# Een liefde

## Part 15

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-liefde-10820/index.md

Emilie Hartse kwam af en toe visites maken bij Jozef en Mathilde, en Mathilde doorleefde een aangenaam kwartiertje, toen Emilie eens een heer meêbracht, Louis Berlage met wien zij geëngageerd was. Mathilde was toen bizonder hartelijk tegen Emilie en zij schenen groote vriendinnen.

Maar het gelukkigste voelde zich Mathilde als zij en Jozef alleen waren. En dat duurde maar voort, dag in dag uit. Mathilde was dronken van geluk. Zij voelde het stijgen van haar hart tot in haar keel en zij kon 't niet uitspreken, zóo overstelpte het haar. Al de warme liefde van hun engagementstijd en al het onbeschrijfelijk genot van de huwelijksreis schenen zich te vermengen en haar in een tweede natuur om te scheppen. Zij had hem eindeloos lief! Zoo zoû 't altijd blijven bij haar, dat voelde zij wel en zij schrok te-rug voor de macht van haar eigen gevoel. Alleen maar als hij naderde, schoot er als een vlam naar haar hoofd, en nam hij haar in zijn armen, dan leunde haar hoofd achterover tegen zijn schouder en weende van zaligheid. Ze zoû altijd bij hem hebben willen zijn, zij wilde altijd weten wat er in hem omging. Soms vroeg ze hem in-éens, half bedroefd: waar denk-je aan?, als ze een tijdje zwijgend bij elkaâr waren geweest. Dan deed 't haar verdriet van-zelf niet te weten wat hij dacht. En 's nachts, als zij te slapen lag tegen zijn borst, hief ze haar hoofd naar hem heen en fluisterde zoo zacht, zoo zacht als de gedachte: hoû-je van me? Hij moest het vijf maal, zes maal zeggen, dan vroeg ze hem om een zoen en sliep gerust in. En 's morgens, als zij was opgestaan en hij nog doorsliep, en ze ging even voor het venster kijken in de eerste frischheid van het ontwaken, dan, met de herinnering van den vorigen avond en het vooruitzicht van een daggelijk aan dien van gisteren, dan werd het haar te benauwd in haar gelukkig hart, dan moest het venster open al was het koud, dan moest ze ruim kunnen ademhalen, en de liefdevreugde, die blonk uit haar oogen, doen uitstralen in de open lucht.

Was zij vol kleine oplettendheden, zocht hij op allerlei manieren haar pleizieren te doen, haar liefde was vindingrijker. Zij dacht over alles, zij wist alles te raden en zijn wenschen te voorkomen. Zij ging 's middags nu dikwijls wandelingetjes doen, door de Damstraat en den Nieuwendijk en bracht iets voor hem meê, dat hij dan onder zijn servet vond liggen, aan het eten. Zoo had hij allang verlangd naar een horlogeketting. Zijn gouden had hij voor de rouw afgelegd. Nu had hij er nog wel een van platina, maar die besloeg, en beviel hem niet. Hij vergat maar altijd er zelf een te koopen of wel hij zag er alleen, die niet van zijn smaak waren. Na lang rondkijken had zij er eindelijk een uitgestald gezien en die gekocht: een breed zwart geribt lint, met enkele dofzilveren versierselen. Thuisgekomen, bevestigde zij het met haar slanke handjes aan zijn vest, en hij was er erg gelukkig meê.

--Telkens als je nu op je horloge kijkt, zeide Mathilde, moet-je nog eens speciaal aan mij denken, ... natuurlijk moet je altijd om mij denken, om dat ik zooveel, zooveel van je hoû, maar dan nog eens bizonder. Hij beloofde het.

Mathilde had ook een uitgebreide studie gemaakt van zijn gelief-koosde spijzen en dranken. Hij had niet graag, dat zij zelf veel in de keuken kwam. Van zulke duitsche zeden hield hij niet, beweerde hij, die zaken moesten aan de keukenmeid overgelaten blijven. Maar zij deed 't toch 's morgens, als zij wist, dat hij niet thuis komen zoû, en onder beurstijd. Hoorde zij dan maar even zijn huissleutel ritselen aan de voordeur, dan haastte zij zich de keuken uit en liet Jans verder begaan. Er waren twee soorten van pudding en éen manier om met kruiden ossevleesch te braden, daar hij erg op gesteld was; dit had zij gemerkt, om dat hij dat op reis zoo dikwijls had besteld. Telkens als deze spijzen nu op tafel kwamen, zag zij duidelijk aan Jozef, dat hij haar verdacht van weêr in de keuken te zijn geweest, maar zij ontkende ten stelligste, en na den eten kreeg zij er toch een zoen voor.

Zoo leefden zij, bijna onophoudelijk met hun tweeën alleen, het najaar en den winter en daarna weêr den zomer door. Intieme kennissen hadden zij niet; alleen van den ouden heer Berlage, den ingenieur Ster, mevrouw van Borselen en Emilie Hartse kregen zij een paar visites. Maar Jozef, die Mathilde zoo mooi vond en zoo dikwijls tegen haar zeî: wat ben je toch mooi!, Jozef, die ijdel was en van vertoon hield, begon langzamerhand naar meer menschen-zien te verlangen, om benijd te kunnen zijn.

Al dikwijls hadden Jozef en Mathilde over het nieuwe huis gesproken, dat zij in een niet al te verwijderde toekomst zouden betrekken, over dat huis, dat eigenlijk pas wezenlijk hun huis zoû zijn, heelemaal naar hun idee ingericht en gemeubeld. Telkens werd er weêr over gesproken en weêr. Mathilde volgde in alles Jozefs meening en Jozefs smaak, of wel zij had een nieuwe opmerking, die hij met geestdrift aannam. Maar er was nog niets besloten. Vooreerst werd de vraag behandeld, of men in de Vondelstraat-buurten een huis zoude zoeken of aan een van de mooye grachten, Heeren-of Keizersgracht. Mathilde, die verliefd was op alles wat "buiten" en "vrije" natuur heette, was wel eerst voor de nabijheid van het Vondelpark, maar, om dat Jozef van die meening was, vond ook zij ten laatste de hoofdgrachten nog deftiger, stiller, rijker, aangenamer.

Zij waren in de laatste zes weken van hun rouwtijd, in de lichte rouw, toen er op een goeden dag besloten werd, dat Jans een rijtuig zoû bestellen, waarmede Jozef en Mathilde huizen zouden gaan zien. Mathilde had dagelijks uit de koerant opgeteekend waar er huizen te huur of te koop stonden in de buurt, die zij hadden verkozen. Zij had dit lijstje in haar zak gestoken. Vier, vijf dagen achter-mekaâr werd er gereden en drentelden zij zich moê door vertrekken en portalen, trap op trap af in die ontmeubelde en verlaten woningen, met hun kale trappen en kale vensters en hier en daar vlekken op de vloer, die zoo een weemoedig aanzien hadden en aan het leven deden denken, wat er voor altijd uit wech was. Het gaf een heele beroering in hun stille samenleven. Mathilde dacht meer dan gewoonlijk aan haar vader gedurende dezen tijd.

Eindelijk was er een uitmundend huis gevonden op de Heerengracht bij de Spiegelstraat. Jozef huurde het voor acht-en twintig honderd gulden. Van toen af aan werd week aan week de drukte grooter. Dat waren maar van den eenen dag op den anderen dag bezoeken van den makelaar, van den timmerman, van den schilder, van den stucadoor, van den loodgieter. Dan moest Mathilde, op Jozefs verlangen, zich plotseling gauw aankleeden om meê te gaan overleggen over de veranderingen, die gemaakt zouden worden, of over nieuwigheden in den gang, of in de verdeeling der kamers, in de plafonds. Dán troonde hij haar weêr meê naar den behanger, naar den meubelmaker, waar zij vooral haar oordeel moest zeggen en zij alleen besluiten te nemen had. Dan weêr wandelden zij naar den winkel van schoorsteen-ornamenten, naar het magazijn van keukengerei. Mathilde had maar te bevelen en zij kóos en koos. Vroeg zij thuis aan Jozef eenigszins bedeesd, of ze niet te duur gekozen had, dan legde hij haar het zwijgen op. Over geldzaken zouden zij spreken, als ze eens goed en wel een paar gepozeerde getrouwde menschen waren geworden en in hún huis hun gezin hadden gevormd.

Met kleine bevingen van hoop zag Mathilde, wanneer zij dagelijks dien kant uitwandelde, de nieuwe woning zich in-en uitwendig voltooyen tot een mooi huis, tot een gebouw, dat in alles, in de minste bizonderheden, het huis van Jozef en haar zoû zijn, het huis van hun geluk. Zoo stelde zij het zich voor. En als zij opmerkte hoe de versche kleuren blonken en de spiegelruiten schitterden in de zon, dan zag zij er tegen op met een onuitsprekelijk verlangen. Zij telde de dagen, die haar nog van het nieuwe huis scheidden. Het was haar of zij Jozef nog niet genoeg liefhad, of het heerlijkste nog komen moest. Haar hoop en haar verlangen vermeerderden met den dag.

Zoo ging weêr de tijd voorbij. Zij waren al een paar maanden uit de rouw, toen eindelijk, eindelijk! het nieuwe huis werd betrokken.

VIII.

Een flink huis. Dat was me een drukte geweest, dat metselen en timmeren en schilderen en behangen en meubelen! Jozef vond, dat alles er recht goed in orde was, Mathilde vond het ook. Achter de hooge, zij 't ook niet dubbele stoep, kwam men binnen in den breeden marmeren gang, waar een gaslantaarn van matglas en koper nu een getemperd licht verspreidde. Daar vond men terstond aan zijn linker hand, de deur van den salon, Mathilde zeî "voorkamer", die op de straat uitzag.

Deze kamer, met de fijn geschilderde wandvlakken en de gedekoreerde zoldering, in lichte kleuren, met geelgouden randen, was vol frischheid en jeugdig leven. De schoorsteen, juist tegenover de deur, was hoog van dooraderd zwart marmer, met een rijkomlijste, uitstekend geslepen spiegel, vast aan den muur, er boven. Op den mantel stonden twee dunne pompadoer-vaasjes; in 't midden was er een half naakt herdertje in roode klei, wiens fraai gebogen rug en zware lange lokken door den spiegel werden weêrkaatst. Dunne lichtelijk versierde koperen gasarmen, die door porseleinen kaarsen vlammetjes uitwierpen, en een zwierige rankgetakte, aan een blauw satijnen strop hangende gaskroon van uit het hart der zoldering dalend, gaf dezen avond lachende glansen door de kamer. Poeffen, kleine divans en lage heelemaal gekapitonneerde leuningstoeltjes waren in een behagelijke wanorde over het rozig-blauwe tapijt gezet. Er waren stoelenzittingen van grijs-blauw satijn, met teedergetintte ruikertjes. Een zwart ebbenhouten tafeltje was op glazen rolletjes tot nog al dicht bij de ramen geschoven. Een koperen bloemvaasje dat zich delikaat en statig naar de hoogte ontplooide met een theerozen-ruiker er in, stond op die tafel. Breede dunne witte kanten strooken waren langs de ruiten ontrold. Hier achter drapeerden zich kanten overgordijnen, op de helft wechgeheven door zachtgouden banden en kwasten. Men zag op straat door een netwerk van vreemde figuren heen.

Een geur van feestelijke blijdschap en jonge hoop zwierde er door de kamer, een vreugde straalde van al het huisraad. 't Was 16 April, Jozefs verjaardag. Voor 't eerst dat Mathilde een partijtje gaf. Daar stond zij nu, haar eene hand aan de tafel geleund; haar rechtervoet durfde zij niet vast neêrzetten op de vloer, scheen 't, als knelde het schoentje haar, ten minste zij wiebelde er zoo wat meê heen en weêr. Daar stond zij nu, van licht-blauw satijn en witte kant omwikkeld, in het kostuum, dat overeenkwam met de kleuren van de kamer, meesteresse in haar eigen buis. Zoo als het satijn om haar lijf was gegleden waren er glansplekjes op als schenen de zoenen er door die Jozef, met zijn minnaarsliefde, op haar lichaam had gedrukt, en plooyen vol schaduw, die donker-blauw, haar hals-en armen-kleur mooyer maakten.

Jozef drentelde achter in de kamer, waar de piano stond, heen en weêr op zijn hielen, langzaam het hoofd naar voren buigend, zijn tong tusschen de lippen van pleizier. Hij was in zijn zwarten rok en witte das, uitstekend in orde. Hij had aan zijn snor gelikt en zeî:

--Nee, Thilde, als je zoo'n pijn hebt, dan dansen we maar niet.

--Maar, man, zie je dan niet, dat ik hier expres blijf staan en niet ga zitten, om je te laten zien dat mijn pijn heelemaal over is ...

--Hoû-je van me, Thilde? laten we dan niet dansen, want je voet zoû er stellig erger door worden ...

--Gut, ik voel niets meer ... wezenlijk niet ... je moet bepaald proponeeren om te dansen ... zal je 't nu doen?

Neen, knikte Jozef. Toen moest Mathilde iets verzinnen. Zij leunde plotseling niet meer op de tafel, en liep recht als een kaars, zonder verwikken of verwegen, naar Jozef toe. Vlak vóor hem, bleef zij staan:

--Ah, zoo! zie je 't?

--Lieve kind, zonder jouw wil ik niet dansen, en zelf dansen kun-jij toch niet, al loop je nu ook even door de kamer, met nog zooveel schijnbaar gemak.

Jozef hield ontzaglijk veel van dansen, dit wist zij. De laatste woorden waren hem nog niet uit den mond, of ze was om hem heen aan 't springen en huppelen over 't tapijt, zoo vlug als ze maar kon. Haar pijnlijke voet raakte geweldig de vloer en dan rilde het heele been en ruischte de satijn met een smartelijk gesis om haar leden. Hij bleef weigeren; maar zij, hijgend nog van de beweging, leî ze haar handen op zijn borst, en terwijl een wolkje van den boschviolen-geur, dien zij op haar zakdoek had, tegen zijn gezicht zweefde, en van haar oogen uit scheen te waayen, die als donkere violen waren, zweeg zij glimlachend.

--Kindlief, wat ben ik trotsch op je, zeî Jozef! we zullen dansen als razenden, want jij wilt 't om mij, en van-avond, als de menschen wech zijn, zal ik je voeten zoenen, tot je niets geen pijn meer voelt.

--Je bent goed ... ik hoû van je, ik hoû van je, andwoordde ze, en dadelijk hierna: daar zijn ze eindelijk! Zij hoorde de gasten aankomen.

In den gang wandelde een gehuurde knecht. Hij had een baard om zijn kin en een gewoon burgermans-geen knechtenkapsel. Hij droeg katoenen witte handschoenen, waarvan de knoopjes los hingen, om zijn boodschaphanden. Zijn schoenen waren niet puntig, meer breed, van voren. Dientje, de knappe werkmeid, was druk in de weêr. In de zaal, achter, stonden groote blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarin kleine gebakjes in witte papiertjes met uitgeschulpte randjes, op de tafel zonder kleed. Hiernaast blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarop stapeltjes boterhammetjes deels met galantine, deels met pâté de foie gras belegd; een vijf-en-twintigtal laage, wijde champagneglazen, een 40-tal gewone, mooi geslepen roode-wijn-en een 30-tal groene, antieke Rhijnwijn-glazen. Verder flesschen, lange en korte, met zilveren papieren om den hals en goud beletterde etiketten. Dientje met een helder voorschoot, in een katoentje, en een paars feestmutsje op, liet zich door Frits den knecht, terwijl hij in zijn te lange en lubbige vingertoppen kneep, verschillende ongepaste aardigheden zeggen, wanneer ze van de keukentrap naar de zaal ging en omgekeerd. Dan zorgde hij, dat hij bij de trap was, en als ze in de zaal verdween, bleef hij haar, zijn hoofd naar den linker schouder gebogen, met zijn kleine oogen glimlachend nastaren. Hij plukte dan eens aan zijn baard en kuyerde naar zijn standplaats te-rug om het "volk" af te wachten.

Drie rijtuigen hielden bijna te-gelijk voor de deur stil. De menschen verschenen met heele hoopjes bij mekaâr, als hadden zij 't afgesproken. Met giegelend-gefluisterde groeten en beleefdheidsbetuigingen schoven de dames, in sneeuwige mantels over de koude schouders en met hunne versierde hoofden naar de achterkamer om hun mantels af te doen. Frits wees den weg, na dat hij met zijn hoofd buiten de deur den koetsiers "twee uur" als tijd om te-rug te komen had toegeroepen. De heeren wipten achter hun dames snel de stoep op; hun glimmende schoenen kletsten en kraakten piepend over de steenen treden.

De heele achterkamer was in-éens vol beweging. Een gezwaai en geslinger van schoudermanteltjes, wollen doeken en halsdasjes voor 't koû vatten en een gegolf van sleepen, een bloeyen van ronde schouders en een geflikker van goud en juweelen en een somber samenzinken van overjassen, omwalmd door den reuk van versche, sterke haar-en zakdoekwatertjes, die Frits en Dientje naar 't hoofd steeg. De dames bekeken elkaârs japonnen, ze verheven zich, de eene achter de andere, voor den spiegel om hun haar goed te doen of een roode bloem aan hun borst te verschikken. De heeren klopten langs hun mouwen, spatten met den vinger een pluisje van hun breede roklapellen. Een trok er zijn broek meer onder zijn vest. Frits keek maar al naar Dientje, greep haar éens bij den schouder, voorwendende achter haar heen te dringen zonder haar te hinderen, om daar een heer te helpen, die zijn overjas niet uit kon krijgen.

Weêr door den gang, brachten nu de heeren hunne dames naar voren. Een warme pasteilucht kwam onbescheiden door de reet van een deur beneden, want de oude Jans was nieuwsgierig naar de toiletten en keek om een hoekje.

Mathilde stond bij den ingang van de voorkamer. Het eerst kwam binnen: de heer en mevrouw Berlage. Na hen Louis Berlage, hun zoon, die aan zijn arm had mevrouw de weduwe van Borselen. Dan volgden de heer Ster, met mejufvrouw Emilie Hartse. Hier achter kwamen glimlachend een viertal jeugdige heeren, waarbij Hasman en d'Ablaincourt van de club ...

--O, mevrouw, dank u, ik ben zoo gelukkig van uw invitatie gebruik te kunnen maken.

--'t Doet me heel veel pleizier, mevrouw meneer ...

--Mevrouw van Wilden ...

--Mevrouw ...

--Meneer ...

--Dag, van Wilden, gefeliciteerd niet je verjaardag.

--Hoe gaat 't meneer Ster?

--Jozef, nog vele jaren hoor.

De heer Berlage was lang en mager en bleek: een spitse, stekelige kin en neus, kleine flikkerende groene oogen en een doffe, logge wrat boven het linker oog. Hij was rijk en aanzienlijk geworden door zijn huwelijk met mejufvrouw van Wilvliet, nu een vijftigjarige vrouw, vriendelijk uiterlijk, met hagelwitte tanden die voortdurend zichtbaar bleven, en een ter neêr gebogen neusje. Ze droeg haar haar nog in fladderende bochten afhangende op het voorhoofd tot maar heel even boven de oogen: donkerbruin haar. Zij ging naast Mathilde zitten en gebruikte al dadelijk haar groenen waayer.

--Wel mevrouwtje, wat is u hier allerliefst geinstalleerd ...

--Ja, mevrouw, zeî Mathilde, het huis bevalt mij wel. 't Was een heel gelukje voor ons dat het juist te koop was en zoo heelemaal naar onzen smaak. Mijn man heeft ook erg zijn best gedaan om alles netjes te krijgen, en nu is 't zoo geworden, ziet u ... maar u, mevrouw, dat is waar ook, hoe gaat 't u toch sinds uw laatste ongesteldheid ... daar men 't eerst aan denken moest, ... maar hoe gaat 't u? En ze glimlachte.

--Och, 't gaat nog al, dank u, langzaam maar zeker vooruit, zegt het spreekwoord, en zoo hoop ik nu maar dat het met mijn persoontje ook gaan zal.

--En, zoo als ik zie, maakt meneer Louis het ook nog heel goed.

--Ja, mevrouwtje, dat zoû ik u niet durven toegeven, de goeye jongen heeft het zóo druk, zóo druk, u kunt er u geen idee van maken ... En dat werkt wel een beetje op zijn gestel. Nu is hij weêr zijn zaak aan 't uitbreiden door Parijsche relaties. 's Morgens voor dag en voor dauw opstaan en dan nog in de dikke donkerte soms naar 't kantoor, welk weêr het ook is ...

--Maar als men de verwezenlijking van zijn illuziën in 't vooruitzicht heeft ...

--Ja, ja, u heeft wel gelijk, het aanstaande huwelijksbootje doet al heel wat over 't hoofd zien, niet waar, Emilie? vroeg ze aan jufvrouw Hartse.

Mevrouw van Borselen was een beetje van de andere dames af in een fauteuil gaan zitten. Meneer Ster kwam bij haar staan, om een praatje te maken; hij hield zijn gibus op zijn rug en klepte er meê heen en weêr.

Intusschen hoorde men weêr het geratel van rijtuigen over de straatsteenen, dat op eens koud en hard werd als zij de Spiegelstraat uitdraaiden en dan voor van Wildens deur staakte, terwijl de koetsier ho! riep, als de wielen nog even langzaam voortgingen, en, zijn neus ophalend, klak! van de bok sprong om zachtjes het portier te openen. De andere menschen kwamen aan en de kamer was al gauw gevuld: een makelaar met zijn vrouw en twee officieren, kennissen van Mathildes vader zaliger, leden van de club met hun vrouwen, beurskollegaas van Jozef, waarbij een, die zijn dochters, twee roode meisjes, meêbracht, en zo verder. Toch waren alle menschen er nog niet.

Jozef verontschuldigde zich bij de heeren, die een druk brommend gesprek hadden aangegaan, en ging naar Mathilde bij de dames.

--Ik begrijp niet, zeî hij, dat Karel Rietwijk en de dames Huf er nog niet zijn. Als zij het maar begrepen hebben.

--Misschien heeft uw bediende de andere invitaties vergeten te ... te ... te doen, zeî meneer Ster, die juist naast mevrouw van Borselen stond, verlegen, daar zij geen van beiden een woord spraken.

--Maar, meneer Ster, andwoordde Mathilde, u schijnt geen groote gedachte van ons dienstpersoneel te hebben. Frits heeft de briefjes rond gebracht nietwaar Jô?

--Ja, Frits, ik zal 'm toch 's even gaan vragen ...

Na eenige minuten kwam Jozef weêr binnen:

--Frits heeft doodeenvoudig de andere invitaties nog in zijn zak. Op den laten avond zegt hij, heeft hij er wat van afgedaan, den volgenden morgen werd hij voor een rijpartij (hij is koetsier en van alles) vroeg opgescheld den heelen dag met studenten uit geweest, den volgenden dag een begrafenis ... enfin, hij had de andere briefjes glad vergeten ... Nu kunnen we, dunkt me, niet beter doen dan de vrinden wel ons exkuus te maken, voor de te-leurstelling, en ons, zoo als we nu zijn, toch zoo goed mogelijk te amuseeren ... wat dunkt u?

Gemompel, lachjes, kwinkslagen, verschuiven van stoelen, opstaan, een geruisch en geschommel.

Toen alles weêr een beetje tot rust was gekomen en Dientje ten tweeden male met de japansche theekopjes was rondgegaan, terwijl ze bloosde en verbleekte, glimlachte en heel ernstig keek, ging Emilie Hartse in-éens naar Jozef, die toevallig alleen stond. Zij was groot en rond.

--Doet u nog aan de muziek, meneer van Wilden?

--Nee, jufvrouw, dat is er met het huwelijksleven wel een beetje bij ingeschoten ... Wat zal ik u zeggen ... Maar wat u daar vraagt brengt me op een uitstekend denkbeeld. Zoû u ons niet eens op een lied willen onthalen? ... ja, ja, dat moest u doen ...

--O, meneer! ...

--Jozef, zullen misschien de heeren daar (ze doelde op de oude heeren) nu ook een partijtje willen gaan maken in de achterkamer, Whist of Quadrille? vroeg Mathilde luid.

--Ja, of zullen we eerst een beetje muziek maken en onze piano inwijden? Ik proponeerde daar juist aan jufvrouw Emilie ...

--Heel graâg, heel graâg, wat dunk u, mevrouw, en u, en u ...?

Dit werd algemeen goedgekeurd, en zóo hevig, dat Louis Berlage bedremmeld werd over het suukses dat Emilie hebben zoû, en om dit te verbergen, met de grootste kalmte zijn kopje van den schoorsteenmantel nam om eens te drinken en de helft van de thee over zijn overhemd, broek en vest liet vallen. Mathilde en Jozef kwamen naar hem toe om hem te helpen. Emilie begon hard te lachen en de anderen praatten luider, met schuine blikken naar Louis.

Emilie ging gauw naar de piano en juist was zij in een trillenden hoogen toon een lied van Schubert begonnen te zingen, toen Louis van de keuken te-rug-kwam, met een groote bruine vlek op zijn overhemd en verslagen gezicht. Hij zag haar daar hel verlicht bij de piano. Wat is ze toch lief! dacht hij. Wat is hij toch ordinair! dacht zij. Jozef akkompaniëerde en zij bekeek tusschenbeide zijn profiel en zij dacht dat haar stem om dat profiel zoo goed was van-avond, en ze dacht al na, en o! wat een verschil tusschen die mannen, Jozef en Louis! En toch was Louis zoo kwaad niet. Een jongensneus en in 't algemeen iets kinderlijks kenmerkte hem, hoe knap hij ook zijn mocht in zijn vak. Maar dit was 't juist, waarom zijn moeder hem zoo mocht lijden. Zoo onschuldig en zoo knap!

Het lied was uit en de menschen klapten een beetje in hun handen. Emilie was gaan zitten naast Jozef. Toevallig zat Louis aan haar anderen kant. Haar gezicht bleef naar Jozef gekeerd, die haar ook wel aardig vond, en waagde Louis het even tegen haar te spreken, dan andwoordde zij kort en stuursch, en dat vond hij heel lief van haar. Waarom, dat wist hij niet.

