# Een liefde

## Part 25

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-liefde-10820/index.md

Zij stond op van haar stoel, met haar koude handen en haar zweetend hoofd en het ruischende en razende bloed in haar ooren. Met haar kouden voet struikelde zij tegen het voetenbankje. Zij bukte zich om haar voet te betasten. Een wilde koude wriemeling ging door heur haren over haar heete hoofd, een stroom van zwarte vlekken kwam voor haar oogen. Zij stond weêr recht op, en zij was bang. Zij deed haar oogen dicht om niet te zien, zij deed haar handen in de plooyen van haar kleed, om niet aangeraakt te worden. En huiverend proefde zij de duisternis, terwijl angstvlagen haar keel als met gloeyende koperen punten prikten, zich rillend samenpersend in haar hersenen, haar wil verlammend. En zij bleef alleen, schoorvoetend op en neêrgaande in de donkerte. De donkerte hing in rechte strooken van de zoldering, bolderde tot zwarte rollen, die tegen elkaar botsten en in elkaâr overrolden. Mathilde voelde de afrondingen van haar lichaam als een tastbare levende vorm tegen de duisternis ingerezen. Zij voelde den bol van haar gloeyend hoofd, zij voelde de buigende vlakken harer koude schouders. De duisternis viel als gesmolten lood, op haar hoofd heur haar verzwarend. Achter haar, dan links, dan rechts, hoorde zij wijdgapende zwarte lachen, daarna een giegeling van kleine hollende klaterende lachjes achter elkaâr. Daarna het klotsend getik als van een tong, die in een mond op en neêr slaat. Zij zag om zich heen en roerloos grijnsde de duisternis, maar, altijd aan de andere zijde, draaide de donkerte haar woesten rondedans en snikten de vreemde geluiden. En zij ging rond; zij wist immers wel, dat zij niet alleen was! Er moest iemant zijn. Langzaam vorschte zij door de kamer, schichtig voorover-buigend in de hoeken en boven de meubels, meenende er een menschengedaante uit te zullen zien opdoemen. Maar er was niemant. Zij betastte de stoelen en de tafel, maar de stoelen en de tafel drongen pijnlijk hun harde levenloosheid in haar vingers. Maar er moest toch iemant zijn, er was iemant in haar leven, die altijd bij haar was. De armen naar voren en naar achteren uitslaande, met uit-een-gestrekte vingers, liep zij rond over de vloer, van den eenen wand naar den anderen, telkens door de zwarte eenzaamheid van den eenen wand naar den anderen te-ruggeworpen, zich stootend aan de meubels, stilstaand met gespannen oor, om naar de stem te hooren, die daar sprak, heel ver weg, sneller voortloopend, met een wind om het hoofd, tienmaal na elkaâr om de tafel heen, tien-maal langs de stoelen aan den achterwand, in drift haar hand opheffend met een samenklemming der tanden, stampend op den grond, hijgend door de neus-gaten, met verglaasde oogen rondturend, eindelijk tegen den muur vallend, haar armen boven haar hoofd, haar open mond in het behangsel gedrukt. Zij keerde zich weêr om tot de duisternis en zij breidde haar armen uit als om hulp te vragen. Maar de duisternis plofte neêr op haar schouders, stroomde ruischend langs haar zijden naar beneden. Zij voelde den grond niet meer onder haar voeten. En zij zag de vloer zinken en stijgen, in breede schuine vlakken plotseling wijkend, zich weêr samenvoegend en in vierkante blokken zich opstapelend om haar heen. De wanden trilden, bewogen, schoven te-rug en naderden weêr met langzame wreedheid om haar tegen hun groote platte vlakken te verpletteren.

Mathilde strompelde naar de vensters, waar, als door groote gaten, de grijze nacht van buiten vaal viel tegen de dichte kamerzwarte. En haar oogen flikkerden en vlamden tegen den nacht, die van buiten op haar toegolfde als een klimmende dampende gloed. Het grasveld vlak voor de ruiten scheen hoog heen te stroomen, kwatelend en kabbelend in den wind, die er van uit de schuddende hooge boomgevaarten wolken zwartheid op nederwoei, met de golfkammen der nog als groen uitkomende hoogste grassprietjes en de schuimvlokken der witte rozen. De zwarte vloed kwam van verre, van allen kant, door de wuivende en buigende, zich in groepen samenwringende en weêr losrijtende beplantingen om de huizen aan d'overkant, van links en recht over den straatweg en door Mathildes tuin aanspoelend met klotsend geweld, zich vermengend met de zware regens en stortvloeden van zwartheid, die over Bagatelle's dak, en langs beide zijden van de warandes, en van overal uit de lucht zich er in neêrgoten, opzwalpend in vreemde druipende zwarte figuren en met een windvlaag neêrzwierend in het hooge water. De breede donkergele streep van den straatweg golfde onder den stroom door, zich in bochten opkronkelend, zijn breede rug hoog opkrommend en weêr neerstrijkend, of zijn gele effenheid verliezend, doorboord met wemelende puntjes en gaatjes als een schelpenbodem onder den vloed. De iepen stuwden hun breede donkere lijven tegen de zwarte lucht, zich als een bergketen samen-sluitend, tusschen wiens toppen watervallen klaterende zwartheid naar beneden gudsten, in een storm van droefheidsgebaren hun lange armen sidderend losrukkend en er in een kramp van jammeren meê wijzend tegen den donkeren hemel. De witte en grijsblauwe huizen aan d'overkant, met hun kale muren, groeiden op uit den grond, hoog en naakt, als gesteenten van geweldige droefheid, de donkerte der boomen en heester met hun breedte vervullend, vooroverbuigend, zich splijtend en zich weêr samenvoegend, zwaar en recht. Zij dreigden en voorspelden, zij waren ontzachlijke steenen graven, stom en meêdoogenloos, langzaam waggelend op dezelfde plaats in de zee van grauwheid. En zij naderden in hobbelende zwenkingen, als met een heesch krijschen en een knersend gillen hunner fondamenten, hun vervaarlijke blokken naar Mathilde heenbewegend in de stormende zwartheid. Maar de geweldige stammen der hooge boomen aan den weg schenen lichtelijk te verschuiven van hun standplaats, en zij wankelden en zij rezen hooger en zij schreden tot elkaâr. Er barstten er van-één, van hun wortels hagelde een warreling van zwarte vonken Op, maar zij sloten weêr samen en als een troep ijzeren gedaanten drongen zij naar voren. De bladeren en takken verstijfden en klonken zich samen, schoten op in een vaart tot zwarte torens en zij bogen zich schuins, om neêr te storten op Mathilde en op het huis. Maar de grauwe zee raasde voort, hooger klimmend, woester stroomend. De boomen vielen er in wech, verdronken, en steigerden als reuzige zwarte golven, hemelhoog er weêr uit op.

Mathilde zag naar boven, zag op zij. Zij zag zich ondergaan. Met de groote blikloze star staande oogen, als van iemand die eindelijk plotseling zijn leven ontdekt, stond zij voor het venster. En haar oogen dronken de woedende macht met bevende begeerte. De zwarte vloed sloeg tegen de muren van het huis, dat er straks in wech zoû zinken. De muren dreunden, schudden in een aarzeling. In den storm bolden de muren zich uit, vielen weér plat, heen en weêr zwiepend als linnen tooneeldekoraties. Als een dorre, verstikkende kreet steende langs het gewelf van Mathildes hart naar haar hoofd. En de muren van het huis scheurden en de grond spleet open, En, zinneloos, voelde zij zich wringen en in een afgrond sleuren, steeds vallend in steeds dieper zwartheid, de leden geprangd in nauwe klemmen, het hoofd bonzend tegen de vooruitstekende punten der in-een-stortende omgeving. Een wind van ijs en een zwarte watervloed voeren over haar heen. Mathilde viel neêr voor het venster.

Maar zij deed haar oogen open; zij zag dat alles stiller was geworden. Er was niets dan éen groote wijde grauwheid om haar heen, waarin de muren der onbeweeglijk staande huizen aan d'overkant afbrokkelden, en de steenen in klompen en brokken geluidloos wechvielen. Als na een hevigen brand bleven stukken muur hoog opstaan in de ledige ruimte. Van de hooge boomen vielen de takken en bladeren bij vakken wech; de stammen vermolmden met wijde gaten. In de kamer braken de zwarte meubelen wech zonder gerucht, samenvallend tot ongelijke hoopjes. Alles viel langzaam neêr in een afbraak der heele omgeving. En zij voelde als brak ook haar eigen wezen zachtjes van elkaâr, ontbonden door de grauwheid, zonder smart. Het was zoo duister, dat zij haar lichaam niet meer in zijn geheel kon onderscheiden, het was als lagen haar leden gebroken, van elkaar wechgespreid. En haar verbeelding, opgebouwd van herinneringen aan het verledene en droomen voor de toekomst, stortte in één, vallend in een grauwe gedachteloze leegte. Er was niets meer, niets. Zij voelde alles geëindigd, haar gemoed uitgedoofd, haar ziel gestorven. Zoo bleef zij liggen, het hoofd tegen den rand van het venster.

Mathilde werd opgeschrikt door stemmen en een geklepper van deuren, dat van het rieten kabinetje kwam. Als een koude wind, die om haar hoofd sloeg, in haar schedel klinkend met den langen naklank van een stemsleutel, raakte het geluid van het onverschillige leven haar aan. Het was Marie, die met de lamp in haar eene hand en Felix aan haar andere hand binnenkwam. Felix moest goeye nacht zeggen. De kap van de lamp, waardoor de wanden en de zoldering der kamer plotseling met een blanke schaduw werden bedekt, de meubels en de vloer geel verlicht werden, daalde tot even boven Maries mond, zoodat het onderste helft van haar hoofd warm beschenen werd Marie zeî "Wel mevrouw, ik wist gerust niet, dat u hier in donker zat, ik dacht, dat Jans u de lamp al lang gebracht had". En zij glimlachte. Als het hart van een opengesneden vrucht blonk het vochtige wit van haar tanden midden in het glinsterend sap van haar tandvleesch en lippen. De huidplekjes onder de uithoeken van haar mond waren van blankgeel perziken-fluweel. De lampenschijn wierp plooyen van koud en warm blank in haar hals en verguldde er de onderste verwarde haartjes. Maries mond scheen te lachen om de duisternis in de kamer.

Felix was naar Mathilde geloopen en riep:

--Nacht, moeder, wel te ruste.

Mathilde, die naar Marie had gekeken, boog zich tot Felix. Maar toen zij boog, zag ze hem aan en ze zag hem zoo als ze hem nog nooit had gezien. Want hij stond met zijn hoofd een beetje naar den rechterschouder neigend en steunend op zijn rechter been, met een zekeren lieven blik in zijn oogen, heelemaal als de verkinderlijking van de houding en den blik waarmeê ze Jozef zoo graâg zag. Felix leek zóo erg op zijn vader. Er ging een trilling onder Mathildes gezicht, haar neus-vleugels beefden, haar oogen bibberden half toe. Zij knielde bij Felix neêr. Zij drukte zijn hoofd tusschen haar koude handen. Zij kust hem, dat haar tanden er pijn van deden, op zijn voorhoofd, op zijn haar. Zij streelde zijn oortjes, zijn wangen, wild en hard. Zij fluisterde hem toe op een heeschen toon; "goeye nacht!"

Marie stond glimlachend-wachtend te kijken, hoe mevrouw Felix zoo hartelijk goeye-nacht kuste.

Toen Mathilde weêr alleen was, deed zij het eene venster open. Zij ging in den tuin en liep haastig voort, als moest zij iemant aantreffen. Achter in den tuin, dicht bij het Flora-beeld, bleef zij staan. Zij was hier-heen gesneld om zoo gauw mogelijk ongezien de eenzame wellust te kunnen genieten van het besluiten tot een gesprek met Jozef, waarover zij mijmerde. Haar oogen knipten, om niet afgeleid te worden bij het bekijken van haar gedachten, en zij slikte murmelend, om met aandacht het genot van haar besluit te proeven; er kwam, in een warmte om haar voorhoofd en wangen, het besef, dat zij slagen zoû in wat zij wilde, en het liep als een zoete prikkeling over haar hoofd. Het was zoo gemakkelijk, wat zij had bedacht. Zij zoû van haar benauwdheid uit tot Jozef gaan, hem al haar verdriet zeggen en hem vragen of hij weêr van haar woû gaan houden. Vroeger had zij wel gedacht, dat als Jozefs liefde wech was, die door geen woorden ter wereld weêr op te wekken zoû zijn en het dus maar beter was te zwijgen, maar nu voelde zij haar wangen gloeyen van een koorts van woorden, die zij tot hem spreken zoû.

Zij wandelde zachtjes heen en weêr, haar hoofd gebogen onder den nachtwind, haar gloeyende oogen over het zwarte pad. Waarom zij tot nu toe niet had gesproken, wist zij niet. Zij had niet gedurfd, zij had niet gekund. Hij zoû geandwoord hebben, dat hij daar niets van wist, dat hij van haar hield, zoo als vroeger. Maar als hij haar dit nu andwoordde, zoû ze hem zeggen, dat hij loog, maar dat zij hem wel weêr van haar zoû doen houden, dat zij zich zoo gezond en weêr zoo mooi zoû maken, dat zij zóolang alles beproeven zoû, tot hij weêr veel, veel van haar hield. Zij was heet van verlangen naar de tijd, dat zij hem spreken en overwinnen zoû.

Door de lucht, die een plaat van donkerblauw metaal scheen boven den tuin, gloeiden de groene, blauwe zilveren en gouden punten der sterren, met een veraf blakerend gezuis. In de blauwe duisternis schaarden de boomen hun donkere pyramidale lichamen om Mathilde heen en deinden heen en weêr, ruischend in den kleinen nachtwind. Als een vrouw, die, met genietende oogen, haar hoofd opheft tot haar man, om bezien en gekust en gestreeld te worden, hief Mathilde haar hoofd naar den nacht. En de nachtwind drukte zich tegen haar borst, gleed langs haar hals en haar wangen, kuste haar mond. De sterrenhemel, zacht en goud, daalde neêr, bescheen haar witte gezicht met stille glansen. Maar plotseling vielen sterren in haar oogen langs schichtige stralen. En heur haren woeyen op, als zwarte vlammen om haar hoofd.

En de hoop, de laatste hoop leefde in Mathilde, schoot in haar wezen als een hooge plant, die, zich wortelend in haar hart, het bewegen en kloppen deed onder haar kleed, die zijn takken in de vreemde kronkelingen van droomerijen en gedachten over een gelukkige toekomst door haar hersenen slingerde, die eerst glansend bloesemde in de blikken vol licht, die haar oogen door het huis wierpen, die daarna teedere bloemen voortbracht in het schuchtere rood, dat een enkele maal door haar wangen kwam. Zij begreep niet, wat haar zoo gauw had doen veranderen. Zij ging door het huis, met een lichten, vluggen tred van iemant, die onbezorgd is. Zij deed haar huishoudentje met een opmerkzaam, nauwkeurig gezicht en met armgebaren vol blijde haast, als een pasgetrouwde vrouw verheugd over het haar toevertrouwd beheer. Als zij alleen was lachte haar bleeke mond plotseling. Zij keerde dan haar gezicht bijna geheel naar het plafond. De lachjes kruiden op uit haar keel, lachjes, waarin de ha-klank rolde door haar mond, eerst in diepe toonen, later in hoogere toonen over haar lippen dansend, opkrinkelend tegen het plafond, waarop Mathilde heerlijke toekomst-beelden scheen afgeschilderd te zien. En daarna lachte zij weêr in zich zelve met gesloten mond, met denkende oogen over de vloer, terwijl de lach met rukken uit haar schuddende borst opsteeg, met een gekreun door haar keel, als een wind uit haar neusgaten wech woei.

Zij kon zich nog niet van Zich zelf losmaken en op een afstand haar eigen ik en haar toestand beschouwen. Zij was nog geheel in zich zelve. Zij voelde, dat zij, om te bestaan, Jozefs liefde noodig had, en daarom wist zij, dat die te-rug moest komen, dat de toekomst goed zoû zijn.

Zij bleef in Felix Jozef zien, een tweeden Jozef, een kleinen Jozef heel klein, heel vreemd. Zij merkte, als Felix lachte, trekken om zijn mond als die van Jozef, zij zag sommige rose plekken aan zijn ooren, juist zoo als Jozef er had. Zij omgaf zich van Felix. Zij voelde niets moederlijks voor hem, zij voelde zich bijna als zijn vrouw, met een wondere angstige, koortsige, voor haar zelf onbegrijpelijke hartstocht. Als zij 's middags door den tuin wandelde, liet ze hem naast haar loopen aan haar hand, en ze liet hem niet los, maar klemde zijn handjes in de hare; haar oogen straalden met wijde ongebroken blikken over zijn hoofd en zijn lichaampje heen. Zij drukte zijn handje vaster, opdat hij naar haar op zoû zien. Haar oogen goten heete stralen over hem uit. Wanneer ze in de hut zat stoeide ze met hem, liet hem op haar schoot zitten, leî hem rechtuit over haar knieën, gleed met haar oogen van zijn voetjes tot zijn hoofd, hechtte haar blikken aan zijn leden, drukte haar blikken over zijn gezichtje, verdronk hem in haar oogenspiegeling, zelve dronken van hem te zien. Zij betastte zijn lichaampje met teêre neêrzijgingen harer vingers om zijn armen, om zijn beentjes heen. Zij streelde zijn hoofdje met bevende liefde-handen. Zij leî, hem zacht omvattend, haar handen over zijn schoudertjes en drukte hem tegen haar aan, zijn hoofdje onder haar hoofd. Zij wilde, dat hij spreken zoû, omdat zij Jozefs stem wilde hooren. Zij vroeg hem, of hij van haar hield, of hij van zijn vader hield, of hij zijn vader wel kende, of hij zoo groot zoû worden als zijn vader. Als het kind niet andwoordde, bracht zij haar oor aan zijn mond, opdat hij daarin ademen zoû en zij uit zijn adem klanken op zoû vangen. Zij bracht haar mond aan zijn mond om zijn adem in te ademen; zij hield haar oogen voor zijn mond, opdat hij ze bewasemen zoû. En als Felix tegenspartelde en bang was en wech wilde, dan schudde zij hem, tikte hem op zijn handjes, zag hem boos aan. Als het kind dan huilde en zijn roode armpjes voor zijn oogen bracht, zette ze hem op den grond, boog zich naast hem neêr, hem in de ronding van haar arm nemend, en, haar hoofd naast het zijne, tegen het zijne aan, huilde zij meê. Zij huilden met hun tweeên in den stillen zomer. Hun tranen drupten op de kiezelsteenen van de hut.

's Avonds, vóor Felix naar bed ging, moest hij bij Mathildes stoel staan. Dan zoende ze hem zachtjes zonder ophouden op zijn voorhoofd, op zijn haar, op zijn handjes. Als het oogenblik van goeye-nachtzeggen was gekomen, hief ze hem hoog op, tot vlak boven haar hoofd, bracht daarna zijn gezichtje vlak voor het hare, staarde in zijn oogen tot die dichtvielen en deed vreemde vragen: "Waarom ben je vader niet? Ben-jij Felix, ben-jij niet Jozef?" Als hij weêr op de vloer stond, kuste zij hem op zijn wangen goede nacht, langen tijd, haar mond aan zijn gezicht, Het gebeurde, dat zij, later in den avond, nog niet was voldaan, dat zij niet slapen kón. Dan sloop zij naar boven door den stijgen-den nacht der trappetreden. Zij stond voor Felix bedje, als Marie al sliep. Zij bleef een half uur staan staren over het witte dek en het gladde hoofdje, met de roode rondte van zijn open mondje, dat er boven uit lag.

Jozef was er nu in negen dagen niet geweest. Den Zondag, den dag, dat hij toch altijd kwam, had hij nu ook overgeslagen. Dinsdag 's morgens, tien minuten over half elf, toen Mathilde aan haar huishouden Zat, bracht Jans een brief van Jozef binnen. Het was een vierkante enveloppe, van gelig oud-Hollandsch papier, dat mooye papier, waar Jozef altijd op schreef. Jans leî den brief op tafel en draaide, drukkend, er haar wijsvinger half op om, als wilde zij den brief beletten wech te vliegen, en, zich omkeerende om heen te gaan, zag zij, van onder den strengen boog van haar kornet, nog met twee zorgzaam-ernstige blikken naar den brief, zeggende:

--Die brief is gekomme, mefrouw.

Voortschrijvende aan haar huishoudenboek, nam Mathilde, met een korte koude verplaatsing harer blikken onontroerd, als een gewoon en verwacht ding, het gelige vierkant van den brief in haar oogen op. De brief lag daar, alleen, hoog op het stijve tafelzeiltje. Hij lag daar, als een vreemd licht voorwerp, door zijn pasaangekomenheid als een vierkantje nieuwe frischheid opwittend uit het zwaardere, in zijn gewoonheid oudere kleurenwezen der kamer. Terwijl Mathilde voortschreef en naar haar schrift keek, bleef de brief, links in de schuinte, als een scherp omlijnd wit vlakje van de tafel, in haar oog liggen, als een klein vormpje door zijn ongeknotte gladheid en verscheid in een hoogen witten klank roepende, dat hij zoo even hier nog niet was.

Mathilde nam den brief op, waardoor hij haar oog naderde en heel lichtelijk grooter en zwaarder werd. Jozef verontschuldigde zich, zoo als altijd, dat hij verleden Zondag niet gekomen was en dat hij vóor aanstaanden Zondag ook niet zoû komen. Het opengevouwen bladje strekte zich dun-stug tusschen Mathildes bleeke vingers met het gerekte geritsel als van verflauwde gewrichtsverbuiging en zij had heel even het grijs-bleeke gevoel der kille leegte die van het papieren vlaktetje over haar wangen steeg, dat zij altijd na het lezen van zijn briefjes had, maar nu heel vluchtig, zich terstond oplossend in de lichtblauwe breedheden van hoop, waarin haar denken waadde.

Jozef zoû dus Zondag komen. Dat de dag nu bepaald was, waarop het gewichtige gesprek, zoû plaats hebben, verergde Mathildes zenuwachtigheid, en maakte haar vertrouwen op de uitkomst nadrukkelijker. Zij voelde zich verjeugdigen in de gejaagdheid, waarmeê zij den dag tegemoet zag. De soort prikkelingen, die van haar voeten tot haar hoofd als regens van speldeprikken liepen, die van haar hart uit door haar keel stegen, als een inwendige kreet van begroeting en een roepen om nader te komen, herinnerde zij zich alleen van lang geleden, toen zij nog niet getrouwd was en zij Jozef wachtte, die andwoord moest komen vragen op zijn gedaan verzoek. Maar snel, als raakte de vleugel van een voorbijvliegenden ouden grijzen verlepten vogel haar achterhoofd aan, wipte het gezicht van de kamer op den Oudezijds-Voorburgwal, en Jozef, die de stoep opkwam, en hun eerste kus, door haar gedachten, en wech was het weêr, vernietigd onder het beeld van den aanstaanden dag, dat haar gelijk de prijsuitdeeling den scholier, als een vaag, groot, zwaar donker lichaam, als een in haar verbeelding gewrongen balk, onder zich neêrdrukte. Daarna werd zij den dag weêr gewaar als een donker blok, maar er om heen waren stukjes planten-en bloemengroei en gele randen zonneschijn, omdat zij den dag zag in den tuin, waar ze hem met Jozef leven zoû.

En zij liep door het ledige huis, En het zilveren licht van haar verlangende oogen straalde tot de wanden en zolderingen en bleef er hangen in zilverschijnende plekken. En het huis wachtte met haar samen op den geluksdag, die nu eens langzaam aan scheen te komen waren uit de verte, in breede rollen van wit en blauw en goud met hoog geboogde luchten en wijde bloemende grondvlakten, die dan weder in de verte achter een hoogen poort vol ruischende glansen op haar scheen te wachten, tot de tijd haar tot hem heen zoû hebben gevoerd. Jozef zoû Zondag komen. Stroomden door alle vensters niet licht en kleuren naar binnen; openden zich de ramen en deuren niet tot aan den grond om hem binnen te laten? En de stilte van het ledige huis vulde zich immers met ruikers van zonnekleuren, omdat hij komen zoû? En zij liep door het huis. Haar voeten wiegelden vluchtig over de blijde vloeren. De vloeren gleden voort onder haar voeten, niet de matte kleuren der tapijten als open gebroken door de wit-gouden rondtes van zonnelicht, waarin enkele bladerenschaduwen stilletjes wenkten.

Zij zag zich treden door de deurposten in de ruimten der kamers, en de wit-omlijste beperking der deur-posten sprong te-rug om haar heen, om dat die tastbaar was, maar de ontastbare ruimten vol waren van goud-en wit-wemelende hoop, die Mathilde omvloeide. Zij zag zich gaan langs de wanden, en de wanden schoven haar voorbij, stil wit-lachend vlak en recht. Het was haar of zij altijd verder zoû gaan, het hoofd naar voren, den dag zoekende, die in de verte stond. Als zij een stuk wand zag, was het alweêr achter haar. Kwam zij aan een hoek waar twee wanden elkaâr raakten, dan kon zij niet verder gaan. De eene wand leidde haar naar den anderen, maar allen waren zij met lichte kleuren, en zij zag hen aan, en zij spreidden zich uit, blank en breed; glimlachjes speelden in de figuren van het behangsel. Mathilde zag door het huis en zij zag, dat het mooi was. Maar als zij in den tuin keek, was overal weêr de gezichteinder, de grens van haar blik, die zij zich niet begrijpen kon. Zij wilde dieper zien, was er nergens een verre, verre opening? maar de kleurvakken van den tuin naderden, hechtten zich als schilderijen in de lijsten der ruiten. En snelheden van zacht-gele tevredenheid suisten over Mathildes borst door haar gemoed.

