Een liefde

Part 2

Chapter 2 3,667 words Public domain Markdown

Heerlijk, dacht zij, het hoofd op de hand, heerlijk zoo in den nacht te zitten kijken! Zij had de verhitting van haar slapen voelen wijken en een groote blijdschap, rose, wit, licht-geel, was over haar neêrgevallen. Ik blijf hier op mijn gemak nog een beetje denken, dacht zij, het duurt nog lang eer het morgen is. Zij leî haar handen in den schoot en boog het hoofd voren. Lange vlassige streepen zwart haar vielen aan weêrszijde, onder haar ooren, langs haar hals tusschen haar borst. Haar oogen waren neêr, om zich te herinneren wat er gebeurd was. Mathildes rijtjes van lange oogharen, als kleine ragfijne waayers, verwarmden tint der onderoogleden met hun schaduw; twee gestolten tranen glinsterden haar oogen er tusschen. Zij had een bloederige roodheid aan de oogranden en fel-roode lippen. Haar neusvleugels trilden, als zij iets sterk verlangde. Zóo was zij, zoo had Jozef van Wilden haar dien avond gezien, toen hij haar zijn liefdesverklaring maar had meenen te moeten doen. Daar zat zij nu over te denken, hier aan 't venster. Zij wilde zich volstrekt alles te binnen brengen, elken trek van zijn gezicht, elken toon van zijn stem, toen hij haar die woorden had gezegd; zij wilde voor de tweede maal, nu in gedachten, die zaligheid door maken. En met veel zekerheid rees de herinnering in haar op. Het was in het zaaltje, achter, waar ze altijd zaten, als ze menschen kregen, haar vader en zij; het zal zoo wat tien uur zijn geweest. Jans was juist voor de tweede maal met wijn rond geweest. Mevrouw van Borselen had al iets gezongen, Ster en Jozef hadden al wat voorgedragen, toen zij begreep, dat nu de beurt aan háar zoû komen. Wezenlijk had haar vader haar op zijn gewone goedaardige manier aangezien en gezeid: Mathilde, laat jij je nu niet eens hooren? en allemaal hadden ze er op aangedrongen. Zij had zich een beetje zenuwachtig gevoeld, want Jozef gaf taal noch teeken. Zoû hij er wat tegen hebben, dat ik speel, had zij toen gedacht, dan zal ik juist vreeselijk mijn best doen. Wat zal 't zijn? vroeg haar vader. Zonder een sekonde te aarzelen had zij erg bedaard en erg moedig geandwoord: de _Sonate pathétique_, als u 't permiteert. De woorden waren er uit; nu moest ze 't ook doen. Sints een paar weken had zij de sonate wel alledag geoefend en de laatste drie dagen zelfs vlug gespeeld, maar nog nooit had ze zoo'n moeyelijk stuk ondernomen in gezelschap. Maar zij hield verschrikkelijk veel van de sonate en dacht, dat zij 'm met gevoel speelde. Zoo had zij dan, terwijl de kaarsen spattend knapten onder het wachtend zwijgen van de menschen, zich naar het muziekkastje gebukt, er het dikke kajee uitgenomen en was, heelemaal klaar voor den strijd, aan de piano gaan zitten. Inéens hoorde zij nu eene beweging achter haar en zag zij Jozef van Wilden, die stilletjes dichterbij kwam, zijn oogen, waarin het kaarslicht terugflikkerde, op haar muziek gericht, zijn snor tusschen de tanden. Mag ik de bladen omslaan? had hij gevraagd, met een rare stem. Heel graag, had zij, bizonder koel, geandwoord. Er sijpelde iets kouds door haar handen; zonder dat zij het wilde tikte een van d'r vingers neêr op een zwarten toets en flauwtjes weêrklonk een angstig hooge toon. Maar zij haalde krachtig adem en was zich meester. Zij was toen zonder aarzelen maar begonnen. Naarmate zij vorderde, ging het beter. Zij voelde zich gloeyen onder het spelen. Zuiver, zonder éen fout, had zij het stuk voleind, zij was vuurrood geworden en transpireerde er van. En onophoudelijk had zij Jozefs warme adem langs haar oor voelen gaan. Zij had gemerkt, dat die al sneller en sneller werd, naar mate zij gelukkiger speelde. Zij zag de bladen bibberen in zijn hand bij het keeren; eindelijk had ze hem tranen hooren slikken, ja, zij had het duidelijk gehoord, hij had gehoest om niet te laten merken dat ie huilde. Het laatste blad had zij zelf moeten omslaan, want hij vergat 't en zij wist toen niet eens meer of hij nog achter haar stond. Maar toen ze de slotakkoorden had neêrgestoten in volle vuur, en ze, met een zekere koude door de leden, opstond en zich met een "dankje wel" naar Jozef keerde, toen had ze hem bleek en aangedaan zóo vlak achter haar vinden staan, dat haar haren langs zijn wang scheerden, en, onder het handgeklap en de bravo's van de menschen, had hij heel zachtjes tegen haar gezeid, dat hij zooveel van haar hield.

En als een geur, die haar verder den geheelen avond bijbleef, had zij die klanken meêgedragen in heur haar. Het had haar geschenen, als hoorde zij die stem voortdurend met eindelooze teederheid aan haar oor, als was er iemant die telkens zeî: mag ik je iets zeggen, Thilde, ik houd zooveel van je, onbegrijpelijk veel, en altijd, altijd inniger en doordringender. Toen de avond afgelopen was en de menschen kort na mekaâr afscheid namen en ook Jozef vader en haar goeyendag zeî, had ze hem niet aan durven zien en flauw zijn hand gedrukt. Maar zijn woorden zongen in haar ooren. Bij haar naar bovengaan dreunden zij haar na op de trap, omklonken haar van alle kanten en bonsden in haar hoofd ...

Eindelijk dan, eindelijk had hij het gezegd. Wèl had zij lang gewacht, wel had ze hem honderdmaal, als hij bij haar vader een visite maakte en zoo kalm zat te praten, schijnbaar onverschillig aangezien, met de vraag in de keel, die zij hem toe had willen roepen: Waarom hoû-je niet van mij, die zooveel houd van jou, en, wil je mij en mij alleen, zooals ik jou en jou alleen wil, waarom zeg je 't dan niet, waarom laat je dan niets merken? Wèl had zij 's nachts, als ze maar niet slapen kôn, aldoor maar met verschrikkelijk veel verdriet aan hem liggen denken. Wèl was ze, onder het zingen ineens gaan huilen en had zij zoo bleek gezien, dat vader zich bezorgd had gemaakt aan het eten 's middags. Ja, wél lang had zij gewacht ...

En, terwijl de stad vóor haar voortnachtte en de uren duurden ruischend om haar hoofd, herdacht Mathilde, met zich zelf heelemaal alleen, het begin van haar liefde voor Jozef, het aangroeyen van die liefde, het tot hartstocht worden, de dagen van hoop en de wanhoopsvlagen door die stille liefde over haar gebracht.

Buiten stemde de wind de boomen al zachter en zachter, het water in den val beneden haar scheen bijna bewegingloos en in de verre hoogte waren de sterren gestadig.

Toen zij nog heel klein was, speelde Jozef wel met haar, als hij met zijn vader en moeder bij hun aan huis kwam. Hij was al een groote jongen met een jas aan, zoo als een heer. In 't begin had zij erg tegen hem opgezien. Hij sprak altijd meê met de groote menschen, en eens, toen zij, op haar twaalfde jaar, ook iets heel ernstigs in 't midden had willen brengen, was háar gezegd zich stil te houden. Naar Jozef daarentegen werd altijd geluisterd. Dit had haar een zekeren eerbied voor hem gegeven, maar die toch al gauw minder werd door zijn vriendelijke en alles vergevende gemeenzaamheid. Als zij samen aan den gang waren, aan 't spreken en lachen of spelen, gedroeg hij zich als haar gelijke en behandelde haar als een goede kameraad. Eens op een buitenpartijtje, toen zij in den tuin van een uitspanning aan 't schommelen waren en hij haar, hoe of ze ook tegenstribbelde, veel te hoog opzette, was ze heelemaal duizelig geworden. Ze was gaan huilen, en toen Jozef eindelijk den schommel tot stilstand bracht, had zij hem, in haar drift, pardoes een klap in zijn gezicht gegeven. Een kwartier later, toen zij bedaard was en inwendig al spijt had van haar handeling, was hij naar haar toe gekomen om haar te vragen of zij nog boos was. Zij had bedeesd van neen geknikt. Hierop hadden zij elkaâr afgezoend en was er over niets meer gesproken. Dit voorval maakte, dat zij veel van Jozef begon te houden. Ze vond 't zoo lief van hem, dat hij haar niet af had geranseld, want hij was toch zooveel sterker dan zij. Uren lang kon hij zich dan ook met haar bezighouden, naar haar poppespelen kijken, haar goeden raad geven voor haar borduurwerk en pianospel, en nooit was hij boos, wanneer ze hem met een slecht humeur antwoordde. Zoo als hij haar van haar derde tot haar zesde jaar op zijn schoot nam, haar liefkoosde en sprookjes vertelde, zoo als hij toen eens heur haren had gekamd op de manier zoo als hij zeî dat de mooiste jonge jufvrouwtjes in de groote stad Parijs hun kapsel droegen, zoo als hij haar prenteboeken meêbracht, met veel prachtiger plaatjes, dan die zij van vader kreeg, en eens zelfs een echt gouden halskettinkje, zóo, met denzelfden goedigen glimlach, met hetzelfde gemak en geduld, met hetzelfde onverstoorbare goede humeur, had hij ook belang gesteld in haar vermaken van toen zij wat ouder werd, en zich naar haar veranderde pleizieren met dezelfde welwillendheid geschikt. Van haar tiende tot haar dertiende bijna veertiende jaar, had hij haar allerlei gezelschapsspelen geleerd, die haar te pas konden komen, wanneer ze met vriendinnetjes was of met groote menschen meêspeelde: kien, het ganzebord, het dominospel, van alles maakte hij haar de fijnheden duidelijk en onderwees haar in die handgrepen, die hij zelf had weten te ontdekken om zonder moeite te winnen. Hij had uren achtereen met haar zitten schaken en dammen, want zij hield van zulke spelen, en klapte in haar handen, wanneer hij haar liet winnen, zoo als dikwijls gebeurde, dan omhelsde ze hem en had hem nog liever dan vroeger. Zij herinnerde zich nog als den dag van gisteren, hoe eens, toen Jozef op een avond zoo aandachtig naar haar onbeteekenende eerste pianostudies had geluisterd en hij wel een uur en drie kwartier vlak naast haar was blijven zitten en haar een middeltje had geleerd om gemakkelijk de handen wijd uit te spreiden, waarna zij, toen al een groote meid van twalef jaar, op zijn knie was gesprongen om hem te bedanken,--het schoot haar te binnen, hoe toen haar vader haar had verweten, dat zij meer hield van Jozef van Wilden dan van hemzelf, haar eigen vader, en hoe zij misschien veel liever Jozef tot papa zoû hebben gehad. Dit was wel, neen volstrekt niet, in 't geheel niet waar. Zij had er zelfs nooit of nimmer aan gedacht, maar om dat Jozef zich zooveel met haar bemoeide en altijd haar liefhebberijen raadde, en altijd graâg deed wat zij ook grâag deed, om dat Jozefs leeftijd in alle geval met de hare zooveel meer gelijk stond dan die van haar vader, om dat Jozef nooit knorde, ja haar zelfs nooit ernstig onderhield, kende zij Jozef eigenlijk beter dan zij en haar vader elkaâr kenden, waren zij ten minste vanzelf schijnbaar vertrouwelijker met mekaâr. Vader las koeranten, waar zij niets van begreep, rookte pijpen, waarvan de tabaksrook haar naar maakte, vader sprak zelden met haar, of 't moest zijn om haar kleine godsdienstige vermaningen te geven, die nog minder indruk op haar maakten, om dat hij ze zelf alleen als opvoedingsmiddel gebruikte en zij niet uit zijn hart kwamen, dat had zij later wel begrepen; vader vond haar gebonk op de piano vervelend en vluchtte naar boven als zij begon. Er kwamen wel eens heeren vader spreken en dan zeî hij aan Mathilde van wech te gaan; dit vernederde haar altijd erg, en zoo meer. Jozef daarentegen had ook b.v. belang gesteld in haar eerste zelfgekozen toiletjes, de eerste uitingen van haar aanstaande jonge-meisjes-ijdelheid had hij met ontzaglijk veel plezier begroet en ze aangemoedigd. Hij was verrukt geweest te zien, hoe zij langzamerhand groote-dames-neigingen begon te vertoonen en hoe, met het voller uitkomen van haar lichaamsvormen, waar zij zelve zich toen nog ongerust over maakte, zij ook een beetje nuffiger en eleganter werd. Hij had verteld van zijn reizen, van de groote zalen vol prachtig gekleede dames, die hij had gezien, van de wereld daar buiten, van bals en konserten en komedies. Hij had haar bizonder mooye kostumen van hoogaanzienlijke vrouwen beschreven, die hij in hun heele volledigheid op had genomen. En elken dag waren zij betere vrienden.

Maar toen Mathilde volwassen werd wijzigde zich langzamerhand hun verhouding heelemaal. Mathilde vroeg zich te vergeefs af waar 't 'm aan lag, zij wist geen oplossing te geven. Maar dagelijks verkoelde de vurige vriendschap tusschen haar en Jozef. Hij werd stiller, lachte minder, en er werd in 't geheel niet meer gestoeid. Ook tegenover hem voelde zij zich verlegen worden, dit scheen nog het meest raadselachtige van alles. Zonder er bij te denken was zij hem nog eenmaal, toen zij samen over borduren hadden gesproken en hij een haar nieuw patroon aan de hand had gedaan, met plotselinge aandrift zooals vroeger, op de knieën gesprongen en had haar arm om zijn hals geslagen. Hij was daar zoo verwonderd over geweest, dat hij niet geweten had wat te doen, en zij, met een verschrikkelijke verlegenheid onder een voorwendsel uit de kamer was gegaan en een wandelingetje was gaan doen. Uit instinkt maakten zij, toen hij een paar dagen later 's avonds bij hun was geweest, geen van tweeën een beweging om elkaâr een zoen te geven bij het afscheid, zoo als anders. Daar had zij den halven nacht toen over liggen denken. Twee maanden na deze gebeurtenissen, kondigde haar vader haar aan, dat hij haar op een kostschool in België zoû doen. Zij ging, en, zoo ver van hem wech, dacht zij nog maar weinig aan Jozef. Eens had hij haar een lieven brief geschreven, dien zij kort had beantwoord en met de onderteekening "uw dienstwillige vriendin en dienares". Daarop had hij niets meer van zich laten hooren. Haar medeleerlingen op de kostschool verhaalden Mathilde veel van heeren die hun 't hof maakten. Ja, daar had ze in Amsterdam ook wel van geweten. Als ze uit school kwam liepen haar altijd jongens achterna en zoenden haar en de andere meisjes, maar nu begon zij dat heel anders in te zien. En plotseling was 't haar in de gedachte komen, dat Jozefs doel misschien was geweest later met haar te trouwen. Dit stuitte haar tegen de borst en gaf haar een soort van afkeer tegen hem, zoo als hij leefde in haar herinnering. In de vakanties maakte haar vader reisjes met haar; éens maar was zij in Amsterdam geweest, en toen was juist Jozef op reis. Zoo was zij vier en een half jaar wech gebleven. En bij haar terugkomst voorgoed, had zij Jozef weêr dadelijk gezien, die haar vriendelijk groette en haar jufvrouw noemde. Na haar terugkomst kwam Jozef weêr hoe langer hoe meer bij hun aan huis en uit de gewoonte van elkaâr twee, toen drie, toen viermaal in de week geregeld te ontmoeten, was er langzamerhand weêr een vriendschap ontstaan. Zij had hem teruggezien bijna net zoo als zij hem vroeger had gekend. Alleen was zijn snor dikker en mooyer geworden en waren er lichte kringen onder zijn oogen gekomen, die alleen merkbaar werden, als hij van vermoeyenis sprak.

Het was nu in deze jaren dat zij er zich hoofdzakelijk op toelegde het huis voor haar vader zoo aangenaam en gezellig mogelijk te maken. Wat haar bij haar vader vroeger tegen had gestaan, nam haar nu in. Zij verzorgde hem, trachtte zich in te wijden in zijn liefhebberijen en gewoonten, las de koeranten, en sprak over politiek. Zijn rooken vond zij pleizierig, zij lette op alles en vervroolijkte zijn leven, door haar pianospel en andere dingen. Zij had groote vorderingen gemaakt en hij luisterde er graâg naar. Zij had geen vriendinnen, zooals dat veelal gaat met meisjes die naar 't buitenland op kostschool zijn geweest. Die van haar scholen in de stad vroeger, kende zij niet meer, met de Belgische van de kostschool kon ze alleen korrespondentie onderhouden. Alleen bij mevrouw Berlage, een oude vriendin van haar vader, maakte zij wel eens een visitie, maar aan Emilie Hartse, een wees, het kennisje, dat ook wel bij de Stuwen aan huis kwam, had Mathilde een hekel, om Emilies geaffecteerd karakter. Dus was de persoon, waarmeê zij omging naast haar vader, Jozef van Wilden alleen. Een heelen tijd bleef zij "mijnheer" en hij "jufvrouw" zeggen, totdat haar vader zelf daaraan een eind had gemaakt, omdat hij 't gek vond onder jongelieden die mekaâr zoo dikwijls zagen.

Onmerkbaar had Mathilde zich weêr tot den innemenden, beminnelijk zachten en toch mannelijken, goed belezen met veel smaak en oordeel pratenden man, dien zij Jozef noemde, aangetrokken gevoeld. Na een jaar werd zij zich bewust, dat ze hem liefhad. Zij dacht dikwijls aan hem, als ze alleen was, ze was blij als hij binnenkwam, vooral als bij haar hartstochtelijk pianospel, en dit gebeurde dikwijls, zijn oogen geen sekonde van haar afgingen. Het begon een genot voor haar te worden, wanneer haar hand de zijne aanraakte, bij het goeyendag zeggen of het aangeven van een kopje thee, of wanneer zij samen muziek doorbladerden. Zij begon het een pleizierige gewaarwording te vinden als haar japon over zijn voeten gleed, bij 't passeeren, als de weêrspannige haartjes van zijn hoofd langs haar schouders wiebelden, wanneer zij samen over een boek of teekening stonden gebukt. Want zij was druk aan 't teekenen gegaan, ook door hem daartoe aangezet. Zij had 't in België goed geleerd en zij scheen er wel talent voor te hebben, meende hij.

Toen er nog een jaar was verloopen, begon ze in ernst over haar toekomst na te denken, en bracht in haar gedachte hem daar altijd bij te pas. Zij begon bepaald op hem te wachten, en als tweede helft van haar geheel naar hem uit te zien, naar de woorden van liefde die hij eens moest uitspreken, zij wist 't, en die ze hem wel van de lippen had willen drukken. Zij kreeg aanvallen van jaloezie. Zij begon er over te denken of hij ook misschien van een andere vrouw zoû houden. Zij was ongerust en probeerde om aan zijn oogen te zien of er iets van waar was.

Zoo waren de zaken geloopen tot zoowat een maand geleden. Toen was Mathilde opéens heel ongelukkig geworden. Jozef had, zonder dat er ooit te voren sprake van was geweest gezegd, dat hij van plan was een groote reis te doen, voor zaken. En werkelijk, twee dagen later was hij naar Frankrijk gegaan. Hij had niet kunnen zeggen, wanneer hij waarschijnlijk terug zoû zijn. Mathilde huiverde in haar eenzaamheid. Zij drong zich zelf op, dat 't niet zoo erg was, dat hij na een week of zes hoogstens uit het buitenland terug zoû komen, en de zaken dan nog 't zelfde zouden staan als nu. Wat had die reis te beteekenen? Even goed dan als nu kon hij haar immers zijn liefdesverklaring doen, al had hij er tot nu toe nog nooit op gezinspeeld? Dacht hij er niet aan haar te vragen om zijn vrouw te worden, dan moest zijn afwezigheid haar eindelijk heel onverschillig wezen, hield hij wél van haar zoo als zij het zoo zeker hoopte, dan zoû die liefde in zoo'n korten tijd ook niet wechgaan, en had zij nog alles te verwachten. Maar, wat haar verstand ook te berde bracht en hoe ongerijmd zij het zelf vond, zij huilde in haar verlatenheid en zij voelde zich verschrikkelijk alleen, nu ze hem niet meer zien en hooren kon. Zij dacht, dat hij nu eeuwig wech zoû blijven, en vooral het idee dat hij van een vrouw of meisje in het buitenland zoû gaan houden en hij haar ontrouw zoû worden, maakte haar doodelijk ongerust. Maar, hij was nog geen drie weken op reis, of zij, ja zij, kreeg, buiten alle verwachting, een brief van hem, waarin hij haar vertelde dat hij in Brussel en Parijs was geweest en wat hij daar had gedaan. En hierbij maakte hij toespelingen op de reisverhalen, die hij haar zo lang geleden als kind had gedaan. Hij sprak ook heel beleefd van zijne eenzaamheid, en verklaarde, dat hij 't onmogelijk lang zoû kunnen uithouden, ver van de lieve woning der familie de Stuwen, waar hij zulke heerlijke uren had doorgebracht, vooral in 't gezelschap van zijn allerliefste vriendin. De brief was erg beleefd, maar Mathilde wist er zoo een verborgen liefde in te ontdekken, dat hij haar bizonder goed deed en zij hem niet aan haar vader liet zien. Zij antwoordde een paar dagen later, en tot haar zalige verbazing stond Jozef weêr twee dagen na de afzending van het antwoord, in levenden lijve vóor haar, met zijn fraayen knevel en lieve handen. Er was niets ongewoons aan hem te zien.

Dit was eergisteren geweest. En nu, van-avond, kwam het tot eene verklaring. Al die dingen uit haar jeugd en van de laatste jaren, herinnerde Mathilde zich levendig. Wat een goddelijke gewaarwording was 't nu, terwijl alles zoo zacht en stil was om haar heen, in dezen zomernacht, aan de angsten en narigheden van vroeger te denken. Al die treurige donkere uren, waarin zij zonder hoop was, al die teleurstellingen en niet uitkomende verwachtingen, al die zuchten en tranen, gingen nu óp in één juichende vreugde vol glorie en licht. Weêr droomde Mathilde zich wech in wat van avond aan de piano was gebeurd. Weêr en nog eens weêr liet zij het Jozef zeggen, dat hij zooveel, zóo véel van haar hield, weêr voelde zij zijn adem langs hals gaan; zij merkte dat haar hart zoo vol was, als het maar zijn kon, dat het overliep, dat het geluk haar overstroomde. Zij had een behoefte om iets te zeggen. Er drukte haar iets daar van binnen, dat zij niet omvatten kon. Het klom haar tot hoog in de keel, het zwierde als een kramp door haar vingers, het moest er uit, zij wilde het roepen tegen iedereen, zij wilde het uitzingen aan de ooren van alle menschen die er in Amsterdam leefden en die begrepen, wat geluk was.