# Een liefde

## Part 26

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-liefde-10820/index.md

Mathilde wandelde door het huis, deur in, deur uit, en ook naar boven. Zij zag de omkastingen der vertrekken en portalen, met hun ongebogen steeds elkaâr voortzettende lijnen, haar overhuiven, naast haar opstaan, over haar heen vlakken, haar beschutten in hun onverstoorde effenheid. Het huis was het weldoende verblijf, waar zij Jozef zoû ontvangen. Zij voelde, haar hand wijd uitgespreid als een halve ster tegen de muren leggend, hun liefdadige hardheid. Want zij beschermden haar tegen den tuin. De tuin was zoo vol van een kleurenoverstelping, de geestdriften en verrukkingen van het diepe zomergoud zonken met zulk een bevende vaart neder over de juichende tuinkleuren, dat Mathilde bang was voor den tuin. Maar de vloeren droegen haar hoog heen, en de branding van buiten kon haar nog niet bereiken. De meubels omstonden haar met de rust en tevredenstelling hunner bruin-kalme onbewegelijkheid. Zij waren goed, zij waren fraai, zij waren trouw. En als om hen te streelen, zoo als een bruid op den arm des geliefden leunt om een derde iets te vragen, zoo leunden Mathildes handen op de randen der meubels, wanneer Zij zich naar voren boog om gedachteloos de namen der makers te lezen onder de platen aan de muur. Want zij had van die plotselinge nieuwsgierigheden voor de kleinste kleinigheden, die drentelende afwachtingen van heugelijke gebeurtenissen in menschenoogen doen ontstaan, en die Mathilde eensklaps de nog ongeziene krul van een behangsel-figuur deden ontleden, of haar een klein barstje in de lambrizeering lieten ontdekken en nagaan.

Zoo ging de Dinsdag en Woensdag voorbij. Mathilde dacht aan het gesprek met Jozef als aan iets, dat buiten haar om zoo bepaald was, als aan een gelegenheid, die zich nu voordeed om haar geluk te herstellen. Zij bedacht niet, dat de heele zaak van haar was uitgegaan en nog wel toevallig nu pas, dat zij hem even goed twee maanden geleden hetzelfde had kunnen zeggen. Zij dacht er ook niet aan, dat Jozef op 't oogenblik voelen moest als altijd, dat hij nog van niets wist. Neen, zij had een gevoel als bereidde hij van zijn kant zich in Amsterdam op den strijd voor, die zoû plaats hebben, terwijl zij 't zich hier deed. En zij maakte haar plannen, nauwkeurig, in onderdeelen. Zij zoû beginnen met het feit te zeggen zoo als het was: zijn liefde voor haar was niet zoo groot meer als vroeger. Dan zoû hij zeggen--ze kende hem er goed genoeg voor om dat zeker te weten--: 't was volstrekt niet waar, hij hield nog altijd even veel van haar. Maar dan zoû zij hem bewijzen, dat 't niet zoo was. Want, zoû zij vragen, hoe handel jij in den laatsten tijd tegenover mij en hoe doet een man die wezenlijk veel van zijn vrouw houdt? Zij zoû het onderscheid laten voelen. Dan zoû hij misschien toegeven ... En dan, en dan ... Mathilde lachte en trad voort, zij voelde haar plan worden in de huppelende blijdschap van haar lachjes. De woorden verzamelden zich langzaam in haar heerlijk zeker. Als bijna lijnen, die elkaâr naderden en zich samenvoegden, waarden de gedachten om haar heen door de huisruimten. Haar lachjes zweefden op, verzilverkrulden de lijnen: zilverwitte onzichtbaarheden luwden in lichte wolkjes om haar heen, wierookten tot haar voorhoofd en deinden weêr terug, beglipten haar hals, suisten weêr op door heur haren, glanspuntend, paerlend, sterrelend boven haar been. En zij liep voort; haar gedachten, in gele, rose en blauwe draden, weefden aan het plan. En in de zachte bewegingen dier ongeziene gelukskleuren, begon zij te neuriën, maar zachtjes, voor haar zelf onhoorbaar zachtjes. Kwam er een bedenking, vlotte het plan niet geregeld, dan haperde de stille neuriënde gedachtenstem, heel even, maar als het bezwaar bijna overwonnen was, begon zij weder, nog zachter, altijd zachter.

Zoo ging zij door haar slaapkamer om te zien, of alles goed opgeredderd was, maakte de kleerenkast open, hing haar japonnen op hun plaats en keek of haar lijven, tegen de stof, wel met de voeringen naar buiten hingen; zij zette het speldekussen recht voor het toiletje, sloeg de gordijnen voor het bed over elkaâr, en nam nog hier en daar de stof af, want Marie deed alles niet precies genoeg. En alles moest toch heel goed in orde zijn voor als Jozef kwam. Zoo ging zij door de keuken, liet Jans haar toonen wat gebroken was, onderzocht of de tinnen zaken en de koperen glazewaschpomp, de raspen, de zeeften en de beschuittrommel wel op hun plaats aan de muur hingen, of het fornuis wel goed schoon was. Als Marie en Felix uit waren, ging zij zien of er op de planken der kasten boven wel overal schoon papier lag, of Felix kleeren netjes opgevouwen waren. In het rieten kabinetje streek zij een verkeerde plooi uit een venstergordijn en schikte de stoelen in de stipste orde om de tafel. In de groote kamer liet zij de vuile voeten van Felix wegvegen, die daar van gister-avond nog stonden, en beknorde Jans, dat zij zoo slordig geschuyerd had. Zij trok een kreukel uit het tafelkleed, leî de muziek op de piano tot een regelmatig hoopje. Maar, door het rustelooze op-en neêrgaan, verflauwde de innigheid harer gedachten, eindelijk dacht zij er niet meer aan dat zij aan 't denken was, en, ontevreden, bleef zij staan om kalmer haar plan verder te maken.

Zij stond, rustende op haar rechter been, de teêr-grijze wol strak gespannen over de ronding der uit-gezette heup. Haar linkerhand morrelde aan de knoopen van den peignoir. Aan de rechter, boven den tegen haar borst gedrukten arm, wreef zij haar kin heen en weêr; haar blikloze oogen lijnden, van haar langzaam ja-knikkend hoofd uit, strak op hetzelfde punt van den vloer neêr. Of zij streek haar handen van haar voorhoofd tegen haar wangen neder, die dan tot rose kussentjes onder haar oogen zwollen; en zoo, haar hoofd in de handen gevat, terwijl een aarzeling van klamheid over haar schedel trok en de aderslangetjes aan haar slapen zich even verdonkerblauwden, liet zij haar oogen den aanstaanden dag tegenglinsteren, met kleine dartelende blauw-zilveren vonkjes.

Als hij dan toegegeven had, dat hij niet meer zooveel van haar hield als vroeger, zoû ze hem zeggen, dat hij zeker zelf niet wist hoe dat kwam, maar dat zij 't hem kon uitleggen: zij was ziek geworden, had daardoor van-zelf niet zoo lief meer voor hem kunnen zijn als vroeger, en hij was nu eenmaal iemant, die er behoefte aan had, dat een ander onophoudelijk de grootste liefde voor hem toonde. Maar het zoû weêr te-rugkomen, als hij maar zeî, dat hij nog een heel, heel klein beetje van haar hield, och maar zoó weinig, zóo weinig, als een stofje tusschen vinger en duim ... Als zij dit gezegd had, zoû ze naar hem kijken, hij zoû zeker een beetje zenuwachtig geworden zijn en hij zoû zeggen ja!, dat hij nog werkelijk van haar hield, dan zoû zij hem omhelzen, en dan; ... O, 't zoû heerlijk zijn! ... zij zag zich al met hem loopen in de zon, haar arm in den zijnen als toen zij pâs getrouwd waren ...

Mathilde stond dicht bij het venster. Achter het neteldoeksche gordijn speelden zes vliegen tegen de ruit, als zwarte stipjes op en neêr wippend, met lichte tikjes tegen de ruit rakend, tegen elkaâr aangiggelend, op elkaârs ruggen klimmend, zich badend in een paar dunne zonnestraaltjes, twee aan twee in kringetjes rondwirrelend, stilblijvend tegen het neteldoek. Eens vloeg er een op Mathildes voorhoofd, liep snel rond tot bij de wenkbrauwen, sprong toen op haar hand, liep op en neêr, sleep zijn voorste pootjes tegen elkaar en liep weêr op en neêr. Mathildes oogen, moe van het turen, knipten wakker. Zij had zóo innig aan hem gedacht, dat een lichte koû over haar heenging, onder haar kin tegen haar hoofd op. Het was als had zijn gestalte, warmend, vlak voor haar gestaan, als had zij tegen zijn borst gestaard, tusschen haar en den wand, als was hij nu met onhoorbaren tred wechgegaan. Zij zag om, met angst glimlachend. Hij was er niet, neen, zij zag hem niet gaan. Toen door 't venster ziende, was 't haar, of hij elk oogenblik om den hoek zoû verschijnen, en van de heete tuinkleuren uit, tot haar heen treden, met zijn armen, met zijn schouders, zijn voeten nog in de zon.

Maar haar mijmering stierf uit en zij dacht: als hij werkelijk eens vóor Zondag kwam. Dat was wél heel onwaarschijnlijk. Maar zij haastte zich toch met haar kleine voorzorgen, omdat hij elk oogenblik komen kôn. De deuren van het rieten kabinetje en van Jozefs slaapkamertje stonden open. Door de vijf ramen geelden, zich naar onderen verbreedend, zware kokers stofwemelend zonnelicht naar binnen. Schreed Mathilde voorbij de ramen, dan brandde plotseling een plekje van heur haar, haar oog werd blind geschitterd, zag zij haar kleed goud-grijs en weêr donker worden, was haar hand op eens schel verlicht. Het klaterende goud-groen van den tuin brandde door de tintelende ruiten. Hetzelfde eentonige deuntje neuriënd, nu en dan eensklaps luider, als wilde zij er iets meê dwingen, deed Mathilde verder haar zaakjes. De stilte, die als een warm blanke doorzichtigheid over Mathilde hing, werd alleen verscheurd, een enkele maal, door de keukengeluiden van een steenen pan, door Jans op de marmeren rechtbank gezet of het bingebangerend ijzergerommel van het fornuis-opstoken, die door den wand heenbraken.

Later op den dag,--het was al Donderdag,--werkten Mathildes hersens voort aan haar plan. Zij zat in de groote kamer, de ellebogen op de tafel geleund, met de kouwige half in het haar wechgedoken handen de huid aan de slapen zóo naar boven strijkend, dat haar oogen werden als die van een chineesche vrouw. Bij de hoeken der neusgaten trilden de zenuwen van haar gezicht. Haar huid scheen te schokken van de geluksgedachten, waar zij vol van was; haar oogen verdoften om alleen naar binnen te zien. Met een rukje zonk nu en dan even haar hoofd lager. De hiel van haar linker voet klopte snel zachtjes op de vloer.

Zoû zij wezenlijk durven? Als hij daar heel gewoon en met zijn kalmte naast haar stond en ze over onverschillige dingen spraken, zoû zij dan in eens de soort van spanning die er nu al sinds maanden tusschen hen bestond, durven verbreken? O ja, zij zoû durven, wat er ook gebeuren mocht, zij zoû spreken. En dadelijk zoû zij er over beginnen, als hij aangekomen was ... Na dat zij elkaâr dan omhelsd zouden hebben, zoû ze hem al haar verdriet vertellen ... O maar, wat een heerlijk idee, de stilte tusschen hen zoû verdwenen zijn; zij zouden weêr samen praten uren achtereen, zonder ooit uitgepraat te zijn. Het zoû net zijn, of Jozef van een lange reis was teruggekeerd, als of zij mekaâr weêrvonden na een lange scheiding ... Al wat zij uitgestaan had, zoû zij hem in onderdeelen haarfijn zeggen ... Allemaal natuurlijk om te maken, dat hij weêr meer van haar hield. Of was 't beter zich niet zoo bloot te geven, zoû hij daar misschien te trotsch van worden? ... O Heer! daar wist zij in eens iets veel beters. Zij zoû hem niet omhelzen, zij zoû volstrekt zoo lief niet tegen hem zijn. Neen, zelf trotsch en koel zijn, hem rekenschap vragen van zijn gedrag, dát was het middel ... En neen, ... en ja ... Ja, ja, zij zoû voorwenden boos op hem te zijn ... Dan zoû hij om dat weêr goed te maken ... en dan ... hoe 't ook gaan mocht, zij zouden in elk geval tot een verklaring komen, die niet anders dan gelukkig kon wezen.

Mathildes verbeelding zag zijn ontroering al, en haar ontroering. Hij zoû vlak bij haar wezen wanneer zij hem dit alles zeggen zoû, en hij--geheel, zijn hoofd en zijn handen en zijn voeten, en zijn oogen, al zijn leden, die zij liefhad, al zijn blikken, waarnaar zij verlangde. Zij zoû hem zien, zij zoû hem hooren, zij zoû hem betasten kunnen. Zij zoû zijn gezicht wel weêr van liefde doen branden; en als hij zijn hoofd dan boog, en als hun monden dan tot mekaâr kwamen ... Zij zag de zon al gaan over zijne kleéren, ... en zij zoû hem brengen naar het huis, waar ze hem behouden wilde, zoo als vroeger ...

Mathildes hoofd was lager gedaald, tot even boven de tafel. Haar armen lagen er voor te rusten. Zij was wech in haar gedachten. Nu deed zij haar hoofd een beetje naar de hoogte, met wijde, als verbaasde oogen, die zich daarna tot aandacht samentrokken. Een waas van vervreemding was om haar heen; een schrik prikte in haar achterhoofd. En zij meende in de ronding van haar linker arm, waaronder, diep, de vloer warrelde, zijn arm te hebben zien steken. Zij had het gevoeld. Zij had zijn hand, zijn blanke hand, op haar voorarm voelen liggen, de vingers allen naast elkaâr, teeder drukkend. Zie, daar was de hand weêr, bezijde de tafel plotseling opkomend, warend door de kamer, dalend, verdwijnend. In de hoeken, aan de muren, zag zij onzichtbare zijden van zijn lichaam, de rechterzijde zonder het hoofd, zijn been, dat bewoog. Toen, door de ronding van haar onbewegelijken arm weêr naar de vloer kijkend, zag zij, in vlottenden trechtervorm, lapjes nevel, donkere stipjes, zwarte vlakjes, waarin Jozef klein en groot, daalde en opkwam, als een pop, die zich uitzette. Maar zij overwon het gezicht; haar verschrikking verteederde weder tot de lachende aandoening van het plannen maken.

...Als zij zich boos toonde, zoû hij haar misschien vergeving vragen ... maar dát zoû zij in geen geval willen ... maar wanneer hij nu eens niet deemoedig was bij haar trots ... 't Was waar ook, het was ook eigenlijk maar beter niet trotsch te zijn. Als zij zich als de minste voordeed, als zij smeekte en bad, dán bereikte zij stellig haar doel, zij zoû dus eerst dit zeggen, dan dat, dan zoû hij ... en dan zij ... en dan zoû zij nauwkeurig bepalen, wat zij graâg had, dat hij deed: elken dag overkomen, enz....

Jans was de jaloeziën dicht komen maken. Mathilde zat in de zwaar-breed-goud-blank-doffe zomermiddagschaduw, waarin de kamer stond. In de gleuven der jaloezieën was de rijke warmte der tuinkleuren neêrgedrukt door de schuine latten. Van boven door de jaloeziën snelden alleen nog enkele zonnestralen in de kamer neêr, die op de meubels lichtend vlekten. De stilte was van een vergulde bleekheid, als van door matglas verdoofd gloeiend goud, waar in aarzelingen van teeder blauwe, geel-rose, blank-grijze tinten zwierven. Fijne, schuchtere dartelingen van stervend zilver en kwijnend rood lispelden. Een luchteile wade van verwelkende glansjes lauwde. In de broeyerig-kleverige roerloosheid van de kamer gleden en streepten Mathildes gedachten uit haar heele wezen over de donzige kleuren. Uit haar oogen ruischte haar denken. In hel gouden pijltjes naast mekaâr, die opsprongen en neêrkletterden, met zilveren pijltjes schuin er boven en er door heen, schitterde haar driftige mijmering ... Als hij zeide, dat 't met de zaken onmogelijk was om zoo dikwijls over te komen ... als hij sprak van de verveling van de reis, en dat zij toch weinig aan hem hebben zoû ..., o, zij zoû hem niet uit laten spreken, zij zoû hem Felix voorhouden, maar vooral altijd zich zelve ...

Haar plannen vorderden; zij voelde zeker te zijn van haar zaak. Haar betoog sloot samen; er kon niets tusschen. De gedachteplannen zetten zich om in vormen voor haar uit, op de vloer: in rechte lijnen en vierkanten, bevend, rillend, maar steeds elkaâr naderende, met een dak van schuine lijnen er boven, als een geheel.

Zij leunde nu tegen haar stoel en keek rond, in de lichte bedaring van haar gedachtekoorts. Zij voelde met welbehagen het ongerimpelde lachen van haar gezicht. Uitstekend! dat hij nog niet gekomen was. Alle stoelen stonden leêg om haar heen. Hij was niet in de kamer. Zij kon heerlijk alleen eerst op haar gemak alles wikken en wegen en samenstellen, voór hij kwam ...

Zij stond op en bracht, kalmer dan eerst, een flesch Florida-water op zijn kamertje. Zij sleep het scheermes, dat in de waschtafellâ lag, iets wat zij nog nooit had gedaan; zij schikte de sprei glad over zijn bed. Zij was moe. Haar denken verflauwde steeds.

Zoo ging de dag voorbij.

Na den eten rustte Mathilde op het eene kanapeetje. Nu zoo goed als klaar met haar voornemens, lag zij zalig moe voor zich uit te turen. Haar eene hand steunde haar kalm liggende hoofd, de andere lag onbewegelijk over haar schoot. Zij was stil droef blij. De oude gedachten van den dag, de vondsten, die zij al lief had gekregen, zweefden zachtjes door haar brein. Reeksen gedachten, groote stukken der plannen kwamen in lange, licht zwart-fluweele langzaamheden over haar lichaam aanwaren naar haar oogen; enkele kleine donkerwitte bizonderheden, een trek, die Jozefs gezicht zoû hebben, zeker uitstekend woord, dat zij zeggen zoû, kwamen van ter zijde haar hoofd springen en er weêr uit glippen, door de groote gedachten-drommen heen.

En zij voelde zich tot alles in staat, geheel aan haar liefde overgegeven, zonder trots. Als hij niet toegaf, zoû zij zich vernederen, zich zoo lang en zoo diep vernederen, tot hij overwonnen was. Zij zoû weenen, weenen zooveel, dat hij haar om haar tranen weêr lief zoû moeten hebben. Zij zal hem beloven en hem influisteren, dat zij alles zal doen, wat hij wil.

Onder het langzaam vallen van dezen blijden dag voelde zij zich verzwakken tot alle offers, zij voelde zich wiegen door de rust van de kamer in een weldoende vergetelheid van zich zelve. Zij wist nu wel waarom zij vroeger niet gesproken had tot Jozef en altijd maar gewacht; het was door haar trots geweest; zij had niet gewild. Maar nu was zij nederig; zij zoû kruipen aan zijn voeten. Zij hoorde zich zachtjes ademen tot de vriendschap der stille kamer, heel zachtjes. In haar oor suisde heel licht de vermoeyenis. Zij zoû hem beloven zich opzichtiger te kleeden; zij zal hem beloven meer met hem uit te gaan. Zij zal nacht en dag klaar staan om zijn wensch te doen. Zij wil nu wel veel reizen later. Felix zal ponniehaar dragen en op een kostschool gedaan worden.

Zij hoefde nu niet meer te denken. Zij kon rustig slapen van-nacht. De zwijgende wanden, met hun hooge, ernstige voorhoofden, hadden haar plan in zich af laten drukken. Zij zoû het in hen morgen weêrvinden; zij kon het nu veilig vergeten en aan niets meer denken ...

Mathilde richtte zich plotseling op, te midden der strakstaande wanden. Zij voelde als een bodem van zekerheid uit haar bewustzijn wechzinken. Als zij zich morgen eens niet herinnerde wat zij Jozef zeggen zoû, als zij de woorden eens verloren had, voor altijd verloren! Als haar plan eens wech was, en als ze het zelf eens niet meer wilde, en als ze niet meer zoû weten wat te doen ... Maar deze schrik, die heenvlood uit haar wezen en rende door de kamer en opratelde tegen de ruiten en schuurde langs het behangsel en weêr te-rugkronkelde in haar wezen, verbreede zich tot een gevoel, donker, hopeloos bruin, dat lang bleef hangen op dezelfde plaats: als Jozef eens koel bleef, als, na alles wat zij bedacht en gezegd zoû hebben, hij eens dezelfde bleef der laatste maanden, dezelfde, blank koud dezelfde, als hij haar eens niet begreep, en met een zwijgenden glimlach vroeg wat zij bedoelde ...

Maar, in de laagte, met hun grond en één opstaanden wand, schoven stukken tuin en stukken kamer voor haar verbeelding, met Felix er in. En zij zag hem, een afgerond levend wezen, zich bewegend, geluid gevend, met licht in zijn oogen en een rooden mond. Dat was Felix. Dat was haar kind, hun kind. Als Jozef achter hem stond, dan reikte hij tot Jozefs middel. En zij keken met hun oogen op dezelfde manier. Felix was als uit Jozef gekomen. Uit Jozefs wezen neêrgestooten op de aarde. Felix was, dus moest Jozef zijn.

En wat was dat "Jozef"? Dat was een hooge gevormdheid, het was datgene, wat alleen zij zien woû, wat alleen zij hooren woû, wat alleen zij wilde aanraken, een man, nietwaar, haar man, dat was die man, die haar lief had gehad, die haar liefhad ... O maar, met zijn oogen, nietwaar, en met zijn voorhoofd en met zijn mond en met zijn handen, wás hij ... O, o, wat zoû die toekomst gelukkig zijn!

Mathilde stond weêr, rechtop in de kamer. Zij wreef in haar handen, om dat haar zaken zoo goed stonden. Met den zegevierenden blik van iemant die, het hoofd omhoog, naar aanstaande blijde tijden uitkijkt, zag zij, door het venster, de komende schemering tegemoet. Zij lachte verheugd, zij lachte zooveel; in een wordend lachje bleef haar gezicht eensklaps stil, om verwonderd te zijn over het dwaze verdriet, dat zij zoo lang had gehad. De behoefte om te loopen bewoog haar weêr door het huis. Zij ging, met een licht deinen van haar schouders, haar hoofd bewoog heel langzaam op de maat van haar gang; haar borst ademde op en neêr, haar heupen ovaalden grijs uit onder het kleed; de wrong harer voeten steeg en daalde regelmatig over de bevloering. Haar armen weken van haar zijden en vielen er zachtjes weêr tegen aan. Zij drentelde, afgemat en rusteloos. Het lichte kraken van haar schoenen, het gekreuk en geschuif van de kleedstof om haar armen en beenen, het geluid van haar stappen en van haar ademen ritselden glijend door het huis.

Zij voelde zich loopen en in de muziek van haar gang alle denken te loor gaan. Zij voelde het tintelen van haar teenen en hielen, het gewrichten van haar knieên, haar trillende dijen, waarlangs het kleed bij elken stap neêrwoei. Zij voelde strakheden van haar broek en haar onderlijfje tusschen haar beenen en onder haar armen; haar ondergoed, dat de halve bollen van haar borst raakte, de kraag van het kleed, die tegen haar hals duwde. Zij voelde haar moeye hals en de hitte van haar achterhoofd, de zwaarte harer armen, die de schouders lager trokken, haar klamme handen, haar lippen, die, vóór de ongesloten tanden, bevend samendrukten.

Zij waadde door de schemering, die het huisomsluyerde en een slaap bracht in de kamers. Door de zwartigheid, wist zij nog vaag haar lichte droomen in de verte, voor den volgenden morgen. Haar donkere gedaante bewoog steeds rechtop door de verflauwende huisvormen. In de blauw-zwarte spiegels zag zij haar witte hoofd alleen nog naderen, waarover een stervende glimlach stond. Zij ging, bewusteloos, weêr ook de trap op en af, zonder meer iets aan te raken. De gedachten van den dag leefden zonder haar in haar voort, nog even stilletjes aanspoelend, zachtjes-aan wechdoovend. En toen begon zij weêr van zelf het wijsje van dien morgen te zingen.

Marie en Felix kwamen thuis van hun wandelingetje. Het wachtende huis stond witterig en zwart-schuin tusschen de boomen. De vensters keken lankwerpig wemelend grijs en zwart. Van onder de warande, waar een venster openstond, hoorde Marie en Felix het gezang van het huis, luid en zacht vlak-bij in de donkerte. Dan ging het verder in het huis, verzwakte, verzwakte en beefde wech. Dan naderde het weêr onder de opstaande huisvormen. Het was nu neuriën geworden, maar in eens klonk het heel uit de verte, als achter een dikke muur; toen hoorden zij het weêr duidelijker, zachter, boven onder het dak, voortgaan, zachter worden, en te-rugkeeren, luider. En ophouden in de doorzichtig-zwart- grijze stilte. Toen druppelde een fijne regen eensklaps stilruischend in den avond op het huis en op de bladeren neêr.

Den nacht van Donderdag op Vrijdag sliep Mathilde vast, maar om zeven uur was zij al op. Den vorigen avond had zij, vóor haar bed staande om er in te gaan, haar bloote voeten gezien. Zij was er naar blijven kijken, haar hoofd gebogen onder een nieuwe gedachte, die door haar hersens druischte. Zij had haar nachtjapon tot aan de knieën opgetrokken, mijmerende, dat die lichaamsbouw, met die blanke huid, onder haar witte goed nu zoo doorging in de hoogte, tot haar middel, tot haar borst, tot haar hoofd en daar eindigde en dat zij dat nu was, zij. Zij had even met haar eene voet een tikje tegen het andere been gegeven.

