Een liefde

Part 18

Chapter 18 4,091 words Public domain Markdown

Voor een halfuur was Jozef er weêr aan vast. Eindelijk besloot hij dáar een boek meê te brengen en de kranten.

Jozef wende er zich weêr aan, van éen uur 's middags af, voortdurend thuis te zijn. Hij deed zijn schoenen uit en schoof door het huis op pantoffels, als een ziekenoppasser.

Een paar weken later, mocht Mathilde uit haar bed komen en in de slaapkamer opzitten.

Voor een van de kleinere kastjes, dat naar de logeer kamer was gebracht, was een boeken-en teekenkast voor Mathilde, in de plaats gekomen. Een van de dingen van haar ziekte was een lammerigheid van haar beenen, waardoor zij niet kon loopen. Een uur per dag maar ging zij uit haar kamer, dan werd die gelucht. Het sombere licht dat door de binnenplaats hier binnen-stootte was het eenige waar haar oogen nog tegen konden. Uur aan uur zat zij daar dan te lezen of wel te teekenen. Voor de groene tafel in een donker-grijzen, met donker-rood afgezetten peignoir, heur haren tot een zware vlecht samengebonden onder een donker-grijs, met donker-rood afgezet mutsje, haar slanke linkerhand waarvan alleen de duimtop door het porceleinen palet zichtbaar was op de tafel, met drie penseelen er dwars uitstekend. In haar rechterhand had zij een penceel of potlood en ze teekende en kleurde. Haar gezicht was erg vermagerd en als de grove hand van de goedige Marie niet een zilveren lepel vol licht-geel vocht, van het, nu overvolle, apotheekkastje naar haar toekwam en ze haar hoofd in de hoogte deed, dan zag men hoe haar oogen waren ingevallen, hoe de eerste eigenlijke rimpels op haar jong gezicht waren, hoe in-mekaâr gezakt ze zat. Ze ging meestal om acht uur naar bed, en stond om elf uur 's morgens op. Vooral 's nachts had zij veel pijn en benauwdheden, zoo dat zij niet kon blijven liggen en de kussens hoog achter haar werden opgestapeld.

Toen Jozef haar voor 't eerst weêr eens vlak bij het venster, onder vel daglicht zag, schrok hij. Zij merkte 't aan zijn oogen.

--Ben ik zóo veranderd? vroeg zij.

Hij vatte haar teeder bij haar schouders en zoende haar bleeke wangen. Maar dien zoen voelde hij als op doode wangen. Onmerkbaar trilde er iets in zijn oogen; er ging een koû door hem heen.

--Je zult bepaald heel gauw weêr beter zijn, zeî hij.

Zij gingen samen even zitten voor het venster, op twee stoelen vlak bij elkaâr. Mathilde was nog in haar witte nachtgoed; haar gezicht was nog witter. Er was een verlegen stilte. Jozef zat, een beetje naar haar toe voorovergebogen, zijn eene elleboog op zijn been geleund, de handen loshangend tusschen zijn beenen. Hij keek haar medelijdend en lief aan. Haar blikken, vanachter een doffen glans van uitputting, zwierven door de ruiten heen, over de zonnige plekken op de binnen-plaats, zonder gedachten, in afwachting van wat hij zeggen zoû. Hij had iets:

--Wil-je nu wezenlijk niet liever op de logeerkamer gaan en mij hier laten slapen? vroeg hij, dan heb je ten minste nog een beetje afleiding door het leven en alles wat er te zien is op straat.

--Och nee, zeî ze, daar ben ik te zwak voor. Ik wil liever maar niets zien ... het bevalt me hier 't best.

Zij kuchtte stilletjes. Na een poosje, bewoog zij langzaam haar rechter hand, streek er zachtjes meê over Jozets groote blanke hand, heen en weêr, met haar dunne vingertopjes over het zachte vel, nauwelijks er aan rakende. Toen zeî zij, met een bedaarde, klagendzachte stem, waar een te-vredenheid in klonk, dat zij zoo met hem alleen was in haar ziekte:

--Wat heb jij toch mooye handen! Eigenlijk veel te mooi voor een man.

Daarna dacht ze weêr een tijdje.

--Zie-je, zeî ze toen, als zeî zij het besluit van een lange inwendige redeneering, het is onmogelijk, dat ik altijd zoo zoû blijven als ik nu ben ... Een geluk, dat zoo groot is, kan niet in-éens uit zijn ... Ik zal stellig weèr beter worden, heel zeker, ik weet 'et natuurlijk niet, maar zie-je, ik voel 'et zoo, ik voel 'et. En je begrijpt wel, dat ik nu nog vreeselijk veel meer van je hoû als vroeger, om ... hem, om Felix.

Ze had dit gezegd, zonder Jozet aan te kijken, haar blikken mijmerig voor zich uit; nu knipte zij haar oogen even snel dicht en deed ze naar zijn kant weêr open, hem zóo vragend, hoe hij wel vond, wat ze daar gezegd had.

--Ja, andwoordde hij, stellig! Ik geloof 'et ook, bepaald. En, als had hij zich nog niet krachtig genoeg uitgesproken: Daar is zelfs geen sprake van, dat je niet beter zoû worden. Ik twijfel er geen oogenblik aan.

Mathilde zat achter in haar stoel, haar oogen neêr. Zij wreef met haar rechter duim over haar linkerhand.

--En Emilie Hartse is met Berlage getrouwd hè? vroeg zij, de woorden als uit haar mond slepend.

--Ja, ze zijn d'r gisteren geweest; ik heb hun kaartje beneden: meneer en mevrouw Berlage-Hartse.

--Hè, 't is een kokette, akelige vrouw, die Emilie, ik hou niets van d'r!

--Och! zeî Jozef verontschuldigend.

Toen Mathilde dien avond om negen uur al lang in bed lag en alles rust was in de kamer, terwijl het buiten onhoorbaar sneeuwde en de wind over de binnenplaats aan de ruiten ritselde, zat Jozef daar nog altijd, voor de tafel. De koeranten van den avond, een paar tijdschrift-afleveringen, een boek, lagen voor hem. Hij las het Buitenlandsch Nieuws. Die Emilie Hartse, mevrouw Berlage, was wel een aardig vrouwtje! Hij leî het blad plat op tafel en streek de kreukels er uit om beter te kunnen lezen. Zij was zoo vroolijk, zij was ook mooi, hij mocht haar wel. Hij las van de onaangenaam-heden, die tusschen De Duitsche en Fransche regeeringen aanhangig waren. Zij zouden nu in lang wel geen partijtjes kunnen geven, waarop mevrouw Berlage zoû komen. Bismarck en Gambetta konfereerden door bemiddeling van de ambassadeurs over de belangen van Europa. Hoe was het mogelijk, dat zij dien dommen Berlage genomen had! In Rusland werd dagelijks de vrees grooter voor uitbarstingen tusschen de joden en de boeren. Zij had mooie rooye lippen, die Emilie. Het jonge Italië, dat ...

--Ben je daar nog, Jos? kreunde fluisterend uit het bed.

Jozef stond op.

--Ja, wat woû-je, kind?

--Mag ik een glas water asjeblieft!

Hij gaf het en zoende haar klamme voorhoofd.

--Probeer nou weêr te slapen, zeî hij, dat zal je goed doen. Ik ga nu maar naar beneden nog wat lezen, dan heb je 't rustiger, en dan ga ik ook naar bed. Wel te ruste! Tot morgen, misschien ben-je morgen wel veel beter.

--Ja, misschien; laat Marie met Felix nog eens hier komen, wil-je?

Driemaal per dag kwam Marie, met het kind op haar arm, bij Mathilde; Jozef ontmoette haar nu op de trap. Hij hield haar staande nam het kind even van haar over, zoende het en ging verder. Alles was doodstil in huis; alleen hoorde Jozef, toen hij in den gang kwam, eentonig de keukenklok tikken. Hij veegde met zijn zakdoek zijn lippen af. Hij zoende niet graâg zulke jonge kinderen. Die Marie is eigenlijk volstrekt niet kwaad, dacht Jozef, een aardige meid!

Toen Jozef het licht had opgestoken in de achter-kamer, en een boek, een roman in een kalfslederen band gebonden, uit de kast wilde nemen, steeg er plotseling een woede, de uitbarsting van een lang onderdrukt ongeduld, in hem op. Hij maakte groote stappen door de kamer.

--Dat duurt nu al maanden, zeî hij luid, het gaat niet meer, ik weet niet, wat ik doen zal.

Hij stak een zwaren cigaar op en bleef beweging-loos en dommelend den heelen avond zitten. Een verzet was in zijn hart ontstaan. Hij verveelde zich onhoudbaar. Het ging toch ook werkelijk niet op den duur!

Gedurende de volgende dagen, dacht Jozef, koud, met zijn rede en zijn gevoel van wereldsch mensch, na over zijn vrouw en zijn kind. Zij ging erg achteruit. Wat moest er in Gods naam van komen? 't Was wel aardig geweest, even na de geboorte, het denkbeeld van zijn eigen kind te hebben, een voortbrengsel van zijn liefde, maar nu, een klein leelijk rood, onooglijk, schreeuwend wicht, neen! 't was alles behalve pleizierig.

* * * * *

Langzaam verstreken maanden. Mathilde bleef 't zelfde. In dezen tijd, kon zij eens 's avonds niet in slaap komen. Zij had dien middag onwillekeurig een paar uur gedommeld, en lag daarom nu wakker. Zij dacht dat zij een beetje de koorts had. Haar oogen, wijd open, staarden naar boven, naar den groenen hemel van het ledikant, zwartgroen in de zwakke schemering van het nachtlicht, en die in stijve plooyen zich in een middenpunt, een rozet, samentrok, waaruit een beddekwast nederdaalde, roerloos als de slinger van een stilstaande klok. Het felle wit van het dek, dat zich als harde sneeuw, over en om haar heen spreidde, schreeuwde tegen de duisternis, scheen naar boven te dringen en stapelde zich op, als een koude massa, midden in de zwarte tinten. Mathilde dacht ... en bewoog haar lippen of streek er met haar tong tusschendoor, van pleizier van zoo te liggen denken. Het suisde door haar hoofd; er was een ijlheid in haar hersens. Haar zieke gestel gaf haar gedachten een bizondere scherpte en levendigheid. Terwijl een nattigheid door haar oogen sprankte lispte zij, en er ging iets droogs, iets kramperigs door haar verhemelte ... O Jozef! ... o Jozef! ... Zij bewoog haar eene voet even en schikte haar armen in een gemakkelijker rust op het bed, om nog inniger en uitsluitender aan dat ééne onderwerp te kunnen denken. Zij dacht er over, wat zij allemaal zouden doen, als zij weêr beter was. Heerlijk! Heerlijke jaren zouden er komen! Wat een gelukkig en benijd drietal zouden zij zijn! Zij had dat al zoo dikwijls gedacht, maar nooit zoo hevig als nu. Zoolang zij alleen jonggetrouwden waren geweest, had zij nog altijd iets gevoeld, zij wist niet precies hoe, maar als of zij nog half en half niet getrouwd was, als of die man wel elk oogenblik heen kon gaan, niet dat dat gebeuren zoû, maar dat 't ten minste mógelijk was. En ook zoo voor de menschen. Als zij en Jozef menschen ontmoetten, bij hun aan huis of op straat of bij anderen, dan was er in 't "dag, meneer, dag, mevrouw" of in het "dag, Jozef, dag, Mathilde" iets als of de menschen op dat oogenblik den indruk kregen van twee alleenstaande wezens te ontmoeten, twee op zich zelf staande menschen, die wel innig aan mekaâr verbonden waren, maar toch maar met hun tweeën waren en elk oogenblik ieder een anderen weg konden gaan. Maar nu niets van dat alles meer. Nu was zij niet alleen heelemaal vrouw, een jonge en gepozeerde vrouw tegelijk, maar nu waren ze, zoo dacht zij, nog meer éen samen, zij hoorde nog veel meer dan vroeger, ook voor de menschen, onafscheidelijk bij mekaâr. Zij waren niet meer jonggetrouwden, neen, hij was de vader, zij was de moeder. En wat een vreeselijke heerlijkheid, op straat en overal in 't openbaar met elkaâr te zijn en dan de menschen te zien of te hooren zeggen: "dat is de jonge mijnheer en mevrouw van Wilden, ze zijn drie jaar getrouwd zoo wat, zij hebben éen kindje, een allerliefste jongen". Maar, dat alles daargelaten, wat zouden zij een stil en heimelijk geluk met hun drieên hebben in huis! Hij daar, zij hier, en Felix in 't midden! Neen, maar 't was waar ook, zij had volstrekt, na de geboorte niet al die ellende, over dit groote geluk nog niet in onderdeelen nagedacht. En, terwijl de koude, als een vale nevel, door de kamer, door het ledikant en over haar heen zweefde en haar gezicht doortrok, bleef dat gezicht maar liggen staren naar boven, en voelde Mathilde een warmte in haar oogen en in haar mond als stroomde het geluk over en wilde naar buiten, dat, als een eindeloos zacht zilveren vocht, door haar heele lichaam vloeide. Een enkele maal wreef zij, onder het dek, haar handen tegen mekaâr van de eenzame zaligheid, die haar zoo vervulde. Heerlijk! zij zag zich al weêr, genezen en gezond, beneden in de huiskamer zitten, Jozef tegenover haar, Felix op een hoogen kinderstoel, een rood puntje aan zijn neusje, twee heele groote oogen, lachend, juichend, met zijn handjes bewegingen van vreugde makend, tusschen hen in. Jozef aaide de wangetjes van het kind, sneed het voor hem bestemde sneêtje brood zonder korst aan kleine stukjes, gemakkelijk om in de melk te soppen. En Jozef keek dan glimlachend naar haar, om te vragen, of ze het zoo niet goed vond, en om dan samen van liefde te lachen, samen begeesterd door het jongetje, die nog niet spreken kon. Liet Felixje iets op den grond vallen of morstte hij, dan stond zij op om hem te helpen, en stopte hem met haar vinger een stukje geweekt brood in zijn mond. Daarna zoû ze bij voorbeeld aan Jozef vragen, of hij nog een kopje thee woû hebben. Hij zoû haar zijn kopje overreiken en hun vingers zouden elkaâr aanraken boven de tafel, voor het kind heen. Die kleine aanraking, hoe onuitsprekelijk gelukkig zoû dat zijn! Zij die hem zoo goed kende, zij, die alle dag in de innigste aanrakingen met hem geleefd had, verheugde zich nu al als op iets buitengewoons, in het vooruitzicht van die aanraking van hun handen boven de ontbijttafel. Ja, want dat zoû daar dan haar familie, haar familie zijn. In háar huis, met háar man, met háar kind, zoû zij daar zitten, aan haar levensdoel, tot het leven gekomen voor altijd.

Er kraakte iets in de kamer. Het woei buiten. Een huivering ging door het behangsel, het nachtlichtje bewoog, spatte even, langzaam verroerden zich de zwarte schaduwen; een ritseling ruischte over de vloer laag langs de kasten en stoelen.

Was er iets? neen, er was niets. Mathilde kuchte van gerustheid. Zij kuchte nog eens, langzaam, in haperende schorre tikjes. En het was of zegenend de duisternis, in een dikken vlokken-mantel en de koude, als oneindig veel scherpe sprietjes, haar naderde, om haar heen viel, haar aaide en met haar geluk samen was. Toen dacht Mathilde aan dien eenen, dien eersten grooten nacht, waarin zij, voor haar open venster in het oude huis, over Jozef had gedacht, na dat hij 's avonds van zijn liefde had gesproken. In de verte, als een bevende, bleeke herinnering, zag zij nu inwendig haar vader voorbij gaan, voorbij ... voorbij. Zij merkte dat zij hem vergeten was.

De koorts werd erger, en Mathilde sliep in, met droge lippen, dronken van het denken.

Den volgenden Zondagmorgen, heel in de vroegte, was de min met Felix in de kinderkamer, boven de logeerkamer, voor het venster gaan zitten en liet het kind naar den dag kijken. Zij hield hem vlak voor de ruiten. Langzamerhand was het acht uur, half negen geworden, en Marie keek met een groote belangstelling op de stille gracht, waar na enkele melkboeren, die er met hun witblaauwe emmers aan de versch geschuurde koperen haken langs de huizen waren gegaan, om hard aan te schellen en de meiden, in hun nachtjakken en met halfdichte oogen, te helpen, de haastige en ingetogen kerkgangers liepen. Het waren burger-mannen met bloote handen, dik en grof, met schoenen glimmende in de morgenzon op de droge straat, met glimmende heele hooge hoeden op het glimmende van achteren heel dikke en kort in den hals afgesneden haar als geplakt; met borstelige nekken; met lange, zwarte jassen waaraan éen dikke en bengelende achterzak en de andere dof gevuld; met wijde broeken van effen zwart laken of heele dikke met bruine strepen. Dan meiden met leelijke gezichten, helder gewasschen. Enkele met kornetten onder hun hoeden, die de meesten met bruine of zwarte banden onder hun kinnen hadden gestrikt. Andere hadden verouderde dameshoeden op, met veren en pluimen en linten in donkere kleuren.

Maar vooral had Marie schik in de oogen van het kind op haar schoot. Zoo groot, zoo bruin, zoo zuiver vond zij ze, en zoo verstandig al. Zijn wenkbrauwtjes kwamen al aan, donkere streepen boven de oogen. Wat zag hij er mooi uit in zijn zondagspakje, met rokjes met kantjes, met die fijne kousjes met dat lieve blauw en witte doekje waar zijn bovenlijfje in gewikkeld was!

Juist hield Marie het kind weêr voor de ruiten en liet het dansen op haar knie, een zacht liedje neuriënd toen de deur openging, en Jozefs lichaam, hoog in den klaren ochtend, binnenstapte. Marie bewonderde hem, met zijn lichtbruin haar, altijd zoo mooi geschoren, zoo mooi gekleed, en zoo vriendelijk.

--Goeye morgen, Marie ...

Zij andwoorde hem niet rechtstreeks. Zij vond hem haar weldoener, om dat hij haar, als ongetrouwde min, wel had willen nemen, toen zij juist niet wist wat er van haar worden zoû. Zij was erg verlegen tegenover hem.

--Fik, Fik, daar is vader en ze liet Fik, zoo als zij hem het eerst had genoemd, dansen op haar schoot; maar zij zag Jozef niet aan. Het kind lachte tegen vader en kraaide 't uit van de pret en bewoog zijn heele lichaampje zoo als kleine honden tegen hun meester doen.

--Zoo jonge heer! en hoe maakt onze jonge heer 'et? vroeg Jozef. Hij boog zich over het kind heen en gaf hem met zijn mooyen wijsvinger op de bolle wangetjes een tikje. Marie, die nu rood werd, keek maar al naar het kind en lachte tegen hem en schikte zijn mutsje en zijn kleertjes eens goed met haar rechterhand:

--O, heel goed, vader ... niet waar, Fik? ... Heel goed!, en ze zoende het kind gauw en zachtjes en hield haar oogen maar neêr. Jozef nam een fauteuil en ging vlak bij hen zitten.

--Hebben jullie al ontbeten? zeî hij en keek in Maries oogen.

--O ja, meneer, ... vóor zevenen al ... en ze knipte met haar oogen, keek hem even aan en toen weér gauw uit 't venster en trommelde met twee vingers op de voetjes van het kind.

--Kom, geef hem nou eens hier ... Nu moet vader em eens hebben ...

Nu wist Marie met haar armen en met haar heele houding geen weg. Zij vouwde haar handen samen en drukte ze tusschen haar knieën; dan weêr leî ze op iedere knie een hand; maar toen zij haar bruine bij Jozefs blanke handen zag, deed zij ze onder haar boezelaar. Nu keek zij Jozef wat meer aan, die heelemaal met het kind bezig scheen. Maar als hij haar dan weêr aankeek, gingen haar blikken langs de staalgravures aan den wand en van de staalgravures op de stoelen en van de stoelen op het tapijt en van het tapijt op haar schoot en van haar schoot door 't venster op de gracht. Ze wist niet hoe 't kwam, maar nu stond in-eens het huilen haar nader dan het lachen.

--En hoe bevalt je nu op den duur je nieuwe baantje, Marie?

--Ik dank u d'r nog altijd wèl voor, meneer ...; 't bevalt me heel best, meneer ...

--Nou, nou, je hoeft er niet om te huilen ... hoor eens Marie ... Hij had haar het kind te-ruggegeven, was opgestaan en had zijn linkerhand in zijn broekzak gestoken, met de rechter gestikuleerende ... zal je nu goed voor mijn jongen zorgen? ... zal je? ... Kijk me eens goed aan ... beloof je 't me? ...

--Ja, meneer, zeker, zeker, ... ik beloof 'et u ...

Toen ging Jozef langzaam wech.

't Was negen uur geworden.

Nu kwam Dientje de werkmeid binnen met een dampende kop koffie voor Marie. Dientje had een breeden mond, dikke lippen en alles verder in haar gezicht was dik en klein; zij was leelijk maar goedig.

--Hier, Mietje, zeî ze, koffie, ze is sterk, hoor, ... Pas op, bran je niet.

Het kind lag in Maries rechter arm en met den linker slurpte ze de heete koffie.

--Doet je dat nou geen goed, mensch? Ja, koffie, dat is altijd een heerlijke drank ...

--Hoe laat drinken we koffie? vroeg Marie, terwijl ze den leegen kop aan Dientje te-ruggaf.

--Om twalef uur; ... je moet tegen 'n uur of ellef maar 'es met Fik naar mevrouw gaan ... 't arme mensch.

--Ja, wat is ze toch ongelukkig, hé?

--Ze het wat uit te staan, hoor mensch, 'n ongeneesselijke kwaal, het de dokter gezeid ... Nou, nou, 't is voor meneer ook een slag geweest hoor!

Dientje was met haar handen haar boezelaar aan 't verfrommelen. Zij had een groen japonnetje aan en een geur van schoon linnen bij zich.

--Ja, zeî Marie, dat kan j'em dan ook nog wel aanzien ...

--Och, hij houdt zooveel van mevrouw ... 't kon zoo'n best huwelijk geweest hebben! Maar wat zal je d'r an doen, de mensch wikt, maar God beschikt, zoo as ze zeggen ...

--Ik zal nóu maar eens naar mevrouw toe gaan, zeî Marie.

Mathilde zat op een leuningstoel aan de tafel, bij het raam. Haar teekengerei stond vóor haar. Zij steunde haar hoofd op haar hand en tuurde.

--Binnen!, zeî ze, ... zoo, Mietje, ...

--Hier is Fik, mevrouw ... Hij is al-door heel zoet geweest.

--Geef 'em maar 'es hier, ik hoop dat ik 'm zal kunnen houden. Mathilde schoof zich met éen voet wat van de tafel en met een inspanning zette zij het kind op haar schoot en gaf hem flauwe zoenen. Zij hield hem lang tegen zich aan gedrukt, in een stilte, en had hem lief, met groote starre oogen. Zij had juist nu het gevoel van den dood, zoo als zij het dikwijls had tegenwoordig. Haar gezicht, in een ernst die het verouderde, dacht aan de toekomst. Zij had smartelijke gedachten, die zij aangenaam vond als mooye liedjes. Zoo zag zij altijd tegenwoordig op de binnenplaats vogels, die hun jongen verzorgden en voedden in den winter, in muurgaten, en zij vond pijnlijk dat zij dat haar kind niet ook kon doen. Zij dacht, of Jozef Felix wel goed zoû opvoeden en er een braaf en flink man van maken na haar dood. Toen werd ze moe, leunde meer in haar stoel, gaf het kind aan Marie te-rug.

--Zie zoo, dag mevrouw ...

--Kom je dan om een uur of vier van middag nog eens te-rug, Marie?

--Ja zeker mevrouw, zeker.

Mathilde hield er niet van in haar tegenwoordigheid door de menschen beklaagd en achter haar rug bepraat te worden. Daarom wilde zij geen visites hebben. Altijd werden de kennissen wechgestuurd met de boodschap, dat mevrouw belet had, dat mevrouw te ziek was. Mathilde wilde alleen zijn met haar ziekte. Later, als ze weêr gezond en flink zoû zijn, zouden de menschen haar wel weêr zien. De kennissen deden dan vergeefsche pogingen en bleven ten laatste van zelf wech. Alleen Marius, de kantoorbediende van Jozef, die anderhalf jaar geleden toen ook op hun feestje was geweest en dat gedicht op het huwelijk had voorgedragen, liet zich niet ontmoedigen, maar drong er onophoudelijk bij Jozef op aan toch éens het voorrecht te mogen hebben mevrouw in haar ongesteldheid te bezoeken. Jozef sprak er Mathilde een paar maal over. Eerst woû zij niet. Waarom die jongen eerder dan een ander? Jozef verhaalde dan, dat Marius gezegd had, dat hij hoopte mevrouw, die zich wel erg moest vervelen, misschien wat afleiding te kunnen bezorgen. Hij meende gemerkt te hebben, dat het in der tijd door hem voorgedragen gedicht mevrouw wel een beetje bevallen had; nu kon hij haar misschien nog iets voorlezen, of zoo. Mathilde lachte hij dat idee. Waarom hield die Marius toch zoo aan? Wat had hij toch? Had hij dan zoo'n medelijden met haar? Goeye jongen!

Een dinsdag-middag na de Beurs werd Marius toegelaten. Onhoorbaar, als met een vinger van was, werd er op de deur van de ziekenkamer geklopt. Binnen! De kruk van de deur bewoog aarzelend en opende zich zoetjes met het geluid van een haastig, herhaald voeten-vegen. Zijn blonde hoofd een beetje gebogen, in zijn daagsch jasje, een breede versleten zwarten das onder een schoonen aan den hals rafelenden boord, kwam Marius met een linkschen stap binnen.

Mevr ... hij kuchte, ... mevrouw, ik ben zoo vrij, om ...

--Ik dank u wel voor uw belangstelling, meneer Marius, gaat u even zitten.

--O, ... mevrouw ...

Uit verlegenheid ging hij, langzaam neêrzijgend op een stoel, zich schamend en rood wordend over een gaatje in zijn schoenen, vlak bij Mathilde zitten.

--Ja, mevrouw, ik woû eens komen vragen, hoe het met u gaat ... u is altijd zoo lief en goed voor ons geweest, mijn zuster zoû ook wel komen, als zij mocht ...

--Ja, meneer, u begrijpt, ik heb veel rust noodig, en ...

Hij viel haar in de rede:

--O, mevrouw, maar ik zal heel zacht spreken, ziet u, ik begrijp heel goed, dat u het anders ... als men ziek is, niet waar, dan hindert de minste kleinigheid.