Een liefde

Part 20

Chapter 20 3,976 words Public domain Markdown

Nu dejeuneerden ze. Mathilde at bijna niets. Emilie vertelde wat een last zij had van een kleinen hond, die Louis maar niet vergeten kon en overal zijn meester zocht. Mathilde leî snel haar vork, met de tanden naar beneden, op haar bord boven het plasje vettig-bruine saus, waaromheen zich een dun rondje geel vet kringde, en te midden waarvan een stukje hoog gezwollen roode biefstuk zich verhief. Zij stond op, zij was onwel. Zij was nog te zwak, zeide zij. Emilie moet het niet kwalijk nemen. Zij wilde naar haar slaapkamer te-rug.

Jozef stond op, zijn handen aan de tafel, met zijn vingers zijn vingerdoekje tot een knoest drukkend, aarzelend zonder besluit.

--Drink 'es, zeî hij eindelijk.

--Nee, dat is 'et niet. Ik heb alleen maar rust noodig.

--Nee, mevrouw, maar, blijft u ... ik moest toch vroeg naar huis, zeide Emilie.

--Nee, nee, ik verzoek u te blijven, houd u mijn man nog een beetje gezelschap.

Mathilde was bleek van opkomende benauwdheid. Haar blikken dwaalden, alsof zij ergens zocht, wat er nu met haar gebeuren zoû.

Jozef bedacht zich, hij keek Emilie aan als om haar te vragen, wat zij dacht, dat hij nu moest doen. Daarop wilde hij, dat Mathilde zijn arm zoû nemen.

--Steun op me, dan zal ik je naar boven brengen.

Vijf minuten later was Jozef te-rug. Emilie gaf haar ontsteltenis te kennen. Het was dan zoo erg! Dat had zij nooit kunnen denken. En zij verhaalde, haar oogen op den biefstuk op haar bord, van een van haar ooms, die twintig jaar lang heelemaal in afzondering had moeten leven, om dat het minste geluid, het kalmste gesprek hem benauwde. Telkens had zij een zweem van een onderdrukt lachje om haar mond, als zij haar oogen opdeed en Jozefs blik ontmoette, die uit beleefdheid roerloos luisterde, om hem met een gebaar iets duidelijk te maken in haar verhaal.

Mathildes stoel stond scheef, een eindje van de tafel, geschoven, haar vingerdoekje lag er verkreukeld op. Haar glas water en wijn stond half vol voor haar bord; zachtjes lekten kringetjes vocht in het glas van den rand naar onderen, omdat zij pas gedronken had. Er was een leegte tusschen Mathildes plaats en de deur, alsof zij maar even was heengegaan, om terstond te-rug te komen. De hitte van de kachel werd erger. Er beefde een onvolledigheid door de kamer, die maakte, dat Jozef en Emilie zich niet op hun gemak voelden. Als Jozef haar nog van de spijzen aanbood en zij aannam of bedankte, als hij haar een schotel overreikte of haar nog inschonk, was er iets kils, een haperende zachtheid in hunne stemmen. Eens vatte zij een schotel niet handig genoeg aan, waardoor er bijna iets gevallen was. Dit veroorzaakte een verlegenheid tusschen hen beiden. Haar rouwkleed vervreemde hem eenigszins van haar. Hij zag niet graâg dat zwarte achter zijn glansend witte tafellaken.

Toen zij eindelijk, in de wasemende stilte van het gedane déjeuner, met een gekraak van haar stoel over de vloer, opstond om heen te gaan, zeide hij zijn eerste beleefdheid:

--Zou ik u nog eens mogen komen opzoeken?

--O, dat zoû ik zoo graâg zien, andwoordde zij gemaakt luchtig, ik ben zóo alleen.

Haar rijtuig wachte al voor de stoep. Zij hield er niet van met dien langen kaper te voet over straat te gaan. Zij reed ratelend wech. Jozef stak zijn hoofd even in de kamer, waar zij zoo even gedéjeuneerd hadden, als om te zien of zij niets vergeten had. Er was een geur van zwarte glacé handschoenen en een doffe zakdoekreuk gebleven. Daarna ging hij langzaam de trappen, op naar Mathilde. Hij dacht er over, dat Emilie volstrekt niet naar Felix had gevraagd.

XII.

Jozefs verveling vermeerderde met den dag. Zij steeg tot in zijn keel. Zijn eetlust zelfs verloor hij bijna. Dat was een geslenter en geslof over de trappen, een even stilstaan in de gang en weêr in de binnenkamer en er weêr uit, dat niet langer duren kon. Hij kreeg een zekere matheid door zijn leden. Hij dacht aan zijn mijmerijen over huwelijksgeluk, die zich een voor een hadden opgelost in de eentonigheid der witte muren van den gang en in de donkerte van de ziekekamer. Een groote spijt over zijn verloren vrijheid drong zoetjes bij hem binnen. Wat had hij toch begonnen? Zoû zijn leven nu zóo voortgaan tot aan het einde? Zijn armen hingen loom langs zijn lijf. Hij pruilde in eenzaamheid. 's Avonds voor dat hij naar bed ging en 's nachts in zijn slaap spookte Marie door zijn geest. Langzamerhand won de grijze verveling al de kleine dingen, waarin hij, behalve in Mathilde, tot nu toe belang had gesteld. De geïllustreerde tijdschriften, waarop hij zich geabonneerd had, bleven onopengesneden liggen. Hij wilde zich dwingen met aandacht boeken over natuurkunde, werken van dichters en romans te lezen, maar het ging niet. Een ijlheid, een walging voer door zijn leden. Op die manier was het leven onmogelijk. Alleen verdiepte hij zich nog in de aan zijn toilet besteedde zorgen. Aan zich zelf overgelaten, groeide zijn ijdelheid. Hij bestelde nieuwe pakken hij den kleermaker, stond zich voor zijn spiegel te verstrooyen met het aanpassen van overhemden en boorden, bracht een half uur door met de kleur van een das te overwegen. Eens kwam hij 's middags op Mathildes kamer, en vond haar geknield liggen bidden. Toen zij ophield om hem aan te kunnen hooren, zeide hij:

--Ik dacht, dat je God vergeten was.

--Zeg dat niet, Jozef, ik bid voor Felix.

Hij was gaan zitten en keek, of de velletjes onderaan zijn nagels wel genoeg naar beneden gedrukt waren. Toen sprak hij zijn voorhoofd fronsend en zijn kin achteruit drukkend, half uit gekheid:

--Ben-je nu van plan altijd ziek te blijven, lieve kind?

--Dat weet ik immers niet, andwoordde zij, laten we het beste hopen.

Naarmate Mathilde zich wendde aan haar ziekte, verlevendigde de gedachte aan God zich in haar. Zij voelde zich langzaam, meer en meer zacht-vroom gestemd worden. Zij voelde in haar wezen, terwijl zij haar pijnen doorstond, dat God er was om haar te troosten. Hij was daar, achter haar, boven haar hoofd, in de gordijnen en in den hemel van het ledikant. Maar het was geen wezen, geen omlijnde persoonlijkheid meer zoo als de God van haar jeugd. Het was iets onzichtbaars, iets als een wolk, een trilling van eindeloze goedheid en opperste troost, die zachtjes, bij kleine vermeerderingen, tot haar nederdaalde. Wanneer, met een heftigen sprong, het denkbeeld in haar hersenen stootte om terstond order te geven, dat Marie heen zoû gaan, was die God daar voor een beletsel, onoverkomelijk. Marie moest blijven, Marie was goed voor Felix, Jozef zoû geen kwaad meer doen. Wanneer zij in haar verbeelding Jozef en Marie samen zag elkaâr liefkozend, en zij bij die samenkomst heel vergeten werd, en zij zag hem haar aanpakken, haar zoenen, dan straalde van dien God een ontkenning uit, voor de gestalten van Jozef en Marie heen. Hoorde zij 's nachts in haar verbeelding iets als zachte mannenstappen naar boven gaan over de trap, dan moest zij zich vergissen. Jozef was alleen, Marie was alleen. Een troost, die van links en rechts zachtjes aanwoei maakte haar kalm. Dan sprak zij die wezenlooze beschermende macht aan met de woorden, die haar van vroeger waren bij gebleven: O God, o Heer, o Jezus, ik dank u.

Mathilde besloot het verdriet, dat zich door geen nieuwe vermoedens verlevendigde en dat zich verkleinde, te verdragen. Zij zoû wachten tot zij beter werd, om weêr op nieuw gelukkig te zijn.

Het zoû langzamerhand lente worden. Dokter Hansen hield nu lange gesprekken met Jozef over het naar buiten gaan van Mathilde. Na dat de dokter, met zijn kort hondenneusje en rimpelig in-een-geduwde handjes, allerlei raadgevende en verklarende bewegingen had gemaakt, was er besloten, dat de zieke in Hilversum zoû gaan herstellen. Het dorp lag hoog, de lucht was er fijn. In den omtrek waren wel geschikte huizen, ook villaas, te koop of te huur. Dokter Hansen schreef aan den dokter in Hilversum om naar een geschikte woning voor Jozef uit te zien.

Mathilde woû eerst niet. Zij zoû 't nooit doen, nooit, of Jozef moest zijn zaken aan kant doen en ook voorgoed daar komen wonen. Want, zich van Jozef scheiden nooit! Jozef, die zich er altijd iets op voor liet staan uitmuntend met vrouwen over weg te kunnen, had een heel krijgsplan gevormd, om Mathilde over te halen. Hij begon met alles toe te geven, wat zij woû. Neen, zij zouden samen voor goed daar gaan wonen, winter en zomer. Hij sprak zelfs, al schertsend, van op die manier heelemaal een landedelman te worden. Maar tegelijk, terwijl de tijd vorderde, kwam hij minder geregeld thuis om één uur 's middags: de zaken breidden zich zóo uit; hij moest noodzakelijk langer op het kantoor blijven zeide hij. In Mathilde was gedurende haar ziekte een oude herinnering, een van haar vader overgenomen belangstelling in geld, in aangelegenheden waarbij rekenen te pas kwam, opgeleefd, en zij stelde meer dan vroeger belang in de zaken van haar man. Zij vroeg wel: hoe gaat 'et op 't kantoor? Zijn er vandaag weêr nieuwe kommissies gekomen? Toen het nog veertien dagen was vóor zij naar buiten zoû gaan, stemde zij er in toe, dat Jozef zijn zaak aanhield. Zij zoû dan probeeren éen zomer alleen in Hilversum door te brengen, Jozef zoû elken dag met den Rhijnspoor-trein van drie uur naar Vreeland komen, zoo dat hij vóor vijven in Hilversum kon zijn en zoû elken ochtend om half acht met de diligence, die direct van Hilversum op Amsterdam reed in een groote twee uur, weêr te-ruggaan. Heel goed, uitstekend! ja, zoo zoû het gaan.

In dien tijd maakte Jozef, met een netjes ingepakt boek in den binnenzak van zijn overjas, een visite hij Emilie Berlage. Hij gaf haar het boek te leen: een fraayen roman, waarvan de handeling in Egypte voorviel. Zij moest in lektuur wat afleiding zoeken. Emilie was, terwijl zij hem zoo in haar huis ontving, veel meer op haar gemak dan gedurende het dejeuner. Zij las een brief voor, dien zij van den ouden heer van Riet, haar voormaligen voogd, die na haar huwelijk met zijn vrouw in een duitsche badplaats was gaan wonen, had gekregen en door de beide oude lui van Riet onderteekend was. Jozef maakte de opmerking, dat 't wel jammer was, dat zij hén nu ook miste, die haar in de gegeven omstandigheden anders van zooveel troost had kunnen zijn. Emilie liet aan Jozef haar hondje zien: een prachtig zij-harig wit en rose beest, dat dadelijk Jozefs handen likte. Terwijl dit gebeurde kwam er een warmte tusschen Jozef en Emilie. Zij zagen beiden naar den hond met verliefde blikken.

--Een aardig dier! zeî Emilie, en hij kan Louis maar niet vergeten. Zij riep "Kastor" en aaide zijn rug, met een mooye buiging van haar hand.

Dezer dagen kwam de tijding, dat door den dokter van Hilversum, een buitentje voor Jozef gekocht was, heel aardig, gelegen aan den 's-Gravelandschen weg, voor veertien duizend gulden. Jozef reisde nu verscheiden malen heen en weêr, tot dat alles daar buiten in orde was, altijd met de spoor naar het station Loenen-Vreeland, waar hem dan een wagentje uit Hilversum kwam afhalen. Daar dokter Hansen altijd nadrukkelijker verzekerde, dat Mathilde in de fijne hooge lucht van het Gooi gauw herstellen zoû, bepaald spoedig, begon zij met een koortsige drift naar dat buiten-zijn te verlangen. Vóor ze ging, kwam Emilie Berlage haar een afscheidsvisite maken. De dag van het vertrek was een van de eerste wezenlijke lentedagen.

Om dat Mathilde te zwak was om de vermoeyenis van het gejaagde en het schokken van de spoor te verdragen, was er besloten, dat zij de heele reis van Amsterdam naar Hilversum per rijtuig zoû doen. Alleen Marie en Felix gingen met haar meê. Jozef zoû wel denzelfden dag ook komen, maar zij wilde volstrekt niet dat hij dien vervelenden langen tocht in het rammelende rijtuig meê zoû maken.

Om elf uur in den ochtend kwam het rijtuig voor. Het was een oude barouchet, een van de weinige, die er nog in Amsterdam waren, maar volgens den stalhouder was dit het zachtst rijdende van al zijn rijtuigen. Mathilde, die in zóo lang niet in de frissche lucht was geweest, kreeg op de stoep bijna een duizeling. Zij zag de heele omgeving, de huizen aan d'overkant, het zwart-groene water van de gracht, de boomen langs den wallekant met hun groote verwarring van pas uitbottende aarzelend groene sprietjes, en het rijtuig met de twee schonkige paarden, dat een leelijken donkeren prop scheen te midden van de wasemende wit-en blauwheid van de lucht, zij zag alles in breede lijnen golven, zoo als men over een erg warme kachel heen het de voorwerpen in de kamer ziet doen. Het geruisch van de straat hier en het doffe geraas van de drukke buurt uit de verte scheen door alle poriën van haar huid te dringen, alsof het uit een emmer over haar heen werd gestort.

De mengeling van geluiden, die, hij het opengaan van de voordeur, haar in-eens bedwelmde, verdoofde haar éene oor, zoo dat zij een inwendig aanhoudend schel gefluit hoorde, als of; wél in haar hoofd, maar toch in de verte, een lokomotief floot. Daarbij scheen 't als kwam er een zegening uit de hooge lucht over haar, als ging zij een nieuw leven tegemoet, als wuifde, in onzichtbare luchtdelen van den grond een gelukstoestand naar haar op, onder haar rokken in haar lichaam dringend, en uitwendig haar bekruipend tot aan haar hals, tot over haar gezicht. Maar de lucht was sterk en zij moest haar oogen neêrdoen, waaronder nu het bleeke blauw van de stoepsteenen, met zijn vele krijtige witte vlekjes, scheen te dalen en te rijzen. Marie was vlak achter haar en maakte, de armen vooruitstekende, bijna volvoerde gebaren, om haar te steunen. Terwijl Mathilde haar dof-stoffen schoen zonder hakje op het treetje van het rijtuig zette, vroeg de koetsier, die het portier vasthield, met zijn groven, aan den toestand vreemden, toon, Mathilde met zijn hand onder haar elleboog helpend, of de tollen nú of op zijn te-rugrit betaald moesten worden Dientje had een kanapeekussen tegen den rug van het rijtuig gelegd, op de achterbank. Hiertegen zeeg Mathilde neêr, haar oogen dicht, om even te bekomen. Daarna tilde Dientje Felix op de voorbank, waar Marie naast hem ging zitten. De witte schoenen van het kind staken vooruit op de bank. Dientje zeide:

--Nou, mevrouw, goeye reis, hoor, goeye reis!

Zij bleef met haar stijf glimmend witte boezelaar, onbewegelijk glimlachend, als een pop tegen de bruin-groene deur staan, tot dat de barouchet wechreed. Hobbelend en kletterend ging het rijtuig voort. De venstertjes in de portieren dansten in de schommeling van de rijtuigkast op en neêr. De voordeuren, onderste vensters en reepen muur van de huizen schoven in voortdurende opvolging voorbij als een reeks aaneengevoegde tooneel-achtergronddoeken, van boven afgebroken door de zoldering van het rijtuig. Op den hoek van het Koningsplein zag Mathilde de versleten hoog-ronde hoed van Marinus de Beer, die erg keek en diep groette; in de speling van het glas weekten de vormen van zijn haar ineen, alsof het vloeibaar was. Toen deed Mathilde haar oogen weêr dicht in de krachteloosheid, die haar beving en, mijmerend over Jozef, die van-avond komen moest, sluimerde zij half.

Buiten de Muiderpoort, over den weg naar Diemerbrug, hoste het rijtuig vreeselijk. De boomstammen sprongen telkens te voren, aan weêrszijde. Marie poogde Felix, op haar schoot, zoet en rustig te houden. De oogen van het kind stonden wijd open, als begrepen zij de zaken, waarop Marie, met een ter eere van de gelegenheid, heel helder, bijna feestelijk geplooid gezicht, zijn aandacht vestigde. Zoo duurde het twee uur, tot men door Weesp en door 's Gravenland gereden was, tot in de Leeuwelaan. Om dat Mathilde geen koû zoû vatten, waren de raampjes toegelaten, maar door de reten suizelde de lente binnen, éen wordend met de lauwe, doffe lucht in het rijtuig. Mathilde, die het onbekende gras, de vijvers en de bijna groenloze doorzichtige tuinen van de buitens van Six bekeek, links en rechts, en, voor haar uit, naast het zakachtig lichaam van den koetsier, een stuk hooge, tintelend-witte, over de samenbuigende groengeknopte karkassen der groote boomen-opvolging als de zilverige zoldering van een tooverpaleis zich uitstrekkenden hemel bestaarde, voelde bij iedere reeks schokken van het rijtuig, zich ver van haar verleden leven wechvoeren. Zij had in zóo lang zoo'n nieuwen, zich over alles heenspreidenden zonnedag niet gezien. Door de vermoeyenis heen, waarin zij ieder oogenblik, haar kin naar haar borst gedrukt, tegen den rug van het rijtuig schokte, vulde haar een zucht om Jozef te vergeven en een weder ontstaand vertrouwen. Maar tegelijk was 't haar, of zij voor altijd van hem henen reed, naar een ver, vreemd land. De onbekende stukken natuur, die van weêrszijden en van voren, door de vierkante glazen vakken van het rijtuig, in haar oogen drongen, telkens verdwijnend, zich telkens vernieuwend, met grijzig-blauwe, lila en goud-witte tinten, waartegen de lage en hooge boomen en struiken, met hun magere, kale, draayend-kronkelende armen en talloze akelig-spichtige vingers, telkens dichter samengestoken, als de overgebleven geraamten van een daar plotseling verkoold soldatenleger, zich roerloosdreigend verhieven, schenen haar in een gelukloze toekomst te voeren, op den maatgang van de trappelende paarden.

Dan weêr sprongen de groene knopjes overal op, schoten overal te voren, als jonge stemmen van een koor, dat hoop verkondigde, tusschen het onverschillig hobbelen van het rijtuig en de vaalheid, het grijs-bruine van het bosch. Een scheut zon geelde over het bloeyende hout heen en kleurde de groene propjes teeder en verzilver-blauwde de stammen en takken. Dan weêr verduisterde de zon, wolken schoven aan en weken. In snelle overgangen werd alles grijs en alles weder glansend. Ten laatste bleef alleen de glans over. Het was een voorjaars-middag.

Het lage witte hek van een buiten, in de verte als een recht-opstaande streep bevroren sneeuw, kroop nader. Eindelijk stootte het voorbij, langzaam, met rukken, door het portierraampje, terwijl het grasveld en het hooge zware gelig-witte heerenhuis, met duidelijk omlijnde groezelige zonneplekken er achter bleven liggen voor altijd daar bevestigd.

Toen het rijtuig een eind voorbij den tol, den dalenden weg afreed, van den molen tot aan haar nieuwe woning, zag Mathilde voor zich uit als in een groot vreeselijk diep prieel. Door de vermoeyenis van het lange rijden was zij in een uitputtende koortsige stemming geraakt en voelde zij zich als of er ieder oogenblik iets in haar breken zoû. Zij kon niet goed meer denken of zich rekenschap geven van de omgeving. Zij liet zich gaan in de sussende beweging van het rollende rijtuig, terwijl door deze gewaarwording de herinnering aan dien rijtoer van eenige jaren her, langs den Amstel, toen haar vader nog leefde, werd opgewekt. En plotseling zag zij, in de altijd wijdgeopende oogen van Felix op den schoot van Marie tegenover haar, Jozef weêr, zoo als zij hem dien vorigen avond in zich had opgenomen. De herinnering aan het verdriet week, week al in een ver verschiet en daalde door haar achterhoofd naar beneden. Zij zag Jozef in Felix en om hem heen schemerden met schitteringen de boomen en huizen en alles in de rondte haar tegen.

De weg had zich, bij den molen, plotseling verbreed.

De straatweg vloeide nu, laag, in het midden vooruit, zoetjes naar beneden; aan weêrszijden waren de breede hellende voetpaden van hard donkergrijs zand. Verder nog er naast waren de strepen wintergras, als de kortgeknipte schedel van een onderaardsche reus, afwisselend van éen tot tien meter breed, waarbinnen de dikke stammen van de overgroote iepen zich als knoestige zuilen in wijde rijen paalden. Achter de boomen stonden, schraal, de ijzeren en houten hekken van de zes, zeven buitens aan elken kant, tot aan het eigenlijke dorp. Rechts was eerst een vergezicht opengegaan, hel wit over leêge akkers, te-ruggestooten door de verheffingen van nieuw lichtgekleurde huizen, met platte en schuine daken en van vaalroode huisjes in aanbouw, die ophardden tegen het wit en blauw van den rondenden hemel.

Maar het vergezicht werd dadelijk gesloten door tot aan den weg tredende buitens aan beide zijden, met hun samengrenzende nog winterende tuinen, dofglinsterend in hun door de nevel heen licht van boven vergoudde grijsheid. Maar, dichter bij liet rijtuig, hoog boven de aarzelend ontbottende beplanting van de tuinen, boogden de tegen den glooyend- blauwen hemel opwassende iepen hun machtige groen herlevende twijgen samen als de bedaking van den weg. Door hun uitgebreide, bladerloze, ledige, buigende lichamen wemelde en tintelde het witte goud van de lucht over de duizende in verwarring uitspruitende zacht-groene knopjes. In den zwakken wind rilden en negen de twijgjes, en nog koele zonnevonken dansten af in helle spartelingen.

Mathilde was met moeite een beetje recht-op gaan zitten. Zij wilde den omtrek goed zien.

Er was bijna niemant over den weg te bekennen.

De vensters van de villaas waren gesloten; de menschen waren nog niet aangekomen. Hier en daar in de verte gingen de flodderige, plompe gestalten van een man, van een vrouw. Voor Mathilde alleen was de eerste lentedag van het Gooi. Een welkom suizelde haar nu tegen, toewemelend uit alle lichten, links en rechts en overal. Zij kwam hier om weêr haar geluk te-rug te krijgen. Jozef kwam van-avond. Zij vestigden zich hier met hun tweeën. Al moest hij ook alle dagen voor de zaken naar de stad, Hilversum werd zijn ware woonplaats. Zoo dacht zij voort.

Mathilde was zóo uitgeput van de reis, dat zij achterover tegen het kussen samenzakte, toen het rijtuig het als een dubbele deur geopende hek binnenreed, waardoor men in de smalle achter het huis omliggende oprijlaan kwam. Met een laatsten flauwen blik had zij het nieuwe huis gezien. Bij het indraayen van de laan kraakten de wielen van het rijtuig scherp, een van de wielen sjorde even kritterend over het uiteinde van een met kiezelsteenen bevloerd pad, dat van voren langs het huis heen liep, heuvelopwaards. Daarna reden ze langzaam, met een kort gekraak van de kast en lange klachten van de wielen, tot midden achter het huis, voor een oude stoep met door den regen versleten treden.

Van den straatweg afgezien, stond Bagatelle, zoo heette het buitentje, daar, van binnen en van buiten schoongemaakt en hersteld, dof wit, blauwig-blank, met zijn vier spiegelende raamdeuren, zijn acht opengestooten smalle lange jaloeziën, van zijn schuin-opgaand grasveld gescheiden door het kiezelsteenenpad langs den voorgevel, met zijn dicht blauw-bruin rieten dak tot even boven de raamdeuren neêrhangend, door twee ronde in vooruitstekend omkastingen gesloten dakvensters gebroken, en van boven vastgehouden door een schoorsteen aan elk der twee uiteinden, gelukkig en kalm, te vrede in den zwakken zonneglans.

Aan elke zijde hing aan het lijf van het huis een in zwart-groen houtwerk getimmerde warande. Maar uit de verte zag men ze niet, bijna niets van het heele huis; want een groep boomen, waarachter het kiezelpad opslingerde, schaarde zich links en rechts, alleen het grasveld, van ovale bloemperken doorstoken, tusschen hen in openlatend. Uit de verte was alleen het lage hek zichtbaar: drie smalle strooken loodkleurig hout, bij iedere meter lengte door paaltjes opgehouden, en in drie afdeelingen gesplitst door de hoogere glimmend-groene, puntige hekdeuren, die ieder tusschen twee lila hoekige palen, met ronde witte bollen er op, zich door ijzeren schrenieren bewogen en zich konden openen voor de oprijlaan.

Het buitentje was niet weelderig. Marcheerden de zaken, zoo dacht Jozef, dan kon men later zien iets meer chics te krijgen; maar, met zijn uiterlijk van half Zwitschers landhuis, was het toch niet onaardig.

Toen het rijtuig stilhield, was Jans, die met de vrouw uit het dorp, waarmede zij de boel in orde had gemaakt, mevrouw wachtte, het stoepje afgegaan en had het portier open gemaakt. Bij het te-rugzien van Mathilde, ontstelde zij. Haar weeke wangen bibberden, een beetje bleek.

--Is u daar, mevrouw? vroeg zij bezorgd, haar ruwe bloote voorarmen uitstekend om Mathilde behulpzaam te zijn.