Een liefde

Part 24

Chapter 24 3,658 words Public domain Markdown

Mathilde at eventjes over vijven, om dat Jans altijd een beetje te laat klaar was, met Marie en Felix, in de groote kamer. Marie moest Felix helpen, bond zijn servetje om zijn hals, sneed het vleesch op zijn bord aan heele kleine stukjes, maakte de aardappelen fijn. Het servetje werd onder zijn bord op tafel gelegd en Marie knorde op hem als er een lange bruine of gele vlek op het servetje kwam, van zijn lepel of van zijn mondje. Felix was tusschenbeide erreg wild en gooide de tinnen kroes, waaruit hij water dronk op den grond. Dan zeî Marie: "ondeugende jongen!" en kreeg Felix voor straf geen of heel weinig kersen aan het dessert, Marie had verder aan Mathilde heel veel te zeggen; zij zat altijd recht op haar stoel en leunde nooit terwijl zij aan tafel zaten, om dat zij wel wist wat fatsoenlijk was. Zij schoof dan tusschenbeide het eten naar een kant van haar mond en praatte met den anderen over de buren en hun kinderen. Zij had gehoord, dat in het houten huis, achter, aan den Vaarderweg, een dame kwam wonen, een weduwe met twee zoontjes, die mevrouw van Borselen heette. Of dat diezelfde mevrouw van Borselen zoû wezen, die Mathilde wel kende van vroeger uit de stad? Vrouw Steyer, de huisbewaarster van de societeit, daarnaast, had het haar verteld, dat zij gehoord had, dat 't een heele nette dame moest zijn, en de zoontjes nog heel jong waren. Nu had Marie gedacht, dat dat dan misschien goede kameraadjes voor Felix zouden worden. Want al lang keek zij eens rond of er geen fatsoenlijke kinderen waren, jongetjes van zijn leeftijd, waar Felix meê om kon gaan. Marie hield al sprekende, om het waarschijnlijk te maken, dat wat zij zeide zeer goed bedacht was, haar vork rechtop stijf op tafel gedrukt, terwijl Mathilde alles beaamde en alleen een enkele maal flauw gesproken vraagjes over Felix deed, of hij goed had opgepast, of hij flink had gespeeld. Daarna glimlachte zij goedkeurend naar Felix bolle blauwe oogen met haar verdoofden lach of vermaande hem gemaakt-onverschillig zoetjes, met een zwakke opheffing van haar wijsvinger en een donkere ernst in haar oog. Felix lette weinig op de gesprekken, maar keek voortdurend naar den straatweg, kraaide luid als er iets voorbijkwam, dat hij herkende, en stak daarna uit verlegenheid zijn vingers in zijn mond.

Maar van-daag mijmerde Mathilde voortdurend zwijgend aan tafel voort, nog onder den schrik harer gewaarwordingen van in den tuin. Zij voelde, dat zij haar eigen verdriet dien middag in de kleuren had gezien, er was iets gebroken in haar gemoed, de schelp van een inwendig oog was stuk gebarsten. Nu kon zij beter dan vroeger waarnemen en rondwoelen in haar eindeloos groot verdriet. Zij had al veel geklaagd en veel geweend, maar zonder er op in te denken, en nu, nu zag zij zich zelve, maar zij herkende zich zelve niet meer. Toen zij opstond van tafel, stond zij verwonderd. Zij kon niet meer denken zoo als zij gewoonlijk dacht; het bewustzijn van haar verdriet, het gewone, dat zij herkende, elken morgen als het bij haar wakker worden in haar opkwam, en dat zij elken avond op dezelfde manier in haar slaap zag verdwijnen, was wech; een ander, een vreemd, een angstig benauwend, een hoog, een dreigend, was er voor in de plaats gekomen. En zij was bang en verbleekte uit angst voor zich zelve. Zij was bang en zag op tegen het hooge zwarte gevaarte, het gebouw der gedachten en droomen, dat haar leed buiten haar om scheen te hebben opgericht en dat straks op haar neêr zoû storten, zich verbrijzelend over haar hoofd en haar hart in een eindelozen val van hooge donkere brokken na elkaâr.

Een half uur later zat Mathilde, terwijl Felix, eer hij naar bed gebracht werd, zijn laatste wandelingetje liet doen, voor het eene raam der groote kamer, haar handen gevouwen op den schoot, te wachten op den naderenden avond. Het was nog helder dag, maar de zon, die 's middags die klaarheid warm had gekleurd stond laag in de lucht, schuin achter de iepen van den straatweg, en de klaarheid van den dag werd koeler, onverschillig. Achter de dichtst bebladerde hoogten der boomen verborgen, bescheen de zon den tuin niet meer, maar sprongen alleen rood-gouden stralen van boven, tusschen de dichte takken door, als snelle blikken van vuur, waarmeê die hooge boomen Mathilde bezagen zoo als zij daar roerloos in stilte zat aan het venster. En de kleuren van den tuin waren nu droger, duidelijker, niet meer verkracht en tot brekens toe aangezet door de felle middagzon. De lucht was stil; alleen in de hooge boomtoppen knikten klapperende blaadjes tegen het doffe blauw van den hemel. In hun kalme waarheid hieven de kleuren van den tuin zich opwaarts. Het groene gras was mat, overstroomd met de wegduikende bleekgele boterbloempjes, bespat met de witte stippen der madeliefjes, een stilstaande stroom, waarop de roode bloemenrondtes neêrgespreid lagen. Het rood der geraniums was dof en dik, als gedroogde bloedvlekken, de stamrozen schoten hoog te voren glansend zijig purper, somber van schoonheid, de theerozen waren licht-gelig wit, licht-groenerig wit, van een warme zuiverheid, de maandrozen slingerden zich laag en verwilderd dooreen, met hun speelsch even blozende blaadjes, dun en licht en uitgevallen als stukjes verscheurd geverfd papier. De groepen boomen, aan weêrszijde van het grasveld, de sparren, de beuken, duister groen, ernstig bruin, stonden nauw saâmgedrongen, als zwijgende reuzenwezens, wachtend. De breede, stofferig-blanke weg van voren, met enkele gele zonnevlekken, rustte, vlak, wijd, geruchtloos. De boomen, de struiken, de huisblokken der omgeving waren dicht samengeschoven, vast aan de aarde gedrukt, waar en koel. De schaduwen waren bijna weg; alles scheen platter, zonder achtergrond, zonder in-éen-smelting der kleuren, glad, effen, ijl, roerloos. Alles om Mathilde heen stond als kunstmatig daar zoo pas in-éen-gezet, in de bedaarde onbewegelijkheid van liggende en opstaande-legkaarten.

Door de waterklare wit-blauwige vierkanten der ruiten, als een dunne wand van gestolten licht zoo nabij Mathilde zich oprichtend, dat hun stijve koelheid tegen haar bleeke hoofd scheen te stooten, bescheen de kalmte der door de zon gebroken achtergelaten kleuren haar voorhoofd, haar wangen, haar hals, weêrkaatste op haar gezicht, glipte bij tusschenpoozen eerst onder haar half neêrgeslagen, zwaar hangende oogleden door, trok die daarna op en vervulde dan telkens even haar oogen geheel, helder en droog als een ontzachlijke plaat mat zilver met regelmatig opkomen en verdwijnen aan haar voorbijgaande. Telkens als haar oogleden open en dicht waayerden, vloden, als met langzame wiekslagen, de wit-glimmende blankheid van daar buiten en de doffe grijsheid der gesloten oogen van binnen na elkaâr voort; en wanneer haar oogen zich sloten, hadden zij de vorm en de tint van wat zij gezien hadden zich ingespiegeld en drukte deze zich weêr vaag af tegen den geelbruinen achtergrond der oogleden. Zoo zweefde de witte breede wreede kalmte in haar binnen en weefde zich in haar gemoed, zich samenspinnend met al de draden harer verbeelding.

Zij bedacht den geleefden dag. Zij zag hem in onbestemden indruk voor zich als een geheel, vaag-vlottend-lankwerpig-omlijnd als het venster binnen welks randen zij nu zijn vaal-blank einde waarnam, met het hellere licht der hoogste ruiten van-boven. Maar hij was niet een vlak, hij was een reeks vlakken na elkaâr, een koker van kleuren, de gang met vreemde, onbekende, armigschuchter witte wanden in 't begin, rijk, drukkend overstelpend goud, purper en groen in 't midden, en weêr kalm, wijd, klaar blank aan het einde, de gang van tinten, waardoor zij zich zag gaan, zachtjes levend den dag. En de zoldering, de zijwanden, de vloer van den gang verkleinden zich, trokken samen. De zoldering daalde tot op haar hoofd en schouders, de vloer was niet breeder dan haar voeten, de zijwanden raakten haar armen en beenen. De dag verloor zijn rechte lijnen, werd meer en meer de vorm van haar gestalte, de kleuren golfden om haar leden, drongen zich over haar huid heen, het goud, het groen, het rood, het purper hechtten zich aan haar vast van het hoofd tot de voeten. De dag verloor zijn lengte, de witte uiteinden krompen tot elkaâr, sloegen samen, een blanke gloed vermengde zich met de donkere kleuren. De dag stolte zich om haar leden heen als een gloeyende alles bedekkende tooi. Zij ging in een kleed van zomerkleuren. Van haar schouders tot haar voeten was het goud en groen en purper, en om haar hoofd hing een glinsterend witte sluyer en om haar voeten lag sneeuwige satijn. Maar het kleed werd benauwend, het wrong zich aan haar op, het huiverde haar huid binnen. En het kleurenkleed werd haar huid, werd haar zelf. De dag werd éen met haar. En zij was gelukkig de dag te zijn. Zij voelde zich niet meer; zij was van lucht zij was van licht. En altijd zoû zij zijn, want de dag zoû nooit vergaan. Zij was in eenzalig-roerlooze rust, in de onbewegelijke klaarheid der omgeving opgegaan.

En Mathilde droomde, zittend aan het venster; de ruiten, vaal-groenend van naderende duisternis, lachten met een hollen glazigen lach.

De zon was lager gevallen. Uit zijn donker-oranje-gloeyende rondheid, hoog schuin, ver weg, zwierven nog rooyerig-gele stralen, als stukjes regen van scherpe lijnen, door de heesters aan d'overkant van den weg neêr, alsof zij gebroken in dat groen bleven hangen. Wijdweg, aan het einde der platte velden achter de tuinen der buitens, was een laaye gloed van blakend koper uit een zee van donkerder gloeyend goud opgewasemd in de lucht, een brandende uitwolking van alle geeltinten, van beneden af uit het warme bruinende vlammen-geel rijzend door het vette okergeel, het scherpe citroengeel, het sombere hooigeel, het dik-blanke roomgeel, het groenige geel van najaarsbladen, het droge stroogeel, het bleeke duinzand-geel, tot een lichting van hel zilverig-wemelend wit, vlottend omrand en doorsijpeld van gazig week groen, blauwig-teêr violet, zachtglad bruin. Die gloed stuwde toe over de platte velden, zich brekend tegen de beplantingen waarboven het zilverwit vergrijsblauwde hoog in de lucht, tot Mathildes tuin luwend in matte kwijnende klaarheid, achter de ruiten verzwakt tot een flauwen schijn van wit-grijs, achter in de kamer stervend tot doffe schaduwen.

Van den duister blauw-grijzen hemel daalde breed een donkere bleekheid, de open ruimten vullend, de hooge ovaalheden der boomen, scherper omlijnd, van elkaâr afzonderend, om de stammen heenstarend in wijde open-grijze plekken, de bloemenkleuren verfletsend, het gras met zachte deiningen van donker-groen versomberend, op den straatweg, over de kiezel-steenen, tegen den gevel van Bagatelle, zich in onzichtbaar-ronde, snel verdwijnende afdruksels verwittend. In een stillen, doodelijk-stillen weemoed vergingen de dagkleuren. Een enkele maal vloden, als bewegingloze windvlagen van verflensende herinneringen, strepen lichtschijn verwaterde zonnestralen door de ademlooze droeve bleekheid. Een heele lichte wind, als een kinderadem zoetjes rondwispelend, deed de bladeren der neernijgende stamrozen even trillen; in de hooge boomen zusten de lichtste takjes en blaadjes stilletjes heen en weêr, met een gerucht van verre snikjes.

In de kamer wademden fijne, dunne zwarterige mist-tinten binnen. Boven de piano, achter de stoelen, bezijden het kastje, onder de tafel, strekten zich zware schaduwen. Zij streken doezelige randen om de deur-posten en de lijsten der schilderijen, zij schuifelden in driehoeken en schuine vierkanten tegen het plafond op, zij maakten de wanden tot glansloze spiegels, waartegen de vaasjes, de beeldjes, de hoeken van het kastje de leuningen en pooten der stoelen zich schetsten, als kleine schimmetjes, vreemde figuurtjes, dof-grijze vlekken; zij spreidden den donkeren schijn der stoelen-zittingen en van het tafelkleed in lange stroken en flodderende plooyen over de vloer. Zij ritselenden onhoorbaar voort, hun vormen steeds uitrekkende, verbreedende, verdonkerende, als aanhoudende zware zuchten. Zij waren als lange lage sombere fluisteringen van leed, die van de kamer uit naar alle kanten door de wanden heendrongen. Zij werden weêr donkerder en grooter, liepen als zwarte waterstralen langs het behangsel, vloeiden in glansloze plassen over het tapijt, drongen als donkere wolkjes van boven door het plafond. Dan verroerden zij weêr niet, bleven vast overal in denzelfden vorm, als langdurige zachte echoos van den stillen weemoedsklank van den avond.

De dingen van de kamer waren hard-donker, zij drongen hun vormen uit, scherper afgehoekt, van een inniger vastheid, als blokken en stukken hard, ondoordringbaar hout en metaal. Aan den achterwand van de kamer vergrootten twee kleine sofaas zich in een vermenging met hun schaduwen, andere meubelen kregen bulten, warrige uitwassen, boller wordend, zich uitzettend. De dingen leefden hun geheime leven, gewekt uit den kouden dagslaap. Verbruind, vergrijsd en verzwart, schenen zij onmerkbaar te bewegen in snel weêr rustende bevingen. Zij schenen sámen te leven, zacht, met holle smartelijke uitingen in de diepe toonen hunner schaduwen.

Mathilde zat voor het venster, ingekrompen, als een klein wezen onder den mateloozen avond, in-een-geslonken, samengestijfd tot een voorwerp, een stuk van de kamer. Zij zat daar als een dof pak grijze stof, zij zat daar als had zij zich tot steen verdroomd. De grijze plooyen van haar kleed bleven in hun bochten, rondingen en gleuven onveranderd, als voor altijd zoo gehouwen. De witte tegenkant van haar kleed tandde zich in de schaduw in een lange gekartelde rand vergroot af en van den wollig-zwarten schijn uit, die haar rokken op den grond maakten, sloop de schaduw tegen haar gestalte omhoog, over de vlakke plekken van haar kleed strijkend, binnen de voren van haar kleed glippend, haar gelaat aan de eene zijde als tot dat van een schim vernevelend, haar bevangend in een grijs-zwarte kleurenwade. Klagend zwart hing de kap van haar loome haar over haar hoofd, waaronder alleen de bleeke plek der door de ruiten vaal verlichte zijde van haar gelaat mat-wit uitscheen. Haar leden waren lam uit-een-gezonken, haar oogen glommen zonder straal over de zielloze handen op haar schoot.

Buiten viel de zon wech aan den horizont. De gele gloed was lager geweken, maar heel beneden over de aarde vloeide een stroom rijke roode kleuren, opgolvend uit klompen rood-zwart, rood-bruin, rood-grijs, als een heuvelrij aan elkaâr vast. Het bloedrood steeg door het karmozijnrood, het rood van gloeyende kolen, het aardbeziën-rood, het perziken-rood, tot een verteedering van roze, vol liefelijke kwijnende lachjes, vol kusjes en kleine zoete vluchtige mijmeringen. Maar het roze wemelde stilletjes wech, het was een zachte afscheidsgroet, de blik van heengaande oogen, het laatste wuiven van een zakdoek bij het keeren van den weg. En hooger in de lucht, tegen het verzwartende blauw-grijs, hoog boven de boomen en den tuin, sloeg het rood van den gezichtseinder tegen den hemel, het verpurperend tot een kerktint, tot een plechtige welving van sombere kleur.

Als een sneeuw van donker purper wemelde de schemering hoog in de lucht, daalde, zich verpaarsend-tegen het boomengroen, in grijs-violette tinten over de aarde neêrkleurend. Door de iepen langs den straat-weg voer de wind, zij bogen hun toppen, en hieven ze weder en bogen nog eens met een naar boven ruischend en zich daar los-kreunend geklitter der gebladerten, als heenfladderend in de donkerte. Het grasveld stroomde langzaam voort, donkerder, terwijl de bloemen-kleuren in zijn hooger grommelende groene zwartheid verloren gingen. Het witte kiezelsteenen pad, vlak voor de ruiten, vlood heen, giegelde ijlings weg onder de zwarterige warreling die er bij scheutjes op neêr rookte en weêr opwiemelde, kringend en krullend als stof om dansende voeten. De breede weg gleed vooruit als in de verdroogde staalblauwe glansen van een ijsbaan. Het purper verblauw-zwartte hoog in de lucht, het paars en het violet werd bruin-zwart, groen-zwart, grijs-zwart.

Langzaam, onmerkbaar langzaam en stil van alle kanten aanwolkend, dauwde de schemering neér, Mathilde sluitend in een duisteren damp. Korte schokken schoten, dadelijk weêr verstommend, onder haar kleed, als een zwak hortend gestommel harer leden. Haar knieën naderden elkaâr en weken weêr te-rug. Haar armen kromden zich nauwelijks uit naar ter zijde, vielen weêr neêr. Haar saâmgevouwen handen ontbonden zich, de vingers strekten zich in een bibbering even uit-éen; toen klamden haar handen naast elkaâr neêr om de knieën. Toen raakte de koele duisternis haar aan, het holle vaal grijs-bruin streek over haar slapen, haar wangen, haar ooren, haar hals. En haar befloerste oogen rezen op, starend nog zonder te zien, angstig omwimperd onder de samentrekkende zwarte wenkbrauwenranden. En zij begreep nog niet. Haar keel trok zich samen, een beklemming drukte haar verhemelte. Een gevoel van zich zelve niet te zijn, de verwondering van een ziel, die niet weet hoe dat vreemde lichaam om haar heen is gekomen, die niet weet, waarom die handen, daar vooruit, de hare zijn, waarom zij de koude voelt van die voeten, zoo ver beneden, ruischte op door haar hoofd, zette op in haar hersenen als een wervelwind van naderende angsten. Het beeld van den dag wankelde in haar hersens. Het verflauwde in iets dat er achter was, iets onbestemds kleurloos, vol, diep, onpeilbaar. Was de dag dan niet meer? Verdween de dag? De dag was toch zoo schoon geweest! En zij wilde niet, zij wilde hem behouden. Zij wilde blijven zijn zoo als zij was geweest. Maar de grijze wolk, waarin zij zich gehuld zag, wemelde uiteen. En de dag werd haar onttrokken, sloop heen in de droeve vijandige duisternis. De laatste stralen harer mijmering droomden als wazige donkere strepen uit haar oogen wech.

Zij bleef met ongebroken blikken staren op dezelfde plek aan den wand voor haar uit, als was de dag daarin opgegaan, als wilde zij hem weêr te-rugwenken naar zich toe of hem volgen in zijn vlucht door de onmetelijke duisternis. Maar zij voelde haar blik omstooten door de tinten der donkerte. Haar blik werd verslonden door de duisternis, die zich tot in haar oogen stuwde, met harde slagen. En haar hoofd bewoog zich voor het eerst, hief langzaam zich op, zwaar van het lange gepeins, zich schuw voorzichtig draayende, als uit vrees van zich te bezeeren. Zij onderzocht met schuinsche blikken de hoeken der kamer. Daarna zag zij snel naar buiten in den tuin. Een schrik deed haar duizelen. En zij richtte zich hoog op, en zij zat recht, het hoofd geheven, en zij zag klaar in de duisternis, die onverbiddelijk om haar heen was gedaald, en zij voelde zich als schokkend tegen den grond vallen, voelde plotseling haar kleeren, haar stoel, de vloer met geweld haar raken. Zij voelde de leuningen van haar stoel, die haar als koude armen schenen te omvatten, den rug van de stoel met zijn twee dwarsplankjes en de openingen daartusschen, die diepe leegten schenen. Toen zag zij de duisternis grimmend, onbewegelijk. De schaduwen waren samengekweekt, bijna verdwenen. De duisternis had zich tot dof-zwarte kristallen in de hoeken samengedrukt, had de vormen der meubels aan den wand samen vermengd en ze tot een groep vaag begrensde, donkere brokken en klompen gemaakt, die als doode beesten met logge ruggen en stompe voorhoofden daar neêrgezegen schenen. En onder liet plafond had de duisternis zich als een tweede donkere zoldering vastgeklemd en over de vloer had zij zich als een rouw-tapijt gespreid; zij beschimmelde het behangsel; de schilderijen en platen aan den wand hingen als onder hoezen en als een breede lage katafalk stond de lankwerpige tafel met haar afhangend kleed in 't midden.

Mathildes donkere oogen glansden door de kamer. Zij vroegen aan de voorwerpen, waarom het zoo duister was geworden. Haar blikken dwaalde over de vlakten der dobberende schemering naar buiten, zonder een enkelen lichttint te zien. En zij voelde de afwezigheid van het geluk, dat verloren was gegaan, verdronken, wech in de duisternis. Het zoû niet weêrkeeren. Haar leven der laatste maanden schemerde als een eentonige op-een-volging van donkergrijze smarten door haar geest. Zij zag zich leven haar lichaam bewegen al die dagen. Haar voeten waren gegaan als in een eindelooze leêgte zonder doel; haar armen hadden zich uitgestoken zich geheven, zich gekromd, maar zonder ooit iets aan te raken, als in de gebaren van een gek. Haar oogen hadden gezien, haar ooren hadden gehoord, maar slechts ledige kleurloze ruimten en geluiden zonder klank. En zij wilde het niet gelooven. Het kon, het kon niet zijn. Het was al knakte er iets in haar hersens. Als een golf van vuur vloeide naar haar hoofd. Zij zag op; en het kwam van buiten, van verre, als een gerucht een voortdurend groeyend gedruisch, tot haar. Het bobbelde en wiebelde en sprankte uiteen in de duizende grijze en zwarte belletjes en balletjes van de ruischende duisternis. Zij huiverde te-rug en dompelde haar blik weêr in de donkerder donkerte van de kamer.

Zij zag dat zachtjes-aan de zwarte tinten begonnen te bewegen. Zij maakten zich los uit de hoeken in wolkige kronkelende pakjes, schuifelden langs de wanden en de zoldering, zweefden sidderend midden door de kamer, weken weêr te-rug in de wanden en meubels, kwamen weêr te voorschijn, sloten zich tot een wolk samen en losten zich op in een ragfijne zwarte stofpoeyering. Zij waren als stillen droeve door gebroken stemmen geneuriede melodieën, eerst zachtjes uitgebeefd, daarna angstig verstommend, daarna samenklinkend in een doodelijk dof koor en weêr vergaande in de sombere stilte. En zij kwamen van alle kanten te voren! als slangetjes offerrook opwalmend van den grond, uit de wanden schietend, onmiddellijk naast elkaâr, in verwarde rijen, van de zoldering dalend al dikker en dikker, in de rondte wiebelend, dansend, warrelend, voortvliegend als vogelenschaduwen, samenvloeyend tot een regenlucht, zich uitstortend in zwarte druppelen. De melodiën werden luider, zij klaagden hijgend, zij jammerden heesch. Zij waren de herinneringen, die van alle zijden kwamen weenen om Mathildes hoofd. Mathilde zag geen herinneringen, maar zij wist dat zij daar waren, achter haar, voor haar, die schreiden, dat alles voorbij was gegaan Zij zag ze komen van buiten, hoog uit de lucht, Zij hoorde ze naderen van onder de boomen en uit de muren van het huis. Alle bloemen in den tuin waren zwart geworden en in de wemelenden ruimten zag zij afgeronde figuurtjes tuimelend dalen, zwevend stijgen, en roer-loos blijven, als een uitstrooying van zwarte bloemen, die zich aan de voorwerpen hechtten. In de kamer pakte zich de duisternis dichter samen. Tot een zware donderwolk rolde zij onder het plafond ineen, bouwde zich langs de wanden tot breede nevelzuilen op. De zwarte massaas daalden op haar neêr, schoven naar haar heen, beklemden haar met hun grommelende donkerte.