vooruitglansend, in de verte sidderend en dwingend, de warmte warrelde over haar schouders; zij zag Ster zitten, vlak hij haar, met een groote wasemende leêgte van zwart en van groen achter hem. Zij zag hem zitten in de heerlijk-intieme grofheid zijner overvoedde onder het grijze kamgaren opbolderende vormen, in de rood-vetterige slaperigheid van zijn haar onvermoedende gezicht. Zij zag hem in een dikke kleurennis, tegen een opstaand bed van levendige donzige glansen, van goudscherpte en zwart-groen-dofheid. De woorden scheurden stotterend uit haar mond:

--Is hij nog wél? vroeg zij.

--Hoe bedoelt u? Uw man? ... Ja, heel wél, geloof ik. Was hij ongesteld, toen ie 't laatst hier was?

Mathilde wist niet goed meer wat zij zeî.

--Ja,..., ja, hij had hoofdpijn ... en hij heeft er verder niets meer over geschreven, loog zij.

Felix' lijfje en Maries lichaam kwamen-aan, met bewegingen van buiten en versche standen, die het wezen der groep vernieuwden.

--Mag ik u ook iets aanbieden? Wilt u niet met ons blijven koffiedrinken? vroeg Mathilde.

Ster bedankte. Hij nam Felix tusschen zijn beenen en vroeg:--Zoo, zoo, jongeneer, zijn we zoo groot geworden? maar Felix was bang van zijn met felle kleuren volgeploeterd gezicht. Ster deed net of het beedeesde kind hem wél pleizierig vond, hij nam Felix' zachte gezichtje op zijn hand: je kent me niet, hè, baasje? We hebben mekaâr ook nog pas eens gezien, en toen was je ook al te jong. Toen Ster hem weêr los had gelaten, begon Felix te eten, zijn gezichtje naar het bord melksoep gedrukt. Iedere keer, als de lepel in zijn mond schoof, beklommen zijn blikken het hoofd van Ster, om te zien, of die hem niet aankeek.

Ster nam afscheid, met een bad van Mathildes hand in de zijne, met een zware legging van zijn hand op Felix hoofd.

Mathilde had hem niet leelijk gezien. Zij zag zijn dikke lichaam blonken in de kleuren, het mannen-lichaam, dat altijd verder van haar afging door den tuin, verder, verder, eindelijk geheel opgeslorpt door de hoek van de laan. Het weêr was mooyer nog geworden om hem heen. Enkele gebeitelde groepjes wolkenkrullen waren dooorschijnend-vlokkerig ver in het zuiden, enkele lange tot bleek-witte krampen verstijfde wolken-zenuwen lagen over de lucht gestrekt. Een strakke zon begoud-feestte den tuin.

Mathilde at bijna niet; de boel was al weêr wechgenomen, toen zij nog aan Ster zat te denken, hoe hij daar geweest was, sprekend van Jozef uit zijn dikke gezicht, hoe er nu een vragende leêgte was boven de stoel, waar zijn romp op gestaan had, en hoe hij zich bewogen had, wech, wech, in de kleuren.