# Een liefde

## Part 21

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-liefde-10820/index.md

Mathilde knikte, met een flauwe vriendelijkheid. Nauwelijks liet Jans haar grijze blikken heel even over Felix rollen, maar, terwijl zij Mathilde stutte, toen deze op het treêtje zonk met haar éen voet, waardoor haar japon in het rijtuig haperde en een plek witte rok bloot kwam, en Marie zich bukte om met haar hand de japon goed te doen, keek Jans wrevelig naar Marie. Zij hielden niet van mekaâr.

Mathilde zeî tot Jans, met een afwezige stem, alleen dit:

--Meneer komt ook nog vandaag. Heb-je daarop gerekend?

Mathilde werd dadelijk naar bed geholpen. De door Jans gedekte tafel in de groote kamer bleef alleen staan, met zijn hard wit servet, stijf geplooid, verlaten, afwachtend in de nieuwige en naar politoer riekende frischheid van de pas schoongemaakte kamer.

Tegen den avond kwam Jozef aan en at, eenzaam, midden in de onverschilligheid van de vreemde kamer, als in een hotel, het half koude eten, na dat door de vrouw uit het dorp de lamp opgestoken was en de jaloeziën dicht gemaakt waren met een geluid als van valsche lage toonen van een harmonika.

Mathilde sliep voortdurend. Na zijn eten keek Jozef, aan iets denkend, in de lampe-vlam en over de schaduwen en witte plekken van het tafellaken. Op de vlakte van donker-wit lagen de tegen den draad in door het linnen heen gestikte glimmend witte figuren. Hun helheid schitterde zoo naar boven, dat al de overige deden van het laken er donker-grijs bij werden. Het waren vierkante blokjes, met vier kleine vierkante gaten in 't midden, als korte breede kruisbalkjes samengevoegd. Jozef, zijn armen op zijn knieën, zijn borst tegen den tafelrand, staarde zonder te zien over de figuren, terwijl door zijn neus regelmatig hijgend zijn adem over het wit blies, als van iemant die wakend slaapt.

Het was dood-stil in het huis. Jozef voelde een leêgheid door zijn leden, om zijn armen, die er met koude kracht over heenzonk. Hij keek eerst, een stukje melodie uit een operette van vier jaar geleden, die hij zich nauwelijks herinnerde, tusschen zijn lippen blazend, bijna fluitend, naar de zoldering, vanwaar, in de alles overvlekkende schaduw der lampekap, het wit aarzelend nederschemerde. Hij hoorde daarboven loopen, met schoffelende stappen, en stoelen verzetten met dreuningen, waarvan het geluid ruw door de rustige schaduwen heendaalde. Hij stond op om alles eens te bekijken, zoo als het nu geschikt was en voor het hier te leiden leven pasklaar gemaakt. Hij zag het lichte nauwelijks met groene en gele ruikertje bestrooide behangselpatroon, de oude uit een dorpsboedel gekochte piano, verder de twee groene kanapeetjes van glad leder, de stoelen aan de tafel en langs de wanden, rieten en leêren, het buffetkastje, de drie deuren, waarvan die op den achtergrond in den korten gang, de twee aan weêrszijden in kleinere aangrenzende vertrekjes uitkwamen. Dunne, doorschijnende neteldoeksche gordijnen stonden, in een zwevende houding gestolten, stijf van het strijken, van boven tot beneden voor de vensterdeuren, hun onderste helft door magere witte koordjes met kwastjes opgehouden. De donkere lattenopklimmingen der jaloeziën hingen met wrevel tegen de ruiten aangedrukt.

Jozef trad in het kamertje links, een kubus met een raam van voren een in de warande. De vorige eigenaar noemde dit vertrek "het rieten kabinetje". De tafels en stoelen waren van bruin-geel riet. Op het tafelplat liep het riet uit een, de biezen uitstralend uit het middenpunt als een ingelegde ster. De leuningen der stoelen waren ovaal, peervormig, rijen omgebogen biezen samengebonden door touw-dunne soepele rieten lintjes. Het kabinetje was vooral nuttig om een kast, diep als een kamertje, in de muur, en die tot den kelder toegang gaf. Door het donkere kamertje stapte Jozef, twee treêtjes op, een deur door, in een hokkerig gedeelte van het huis links de luttele houten trap met een dunnen looper belegd naar boven, rechts voor hem uit een kamertje met een alkoof, links voor hem uit de keuken, onder hem het gesloten kelderluik, met een ijzeren ring om het luik op te heffen, plat getrapt in een zwartige voor. Alles was hier donker; een vage lucht van timmer- en metselwerk en van werklui die daar geweest waren geurde van rechts. De reet van de keukendeur werd bezet door een smalle lijn rossig licht. Bij tusschenpoozen suizelden deelen reuk van gebraden eten en van gekookt hebbend aardappelenwater er door heen, vervuld met stukken van kalme volzinnen van een oude meid, die, met een na het eten smeujige stem, babbelt.

Jozef ging in het kamertje rechts. Hij had het voor logeerkamer laten inrichten, maar een logeerkamer minder in rang dan de twee op de zolderverdieping, wier vensters door het rieten dak heen op den breeden weg uitzagen. Hij voelde naar lucifers in zijn zakken, toen, met een ruk en een gewaai van vrouwenkleêren, de keukendeur openging, het portaaltje plotseling donkerrossig verlichtende, en weêr dicht ging. Het was Marie, die de trap opliep, om boven te zien of Felix wel sliep. Jozef had haar gezien, zoo als haar lichaam zich donker afbeeldde op den achtergrond van rossig keukenlicht, en in de duistere rondheid van haar hoofd had hij haar lippen, donkerrood, de warm-blanke plekken van haar wangen en kin, het glad-glansend-blauw van haar oogen zien schemeren. Zij had hem niet gemerkt; maar nog, nadat het stappen van haar voeten al lang boven was wechgebleekt, zag hij, in de duisternis kijkende, daar lichtende vlekken dansen, waarin mollige stukken van Marie spookten, haar schouders, haar hoofd, en enkele door het lamplicht verbruin-goude halshaartjes. Jozef stond daar, de lucifers vergeten, die hij, met zijn eene hand half in zijn broekzak, aan 't zoeken was, de duisternis vergeten, zijn oogen bewegingloos, met een krampig gevoel er in, zonder gedachte.

Even later was hij weêr bij zijn zinnen. Hij vond in-éens dat hij in een verschrikkelijk verlaten duisternis stond. Het was toch nog koud al was het voorjaar! De gedachte viel over hem, dat hij weêr een kleurloos leven ging beginnen, vernietigend, onmogelijk. Mathilde lag daar ginds, voor hem verloren. Het was of hij haar van hier hoorde slapen, in een vasten slaap, waaruit zij voor hem nooit weêr zoû ontwaken.

Een paar uren later gleed hij, zijn lot verwenschend, onder zijn eenzame, kille, bijna vochtige lakens.

De volgende weken was het dag in dag uit hetzelfde eentonige leven. Mathilde bleef hetzelfde, koortsen verzwakten haar onophoudelijk; een paar uur per dag maar zat zij op.

* * * * *

Den eersten tijd, dat hij alleen in Amsterdam was, gedurende de kantooruren, merkte Jozef weinig van de verandering in zijn toestand. Hij mocht nu met zijn ziel onder zijn arm in het stille huis buiten rondwandelen in plaats van in Amsterdam, dat was het heele verschil. Maar langzamerhand, daar hij toch vastgesteld had nooit 's avonds vóor zeven uur buiten te zullen komen omdat hij 's middags nog wel eens iets op het kantoor te doen had, begon hij gedurende zijn vrijen tijd visites bij Emilie Berlage te maken, altijd geregelder.

De lente ging voort. Jozef zeide tot zich zelf dat het jaargetijde dezen keer een buitengewoon merkbaren invloed op hem oefende. Zette hij zijn raam open op het kantoor of buiten, over-dag of 's nachts, en de lentelucht drong in zijn neus en in zijn ooren, dan voelde hij de herinneringen aan zijn vroegere, zijn ongetrouwde leven met een zoetheid in zich opleven, die hij vroeger van de werkelijkheid nooit had ondervonden. Hij kon wel, zijn blik in de verre lucht, aan den tijd van vóor zijn trouwen met weemoed te-rugdenken, als een droomer, zich niet heugende hoe diezelfde tijd hem toen gewalgd had.

In een zachten overgang, zonder den minsten strijd, zonder dat hij er een besluit voor hoefde te nemen, maakte hij een middag het voornemen, dien avond niet naar buiten, maar naar de club en daarna naar de opera of zoo te gaan. De gelegenheid was nu beter dan ooit. Mathilde was er niet om hem, door haar zwijgen of door een aanmoediging, die hij meende averechtsch te moeten opvatten, te-rug te houden. Hij telegrafeerde om vier uur twintig aan zijn vrouw: "Ben verhinderd, kom morgen". Daarna ging hij bitteren in de club, waarvan hij nog altijd lid was gebleven, en dineerde met drie vrienden, Hasman, d'Ablaincourt en een officier, die hij, zoo als altijd, ook nu weêr in de club gevonden had, in het blauwe bovenzaaltje van café Suisse.

Een gevoel van verlatenheid, bevreemding, van afwijking van gewoonte, loste zich over zijn schouders op in een blijde te-rugkeerende vrijheid. Hij dronk zooveel wijn tot hij in een vroolijke stemming was; hij lachte met zijn groote tanden, terwijl zijn breede snor dan telkens naar boven sprong. Gewaarwordingen als van vier jaar her vulden hem. De huwelijksjaren krompen samen, verdwenen. Hij was de oude. Hij had weêr pleizier. De kellners schenen met de gewone eerbiediggemeenzame oogen toe te zien, maar verrast en met kleine herkennings-glimlachjes onderling. Tegen het dessert dronk hij veel achter mekaâr, om zich op te winden, want het hanteeren van het hem vreemd geworden leelijke nare restauratie-tafelzilver, de oppervlakkige koude feestelijkheid van de witte gladheden der borden, de glazen, het gas, de gebaarde heerengezichten, in dit alles scheen even een verwijt te trillen, 't gezin, dat naar hem wenkte, ziek en jong, uit de verte. Hij voelde het verwijt onder zijn haar opstijgen. Hij deed even zijn hand aan zijn hoofd om het te verdrijven, in een verdoovenden glimlach, rondziende of iemant ook iets over hem dacht. En hij, die gedacht had een gelukkig echtgenoot te zijn en van het regelmatige en bedaarde genot van den huiselijken haard! Hij voelde, dat hij veeleer op déze manier gelukkig was. Hier was zijn plaats. Hij kon niet anders verlangen. Het andere was onmogelijk voor hem gebleken. Hij merkte, dat hij weêr met het oude gemak het stugge, weêrspannige, veel te stijf gestreken restaurant-servet behandelde. Hij voelde zich achter tegen den rug van zijn stoel zitten, zijn leden meer in mekaâr, terwijl zijn vleesch en geest zich heelemaal overgaf in een neêrbuigen van zijn kin over zijn hals, terwijl van onder zijn gladde voorhoofd, flikkerende in den gas-schijn, zijn oogen lachten met de grappen van de vrienden.

Toen Jozef, na het diner, weêr op den trottoir stond, ruischte het verwijt weêr tegen hem aan uit de onverschillige grommeling van de straat. En Mathilde? ... Mathilde? ... Zij moest den telegram al lang gekregen hebben, Jozef zag naar den grijzen trottoir, waarover de gasvloed uit de winkelkasten spoelde; zijn breede, wijde manchetten vielen over zijn handen, de wijde pijpen van zijn lila-broek stonden, als olifantspooten, tot bij de punten van de schoenen. Hij dacht aan Mathilde en aan buiten, een angst klom in zijn keel en hij voelde zijn hoed zijn hoofd als een klemmende ring omvatten. Daarna keek hij op, zijn vrienden wachtend, die hij met stappen, kletsend in den gang van Suisse, hoorde aankomen. De menschen, donker bewegende beelden, hoog en laag, liepen schoffelend voorbij door het praatgesuis heen. De zwarte lucht walmde neêr over de huizen. Eén minuut was 't Jozef als of al die menschen in hun ruischend gebrom, met hun bewegende monden achter hun haarden, allen over hetzelfde onderwerp spraken, een belangrijk, aangrijpend onderwerp, dat allen bezighield. Allen waren ernstig, afgemeten, hij ving schuinsche blikken op, in zijne richting gestuurd. Zij spraken van hem, zij spraken van Mathilde, hoe ongelukkig zij was.

Nu begreep hij plotseling, dat zij naar hem moest verlangen, dat zij aan de waarheid van zijn telegram twijfelen zoû. Hij zag haar van hier voor op haar ziekestoel zittend, onrustig, zonder te leunen, haar blikken zoo vreemd, naar voren, zooals zij kijken kon in uren, dat zij een verdriet voorzag en wel zeide dat te voelen naderen als een aankomende krankzinnigheid. Zoo als hij haar gezien had na den dood van den ouden de Stuwen, zóo moest zij nu dezen avond zijn, daar ver van hem verwijderd, alleen in het ontbottende Gooi.

Maar Jozef vermande zich. Gekheid! Hij zoû haar nooit ongelukkig maken. Hoe kwam hij aan die gedachte? En hij beloofde aan zich zelf, dat, zoo hij het vervelende eenzame leven al niet langer verdragen kon, zoo hij zijn vrijheid in 't vervolg weêr wat minder opgesloten zoû houden hij toch vooral zorgen zoû, dat Mathilde er niets van merkte en zij er in 't minst niet onder leed.

De heeren gingen nu naar de fransche opera in den Stadsschouwburg. In de pauze zeî een van hen, bij die gedachte gebracht door het hooren van de muziek, dat die muzikale avondjes nu wel gedaan zouden zijn bij Jozef.

--Ja, andwoordde hij, zoolang als Mathilde niet beter is, dat begrijp-je.

Er werd verder weêr over Mathilde gesproken; een lichte ironie trilde in de rooyige gezichten.

Toen Jozef om halt drie dien nacht met zijn kalmen regelmatigen tred naar huis stapte, dacht hij voortdurend aan Mathilde. Een spijt sarde hem, telkens opkomende, hij vlagen. Het scheen hem, dat hij haar een groot leed had gedaan. Hij verzon nu, wat hij haar opgeven zoû als de reden, waarom hij niet buiten was gekomen. De zaken natuurlijk. Dat was het eeuwige voorwendsel, onweêrsprekelijk, Met de zaken bemoeide zij zich zoo weinig, van de zaken wist zij eigenlijk niets af.

En, den volgenden dag buiten, zittend vlak bij Mathilde, zijn knieën aan haar knieën, de telegram open op tafel met het koude blauwe schrift van den telegrafist, vertelde hij haar een heele geschiedenis. Hij had weêr veel meer pleizier in de zaken gekregen dan vroeger, hij begon een nieuwe onderneming, waar hij veel aan dacht en waarvoor hij veel werken moest. En zij, met haar vage zieke oogen, geloofde hem als een kind, nu zijn hand zoo vertrouwelijk lag op haar knie, bijna bloot onder de dunne witte nachtjapon.

Nu gleed Jozef zoetjes-aan heelemaal tot zijn vorige leven te-rug. Hij vond het erg aangenaam met zijn gepozeerdheid van jong elegant getrouwd man in zonnige middagen over den Dam, door de Kalverstraat, door de Reguliersbreêstraat te wandelen, terwijl zijn vrouw op hun villa, buiten was. Een anderen keer ging hij weêr eens over het Koningsplein, door de Leidsche straten, naar het Vondelspark. Hij vond de oude manieren weêr te-rug om zijn lichaam te bewegen en voor zich uit te zien, zoo dat de dames hem bekeken met belanghebbende blikken. Zijn oude koketterie steunde nu op een zekere hoogheid en te-ruggetrokkenheid, nu hij zich als getrouwde door de nieuwsgierige oogen beschouwd voelde van de juffertjes en de zusters van zijn kennissen. Hij deed weêr minder in Emilie Berlage. Hij had een paar maal de ouders van den overleden echtgenoot bij haar ontmoet, die hem op onaangenaam aandringende manier naar Mathilde vroegen. Een buitendien maakte Emilie hem driftig, om dat hij dacht, dat zij hem alleen maar zoo'n beetje voor den gek hield.

Er openbaarde zich in hem een heftige reaktie tegen de jaren van ingetogen huwelijkstrouw. Als iemant, die een vroeger geliefd huis, waar hij in lang niet kwam, de trap opgaat, ging hij weêr heelemaal op in het pleizier van matig uitgaan. De heele stad was nogmaals zijn terrein. De beminnende onrustige vrouw was er niet meer als een spaak in het wiel. Het was wel een aardige roman geweest, die enkele jaren van geheele kalmte en maatschappelijke geregeldheid, met altijd dat zelfde lichaam en die wijde donkere oogen, die zoo weinig wisten, om meê te zijn. En nu, met de ziekte, zoo opgescheept als hij eerst met die nutteloze, onbruikbare vrouw was geweest in de stad, zooveel genoegen, deed 't hem nu te kunnen zeggen, dat hij zijn vrouw naar een villa in het Gooi had gebracht, om van een bedroevende kwaal te herstellen. Hij had het nu voortdurend over "zijn optrekje" en "ons optrekje". Hij sprak over "Bagatelle" in een toon van: "Je weet wel, mijn buitentje, waar mijn zieke vrouw woont".

Jozef bleef nu herhaaldelijk 's nachts in Amsterdam. De maanden April en Mei ontrolden zich met onafgebroken mooi weêr. Jozef die tegenwoordig bijna geregeld naar de Beurs ging, betrapte zich, bij het uitgaan dagelijks op wankelingen in zijn besluit om dien dag toch naar buiten te gaan. Als hij 's morgens in het te breede ledikant in Amsterdam wakker werd, het gemakkelijke huwelijksbed, dat hij, na Mathildes vertrek, met schoone lakens weêr in gebruik had genomen, en hij hoorde en zag de stille leêgheid, die alle verdiepingen, alle kamers en vooral hier hun slaapkamer, vervulde, dan kwam er altijd een golf van teederheid over hem. Hij stond op en in de frischheid van het aankleeden, in de bleeke zonneschemering door de neêrgelaten gordijnen, op zijn kousen met dolle stappen door de kamer loopend, zich bukkend om uit de lâ zijn boord en zijn das te krijgen, alleen zijn eigen bewegingen hoorende, het geruisch van zijn overhemd, het smakken van zijn ontwakenden mond, zijn kriegelig gapen, zijn eerste stijvere stappen met de aangetrokken schoenen over de vloer,--dan miste hij Mathilde. De nasmaak van de pleizieren van den vorigen avond was bitter, was hij dan weêr een groen losbolletje geworden? Gedurende het wasschen nam hij zich onherroepelijk voor in 't vervolg geregeld naar buiten te gaan. Gedurende het afdroogen, achter de klammerige sijpeligheid van zijn gezicht in den nieuwen dag, herinnerde hij zich, hoe ze gister-avond gelachen hadden, en hij lachte, bij het herdenken van de kleine overwinningen zijner ijdelheid, nog eens stilletjes over, tegen den spiegel ziend om zijn haar, dun en zijig, te kappen. Daarna tikte de barbier aan de deur. Hij maakte een praatje over het weêr en Jozef dacht met genoegen aan de straat, waarop hij zich zoo meteen weêr vertoonen zoû. Als hij geschoren en gekleed was, krulde hij voor 't laatst zijn snor voor den spiegel, beschouwde zich met een kalm-tevreden blik, en zijn voornemen om naar buiten te gaan werd minder.

Als hij beneden ontbeet, had de dikke Dientje altijd een reden om in de kamer te zijn. Dan vroeg zij of zij van-avond weêr op hem rekenen moest met de deur, waar dan de ketting niet werd op gedaan. Hij andwoordde onzeker. Dientje verzocht wel de komplimenten aan mevrouw. Daar had zij altijd den mond vol van. Zij kon, dik en medelijdend, met een welgedaan, gezond hart, onder de strakke paarse jurk, niet hebben, dat mijnheer niet elken avond naar buiten ging. Telkens als hij van buiten te-rug-kwam, en zij hem vóór kantoortijd even te spreken kreeg, vroeg zij met drijvende oogappels en een deelnemende trek om den mond, hoe 't ging met mevrouw.

De kantoortijd was gauw voorbij. De bedaarde zaak ging haar geregeld gangetje, zoo als zij het nu al veertig jaar lang had gedaan. Jozef zat daar, krabbelde met zijn gouden potloodje over het korrekte koele papier, kontroleerde eenige geschriften, dronk koffie en ging naar de Beurs of dejeuneerde ergens anders en ging daar vandaan naar de Beurs. Bij kleine buyen was te midden zijner verveling een lust door hem heen getrokken, om zaakjes, kleine ondernemingen, te doen. Hij deed 't, maar 't bleef bij het onbeduidende, eenige honderden gewonnen, eenige honderden verloren, verder bleef de zaak op de oude klandizie drijven.

Na de Beurs, als het in de jonge zon oplevend witte kleinen steenen veld van den Dam zich om hem heen uitstrekte, terwijl zijn zintuigen links en rechts door de glinsteringen en het gedruisch van de omgeving werden aangedaan, gebeurde zijn groote aarzeling. Hij had een eigenlijk zwak karakter. Hij wilde en bepaalde nooit vooruit wat hij zoû doen, zonder dat hij op 't oogenblik van handelen er nog eens over dacht liever het tegenovergestelde te doen. Dikwijls tusschen half drie en kwart voor drieën op den Dam, werd hij dan woedend-driftig en werd zijn hals rood. Nog eens was dus zijn levensinrichting vernietigd! Hoe had hij gehoopt en gemeend nu het kalme fatsoenlijke genot-volle leven te hebben, tot aan zijn dood. En daar stond hij op den Dam, als vijf, zes jaar geleden, met zijn leêge handen, zonder hoûvast. De gevangen vogel was door zijn vingers wechgevlogen. Hij was weêr alleen. Zijn rustige vriend de Stuwen bestond zelfs niet meer, met wien hij over gewone levenszaken zoo graâg op burgerlijke manier zat te praten. En de Stuwens dochter was daar buiten, ook alleen, half dood eigenlijk voor haar man. Rechts voor hem, vóor van Gend & Loos, vertrok de omnibus naar de Rhijnspoor. De klok boven aan het Paleis wees aan, dat hij zich zoû moeten haasten. Maar hij wilde niet, hij wilde zich niet haasten. Hij haastte zich nooit. Een groot gedeelte van het gentlemanlike in zijn persoon, in zijn houding, in alles was hij deed en naliet, bestond uit dat zich altijd meester schijnen, uit dat voortdurend leven met ingehouden kracht, uit dat zich nooit haasten.

Wanneer de omnibus, het Rokin over, eenmaal uit 't gezicht was met zijn op-en neêrgaanden kondukteur in het kader van de opening naar binnen, viel er een drukkende lust uit Jozefs leden en scheen over de vierkante gladde keyen wech te wolken, onwaarneembaar. Hij had dan niet langer te wikken en te wegen en de langzame gewaarwording van het zich aan zijn luiheid in de zelfregeering overgeven, verdrong zoetjes de geestesspanning van zoo straks. Hij deed een paar stappen over den harden stadsgrond, waar men ten minste over gaan kon zonder zijn schoenen en broekspijpen te bestoffen zoo als in het zand, buiten. De flauwe laatste openbaringen van zijn inwendigen twee-strijd waren de gedachten aan de volgende treinen, waarmêe hij nog zoû kunnen vertrekken, aan de rijtuigen, die dicht bij hem klaar stonden, waarmeê hij dezen trein nog kon halen, die even door zijn hersenen glipten, maar die verdampten in de onberedeneerde valsche zekerheid van dat dat onmogelijk was. Hij liet zich gaan, drong zich gemakkelijk de overtuiging op, dat het laatste middel om vandaag buiten te komen, niet meer bestond. En hij had weêr een dag en een avond om zijn genietingen van vroeger te herleven.

Hij vond, zacht en weldoend in hun verbleektheid van herinnering, de vroegere sensaties te-rug. Het bitteren in de club, de banale eeuwige jeugd der vrienden, het eenigszins fijn dineeren, de altijd kittelende herhalingen der zelfde gesprekken over rijke meisjes die onvermoede huwelijken deden, over bankiersfaljieten, over wijnmerken, over spijzen, over paard-rijden, over bals van den verloopen winter en bad-reisjes voor den aanstaanden, zomer, vooral over de aanstaande van die en de weduwe van die, over de allergewoonste zangeressen en over de eigenaars van café-chantants, hij maakte ze weêr en weêr door, de oude verveling was geweken, hij hoorde ze aan en sprak meê met zijn mooi bloeyend gezicht, en lachende onder zijn prachtige snor. Hij ondervond, tot overmaat van pleizierige bevreemding, weêr het genot van zoo gemeenzaam, met het wijsheids-gemak, en de goedige onverschilligheid van den ondervindingrijken man, die zijn wereldje kent, al die zaken te behandelen.

Vóor het diner maakte hij een enkele maal een toertje te paard, maar zelden, héel veel hield hij er níet van. Na het dinee was het weêr een komedie, een koncert in het Volkspaleis, een avondje doorgebracht bij een oude vriendin. Maar kalm, alles bedaard, alles met de bedaardheid van vroeger, vermeerderd en versterkt door zijn telkens meerdere rijpheid.

