# Een liefde

## Part 16

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-liefde-10820/index.md

De menschen waren nu weêr aan 't praten. Hasman en D'Ablaincourt hadden een kennis aan mevrouw van Borselen voorgesteld, en deze drie vormden nu een kringetje om haar heen. Eenige anderen hadden zich bij den schoorsteen geschaard. Twee leunden met hun ellebogen op den mantel en hadden hun handschoenen uitgetrokken. Een zeer jong een bedeesde menheer, de jongste bediende van Jozefs kantoor, dien hij poesseeren wilde maar nu zelfs nog had vergeten te groeten, had zich, bijna zonder dat iemant het merkte, bij het gezelschap gevoegd. Hij was zonder rok, maar droeg een gekleedde jas en zwarte das. Hij stond midden in de kamer met een soort van droefheid vóor zich uit te staren en wreef zijn roode heete handen op zijn rug zachtjes tegen mekaâr. Mathilde had hem al lang in het oog en woû hem een beetje uit de verlegenheid helpen. Zij stond op en ging, midden door de gasten, naar hem toe. Met glansjes van welwillendheid in haar gezicht sprak ze hem aan. Hij nam een hand van zijn rug en begon die aan zijn kin te houden, er kwam iets roods in zijn oogen. Hij had blond haar, voor deze gelegenheid met bizondere zorg naar de hoogte en achteren gestreken.

De menschen spraken nu zachter in allerlei afzonderlijke gesprekken; verscheiden heeren keken naar Mathilde in haar lange satijnen japon, blinkend midden in de kamer, hel onder het gele licht. Jozef kwam ook bij zijn vrouw en den bediende staan:

--Hee, Marinus, ik had je nog niet eens opgemerkt, je bent ook zoo stil, jongen.

--Och, meneer!

Mevrouw Berlage fluisterde tot mevrouw van Borselen achter haar waayer: Wie toch Mathildes naaister is?

Juist kwam Frits binnen, een groot blad vol glazen wijn en punch op zijn handen, waar hij, ernstig en zorgzaam, meé rond ging. Mevrouw van Borselen nam een glaasje rooden wijn.

--Zullen we u nu niet eens genieten, mevrouw, vroeg Jozef hoffelijk.

--Meneer, u weet niet, hoe 't me spijt, maar ik ben te verkouden.

--Kom, kom, het zal toch wel gaan, probeert u maar eens.

--Nee, wezenlijk! ... O, ik vind het zelf onaangenamer dan u denken zoudt.

--Kom, mevrouw, zeî mevrouw Berlage, doet u 't maar! en er kwamen van achteren verscheiden heeren en dames die de blonde weduwe van Borselen met smeekingen om toch iets te zingen overlaadden.

--Dat mooie lied van Heine door Schubert gekomponeerd, dat u zoo heerlijk voordraagt!

--Toe mevrouwtje, laat u niet zoo bidden.

Mevrouw van Borselen bleef weigeren. Zij kuchtte in haar neteldoekschen zakdoek, bewoog haar waayer zenuwachtig.

Een jonge dame, een bleek mager meisje, heel in 't zwart gekleed, zoû nu iets doen. Deze maakte geen enkel exkuus, maar, na een paar heeren verzocht te hebben een eindje op-zij te gaan staan, om dat ze dan vrijer was in haar gebaren, begon ze met een hel stemmetje een burgerlijk deuntje:

Wat is de liefde? Ik weet 't niet, mijn kind. Wat zegt de liefde? Zij spreekt niet, zij bemint!

Zonder de minste hapering bracht zij 't er af. Iedereen vond 'et bepaald leelijk. Toen het laatste koeplet gedaan was zeî niemant een woord. De dames, die in Jetjes, zoo heette het meisje, nabijheid zaten, prezen haar zeer: O, jufvrouw, wat was dat allerliefst! Hasman, die als een grappenmaker bekend stond, sprak zeer luid, een traan in zijn stem, van den anderen kant van de kamer, waar hij op een kanapee zat: Jongen, ja, jufvrouw, 't was heerlijk! U heeft me daar diep geroerd! Hasman was een eenigszins dikke heer, met een rooden snor. De blonde jongeling snapte zijn grap en wierp hem in al zijn verlegenheid een woedenden blik toe. Jetje was de zuster van den blonden jongeling. Terwijl men hier en daar een slokje wijn of limonade dronk en dan het glaasje weêr voorzichtig op de tafel, den schoorsteen of op de piano neêrzette, droegen nu twee officieren een samenspraak voor uit een fransch treurspel. Na hen kwam Hasman aan het woord, die, met behulp van twee stoelen, vertoonde hoe het in de Sint Anthonie-breêstraat toeging, wanneer een joodsche familie uit rijden ging en ze met zen achten in éen vigelant gingen.

--Die Hasman is onverbeterlijk, zeî Jozef en hij ging naar Hasman toe om hem als bedankje de hand te drukken, toen 't was afgeloopen.

Mathilde was weêr bij de dames Berlage en van Borselen gaan zitten. Zij leunde achterover in haar fauteuil en tuurde rond, zij was nog niet heelemaal te vrede. Zij was half en half bang, dat niet alle menschen erg veel pleizier hadden. Ook waren er wel al aardige dingen gezongen en gedeklameerd, maar er ontbrak blijkbaar nog iets, iets schitterends. Er werd in de groeyende hitte, scheen 't haar, algemeen gewacht op het glanspunt van de soiree. Het mooiste scheen zoo nog te moeten komen. Datgene, waarvan de vermelding naderhand als men er over sprak, tot herinneringsmiddel aan dezen avond zoû moeten dienen, was er nog niet geweest.

Jozef keek al-door naar Mathilde. Hij verveelde zich niet, hij had zich van den beginne af aan pleizierig bezig gehouden, want hij dacht, naar haar gezicht te oordeelen, dat Mathilde zich amuseerde. Hij merkte dat hij dezen avond bizonder veel van zijn vrouw hield. Hij had haar in langen tijd ook niet zóo mooi gezien, en zoo in 't oogloopend door een elk, door al zijn vrienden bewonderd.

Hij staarde haar aan, en daar kreeg hij de gedachte, dat zij volstrekt ook iets moest doen, dat aan haar nu de beurt was. Hij wilde het zeggen, maar hij begreep, gelukkig bij tijds, vond hij, dat het gepast was, als iemant van de andere menschen, en niet hij zelf, zijn vrouw verzocht iets van haar talent ten beste te geven. En plotseling nam hij het al die heeren kwalijk, dat zij dat nog niet hadden gedaan. Als ze 't eens vergaten! Neen, dat niet! Ze zoû, ze moest iets doen. Nu, hij zoû 't dan toch zelf maar zeggen. Hij vond, dat het er wel door kon.

--Mathilde, zeî hij, wil jij nu niet eens wat spelen?

--Wel zeker, heel graâg.

--O, ja! dat is heerlijk! riep Emilie, van uit het hoekje, waar Louis haar nu voor zich alleen hield.

--Zeker iets van Beethoven, mevrouw, vroeg mevrouw van Borselen, de sonnate Pathétique, b.v.?

--Dat heb ik zoo lang niet gespeeld, zeî Mathilde, wel in geen twee jaar. Mijn vader leefde nog ...

--Och toe, mevrouw, toe, het zal wel gaan ...

En midden door de welopgevoede stilte, ging Mathilde naar de piano.

Jozef ging vlak tegenover de piano aan de muur staan, bij de deur, zijn rug tegen het geschilderde behangsel. Jozef gedroeg zich als moest hij Mathilde nog het hof maken om haar te kunnen trouwen. Voortdurend keek hij naar dat lieve zwarte hoofd. Mathilde bladerde een beetje zenuwachtig door het muziekboek en zij keek waar 't begon, terwijl ze het papier vlak bij de kaarsevlam hield. Daar had zij 't gevonden en even keek zij Jozef aan.

Mathilde hield haar vingers al uitgestrekt over de toetsen. De menschen zaten in de rondte. Daar begon zij. Het was haar lievelingsstuk. Zij speelde het graâg en goed. Andante was de eerste maat. Langzaam en statig galmden de klanken aan. Klaar en helder tikte elke toets zijn deun, die uit de diepte en van de hoogte samenrolden tot een plechtig akkoord. Het scheen iets als een loflied, als een kerkgezang, als de verheerlijking van iets edels en groots, van iets bovennatuurlijks, iets als een hymne aan de eeuwige kuischheid en eenzaamheid. Mathilde zat kalm en stil. Haar vingers bewogen regelmatig over de toetsen. De muziek werd plotseling breeder, vol majesteit. Mathilde zag bleek en speelde hard. Zij kwam er heelemaal in. In een hoek van de kamer werd nog stilletjes door een paar heeren gefluisterd, en Jozef stond naar de punten van zijn schoenen te staren. De andere menschen waren aandachtig uit beleefdheid. Frits en Dientje waren aan de deur komen staan luisteren.

Toen was er in-éens in het muziekstuk, midden onder het zwaar-ernstig orgelen van de piano, een jeugdige en zoete toon, als een teeder fluitspel. Joedelend danste het een paar toonen ver en herhaalde zich dan en neuriede onder de breedere harmoniën door, als een leeuwerik die bij het einde van den nachtdienst, boven de donkere monnikken-hoofden naar het kerkgewelf zoû opvliegen. En het zwakke geluid verdubbelde en vermenigvuldigde zich en werd een geluid van groote teederheid en als in de verte verdwenen de laatste zware toonen. Toen overkwam Mathilde iets vreemds in haar hersens. Toen zij nog een kind was verbeeldde zij zich wel van paleizen en prachtige zalen en trappen, waarin allerlei wondermooye menschen in vreemd-rijke kleéren gingen. En als zij muziek speelde en zij was er goed in, zag zij weêr altijd zulke zaken. Nu was 't iets, dat als heel uit de verte tot haar naderde, gedragen door de melodiën. Zij voelde iets in zich van te moeten huilen en zij wist niet waarom. En het kwam nader en nader, stijgend in haar gedachte. Het was iets, dat uit de diepte van haar herinnering aankwam, zonder toch een gezicht uit de voorbijzijnde werkelijkheid te wezen. Het kwam in haar verbeelding in den vorm van een mensch, omsluyerd, omwolkt, onherkenbaar. Het was een poppetje, dat grooter en grooter werd, eindelijk zoo groot als een mensch, met prachtige, schitterende kleêren aan. Waar had zij zoo iets ooit gezien, in de komedie, gelezen in een boek, zij wist het niet. Het was een ridder, een koning, in oud kostuum, zoo als zij zich als kind altijd een koning had gedacht. Zij zag eerst zijden kousen en een broek van blauw fluweel, toen een degen met diamanten van-boven, toen de borst met gouden knoopen. En de purperen mantel zwaaide nog altijd voor het gezicht. Haar benevelde oogen keken over de muziek heen en in den goud- wasem van de kaarsen zag zij Jozefs gezicht alleen en zijn oogen, die haar liefkoosden. Zij werd bang, vreeselijk bang; het was of haar hersens braken. Zij speelde werktuigelijk voort, zij kende het stuk van buiten. Jozef was de koning, dien zij zag; zij had het al zooveel gehoopt. En een vreemde lach was over zijn gezicht, en over zijn hoofd, daar waren witte veêren. Zacht en licht zuisten de wijsjes door de kamer. Maar zij werden luider en feller in het allegro forte, en Mathilde hoorde de muziek als had zij niet zelf gespeeld. Het was als stroomde jubelend een vloed van zilveren golfjes uit de hoogte op haar neêr. De melodie was juichend en sterk als het hoornblazen van groene jagers, zij ging hooger en forscher als het trompetgeschal van de soldaten. Daar was hij dan, haar koning, haar geliefde, en al de dagen van geluk had zij dan vroeger nooit gevoeld en nu voelden zij ze allen samen. En voort, voort, werd het als uit een diamanten prisma op haar neêrgegoten. Zij wist niet meer, zij voelde zich niet zitten.

De menschen zaten zwijgend in de rondte. Zij hadden niet gedacht, dat het zoo mooi zoû zijn. De gashitte zweefde om hen heen. Zij zagen MathiIde en dan weêr beurtelings elkaâr aan. De heeren knikten goedkeurend. Hasman zeî zachtjes, dat Mathilde te opgewonden speelde. De oude heer Berlage kreeg het te kwaad van de warmte en keek naar de gaslichten, die aan zijn ooren sisten en in wier blauw middenpunt hij onophoudelijk nieuwe lichtspatjes zag blikkeren. Louis keek voor zich uit als een wezenloze. Drie heeren stonden als een zwarte versteende groep vóor mevrouw Berlage, hun rug naar haar toe gekeerd.

Er was een koorts in Mathilde gekomen, haar hoofd gloeide, haar oogen waren heet. Geen herinneringen waren het meer in haar. Zij voelde het tegenwoordige. Er waren geen vreemde verbeeldingen meer, het geluk was tegenwoordig. Zij zag voor zich uit: hij stond er nog hij was er meer dan ooit en zij staroogden naar elkaar. Haar spel werd sneller, luider, woester, een onbesuisde wind vol liefdewoorden scheen haar om haar heen te waayen. De maat werd impetuoso. Mathilde drukte de zware pedaal neêr; de heele pianokast scheen te trillen. Wat was 't toch, wat gebeurde er toch, hier van-avond, in de nieuwe blauwe kamer? Het was een storm van-binnen en een vuur dat haar verbrandde. Zij zag Jozef vlak voor haar staan in een wolk van lichtend blauw. Het was haar als gaf haar geest hem schroeyende kussen van verre. O, haar liefde, o haar liefde, wat deed het geluk een zeer! Maar al de menschen die daar waren, hadden haar gehoord! Had zij niet gezegd, daar zoo-even, hard-op, tegen hen allen, dat zij zooveel van Jozef hield? Ja, zij had het gezegd; zij had het zich hooren zeggen! Maar, was zij dan gek geworden! Haar vingers speelden de melodieën voort, zonder dat zij er bij dacht. Zij hadden de oude geliefde sonnate niet vergeten De melodiën trilden voort hoog door den walm der gaslichten, langs de vroolijk beschilderde wanden, en weefden zich in al het lichte blauwe satijn van de kamer. Plotseling hoorde Mathilde niets meer; zij zag haar vingers zonder beweging het stuk was uit.

Jozef vond dat Mathilde uitstekend had gespeeld en klapte in zijn handen, met de anderen meê. Mathilde stond op, de pianokruk viel om, en Jozef niet-eens ziende, wankelde ze hem voorbij en ging heel bleek op haar oude plaats zitten naast de oude mevrouw Berlage. De dames spraken erge komplimenten.

* * * * *

Van het kaartspelen van de heeren was niets gekomen. De oude heer Berlage had zich verveeld en drentelde op en neêr, door niemant aangesproken. De jonge blonde bediende, Marinus de Beer heette hij, voelde zich heelemaal overbluft, en zat met als opengespalkte oogen naar de piano te turen, als was daar iets heel bizonders meê gebeurd.

Nu begon liet gezelschap te kuchen en zachtjes-aan weêr te praten. Het was nu bepaald heet geworden. Er werd ijs gepresenteerd: wit vanielje-ijs, als natte sneeuwballen in de ronde kelken gedrukt, rood framboze-ijs, wat meer koekiger en zoetiger. In de zomerige stilte, tusschen de kwijnende konversatie door, hoorde men het bescheiden happen van de monden. Hasman kneep zijn oogen dicht om dat het ijs zoo koud was. Links en rechts werden kleine zinnen gezegd over het ijs en over het muziekstuk, als het eerste en schuchtere getjilp van musschen door de boomen na storm en regen.

* * * * *

Mathilde werd zich zelve weêr. Zij keek naar Jozef, die nog bij de muur stond, en glimlachte, en veegde met haar zakdoek haar mond af. Zij keek daarna om zich heen naar al die vreemde menschen, die verwonderd naar haar zagen om dat zij zoo bleek was.

De avond verstreek, eenige heeren waren in de gang gaan staan om de warmte en lachten daar, terwijl er een iets vertelde met luidruchtige gestikulatie. Dientje schoof voorbij en werd opgemerkt. De deur van de kamer bleef voortdurend open en de luidruchtigheid uit de gang ging langzamerhand ook naar de kamer over.

De dames dreven hun waayers, die ritselden en hijgden, voorbij hun verhitte gezichten. Algemeen kwam de muziek ter sprake. Men misprees Mathildes overdreven bescheidenheid, die de komplimenten afwees. Men verhaalde kwinkslagen uit de loopbaan van virtuosen en allerhande kunstenaars. Zoo kwam men weêr op de deklamatie. Het heele gezelschap nam aan het gesprek deel. De meesten waren gaan zitten en vormden een ovalen kring, Jozef was daar stilletjes tusschen gaan zitten.

--Apropos, Marinus, vroeg hij aan den blonden bediende, heb je niets meêgebracht?

--Och, kom, er zal wel iets in uw overjas steken, zeî Mathilde van d'overkant. Mag ik de knecht niet eens laten kijken?

Marinus werd zenuwachtig. Hij keek naar Jetje, om te weten, wat zij er van dacht. Deze, die nog verrukt was over de uitnemende ontvangst van haar bijdrage, knikte goedkeurend en aanmoedigend.

--Dan zal ik het zelf wel eventjes halen, meneer, zeî hij.

Hij bleef even wech. Zoo'n goede jongen, mompelde men, maar hij is een beetje bedeesd. Men maakte, dat Jetje het niet hoorde.

Marinus trad binnen en, dadelijk, maakte een buiging na aan 't einde van den kring te zijn gaan staan, en las iets voor. Hij hield een folio regelmatig beschreven stuk papier in zijn hand, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Het was een vers van hem zelf, dat hij voorlas. Het onderwerp was de huwelijksmin van zijn patroon en dat het pad met rozen bestrooid, hetwelk hij thans met mevrouw bewandelde, nimmer in een dorre woestenij mocht veranderen, maar steeds bloeyender en geuriger mocht worden tot aan het einde huns levens.

De heeren leden van de club, met hun gepommadeerde snorren, kwamen luisteren van uit de gang, en posteerden zich in zwierig-achteloze houding bij elkaar aan de deur. Zij glimlachten tegen mekaâr over de onbedreven onnoozelheid van den dichter.

Zoo eindigde Mathildes partijtje. Een kwartiertje na Marinus' voordracht kwamen de rijtuigen voor, en nog een kwartiertje later gingen de menschen, eentonig-vriendelijk afscheid-nemend, wech.

Frits en Dientje kregen samen 17.75 aan fooyen. Marinus en zijn zuster hadden samen vijftien stuivers gegeven.

IX.

Vier dagen na het soireetje, zat Jozef om half negen 's ochtends in hun ruime binnenkamer aan de ontbijttafel het Handelsblad te lezen. Het was er hoog van verdieping en een reine, onbenauwde warmte werd door de donker-porceleinen kachel verspreid. Jozef had uitstekend geslapen, was heerlijk zacht geschoren, had een lauw bad genomen, zijn mond gespoeld met Eau Botot, en was, in zijn gestreepte sjamberloek, op zijn dofblauwe stijf-leeren, van korte hakken voorziene huis-schoenen naar beneden gegaan, waar hij op Mathilde wachtte. Hij had zijn snor voor den spiegel nog even zwierig opgedraaid en was nu aandachtig de koerant aan 't lezen, zijn éene hand op het krakend-witte dekkertje, de andere voor zich uit over de leuning van zijn stoel, waar hij een beetje schuin op zat. Nu en dan dwaalde zijn blik ter zijde van de politieke artikelen of van de telegrammen af, om met te-vredenheid de toppen van zijn duim en wijsvinger te bekijken, met hun gladde licht-roode puntig-blank versneden nagels. Hij was opgeruimd. Hij voelde zich doordrongen van een aangename levenswarmte. Versche broodjes, kaas, melk stonden dicht-bij hem klaar. De thee was gezet, een bleek-blauw doorzichtig dun kolommetje stoom rees naar boven uit de tuit van de theepot en werd een mistslangetje of wolkte wech in de kamer, als Jozef zijn koerant bewoog of diep ademhaalde. In een hoek neuriede het theewater. Alles om hem heen was nieuw, frisch, jeugdig en vol komfort: de gelakte kolen-en turfbakken, de donker-bruine dubbele deur, waardoor men in de voorkamer kwam, met haar gevlamde paneelen, de schrijftafel van Jozef, in den hoek bij 't venster, een kadoo op zijn verjaardag van Mathilde, de glazen boekenkast, die er naast stond, de zwarte pendule op den schoorsteen, met een bronzen ruitertje er op. Jozef keek naar de kachel, leî de krant even op de tafel over het brood en het theeservies heen, stond op; de kwasten van zijn sjamberloek bengelden langs zijn beenen, en hij stookte het vuur aan. Vier nog heelemaal heele koolen, van achteren zwarterig, vormden het vuur in de kom van de kachel en wat korsterige stukjes verbrokkelde kool lagen er om heen. Er knapperden vonken naar boven, in den rossen gloed hoorde hij een blakerend getik. Jozef bleef, even, aangenaam in het vuur kijken. Daarna stootte hij met den pook de knersende koolen tot gruis en gooide een vollen schep vettige inktige steenkolen er op neêr, die knetterend een dichten zwarten rook door de kachel verspreidden. Daarna ging Jozef weêr zitten. Hij had er een gloed van op zijn gezicht gekregen, die stil wechkoelde. Achter hem schenen koude winterzonnestralen over de muren van de binnenplaats. Beneden, door een venster dat daar uitkwam, zag hij Dientje bezig in de keuken met het glimmend kopergoed. Er kwam geen enkel geluid van buiten. Er reed op dit uur geen enkel rijtuig over dit gedeelte van de Heerengracht.

Daar bewoog de kruk van de deur, die zich met een licht gekraak opende. Mathilde kwam binnen in haar licht-grijze huisjapon, met de breede zwart-fluweelen hals-en handboorden.

--Hè, hier is 't heerlijk, zeî ze en wreef haar handen tegen mekaâr, waaraan toen de ringen schitterden, die zij van Jozef had gekregen.

--Ja, vin-je niet? andwoordde hij, Mathilde zoende Jozefs voorhoofd, terwijl hij zijn hand naar boven stak om de hare te vatten. Mathilde bleef even staan achter het theeblad, om te zien of alles voor het ontbijt in orde was. Zij schikte de kopjes op de schoteltjes en begon er, het hoofd naar voren gebogen, suiker in te scheppen. Maar er waren onrustige trekjes om haar mond en haar oogleden knipten ongewoon. Zij had iets te zeggen, maar het kon er nog niet goed uit. Zij schonk voor Jozef een van de witte kopjes met hun smal vergulden randjes vol thee, daarna een wolkje melk er door heen, en gaf het hem aan. Maar, toen hij het aannam en voor zijn bord neêrzette, deed zij schielijk een stap naar hem toe. Zij ging naast hem staan en leî haar handen op zijn schouders. Zij boog tot aan zijn oor en fluisterde:

--Ik moet je nog altijd iets zeggen.

--Zoo, wat dan, vroeg hij vriendelijk en belangstellend, en stuurde aandachtig zijn oogen schuin langs haar heen naar den wand, om goed op te letten.

Haar haren, die nog niet heelemaal opgemaakt waren, maar slapjes over haar voorhoofd hingen, raakten zijn wang.

--Ja, maar ik durf niet goed ... zal je niet boos worden?

--Wel nee, lieve kind, zeg 't maar gerust, heel hard-op!

--Nou, zeî ze met een verlegen lachje, als om zich zelve te verontschuldigen, en zij aarzelde nog, ... eindelijk, nog zachter: ik geloof, dat we niet meer alleen met ons tweeën zullen blijven in 't leven ... Zij keek hem aan, haar oogen dicht bij de zijnen, om te zien of hij 't begreep, daarna sloeg zij ze neêr, dicht over haar hand die op zijn schouder lag, als wilde zij haar vel nauwkeurig bekijken.

--Wat bedoel-je? vroeg hij, maar, zich plotseling herinnerende: zoû 't wezenlijk waar zijn?

Hij stond op om haar eens goed te bekijken. Zij klapte in haar handen, zich verlicht voelende, dat die tijding er uit was. Zij lachte.

--Je weet wel, een jaar geleden hebben we d'r al over gesproken! Heerlijk! Heerlijk!

Zij danste haast van blijdschap.

--O, heerlijk! zeî ze nog eens.

Zij zag hem sterk aan, met van vreugde vochtige oogen:

--We krijgen een kindje, wat zullen we gelukkig zijn, hè?

Hij beaamde goedig wat zij zeide en zoende haar wangen met roode en witte verdwijnende vlekjes.

Dat was een pleizierige dag voor Mathilde! Zij bleef van den ochtend tot het eten in de achterkamer lezen over opvoeding. Nu was 't dubbel jammer, dat vader niet meer leefde! En wat haar zelf aanging, zij wist het eigenlijk al lang, ten minste het vermoeden was zoo goed als weten geweest, maar nu voelde zij zich pas heel gelukkig, nu Jozef het ook wist.

* * * * *

