# Een liefde

## Part 17

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-liefde-10820/index.md

Intusschen scheen het gedurende den tijd van haar zwangerschap, dat haar liefde voor Jozef groeide, groeide, groeide, samen met het kind onder haar hart. Had zij Jozef niet lief, meer dan alles wat zij hoorde en zag en ondervond, meer dan haar leven-zelf? Maar zij voelde zoo iets, als was zij nu pas bezig het groote bewijs van haar liefde te geven, als zoû dat wezentje, dat, zonder haar wil, zonder haar toestemming maar toch door haar werd gemaakt, de levende getuigenis er van zijn, dat zij zich voor altijd aan hem had wech gegeven. Ook beijverde zij zich om hem uren achtereen sterk aan te zien en altijd zijn uiterlijk voor haar verbeelding te hebben, als hij er niet was over-dag of 's nachts als het donker was. Want zij wilde, dat het kind, het mocht dan een jongen of een meisje worden, zoo veel mogelijk op hem lijken zoû. Als zij mekaâr aan 't liefkozen waren, schoof Mathilde zich wel zachtjes op Jozefs schoot, drukte haar voorhoofd tegen het zijne en liet zijn blikken langen tijd in haar oogen rusten. Zij dacht, dat zij, zoo, veel van zijn leven in zich op zoû nemen. Jozef trachtte hun leven in deze omstandigheden zoo in te richten, dat Mathilde nooit het minste verdriet, of zorg of inspanning, had. Toen zij in de vierde maand van haar zwangerschap was, en de vijfde, en de zesde, zonderden zij zich met hun tweeën heelemaal af. Jozefs bekommering werd overdreven; het begon met dat hij volstrekt niet wilde, dat zij menschen bij hun vroegen; later veroorloofde hij haar nog alleen kleine wandelingetjes te doen, eindelijk verlangde hij, dat zij absolute rust nam. Tusschenbeide 's avonds maakten zij nog een klein loopje samen, maar eindelijk dat ook niet eens meer. Hij dreef het tot in het kinderachtige door. Als er iets te krijgen was buiten de kamer waar zij zaten, dan deed hij het. Woû zij iets hebben waar zij niet bij kon met haar handen, dan stond hij op, om 't haar aan te geven. Om een haverklap werd de meid gescheld, en de stal-houder had gedurende wel een negen weken een bizonder goeden klant aan de Van Wildens.

De aanstaande geboorte van zijn kind maakte Jozef niet blij. Hij gaf daar weinig om, 't deed hem alleen een beetje pleizier, om dat hij zag, hoe gelukkig het Mathilde maakte. Ondertusschen, al bekende hij 't zich zelf nauwelijks, vond hij heel naar, dat er zoo'n verandering in zijn huishouden zoû komen. Hij keurde het af, hij vond het vreemd, maar 't wás waar, dat hij, voor hij wist niet hoeveel niet, gedurende dezen tijd een van zijn vrienden in het gezelschap van Mathilde zoû gebracht hebben. Als hij met haar samen was, in een van die oogenblikken, dat zij in zijn arm stond met haar hoofd achterover, haar mond half open en hij haar kuste eenmaal, tweemaal, tienmaal, vijftigmaal, en zij, half bedwelmd, zich dan tegen hem aan liet vallen, dan schrikte hij, dan was 't of plotseling zijn liefde hem ontzonk, of hij maar gezoend had om te spelen. En dan kon hij haar nog alleen maar met een gemaakte zachtheid van zich wechduwen en zelf de kamer uitgaan om ergens in een andere kamer, boos, te gaan zitten en zich af te vragen, wat hem toch scheelde, dat Mathilde toch lief en mooi was altijd, dat hij haar juist dankbaar moest zijn, heel dankbaar, voor zoo veel goedheid, zoo veel toewijding, zoo veel liefde, en voor de pijn, die zij waarschijnlijk nog te lijden zoû hebben. Soms wist hij zich te overwinnen, dan gaf hij zich moeite om al de liefde, die hij voor haar voelde, zijn denken te doen vullen en dat andere gevoel te doen verdringen. Dan zag hij alleen haar oogen, haar mond, hield van haar als altijd. Ook merkte zij niets van die weêrzinbewegingen in zijn gemoed. Voor haar bleef hij dezelfde, dag in dag uit, Vol voorkomendheid, vol zorg, vol teederheid.

Mathilde hield in zich zelf eindelooze beschouwingen over de waarschijnlijkheid van dat haar kind, naar liet uiterlijk of het innerlijk, zus of zóo zoû wezen. Ook sprak zij er met Jozef over. Dan waren dat gesprekken, die een, twee uren achter elkaâr duurden, vervuld van illuzies, van lachende droomen, van rozige gedachten, van hemelsblauwe veronderstellingen en schitterende voorspellingen. Zij wilde bepaald een jongen hebben, een zoon, die heelemaal een kleine Jozef zoû wezen, die haar van twee Jozeffen omgeven zoû doen zijn; de eene groot, forsch, breed, in den bloei en de kracht van zijn leven, de andere klein, teêr, tenger, met den bloesem van de jeugd op zijn gezichtje, en die beiden toch maar éen Jozef zouden zijn, daar de éene den anderen had gemaakt alleen in liefde voor haar. Hij zeide meer naar een meisje te verlangen, nu al pleizier te hebben hij het idee van éens te zullen kunnen zeggen: "mijn dochter doet dit, mijn dochter doet dat, mag ik u mijn dochter voorstellen?" Maar hij verlangde lang zoo vurig niet naar dat kind als zij; ook was zij, bij zulke gesprekken, bijna voortdurend alleen aan 't woord, haar mond stond niet stil, en Jozef werd eindelijk alleen verzocht telkens toe te stemmen, als zij hem iets vroeg: niet waar?, hè?, vin-je ook niet? Hij knikte maar glimlachend ja en gaf haar het grootste gelijk van de wereld. Hij vond het niet vervelend haar zoo aan te hooren en verder niets te doen, maar om het onderwerp van haar gesprek gaf hij minder dan om haar zelve. Hij nam met genoegen waar, hoe vol zij was van hèt leven, hoe gezond en zacht gelkeurd haar wangen er uitzagen, hoe zeer hij en zijn kindje, dat zoû geboren worden, de eenige dingen waren, waarmeê haar lieve hoofd zich bezighield, en hij dacht telkens: jongen, wat heb ik het toch goed getroffen ik heb een allerliefste vrouw! Ondertusschen praatte zij voort: de jongen zoû dus groote blauwe oogen hebben en bruin haar, misschien een krullebol. Hij zoû stellig den mooyen neus en ooren krijgen van zijn vader, maar vooreerst zoû daar nog wel weinig van te bespeuren zijn. Hier kwam nu het gesprek op den toestand van een pasgeboren kind. Mathilde had zoo iets nog nooit gezien; nu beduidde Jozef haar, dat zij zich daarvan geen illuzies moest maken. Hij vertelde haar hoe zoo'n wezentje was, met zijn rood rimpelig vel, zijn vreemde oogjes, meestal gesloten, zijn hoofd zonder haar, zijn mondje zonder tanden, bibberend en schreeuwend in de wereld komende. Maar zij wilde hier eerst liever niet van hooren. Maar later verzekerde ze, dat, hoe het kindje er ook uit mocht zien, zij er toch dadelijk vreeselijk veel van zoû houden. Eéns voelde zij den schrik voor het viezige, het wezenloze, het dierlijke van zoo'n pasgeboren kindje, maar zij was al gauw weêr vol vertrouwen; als zij Jozef onophoudelijk en met zóo-veel liefde aankeek en zijn uiterlijk voortdurend op nieuw in zich opnam, dan zoû, dan moest het kindje mooi wezen van het eerste uur van zijn geboorte af. Wat een heerlijke jaren zouden er nu voor haar komen! Door het leven te gaan tusschen haar man en haar kind! Aan den eenen kant een knappe, lieve man, die haar in alles steunde en beschermde, en raad gaf, aan den anderen een blond jongetje, dat om haar heen dartelde en haar zijn lieve moeder noemde. Wat zoû het goed staan tegenover de menschen, zoo'n familie te zijn Eerst zoû het kindje, natuurlijk in de lange witte kleêren worden gekleed. Zij was al bezig daarvoor te zorgen. Heele middagen zat zij er aan te werken, en telkens klonk de vermanende stem van Jozef er door heen, dat zij het zich niet te druk mocht maken. Terwijl zij, een zilveren vingerhoedje om den middel-vinger van haar rechter hand, de slanke glimmende naald tusschen haar wijsvinger en duim gedrukt hield, naaide zij met regelmatige steken, op en neêr met haar hand, op en neêr. Wanneer zij het linnen en batist, de wol en de kanten op die wijze hanteerde en fatsoeneerde, stelde zij zich voor hoe, in een niet ver verschiet, die dingen om de poezele blanke leedjes van haar kindje heen zouden gewikkeld zijn, en zat zij met een heelen stapel wit goed op haar schoot, dat, door elkaâr, in een berg van plooyen, tot aan haar kin kwam, dan verbeeldde zij zich, daar al een rond ventje onder te hebben liggen, een huidje te voelen, met een jonge, reine warmte. Jozef was er eerst tegen geweest, dat zij- zelf al die kleêrtjes maken zoû, maar als hij haar nu, na dat zij het toch doorgedreven had, aan den gang zag, en haar lieve gezicht boven al die zuivere witheid uit zag komen, vond hij 't toch wel aardig.

Later zoû het jongetje, want, neen, nu zonder gek-heid, het moest een zoon wezen, zij was er zeker van, later dan zoû hij vooral het liefste zijn--en over dezen tijd sprak zij het graâgst met Jozef--als hij zoû kunnen spreken en zij, de ouders, zijn verstand langzamerhand voor den dag zouden zien komen. Dan zoû Jozef hem, och heer, met allerlei nietsjes, maar die een heele wereld in zich sluiten voor kinderooren, inwijden in het begrip van de dingen van het dagelijksch leven, van zijn omgeving. Zij zag hem al van hier aan Jozefs knieën staan, met groote oogen aandachtig luisterend. Zij zoû hoofdzakelijk zorgen voor dat hij braaf werd en gezond. Vóor alles zoû zij hem de liefde leeren voor zijn vader. Zij zoû hem zeggen, hoe goed en lief Jozef is, hoe haar, zijn moeder, niemant dierbaarder was, hoe hij alles aan zijn vader te danken had, wat pleizierig voor hem was. Zij zoû vooral van haar zoon een tweeden mensch vol liefde voor Jozef maken.

De vraagstukken van opvoeding kwamen op in Jozef en Mathildes gesprekken. Mathilde was bepaald en onveranderlijk voor een strenge opvoeding. Zij was daar tegenwoordig 's avonds druk over aan 't lezen. Op haar verlangen kocht Jozef, die daarmeê lachte, een paar nieuwe boekwerken over opvoeding. Jozef was voor de zachte, toegeeflijke methode. Hij vond, dat pakken slaag te geven en in een hoek te zetten een kind niet beter maakte. Maar hij woû zich wel onderwerpen, zeî hij, hij liet háar de beslissing over. "Zachte chirurgijns maken stinkende wonden", zeî Mathilde iederen keer, waarop Jozef dan altijd begon met te andwoorden, dat een gewonde en een chirurgijn in een heel andere verhouding tot mekaâr staan als een ouder tot zijn kindje, dat alleen het zooveel mogelijk vrijheid laten en het door redeneering fouten onder het oog brengen een kind tot een waren man maakte, maar daartegen had zij bizonder veel dingen te zeggen: dat een kind voor geen redeneering vatbaar was, dat men zijn kind niet liefhad, zoo men het niet strafte, dat alleen hij, die eens zelf door kastijding had leeren gehoorzamen, later in staat was goed op te voeden, dat men anders onmogelijk een kind braaf kon maken, onmogelijk, dat men, strafte men niet, de liefde en eerbied voor de ouders zelf uit het gemoed van liet kind bande, dat men op die manier zijn gezach verloor, en nog duizend redenen meer, zoo dat hij ten laatste haar maar een zoen gaf, om er een einde aan te maken. Maar zij hield niet op vóor hij zeî: je hebt gelijk. En dan was zij eigenlijk nog niet te vrede, dan moest hij haar beloven, bepaald plechtig beloven, dat hij streng zoû wezen. Hij begon te lachen, maar zij bleef hoogst ernstig; ten slotte beloofde hij alles.

Van God de Heer was weinig sprake als Mathilde dacht en sprak over haar kind. Het was zonderling, maar alleen bij de gedachte aan haar vader kwam er een God, haar God, te pas. Met haar laatste groote droefheid, verflauwde ook haar godsdienstzin. Wanneer zij gelukkig was scheen zij geen andere behoefte te hebben, dan die door het haar omgevende aardsche werden vervuld.

De laatste maand voor haar bevalling was Mathilde in een hijgende, zenuwachtige afwachting. Haar kind, haar eerste kind zoû geboren worden. O, wat ging die tijd langzaam!

Jozef vond, dat het nu waarachtig langzamerhand lang genoeg begon te duren. Hij woû maar, dat Mathilde gauw weêr elegant en slank zoû zijn, dat hij zich weêr in 't publiek met haar zoû kunnen vertoonen, in de komedie en op koncerten, en dat iedereen dan weêr zoû zeggen: wie is toch die man, die heer daar, met die prachtige vrouw aan zijn arm. Hij vond, stil voor zich, den toestand toch eigenlijk zoo lammelendig. Intusschen hield hij haar trouw gezelschap tot het einde toe. Hij was altijd op kantoor en thuis. Hij kocht een wieg voor haar. 's Avonds las hij haar voor; zij gingen vroeg naar bed.

X.

't Was in 't midden van een nacht, dat de bevalling gebeurde. De dokter had Jozef, die zenuwachtig was, uit de slaapkamer laten gaan. Hij zoû den vader wel komen waarschuwen, als het zoo ver was, had hij gezegd. Jozef was, in zijn sjamberloek, beneden naar de zaal gegaan. Waarom juist daar-na toe, dat wist hij zelf niet. Hij had een gaspit opgestoken en drentelde in het zwakke licht heen en weêr over het dikke tapijt. Nu eigenlijk scheen hij pas goed over hetgeen er boven ging gebeuren na te denken. Hij vroeg zich af, wat er het gevolg van zoû wezen. Zijn blikken gingen langs de lambrizeeringen, langs de zoldering en den vloer, over de schilderijen, alsof dat nieuwigheden waren. Eigenlijk keek hij naar niets, maar luisterde naar de geruchten die van boven kwamen. Die lieve, goede Mathilde, wat stond zij misschien nu een pijn uit. Maar hij kon haar niet helpen, men moest afwachten de dingen, die komen zouden. 't Was een elllendig iets, dat kinderen krijgen! Hoe jammer, dat het niet gemakkelijker kon en zonder zooveel schade! Hij hoopte nu maar in Godsnaam, dat Mathildes lichaam er niet te veel onder lijden zoû. De tijd ruîschte in de nacht-stilte om hem heen voorbij. Daar dacht hij aan de namen, die hij met Mathilde afgesproken had, dat het kind zoû krijgen. Was het een meisje, dan zoû zij Agnes heeten, naar zijn moeder, die nu al vijftien jaar dood was. Werd er een jongen geboren, dan zoû 't Bernard zijn, met nog een paar onverschillige namen er achter, naar háar vader. Maar weêr schudde hij voor zelf neen! Hij had er zich niet meê kunnen vereenigen. Bernard was veel te burgerlijk. Hij wilde zijn zoon een voornamer, een buitengewonen naam geven. Iets van Felix of zoo. Felix, dat was mooi, dat klonk. Kreeg de jongen later zijn eigen visite-kaartjes, dan zoû daarop gegraveerd staan: Felix van Wilden, of in 't fransch, nog beter: Mr. Félix, met den klemtoon op ix, Mr. Félix van Wilden! Jozef zag zijn zoon al voor zich, in een elegant jasje, een jonge man van twintig jaar, naast hem, ook nog jong, ook in een elegant pak, misschien met enkele grijze haren, samen op straat, samen op reis ... En hij vergat Mathilde voor een oogenblik.

De dokter stapte door den gang, maakte de deur van de zaal open; op zijn eenen voet vooroverbuigend, zijn hoofd door de opening, riep hij luid naar binnen, opgewonden: Vadertje, geluk met je zoon, hoor! Hij sloot de deur en ging gauw naar boven terug; Jozef hem na.

De slaapkamer was langwerpig, met twee ramen naar de binnenplaats, tegenover de deur. Het was er donker-groen: de venster-en bedgordijnen, het tafelkleed en de stoelbekleeding waren donker-groen, ook de ondergrond van het tapijt. Er stonden twee groote en twee kleinere antieke kasten tegen de wanden. Een olielamp brandde nu op de tafel in 't midden; voor het bed grilde de schaduw van den ovalen kapspiegel op de tafel. Twee kaarsen tongevlamden op de latafel tegenover het ledikant, voor het apotheek-kastje. Toen Jozef binnenkwam, was de baker voor de tafel geknield. Zij hield het kind er boven in haar linkerhand en wond hem met haar andere in witte en gele doekjes. Met haar zeer klein hoofd, als geklonken in haar stijve kornet, leunde zij met haar eene hand op de tafel, boven het kind gebogen, wiens hoofdje nu nog alleen zichtbaar bleef. De baker stak haar vinger in den mond van het kind, en, zeer op de hoogte met haar kleine grijze oogen, zeide zij, dat er al een tand in het mondje zat en het kind dus met een tand was geboren. Dit scheen den dokter, die, tegenover de vrouwen aan de tafel, aan 't uitzoeken van het linnen-goed was, dat Mathilde nu eenigen tijd moest dragen, niet te verwonderen.

Na het kind even bekeken en bevoeld en zijn wangentjes gezoend te hebben, ging Jozef zachtjes naar het bed, en draaide zich in de dichtgeschoven gordijnen. Mathilde lag in de groene duisternis, stijf in de schoone witte lakens. Zij hijgde zachtjes, haar haren, als een kronkelende zwarte plas, veel en verward over het kussen. Zij zag erg wit.

--Mathilde, ik dank je wel, fluisterde hij en hij kuste haar.

Maar haar lippen beefden en waren koud, en hij dacht in-éens, hij wist niet waarom, dat ze er wel eens van dood zoû kunnen gaan. Hij leî zijn hand in haar haar op het kussen en vroeg:

--Hoe voel-je je?

--Uitgeput, erg uitgeput ...

Zij bleef roerloos liggen en zeî daarna, hartelijk, angstig, langzaam, de zeurige woorden, die pas bevallen vrouwen spreken:

--Jos, ik weet niet hoe 't af zal loopen, maar mocht ik dood gaan, zorg dan goed voor ons kind! Als ik kon, dan zoû ik het je knielend vragen. Maar beloof 't me, Jozef, maak, dat hij godsdienst heeft ... Be-loof 't me ...

--Hoe kan je nu zoo spreken?, vroeg hij, ons leven begint nu pas goed en je denkt om te sterven!

--Ik voel dat ik heel goed van-nacht kan sterven, andwoordde zij.

Toen werd ook hij vreeselijk zenuwachtig, beiden in de kinderlijke aandoening van den hevigen toestand: nee, nee, dat kan niet! zeî hij hard, en hij zoende fel haar gezicht, haar aan haar schouders vattende. De dokter en de baker kwamen er bij. De dokter had het gordijn wechgeschoven, hij trok Jozef bij zijn arm bedaard van het bed te-rug. Maar Jozef rukte zich los en riep, huilend:

--Maar, ze sterft! waarom heeft u me dat niet gezeid? O, God, o, God, wat moet ik doen? Ze is koud, dokter, zoo koud als ijs, zeg ik u, en kijkt u d'r oogen eens!

--Maar, 't is niets, hoegenaamd niets, zeî de dokter, dat hebben bevallen vrouwen altijd!

--O, ja, zeî de baker, dat wil de natuur zoo.

Zij stond op en hield het kind voor zich uit.

--Hier, moedertje, kijk maar eens naar je jongen.

Zij tilde het kind in bed, voor Mathildes gezicht. Maar Mathilde scheen er niets van te merken.

--Is het wezenlijk zoo? vroeg Jozef, zal ze beter worden? U moet me niet foppen, meneer!

--Absolute rust en kalmte om haar heen is noodzakelijk, zeî de dokter, dan zal zij gauw weêr heelemaal in orde zijn.

Jozef ging naar de baker, nam het kind op zijn handen en bekeek het nauwkeurig. Mijn gezicht! zeî hij zachtjes, ofschoon daar nog volstrekt niets van te zien was. Hij zoende het kind, en gaf het aan de baker te-rug. Daarna ging hij naar de logeerkamer, waar hij nu de eerste nachten zoû slapen. Hij was erg moei, maar hij kon toch niet in slaap komen. Na een uur van onrust, toen zijn zenuwen een beetje tot bedaren kwamen, ging hij nog toch eens op zijn kousen kijken, of Mathilde sliep.

De lamp en een van de kaarsen waren uit in de kraamkamer en de andere kaars stond op tafel, vanwaar zij een vaal licht door de kamer verspreidde. Naast het ledikant stond het wiegje, waarin het kind sliep. De vroedvrouw, die eigenlijk bij de verlossing niet geholpen had, en die Jozef, ongewend aan bevallingsmaatregelen, er maar voor alle sekuriteit bij genomen had, en ook om dat zij zoo goed waken kon met-een, zat in een hoekje met strak open oogen, roer-loos-wakker. Jozef kwam aan het bed, en, stil de gordijnen een beetje wechschuivende, boog hij zich over de wieg heen en bespiedde Mathildes gezicht. Zij lag nog altijd onbewegelijk in dezelfde houding, met dichte oogen; zij sliep. Hij luisterde óplettend ... Haar ademhaling ging zachtjes en regelmatig. Noch even bleef hij staan en bezag haar, teeder.

Toen hij weêr in bed lag, gaf hij zich pas rekenschap van zijn aandoeningen. Hij had Mathilde dan toch wèl lief. Hij bracht een nacht vol angsten door. Neen, maar wat ging er nu gebeuren! Daar had hij allerminst op gerekend, een zieke vrouw in huis! Hij sliep eindelijk vermoeid in, om weêr met hoofdpijn wakker te worden, laat in den volgenden morgen.

* * * * *

Gedurende den kraamtijd en nog weken daarna verveelde Jozef zich gruwelijk in zijn huis. Mathilde was eenvoudig ziek en herstelde maar niet. Dokter Hansen had om een konsult met professoren gevraagd, dat gebeurd was. De uitslag was: Mathilde had een hart-ziekte opgedaan, misschien voor altijd. Zij moest die al onder haar leden hebben gehad en misschien van een van haar ouders of grootouders hebben overgeërfd. Daarbij hadden hevige koortsen haar vreeselijk verzwakt. Zij had kongesties naar haar hoofd, en duizelingen. Tweemaal daags werden er ijskompressen boven op haar schedel gedrukt, om de gloeyingen te bekoelen. Zij was zóo uitgeput, dat zij alleen heel zachtjes praten kon en dadelijk weêr moest zwijgen na dat men begrepen had, wat zij verlangde. In de ziekenkamer was een volte en een drukte. In de eerste week had Mathilde volstrekt geweigerd het wiegje uit haar kamer te laten wechnemen. Zij wilde haar kind onophoudelijk bij zich hebben. Het moest liggen onder het bereik van haar blikken. Het kind schreeuwde nu dikwijls lang achter mekaâr, als het niet sliep. Dan kwam Marie, het boeren-meisje, dat als min aangenomen was, hief het kind op in haar armen, drukte het aan haar borsten, suste en zoogde het. En telkens zeî Mathilde, in de halsstarrigheid van haar koortsige gedachten, dat men haar Felix, zoo was het kind toch genoemd, zoû geven, dat hij dan wel dadelijk stil zoû zijn. Maar in de duisternis van het ledikant huilde het kind zóo erg, dat Mathilde het aan haar ooren niet uit kon houden en het dadelijk aan Marie te-ruggaf. Tweemaal per dag kwam de dokter, die altijd heel veel leven maakte, allerlei raad gaf en stadsnieuwtjes zonder einde te vertellen had. Jozef ging 's ochtends voor een paar uur naar 't kantoor, maar was overigens zijn meeste uren in de ziekenkamer, tusschen de wieg en het ledikant zittend, angstige blikken over Mathilde gooyend, ongeduldig en mis-moedig, haar zóo dikwijls vragende of zij nog geen beterschap voelde, dat het scheen, als wilde hij dáar-door de ziekte doen wijken. Hij had zelf Mathilde met de medicijnen willen helpen, inschenkend en aangevend. Elk half uur hoorde men hem het fleschje en den lepel bewegen. Hoeveel druppels ook weêr, mompelde hij, en noemde dan het aantal. Na dat zij den medicijn had ingenomen, staarde hij Mathilde aan soms, over het bed gebogen, als moest er een onmiddellijk uitwerking zichtbaar worden.

Maar al gauw werd het Jozef te bar uren achtereen in de duffe atmosfeer van de ziekenkamer onbewegelijk, stilzwijgend, hoorend allerlei vieze geluiden, met die doffe drukte om hem heen, te wezen. En hij ging wandelingetjes doen buiten, over de grachten, in de frissche lucht. Eens kwam hij Hasman tegen, die hem toch al een visite had gemaakt. Hasman wist hem meê te krijgen naar de club. Maar Jozef was de oude niet meer. Hij kon niet meer zoo lachen, niet meer van die geestigheden zeggen, zoo als vroeger. Eindelijk hield hij zich heelemaal stil aan het tafeltje, waarom zij zaten, en wilde heen. Hij moest naar zijn vrouw, hij moest naar de ziekenkamer. Wie weet wat er gebeurd kon, zijn, juist nu hij wech was. Jozef had geen rust, als hij niet bij 't ledikant zat, en, daar eenmaal zijnde, verveelde hij zich onbegrijpelijk erg. In een middag, dat hij weêr zijn gapen moest onderdrukken, slenterde hij de trap af naar beneden en ging zitten lezen. De glazen kast stond daar, vol boeken, en zijn glansende schrijftafel, nog bijna ongebruikt. Eens hield hij het zoo een vol uur uit. Toen kwam Marie:

--Meneer, mevrouw heeft zoo'n pijn. Zij laat vragen, of u even boven wil komen.

In een zucht sloeg hij het boek dicht.

--Och ... Jozef ... Jozef ... kom hier ... zeî Mathilde.

--Maar wat is 'et dan? vroeg hij.

--Zoo'n pijn, zoo'n pijn! hier ...

--Waar? in je rug?

--Nee hier,.... overal ... onder mijn borst ... en dan zoo'n akelig gevoel in mijn hoofd ... Net of er allemaal geronnen bloed in mijn achterhoofd zit ... En dan zoo'n pijn in mijn beenen. Mijn beenen zwellen op ... Ik weet 't niet, wat 't is. Mijn heele lichaam is ziek. Kom eens hier, buig je nog eens naar me toe.

--Wat dan? Wat woû je dan?

--Ik woû je een zoen geven. Och toe, och toe, blijf bij me zitten.

