Een liefde

Part 22

Chapter 22 3,689 words Public domain Markdown

Den volgenden dag reisde hij trouw naar buiten. Hij vond Mathilde altijd dezelfde, zwijgend, met haar zieke stem hem naar de zaken vragend, met de eindeloze hoop op herstel. "Begrijp je, als ik weêr beter ben, dan, ... begrijp je, als ik weêr beter ben" Altijd had zij andere plannetjes voor de toekomst, allerlei kleine gelukjes, die zij samen zouden hebben. Als hij twee, drie dagen achter-mekaâr buiten kwam, vond hij haar vroolijker dan gewoonlijk. Maar als hij daarentegen eens wechgebleven was, scheen ze dat toch niet zoo erg naar te vinden. En dit stelde hem veel te vrede. Eene berustende, lijdende, gelijkmatige kalmte was over haar gekomen. Eén ding was wel eens op hem gevallen. Was hij in haar bijzijn, dan stonden haar blikken in zijn oogen, volgden zijn minste bewegingen, drongen over zijn lichaam, met een vreemde volharding. Dan vroeg hij haar bijvoorbeeld iets en andwoordde zij niet, zij scheen hem niet te hooren, hem drinkende in haar starende, groeyende, zwijgende oogen. Eens had hij gezegd, een beetje gedwongen: "Wat kijk je me raar aan ...", zij zeide: "ik? ... ik? ... wat bedoel je? ... Wel neen, dat verbeel-je je maar".

Een andere keer als hij weêr, na de Beurs, op den Dam stond, van-zelf naar de dommelende paarden van den omnibus kijkend, en hij was gisteren pas buiten geweest, was het de last en het hinderlijke van de reis, die hem deed besluiten in de stad te blijven. Onophoudelijk dat heen en weêr trekken, in de stofterigheid of de smerigheid van de spoor en zoo, het vervelende eentonige hossen, een paar uur lang, in zijn eentje, om als belooning van zijn moeite in denzelfden afmattenden vreugdelozen doodschen dampkring, buiten aan te komen, dat was heel onaangenaam. Als hij den omnibus maar zag, voelde hij zich al hobbelen tusschen allerlei burgermenschen in, met een door het dansen veroorzaakte tergende jeuk, die hem noodzaakte aan zijn neus te wrijven elke vijf minuten, hij liep al in de gedrongen haasterigheid van het stationsperron, hij voelde zich het onbeduidende grijze landschap doorstoomen, verder de eenzame rit van Vreeland, Kortenhoef en 's Gravenland in het gemeene tentwagentje, met den viezen koetsiersjongen voor hem en den ouden hit, en dat alles om zijn naren dag door een nog naarder avond te laten volgen, zonder zelfs altijd bij Mathilde te kunnen zitten, korte woorden over het weêr en de huishouding met de meiden wisselend,--neen, het was te akelig. Zijn eenig genoegen was dan Marie te zien, zwaar en warmblank. Maar haar verschijning prikkelde hem minder dan eerst, haar onnoozele landelijkheid drong op den achtergrond zijner verbeelding, nu hij zijn steedsche pleizieren juist weêr herleefde.

Als Jozef naar buiten ging, zoo in een paar uur, uit het midden van Amsterdam overgeplaats naar Hilyersum, steeg hij als uit een lauw bad van geurend water in de koude ijzige lucht. Uit al de kleuren van huizen, van winkelkasten met hun spiegelende ruiten, van de roepende advertentieborden aan de muren, van de door gevellijsten afgelijnde luchtvakken, waartegen het gerij, en gestap en geschreeuw opsteeg, van het grommelend en witschitterende leven, waar hij met een stille genot der gewoonte door heen wandelde, was hij ineens midden in de wezenloze stilheid van het buitentje, waarvan de grijsheid en droefheid niet opbloeiden in de lentezon, die het met vonken besprenkelde.

Maar zijn grootste plaag was de rit 's morgens vroeg van Hilversum naar Amsterdam met de dilligence. Daar hij volstrekt op het vaste uur--half tien uiterlijk--op het kantoor wilde zijn, reden die treinen tusschen Utrecht en Amsterdam, die te Vreeland stopten, allemaal te vroeg of te laat. Ellendig! Dat was éerst een haastig aankleeden in het kleine kamertje, hij sliep daar in een alkoof, waarvan het achterschot in twee deuren geopend kon worden en dan uitkwam in de kamer van Mathilde. Hij had daar willen slapen om vlak bij haar te zijn altijd. Er kon 's nachts iets met haar gebeuren, had hij in het begin tegen den dokter gezegd, nog niet wetende, dat hij niet alle nachten buiten zoû zijn. Nauwelijks aangekleed, uit zijn humeur, moest hij ontbijten in de frissche vroegte van de groote kamer. Marie was dan nog boven bij Felix; Jans had alles maar half goed in orde gebracht, met slaperige oogen. Hij had zijn koffie en zijn ei nog niet op, of uit de verte klonk het waarschuwend getoeter van den diligence-kondukteur, snerpend en rauw langs de vensters. Dan moest hij ijlings zijn overjas aantrekken, even, met een gedruisch, in de klamme kalmte van Mathildes kamer dringen haar een afscheidszoen geven op haar vermoeid gekleurde wangen na een pijnlijken nacht, beloven dien middag te-rug te zijn voor het eten en--de oude gele kast wachtte al in 't midden van den breeden grijs-gelen weg in-éen-zakkend binnen zijn grove wielen. Binnen-in had hij 't niet uit kunnen houden en maakte dus nu de tochten achter het vooruitspringende bankje van den voerman, in de van voren uitgehouwen nis zittend, waarover de met pakken en kisten beladen houten kap een eind heen stak, tegen den regen. Er waren drie plaatsen op zijn bank, waarvan er twee meestal door een groenteboer of paardenkoopman werden ingenomen En dan begon de schommeling van twee en een half uur, terwijl de eene buurman pruimde, kwijlde en spoog, de andere met den koetsier samen zijn gemeene tabak rookte. Er waren geen gezichten van naderende lente ter wereld, geen stille, bescheiden zonnestralen die zachtjes over zijn knieën kwamen glansen, die hem vrede met zijn lot konden doen hebben. Meestal trachtte hij te slapen, terwijl de ochtendwind zijn snorhaartjes spartelen deed. Hij verachtte de gesprekken zijner buurlieden, trachtte er niet op te letten. Hij vloekte in zich zelf om dat hij geen eigen rijtuig had, dat hem, met twee onvermoeibare paarden, in de helft van den tijd heen en weêr gebracht zoû hebben. En onbestemde oude lusten om zich rijk te maken, om zaken te doen en zich binnen weinige jaren alle weelde te kunnen veroorloven woei de lentewind door zijn hersenen bij het aankomen in Amsterdam en met kletterend geraas en rollend gehobbel door de Muiderpoort rijden. Hij zoû dadelijk beginnen, iets nieuws verzinnen, speculeeren, een jonge onderneming, een maatschappij, een premieleening op touw zetten. Maar op zijn kantoor, achter den kostbaren lessenaar, die zich eeuwig verjeugdigde, eerst onder de ellebogen en mouwen van zijn vader, nu onder de zijne, wolkten de plannen wech. Hij was lui. Hij was bepaald geen man van zaken. Hij stelde zich weêr te vrede met het betrekkelijke gemak, het tamelijke welzijn, dat hij nu al genoot. Men mocht niet wagen, houden wat men had, dat was de hoofdzaak. De voorzichtigheids-overtuigingen zijns vaders leefden in hem voort. Hij voelde, in zijn kalme genoegdoening van mooyen man, met welbehagen de beperktheid der cirkels van zijn begeerte en gedachten.

Hetgeen Jozef weêr van-zelf zijn versmaad en vergeten leven van vroeger deed beginnen, was de leegheid die van Mathildes kant vermeerderde. Hij voelde Mathildes wezen uit zijn hart en uit zijn zinnen vervreemden, als een stroom van 't een of ander, die daar langzaam uit zoû zijn wechgevloeid. In Amsterdam, in huis, was zij niet. Hij liep langs de bloementafel in den gang, langs de meubelen in de kamers, die daar op haar verlangen zoo waren geplaatst. Er was niets, neen niets, noch de looper op de trap, noch dat soort stoven in de binnenkamer, noch het tapijt in de zaal, noch de pendule "voor", of zij hadden er samen over gesproken, het samen uitgekozen. Aan alles was iets van haar en dat hem haar voortdurend herinnerde, hij zag haar gaan, over hun woning te vrede, met glimlachjes hem verzekerende, dat nu alles goed was. Hij kon geen deur voorbijgaan, of hij zag het uiteinde van haar sleep daar verdwijnen, terwijl zij zelve al binnen moest zijn om haar huishoudentje te doen, een visite te ontvangen, hem op te wachten, haar huis, in een woord, te bewonen. En nu! Wech was ze. Zij had het huis alleen gelaten. Het verloor zijn bestemming. Hij herkende zachtjes-aan noch de zolderingen, noch de wanden, noch de vloeren meer. Ja, het was toch wel hetzelfde huis, maar het geen het vroeger maakte tot wat het was, was 'r uit verdwenen. Was alles, al het omringend, de ruimten van den gang, van de trapkast, van de kamers, vroeger dan beschilderd geweest met tooverige voorstellingen, met verrukkelijke kleuren, was overal een donzig en geurig behangsel wechgevallen? Neen, alleen een warme, dof-roode tint moest alles omzweefd hebben en was nu wechgevaagd. Hij scheen nu alle lijnen en hoeken, de afmetingen van den inwendigen bouw van het huis, de grenzen der voorwerpen, beter, duidelijker te onderscheiden. Een koude had de kleuren verminderd om de lijnen en streepen duidelijker te maken. Hij zag alles naar voren komen, zich afteekenen tegen den achtergrond, waarmede het vroeger meer éen scheen te zijn. De ziel van het huis, de adem, was er uitgegaan. En hij zocht in de stad het leven, dat hier weigerde zich aan hem voor te doen.

Tusschenbeide, na dat hij weêr erg met vrienden in de stad samen was geweest, joeg een dwaze begeerte hem met zekere snelheid naar buiten. Een gejaagdheid sloop dan door zijn leden, die hun kalmte bijna verloren. Zijn hand trilde bijna, als hij zijn kaartje nam aan 't station. Hier stond hij met zijn leêge armen, met zijn verlaten borst, voort! daar ginds was zij, die hem weêr dwingen zoû zijn armen om haar schouders te slaan, zijn handen samen te vouwen over haar rug, haar handen vlak uit tegen zijn borst en zich tegen hem aan drukkend.

Als hij dan buiten kwam, week de waan geheel. Onveranderlijk zat zij daar, eerst voortdurend in haar slaapkamer, later voortdurend in de groote kamer, te zwak om hem bij zijn binnenkomst te gemoet te gaan, met armen lam van uitputting, met beverige lippen, die hem nauwelijks zoenden, hem altijd dezelfde vragen doende over hoe het ging in de stad, over de zaken hem verhalende wat de dokter had gezegd, over het eten sprekende: een geliefkoosde spijs, die gisteren voor hem was klaar gemaakt, waarom hij toch niet gekomen was?, hetzelfde verschiet van hoop in de toekomst openende, maar vager, met te-rugwijkingen van de stem, in 't midden een volzin haar spreken stakende, en hem dan kalm, zonder ontroering, zoo wonderlijk aanziende, dat hij, denkende met een ziekte-verschijnsel te doen te hebben, het venster uitkeek en na een poosje een opmerking maakte over het aangroeyende groen.

Vóor den eten kwam Marie geregeld, als het mooi weêr was, met Felix van een wandelingetje te-rug; als het slecht weêr was, van boven, om het kind aan zijn vader en moeder te laten zien. Jozef vermeed Marie aan te zien; Felix werd met gedwongen liefkozingen behandeld, terwijl er, met dat kind tusschen hen beiden in, zijn blauwe oogen vragende wat de aarde was, beurtelings naar hem en naar haar gericht, een wind van droefheid snel, sidderend, tusschen hen uit heen woei, de glazige ruiten door, ver over den weg naar buiten, en Mathilde wit werd, roerloos. Eens regende het in een voorjaars-storm, vóor de komst van den zomer; in sabelende scheuten kletsten de droppelen-massaas tegen het glas. Huiveringen zwiepten langs den grond van kiezelsteenen, over het dunne opschietende gras tot aan het hek. Het woud van kleine blaadjes in iederen machtigen iepenboom, aan den grijzen weg, kromp ineen, fladderde als millioenen vogelenvleugels, samen, buigend en wenkend, warrelend in angst. Het kind kreet 't toen plotseling uit, in lange frissche geluiden uit de jonge keel, zijn gezichtje wrong zich samen, verschrikt voor het naderende leven. Daarna stond 't weêr effen, zonder een rimpel in het gladde vel. Als Felix schreeuwde, droeg Marie hem wech, hem sussend, hem dansend in haar armen. Jozef en Mathilde bekeken de lucht, ieder door een andere ruit ziende, zwijgend, met lichte kuchjes en ademhalingen.

Het gebeurde wel eens, dat de dokter zijn bezoek kwam brengen na Jozefs aankomst, ofschoon hij meestal, in zijn tweewielig overkapt dokterswagentje, 's ochtend vóor twaalven de ronde deed aan deze zijde van het dorp. De dokter was een dik rooderig mannetje, bestaande uit lagen vleesch en huid die op elkaâr zwabberden, een boerenzoon, die gestudeerd had, het examen onder de oude wet had gedaan, en nu niet zijn helle oogjes en mopsneusje zijn bewegelijkheid en bekrompen levenswijsheid in een ruwheidsvoorwending uitstalde. Hij had een paar brieven met zijn Amsterdamschen kollega over Mathilde gewisseld en behandelde haar nu met zijn tergende flinkheid, zich onophoudelijk in zijn verwachtingen bedriegende, onuitkomende voorspellingen doende, deze koppige kwaal niet begrijpende. Wanneer het maar eerst zoo warm werd, dat Mathilde bijna den heden dag in den tuin zoû kunnen doorbrengen en wandelingetjes in den omtrek doen, dan zoû 't wel gaan. Jozef vond den dokter een onaangenaam kereltje. Tegenover de wereldschheid van Jozefs uiterlijk en manieren verborg hij zijn ergernis van boerenzoon onder wantrouwende oog-opslagen en een soort van stugheid in de stem. Hij vond zich belemmerd in zijn korte vette gebaren en in zijn driftig plattelandsgeneesheers-gezach door de zwierig-bedaarde bewegingen en kalme woorden van Jozef, die een hoofd grooter was dan hij.

Terwijl de dokter dikwijls lang bleef zitten, Mathilde's onderworpenheid, die zijn raadgevingen en gezegden aanvaardde, exploiteerende, stond Jozef, die eerst meê gesproken had, in een hoekje aan den anderen kant van de kamer, bladerend in een prachtwerk, ongeduldig onder zijn kalmte.

Nu Mathilde haar dagen in de groote kamer leefde, dineerden zij daar samen om vijf uur, als Jozef gekomen was. Om negen uur, half tien, ging Mathilde naar bed, Jozef nam afscheid op haar slaapkamer, schoof langzaam door het gangetje naar de groote kamer te-rug, na dat hij, door de reet van de keukendeur, de warm rood blanke Marie gezien had, haar roode vochtige lippen onder den lampeschijn, in den damp der kommetjes koffie, tegenover Jans.

Jozef ging ook vroeg naar bed, niet wetende wat te beginnen. Dan lag hij dikwijls uren wakker en hoorde de stille ziekelijke woelingen van Mathilde achter het schot. Hij hoorde haar hijgen, zacht opstaan, drinken, en heen en weêr gaan met schuivende stappen, weêr gaan liggen, zonder slaap, alles met de afgematte bewegingen van een eindigend lichaam. Een woede steeg in hem op en maakte zijn hoofd heet, Wie, verdomd, of wat, noodzaakte hem zich hier te liggen vervelen, in dezen ellendigen uithoek van het Gooi! Welk leven had hij zich bereid, vier jaren geleden! Allerlei denkbeelden en verwenschingen stegen op uit de verste hoeken zijner hersens. Er was geen enkel in zijn jeugd wel eens overwogen levensplan of het schoot hem nu weêr te binnen. Waarom niet dit gedaan, waarom niet dat gedaan, in plaats van dat huwelijk! Waarom was hij niet in Parijs gaan wonen of ergends in het buitenland, zoo als hij zoo dikwijls had willen doen! Daar lag hij nu, zonder pleizier, zonder iets! In wrevel spalkte hij nu zijn neusvleugels en hoorde het heele losse huis kraken en inslapen om hem heen.

Meestal in deze nachten, lag hij te luisteren naar de geruchten van de eenige verdieping, boven zijn hoofd. Eerst hoorde hij de trap kreunen, als Jans en Marie naar boven gingen. Jans sliep in een alkoof, van den kleinen zolder uitgespaard, door een dun schot er van gescheiden, boven Mathilde; Marie sliep op het tweede der logeerkamertjes, aan de voorzijde van liet huis, juist boven Jozefs hoofd. Het huis was zoo dun-netjes gebouwd, dat Jozef elke stap van de pantoffels der meiden hoorde. Jans stapte licht, met haar magere oude beenen, Marie met zware voeten, meer klotsend. Hij hoorde haar stilstaan, met een gespatter der zolen, vóor Felix ledikantje. Daarna verder gaan, het getikker van haar zaakjes, die zij op tafel leî, daarna een dof gemorrel, zij moest zich uitkleeden, daarna: "nacht Jans, wel te ruste" en het bromde te-rug, van achteren, veel verder af, als van iemant, die buikspreekt: "nacht, kind, slaap wel"; hierop hoorde hij het zware liggen-gaan van Marie in bed. Hierna was alles stil. Alleen een muis kraste achter het behangsel, en sarde Jozef uit den slaap, tot hij herhaaldelijk was opgestaan, om hevig te kloppen.

Eens bleef hij vier dagen achter-mekaâr in Amsterdam, elken dag telegrafeerende, dat hij te veel op het kantoor te doen had, om te komen. Mathilde scheen niet verwonderd bij zijn te-rugkomst. Zij zoende hem alleen flauwer, meende hij, en zag hem nog langer, nog wondelijker aan, met haar wijde oogen, waar een vreemd iets in sprankte. Zij ging een beetje beter, zeide zij. De heele beterschap zoû zoetjes naderen.

Eens op een anderen nacht, tegen den ochtend, werd Jozef wakker. Hij wist eerst niet wat hem wakker deed worden, wilde weêr inslapen, zijn gezicht tegen den wand. Toen hoorde hij iets als blazen, ademen, iets dat leefde vlak bij zijn hoofd, een wezen, een dier misschien. Hij sprong op tot een zittende houding, draaide zijn hoofd boven zijn schouders rechtsom, keek in de wemelende donkerte, luisterend, onderzoekend. Het moest van achter het schot komen, uit Mathildes kamer. Hij hield zijn oor tegen het-hout. Nu hoorde hij hijgen, iets als een onhoorbaar schreyen, iets als een regelmatig kloppen van ver af, als op een aanbeeld van uren afstands onder den grond.

--Mathilde, riep hij, wat is dat? Is er iets in je kamer? Ben je wakker?

Het geluid hield op. Hij kreeg geen andwoord. Hij hoorde zachte voeten, wijkend, met het geruisch van een kleed er over heen.

--Mathilde, ben je wakker?

Nu sprak uit haar ledekant haar stem, zacht, gejaagd:

--Ja, is er ies?

--Hoor je niets in je kamer?

--Ik? ...nee, nies ...

--Is je licht aan?

--Ja ... ik was zelf op, zoo met-een, om te drinken.

--Zie je dan nies?

--Ik? nee, nies ...

--O, dan heb ik 't me zeker verbeeld, wel te ruste.

Jozef sliep weêr in, zonder denken, niet begrijpend. De muis ratelde voort achter het behangsel.

Toen er anderhalve maand om was en Mathilde zich heelemaal aan het leven buiten gewend had, bleef Jozef herhaaldelijk vijf, zes dagen achter- mekaâr, eindelijk een week wech, eindelijk kwam hij drie keer na mekaâr maar eens in de week over.

Hij leefde weêr in het gemakkelijk leven van dadelijk genot. Mathilde werd een voorwerp, waarmeê hij gedwongen was zich nu en dan bezig te houden; een dame, die het lot nu eenmaal tot zijn verwante had gemaakt en die hij genoodzaakt was tusschenbeide met beleefdheid, met hartelijkheid te gaan bejegenen gedurende eenige uren.

Jozef dacht er ook met ingenomenheid aan, dat men bezig was een spoorbaan tusschen Amsterdam en Utrecht en Amsterdam-Amersfoort te leggen, via Hilversum. Dat zoû de overtocht veel vergemakkelijken, Intusschen dacht hij: als 't maar niet te laat is, dan! maar dit idee verschrok hem niet veel: een levend of een dood lijk, daar was weinig onderscheid tusschen.

XIII.

Twee maanden gingen voorbij. Het was het begin van Juni. Bagatelle scheen, van den straatweg af gezien, hooger te zijn gestegen en rustte nu, glansend bruin en wit in het zonnelicht, op zijn hellend voetstuk van donker-groen zijig gras, dat de bloemperken, licht en zwaar roode, omlijstte; de groote iepen langs den weg hadden van boom tot boom aan weêrszijde hun bladeren saâmgevlochten, die in groote verwarde trossen laag neêrhingen, vóor het huis. Alles bloeide, leefde, kwam tot rijpheid. Zachte, goud-trillende windjes streelden de bladen, ruischten rond met den zang van een vogel, heenstervend boven de schuinte van het dak. De zon was overal. Bij de groep boomen, links van het huis, stond een purper-bruine beuk, waarvan de bladen zich tintten als donker paarlemoer, door den wind in de zon op en neêr wuivend. De sparren, in boschjes, in de achterhelft van den tuin, aan weêrszijde, doften, morden samen, zwart van groenheid. Vlak achter het huis, waar kastanjes, langs de oprijlaan, hun pluimen van gedweëe, over elkaâr neêrvallende veêren verhieven, mengde zich een strook droger, lichter groen tusschen de donkere sparren. De vloer van den tuin was van streepen gras en kleine grasvlakten tusschen de zwarte zandpaden en de witte kiezelsteenen. En alom, over den grond en van de ruimten uit, hoog en laag, zag Mathilde zich door een leven van groen omgeven, van goudgestraal doorschroeid of uitgelegen in den zacht-gelenden glans.

In dien tijd waren er in de meeste villaas in de rondte ook menschen gekomen. Aan de eene zijde had Mathilde nu een oude dame, die daar een leelijk vierkant geel huis, als een kast, bewoonde met een nicht; zij waren streng protestant; zij hielden rijtuig. Als Mathilde 's nachts niet slapen kon, hoorde zij het paard trappen op de steenen van mevrouw Arlewijns stal, die door een gemeente-voetpad, van éen meter van Bagatelles tuin gescheiden was. Aan de andere zijde dook tusschen het gebladerte van zijn tuin, een nog lager huis wech, half herbergiers-woning en oud, half societeit en nieuw. Achter Mathilde, van haar tuin gescheiden door den nauwen, vies-klam-hobbeligen. Vaarderweg, van vale aarde en stukjes steen, die altijd stil was, stumperde een buitentje uit den grond, hokkerig, heelemaal van hout, ook met een kleinen stal, op den hoek van den Vaarderweg en het melkpad met zijn wijde akkers en verren gezichteinder, dat achterom, naar het dorp streepte. Schuin tegenover Mathilde, aan de andere zijde van den breeden straatweg, ijselijk wit, het andwoord gevend op de lachjes van Bagatelles gevel, was de woning van mevrouw Rim, oude dame met groote grijze krullen als klosjes garen aan haar slapen, met twee kleine kinderen, en daarnaast, vlak tegenover Mathilde, bromden, vaal-grijs en blauw, de hooge naakte muren tegen de lucht, van zweetend vlekkerige steen gebouwd, van het eenige huis van twee verdiepingen in de onmiddellijke nabijheid, vijf stokstijve vensters breed, de kostschool der dames Streelink, die met hun vader, kreupel gepensionneerd officier, daar hun brood verdienden. En verder volgden de villaas elkaâr op, tusschen hun nu vol groen gewassen tuinen door, hun lichtgekleurde voorgevels naar de zoo hoog groen bedaakte ruimten van den breeden weg duwend. En niets dan boomen, planten en bloemen in de rondte.

Als Mathilde voor het raam zat, in de groote kamer, reden er eigen-rijtuigen, met opdampende stofwolken, den weg af naar het dorp en omgekeerd; jonge meisjes in blauwe, witte en rose toiletjes, met parasols, gingen voorbij. Oude dames, in het zwart, wandelden. Het was een beweging en een stuk stadsleven door den zomer hier overgeplant.