Een liefde

Part 23

Chapter 23 3,804 words Public domain Markdown

Mathilde had dien zomer langzaam zoo zien komen zoo zien worden om haar heen, Als zij 's morgens opstond en de gordijnen voor de vensters ophaalde, bloeiden er een lage lindeboom, links, dof, bleekgroen, en de kastanjes voor haar uit. Links op den achtergrond, onder een groote plek open hemel, schuilde een oud-Flora-borstbeeld, op een blauwsteenen voetstuk, in een uitgebreide nis van bloemende boompjes, seringen, jasmijnen, een gouden regen, wech. Twee seringenboompjes trosten hun takken violette, licht-paarse ruikertjes over het Flora-beeld, met zijn leege oogen, heen, en te midden van de groene heesters bloeiden aan weêrszijde de gouden regen, met zijn uitstorting van innig-gele bloemetjes, en de lage jasmijnen, met groenige warm-witte klokjes. Daarboven, tusschen het netwerk der hoogste takjes en sprietjes uit, daakte, heel ver en heel hoog, de tintelende blauwheid van den hemel. Het was bijna aldoor mooi weêr; bijna elken ochtend had Mathilde dat gezicht. Gedurende haar lange dagen, in de groote kamer, woonde zij de wording van haar tuin verder bij, het gras, dat zich verdonsde en naar boven schoof, de magere foksia-en geraniumplantjes, in de diep in het zwarte zand gezonken vuiligroode potjes der bloembedden, eerst nog bibberend van naaktheid in de voorjaarsbuyen, maar die later ontloken, de geraniums met rood-stijf-fluweele blaadjes, als een regenscherm op groene steeltjes uitgestoken, de foksiaas met gladde knoppen, scherp gepunt als vogelsnavels. Voords de boomengroepen, waaraan aan beide kanten het grasveld grensde, sparren en beuken met éen berk, waarvan de krijtwitte stam als een lange gewrongen paal stond, en, als een magere witte gedaante, Felix 's avonds bang maakte. En verder had Mathilde de machtige iepen van den weg, en heel de overige natuur zien groeyen, de bladen zich uitbreidend, zich aanéen-sluitend tot een dichte, wilde grenzeloze massa, vol warmte en levensrommelende beweging, in ongelijke samenhoopingen en bochten, met plotselinge openingen hier, dichte samenknoopingen daar, onbeheerd, overal uitspattend en zich verdringend, een onbeperkte warreling van groen.

Mathildes uiterlijk eentonige leven van in de stad sloop hier verder voort. Aan haar verminderende pijnen raakte zij eenigszins gewoon, zoo dat die ook daardoor nog lichter schenen, zij voelde zich sterker worden. Zij voelde de krampen in haar lendenen bij het oprichten zich lenigen, maar de toestand van herstelling, waarvan de eerste teekenen zich schenen te vertoonen, bracht met zich mede, verdovingen van haar heele wezen, die uren duurden. Dan kende zij zich zelf niet en was als schijndood, zoo als ze daar in bed lag of achterover in de luye stoel geleund. Zij voelde niet, zij dacht niet. En anders, gedurende den tijd, dat ze wél leefde, had zij maar éen bezigheid, die haar hersens en haar hart deed werken: te denken aan Jozef, hem altijd, altijd, bij haar te begeeren, hem altijd ver af te weten.

Zij stond tegenwoordig om negen uur, half tien, op, in 't begin elken morgen, in de nevelende ontwaking harer oogen, wéder verwonderd over de felle frischheid der witte schemering van haar slaapkamer, vreemd en akelig verschillend van de zachte donkerte, waaraan haar blikken in Amsterdam gewoon waren. Eerst werd geregeld haar kacheltje aangelegd, vóor zij opstond, met de harde tikkende en grommelende ijzergeluiden, maar later, toen de zomer vorderde, gleed zij in de stilte der luwe atmosfeer uit het ledikant, schelde Marie, deed haar peignoir aan, en ging, een beetje moe, voor haar toilettafel zitten. Dan, met haar nuchtere maag, overviel haar 't meest haar alleenheid, als zij zich te binnen bracht, dat Jozef gisteren niet gekomen was. Een griezeling, een klamheid streek, onder de kleêren, over haar huid tot aan haar voeten. Marie kwam binnen en hielp haar wasschen, kappen en aankleeden. Mathilde was toch nog zoo zwak, dat, als zij, haar hoofd naar voren buigend, haar armen in de hoogte deed, driehoekig gebogen, de ellebogen naar buiten gestrekt, om zelf een haarspeld te bevestigen of een propje te glijerig binnen den vorm der chignon te dringen, er een tintelende vuurstroom van lamheid door haar armen tot aan haar handen, tot door haar vingers klom, en haar armen machteloos neêrzonken, in de witte kreukels van haar schoot. Marie, wier armen bij het kappen links en rechts in de hoeken van Mathildes half gesloten oogen stukken van verschrikkende gebaren schenen te maken en wier stem met een hard-smartelijke klaarheid tegen Mathildes schedel woei, vertelde altijd eerst van Felix, hoe hij geslapen had, wat hij had gezegd, hoe hij hardop had gedroomd van de heks uit het sprookje, dat zij hem den vorigen avond had verteld. Daarna van Jans; Jans was wel zindelijk en verzorgde de keuken wel goed, maar ze was een beetje ongeduldig van aard, zij knorde dadelijk als Marie maar een paar minuten te laat beneden kwam, voor het eten of zoo. Verder van een onaangenaamheid tusschen Jans en den slager; Jans beschuldigde hem van niet het volle gewicht van het ossenvleesch gegeven te hebben. Ja Mathilde had ook, nog half in slaap, dien morgen al luide stemmen gehoord aan de deur. Dat was dát zeker geweest. Marie zeide daarna, dat de melkvrouw altijd zoo vroeg kwam, en dat Jans hierom altijd zoo boos was. De groenteboer was een beste man. Om nadruk op iets te leggen, sprak Marie ook vlak in Mathildes gezicht, met de pas gedronken koffie in haar stem. Mathilde nam in dien tijd, af en toe, met haar ziek-bleeke, stilletjes bevende hand, het glas melk, dat voor haar stond, het langzaam op en neêr bewegend, met kleine teugjes, die zij in haar maag voelde killen, drinkend. Hoe was 't mogelijk, niet waar, nu was men hier toch "buiten" en toch was de melk veel waterachtiger als in de stad, zeî Marie.

Aangekleed, ging Mathilde op een ochtend, zoo als gewoonlijk, bleek, haar knieën bij elken stap de dunne wol van de peignoir in dadelijk weêr verdwijnende sporen bol uitdrukkend, door het gangetje naar de groote kamer. Als zij de deur van de slaapkamer open deed, om in den gang te gaan, warrelden, van door de voordeur, die dikwijls openstond, of door de keuken, waar de vensters hoog opgeschoven waren, wemelingen zomerlucht over haar schouders, om haar hoofd, om haar handen, met lichte streelingen, als zacht getinte geuren, en, als of zij haar borst tegen een onzichtbaren balk stootte, die daar zoû zweven midden-in den gang, dreunde een schok door haar lichaam, het plotselinge bewustzijn van haar alleenheid, dat zich door alle zintuigen aan haar opdrong. Het wrong zich door haar neusgaten, door haar ooren, door haar mond naar binnen, naar haar keel, naar haar maag, het suizelde met de deeltjes zomerlucht door de poriën van haar huid. Elken morgen schrok zij er van en werd er nog moeyer van. De gesloten deur van de groote kamer, met het éene glad-gele gevlamde stugge paneel, gaf haar daarop een gewaarwording, die haar bijbleef tot zij de deur met de stroef-gillende kruk had opengedraaid: Jozef was daar, achter die deur, achter dat stugge gele houten vlak, dat den toegang versperde, nietwaar? Het was donker, hij moest daar zijn. Hij zat daar als gewoonlijk in de groote kamer, hij wachtte haar om haar mond aan den zijnen te drukken, zij zoû nu dadelijk weêr een oogenblik staan met haar heele lichaam tegen hem aangedrukt, haar beenen tegen zijn beenen, haar borst tegen zijn borst. Hij was gekomen, gister-avond, van morgen, hij was gekomen om haar te verrassen. Er was geen twijfel aan. Dat heele denkbeeld van zijn wechblijven, van zijn verkoeling, was maar een akelige, benauwende droom geweest, een pijn, die zij bij het wakker worden had kunnen afschudden. En zij zag de omlijning van de deurpost, de hoeken, de duidelijke afmeting van de gang-zoldering daar boven die neêrdeinde en opklom, met zwaar-blanke trillingen. Hoorde zij hem daar niet hoesten? Hoorde zij niet het kalm gefrommel van zijn koerant, het regelmatig gekraak van zijn schoenen op de vloer? ... Van den gang, die van gedempter licht was om het dikke hooge groen van den tuin er achter, kwam Mathilde, met koele huivering over haar voorhoofd, de groote kamer binnen. Stroomen helle blankheid, een algemeene siddering van glimmend, blakend wit; het behangsel danste, de groote ruiten van de raamdeuren spiegelden, het witgekalkte plafond steeg hooger, een witte zwakke luchtige jeugd was in de rondte, eerst begrensd door de donkere kanten van de half opene deur, daarna, toen Mathilde heelemaal binnengekomen was en de deur achter zich dicht had gemaakt, alom, van, alle kanten, haar als ontvangend in een bad van witheid.

Mathilde liet zich op het effen glad groene kanapeetje zijgen, bevangen door de helheid van de ochtendige kamer. Buiten, door de blauwig spiegelende ruiten, bloeiden de roode bloemen van het groene grasveld in haar oogen als heftig-roode stekende punten. En, daar achter, onder de iepen door, strekte de breede geel-stoffige streep van den straatweg zich voorbij, waarover gaauw, met een licht geraas, rijtuigen regelmatig heen en weêr raderden in zwarte groepen bewegingen, bij langdurige tusschenpoozen. Zóo bleef Mathilde langen tijd zonder gedachte staren.

Zoodra zij zich sterk genoeg had gevoeld, had zij zelf 's morgens weêr het huishoudentje willen doen, zoo als vóor haar ziekte in de stad. Dit gebeurde om half elf, elf uur. Jans hield twee boekjes, dat van den slager en het keukenboekje, dat zij nu binnenbracht met een mopperig goeye morgen, knorrig in de drukte der eerste morgenuren. Jans ging dadelijk weêr wech en Mathilde bleef alleen, over haar schrijfmap gebogen, de witte schijn van haar gezicht met aarzelende rooderige wolkjes er onder, bedolven onder het pak zwart vlossig haar. De peignoir plooide zich op haar borst door het vooroverbukken. De velletjes papier schoven tusschen haar kouwige vingers door, met zacht gefriemel en schenen haar onvoelbaar dun. Zij las het keukenboekje. Over en door de blauwe lijntjes van het papier stond geschreven in het doezelige waggelende potloodschrift van de keukenmeid: brood zestien cent, aardappelen dertig cent, arme vrouw twee cent, sleeper voor mijnheer een gulden vijftig ... Nu sprongen er in eens tranen uit Mathildes oogen op het schrift en bleven er in biggelende druppels op liggen, zóo doorschijnend, dat de letters van Jans er doorheen nog herkenbaar waren: brood, zooveel, aardappelen zooveel, arme vrouw ... En plotseling scheeuwde alles in de rondte aan Mathilde de nutteloosheid van haar leven tegen. Daar deed zij nu haar huishouden. En voor wie? Voor wie zorgde zij eigenlijk zoo? Waar bleven de droomen van vroeger, de heerlijke genoegdoening van alles zoo in orde te houden als bijdrage tot zijn geluk! Een ontzetbaar verdriet, als een nog ongekende kracht van haar binnenste, als een opperste bedreiging, die zich voltrok, rees op, steeg naar Mathildes hoofd, daalde weêr neêr, vervulde haar, hing zwaar over haar oogen, deed haar gezicht zwellen. Zij leunde tegen den rug van haar stoel, wilde de smart doen wijken, en langzaam zien wechdrijven aan den binnenwand van haar oogleden. Maar heete snikken bruisten op door haar keel, een gloed van lijden vervulde haar wezen. Zij slikte nu herhaaldelijk het water van haar mond in, om langzaam de smart te kunnen genieten. Zij wilde zich herinneren, die heele geschiedenis van Jozefs onverschilligheid nog eens in gedachten doorléven. En zij woonde weêr alles bij, van het oogenblik af, toen hij Marie boven haar hoofd had aangeraakt en zij hem had zien dalen, dalen langs den eindeloos grijzigen trap. Zijn liefde was geweken in het verloop van den tijd, telkens minder, telkens minder. En nu, nu was de liefde wech. Hij had de blikken verloren, waarmeê hij haar kon aanzien, die zekere kracht en buiging zijner armen, waarmeê hij haar kon omvatten.

Maar neen, het kon, het kon niet zijn! Als zij weêr heelemaal beter zoû zijn en hem weêr lief zoû kunnen hebben, volledig, zooals zij het zoo graâg woû, dan zoû ook zijn liefde weêr opleven, die niet dood was, maar alleen sliep. En toch, neen, wél was zijn liefde dood! Daar kwam een huivering van uit de verte over Mathilde, door de ruiten, door het behangsel. Zij hoorde Jozefs stem als heel ver wech praten, maar in een anderen, onbekenden, een ijselijk vreemden toon. Het was zijn stem niet meer. Zij zag hem gebaren maken, zijn mooye gestalte in een licht zomerpak, zijn armen, zijn beenen bewogen; zij zag zijn groote regelmatige tanden bij het bewegen der lippen onder den dikken knevel te voorschijn komen; zijn fijne rijtjes oogharen bewogen op en neêr, hij keek, als sprak hij ook met zijn oogen. Maar hij was het niet meer. Het was een vreemdeling, die zijn gedaante had aangenomen. En toch wat was alles om haar heen vol van hem, vol van zijn liefde. Was 't niet zijn adem, waarin zij leefde? Had hij om haar lichaam en om haar geest niet een sfeer geblazen, waarin alleen zij leven kon?

Hoe wit was de kamer hier, hoe bloeide alles buiten in de zon! Maar in wat voor een vreemde omgeving zat zij hier! Neen, zij kende deze kamer niet, dit huis, zoo luchtig, zoo licht, dat men als een doos over haar heen scheen te hebben gezet. Wat waren dat voor bloemen, zoo hoog, daar buiten de ruiten? Waar was zij toch hier, wie had haar hier neêrgegooid, zoo vreemd, zoo ver, hier "buiten"? Mathilde keek rond met groote oogen: daarop streek zij met haar hand langs haar borst, om zich van haar eigen bestaan te overtuigen. Zij wreef haar eene hand over de andere, drukte de knieën samen. Daarop hief zij zich, nauwelijks, in zittende houding, boven haar stoel, de borst en rug recht. Daarop leî zij kruiselings, over de papieren van het huishouden heen, haar armen op elkaâr, kromde zich, zonk inéen, drukte haar gezicht in haar armen en snikte, eerst zachtjes, toen sneller, hijgende met een verdoofd kreunen, en eindelijk met lange ademhalingen, uitgeput. Een vreeselijke leegte werd haar heele wezen. Zij voelde alles wechgaan, alles haar verlaten. Zij schreide haar ziel leêg. Nu eens huilde zij niet meer, zij scheen tot bedaren gekomen. Maar dan, in haar dorst naar tranen, wekte zij weêr een herinnering op, deed haar gedachte tot het bewustzijn van haar alleenheid terugkeeren en borst op nieuw in snikken los. Zij zag haar heele bestaan vruchteloos, al haar geloof, al haar hoop verbrijzeld. Zij was alleen, alleen; zij deed haar handen aan beide kanten van haar hoofd, boven de ooren, om er het begrip van haar alleenheid in te wringen, want haar hersenen wilden niet begrijpen. Daarna stond zij op, bekoeld, rillerig, ging voor het venster staan, haar voorhoofd tegen een ruit gedrukt boven haar moede kwijnende oogen. De smalle strepen van haar tranen, die over haar wangen afdropen, droogden in de van buiten komende warmte. Haar borst steeg en daalde, terwijl zij een paar maal hevig zuchtte. Daarna keerde zij zich om en ging, met haar oogen iets zoekende tusschen de papieren op tafel, te-rug naar haar plaats. Zij nam een schrijfboekje op: het dagboek, dat zij hield van Jozefs komen en wechblijven, En zij keek na: gisteren "niet geweest", eergisteren "niet geweest", en verder "niet geweest", "niet geweest". Toen dacht zij weêr na. Zes dagen! Waren het maar zes dagen geweest? En al die tijd, dat zij alleen was geweest, ochtenden, middagen, avonden, nachten, een eeuwigheid van bange gedachten, een eindeloze angst, al die tijd, dat zij gestaan, gezeten, gelegen, geknield had, haar blikken dwalende over de voorwerpen in de rondte, een kastje, dat zij niet herkende, een hoek van de kamer die zoo onbegrijpelijk leêg scheen! En vóor zijn laatste overkomst was Jozef toch ook nog wel eens zes dagen wechgebleven. Kón zij er dan niet aan wennen? Het was toch wel natuurlijk eigenlijk!

* * * * *

En het huishouden ging zijn gang met den onverschilligen tred van het dagelijksch leven, als een vreemde koele man, die zonder te zien haar gemoedsleven voorbijliep. Het was nu de tijd van koffiedrinken. Marie kwam binnen, met haar blozende gezondheid en haar hoofd als een groote appel, met Felix op haar arm.

--Zeg dan: morgen, lieve moeder, goeye morgen!

Het kind spande zijn oogjes, zonder wit, geheel door de blauwe bollen gevuld, wijd open, hief zijn stukje arm, met de tengere vurig-roode vingertjes naar boven, lachte schalks zoo als oude lieden kunnen lachen, zonder wenkbrauwen, en herhaalde, terwijl de woorden zich oplosten in het weeken van het ongevormd mondje:

--Môye, liefe moede, goeye mô ...

Mathilde, zwijgend, met een stijvigen glimlach, strekte de armen, nam het kind op haar schoot. Marie, met het opengeschuif van laâtjes en een gerinkink van zilver en glazen, zette klaar voor de koffie. Mathilde zoende Felix op zijn dunne korte doorschijnende haar, zacht en glad als hazewindenvel. Maar zij vond geen liefkozingen, die hem bezighielden; hij draaide zijn groot bol hoofdje naar het venster, in geluidloze verwondering over zijn moeder.

Toen Marie even wech was gegaan om de kleine koffiekan uit de keuken te halen, werd Mathilde weêr aangegrepen door het gevoel van daar alleen koffie te gaan drinken, zoo dat het eten zeker in haar keel zoû blijven steken. Haar alleenheid sloeg haar nu in den geest met de regelmatige slagen der grijze scherpe eentonigheid. Het witte servet spreidde zijn koude tergend voor haar uit, wierp zijn snijdende vierkantheid tegen haar aan. Weêr begon zij te huilen. Haar armen hadden zich verlamd, zij vergat Felix, die eensklaps zachtjes van haar schoot op de vloer gleed.

Marie zette Felix' kleine tafeltje voor een venster. Uit een spanen doosje werd een heel leger van kleine tinnen soldaatjes geschud. Felix ging nu "opzetten" en in de stilte dronk Mathilde koffie. Zij at veel brood, meer dan zij honger had, hopende haar leed er telkens bij in te slikken; zij hield in die dagen meer dan vroeger van brood. Zijn kruimerige droogheid en zijn brosse korst raakten haar gehemelte sober en zedig, en brachten haar, met de herinnering aan haar vader, een lichte zweem van zachte troost.

Na de koffie deed Mathilde een wandelingetje in den tuin. In den gang maakte ze een praatje met Jans over het weêr, heel even, en stapte daarna met de zwakke treden van haar stoffen pantoffels op het straatje en in de laan. Het was pas kort geleden dat de dokter permissie had gegeven voor zulke tochtjes. Toen het heelemaal zomer werd, was zij eerst gegaan een klein eindje, gesteund door Marie, toen weêr een eindje verder, met haar wandelstokje bij zich, om uit te rusten. Zij ging nu altijd naar de "hut", een prieël, een soort van wijdopenstaande rieten kast, met een bank in de rondte tegen den wand en een vlekkerige afgeschaafde groengele zwarterige ronde tafel in 't midden. In de hut bleef Mathilde uren zitten breyen of lezen, tot aan het eten. Als zij daar zat, zonder gedachte over de bladen van haar boek heen te turen, moê van het droomen en treuren van al haar dagen en nachten, werd zij onbewust het ruischen en leven van den tuin om haar heen gewaar en vloeide de zomer door al haar zinnen binnen. Langs haar voeten, langs haar schenen, haar knieën, haar dijen woelde de zomerlucht door haar onderkleeren en zuchtte allerwege haar huid in. Zij voelde koude plekjes aan haar beenen, als afgerond en zich plotseling op haar vel neerdrukkend om haar uit haar mijmering te doen ontwaken. Zachte wind wasemde met stille huiveringen door haar witte rokken, ritselde op langs het kiezelpad van den bodem, deed den zoom van haar kleed op en neêr gaan. Om haar heen had zij nu het grijsbruine licht, de ledige kleur der rieten omkasting. Een rust ademde uit die beschermende kleur, van achteren en van links en rechts, in de rondte. Boven haar hoofd had zij de ernstige rieten kap, donkerder bruin, zwijgend en vooruitstekend, het hemelblauw den weg afsnijdend om tot in haar oogen neêr te kaatsen. Maar door de opening van de hut, die eindeloos scheen, voor haar uit, zweefden alle kleuren en geuren, al het bloeyen en wasemen van den heelen tuin met boomen, bloemen, lucht en aarde, met zijn geschitter en geglans, zijn doffe en blinkende gedeelten, zijn jubelen, zijn beweging, zijn warmte, zijn sidderingen, zijn liederen, op haar toe en omwemelde haar gezicht. En zij werden krachtiger, de kleuren; zij wiegelden, zij druischten, zij snelden, zij stormden op Mathilde aan, een koor van kleuren, een wijd veld levende mozaiek, zij zongen harde, felle klanken in haar oor. Toen, om de kleuren te verzachten, sloot zij half haar oogen, de appels verflauwden zich achter den nevel der oogharen, haar bleekroode lippen zegen zachtjes open, zoo dronk zij, haar hoofd even naar achteren gebogen, den lauwigen zomer in met oogen en mond. De zwakkere kleuren weken nu wech; alleen het donkere paars van een perk rhododendrons, en het gelige en het sombere groen van het lichtelijk golvende gras en van de zoetjes wuivende bladerenmassaas, de blankheid van het huis, en de kleine plekjes van twee diep-purpere stamrozen, bleven, vergoud door de tusschen het huis en de hut neêrvallende zon. En het goud, het vloeyende goud, bleef de groote kleur, en wazig golfde het heen naar Mathilde, haar oogen binnen. De teedere lauwe lucht drong in haar keel, verdroogde haar mond, de geur van jasmijnen, in een heesterboschje rechts van de hut, walmde op in haar neusgaten. Zoetjes wiemelden pakjes lucht over haar voorhoofd, haar wangen en door haar hals, neerhangende haarvlokjes in haar hals beefden stil heen en weêr. En zij hoorde niets meer dan het kleine geruisch van de warmte. Zij gaf zich over, zeeg naar achteren, haar hoofd over haar borst, haar handen aan weêrszijde, tintelend en gevoelloos, van de bank afhangend; haar vingers alleen maakten aarzelende, stervende bewegingen van uitrekken. Een zalige wezenloosheid suizelde door haar hersenen. Hijgend nam zij den zomer in zich op; windjes schenen van haar voorhoofd het bewustzijn van het lijden wech te streelen. Maar dan begon zij eensklaps te hooren. Een lijster sloeg klaterend klaar zijn geluid uit links, schuin boven haar hoofd in het dennenboschje. En het schaterde door haar oor naar binnen. Zij deed haar oogen in eens wijd open, richtte zich half op. Als een slag van metaal vielen nu de zomerkleuren tegen haar aan, hel, flikkerend, koud. Het purper, het groen, het wit, het goud, namen als vierkante en driehoekige vormen aan. De kleuren werden lijnen, schenen tastbaar. Dan week de slag en een loome droom als een onzichtbare sluyer, suizelde van Mathildes hoofd en leden naar beneden.

Tot aan het eten bleef zij in den tuin, tusschenbeide zachtjes aan een beetje wandelende, telkens te-rugkeerende in de hut om uit te rusten. Een enkele maal zag zij, naast een boschje groen of boven een bloem-perk uit, Marie en Felix drentelen. Eens ontmoette zij hen in een nauw voetpad. Marie en zij glimlachten vreemd en flauw tegen mekaâr, er was als een onbewuste vijandelijkheid tusschen die twee monden, de eene breed, grof, rood, vochtig, met zijn groote tanden, de andere flets en verdund, waarvan de tanden niet kwamen te zien. Felix trapte in speelschheid op Mathildes sleep, en lette verder niet op haar.