Part 14
Bij deze vraag nam hij haar eens goed op. Zij was een lange vrouw, een half hoofd grooter dan Mathilde. Zij droeg haar blond-rossig haar in een doffe warrelend-krullende boeket van onder den hoed, die naar voren open stond, tot even boven haar fijne als geel-gepenceelde wenkbrauwbogen. Zij had erg klare scheIblauwe oogen in ruime kasten. Zij had een dunnen vogelen-neus. Haar vel was erg blank, met een doorschijnend rood plekje onder elk oog.
--Altijd in Parijs, andwoordde zij, ja!
En zij ging voort met over Parijs uit te weiden. Zij was er eerst op 't pensionaat geweest, toen even te-ruggekeerd in Holland en daarna weêr voor eenige jaren bij de familie van Riet, den holllandschen konsul in Parijs, een broêr van den heer van Riet van Amsterdam. Een wees, zoo als zij, vloog als een vogeltje dat geen eigen nest heeft, van den hak op den tak, zeide zij.
--En denkt u nu voorloopig in Amsterdam te blijven? vroeg Jozef.
--Ja, zeî ze, tante wordt oud, ik kan haar nu goed gezelschap houden, en buitendien, men verlangt toch altijd naar zijn eigen vaderland te-rug.
Zoo zette zich het gesprek voort, maar Mathilde kwam maar niet.
Eindelijk zeî Jozef:
--Mathilde komt maar niet. Ik zal eens gaan hooren wat het is.
--Och, doet u 'et niet, mevrouw kan misschien niet van haar bezigheden af.
--Ik begrijp 't wel half, andwoordde Jozef, waarom zij niet komt. U moet het haar niet kwalijk nemen. Zij heeft zich het verlies van haar vader vreeselijk aangetrokken, ál te erg, vind ik. Zij is in een soort van doffen geestes-toestand geraakt, die ik mij niet goed begrijpen kan. Zij zit den heelen-dag maar boven, op zijn kamer, om haar vader te treuren. Ik laat haar maar stil haar gang gaan. De tijd zal het verdriet van-zelf slijten. U zal haar dus exkuzeeren. En Jozef ging Mathilde maar niet halen. Hij dacht dat zij misschien roodgehuilde oogen had en liever geen vreemde menschen wilde ontmoeten.
Emilie Hartse bleef uit beleefdheid, om niet dadelijk heen te gaan, nog even. Haar betrekking tot Jozef bestond eigenlijk hierin, dat zij, die een kennisje van Mathilde op de Amsterdamsche school was geweest en daarna éen jaar op de zelfde kostschool met haar was geweest, later, bij de Stuwen aan huis, waar die kennis voortgezet werd, Jozef nu en dan had ontmoet.
Toen Jozef haar nu, na wederzijdsche beleefdheids-betuigingen, uitgelaten had, was hij verwonderd in den gang Jans te ontmoeten, die, beladen met tafelborden en zilver, bezig was voor het eten te dekken.
--Is het al zóo laat? vroeg zij.
--Ja, meneer, zeî Jans, verwonderd over die vraag, kwart voor vijven.
Toen Mathilde met haar bleeke droevig-droomende gezicht en strakke wangen, aan tafel kwam, verweet Jozef haar zachtjes haar menschenschuwheid.
--Waarom ben-je niet even gekomen, lieve kind? Emilie Hartse was er. Ze was erg verlangend je eens wéêr te zien na zoo'n langen tijd.
--Och, ik ben haar al haast vergeten, en ik was boven zoo druk bezig. Ik was niet gestemd. Ik zoû niet weten wat ik met haar zoû hebben moeten spreken ... Blijft ze lang?
--Ja, ik heb een heel tijdje met haar zitten praten. Ze is al door in Parijs geweest, maar blijft nu voor goed hier.
--Zoo! zeî Mathilde flauwtjes. En zij spraken nog enkele woorden over andere onderwerpen.
Na het eten ging Mathilde in het zaaltje zitten vóor het op de binnenplaats uitziend raam, aan het lezen van een oud dik met vette lettertjes volgekrabd schrijfboek. Het was het dagboek, door haar vader in zijn jeugd gehouden, waarin hij al zijn zorgen en zijn vreugden op nogal droge manier had neêrgeschreven, door Mathilde in een hoekje van het bureau boven ontdekt, en dat ze nu geregeld 's avonds met warme tranen beschreide.
Zes dagen later werd er, zoo-wat op hetzelfde uur, op dezelfde manier gescheld als dien dag. Het was Emilie Hartse, die vroeg of mevrouw nu toch misschien te spreken was. Maar Jozef had Mathilde in zoo een droefheid en dofheid na de koffie zien wech gaan, dat hij Jans zeide Mathilde maar niet eens te gaan waarschuwen, en zelf weér een half uurtje met jufvrouw Hartse ging praten. Deze verzekerde dat 't haar nu verbazend speet, dat zij Mathilde zoo graâg had gezien om te probeeren haar een beetje te troosten. Daarbij zeî ze ook, dat 't zoo'n groot geluk voor haar zijn zoû de kennis met Mathilde, de vriendschap liever, te vernieuwen. De menschen waren haar hier zoo vreemd geworden na haar verblijf in het buitenland! Zij hield met bijna niemant omgang. En Mathilde en zij hadden elkaâr vroeger toch zóo goed gekend! Hierna kwam het gesprek op de familie van Riet, waar Emilie aan huis woonde. Jozef vertelde, dat de heer en mevrouw van Riet, ongeveer een maand vóor Mathilde en hij op reis waren gegaan, nog een avondje bij de Stuwen hadden doorgebracht. Toen kwam van-zelf de muziek en de literatuur ter sprake. Emilie kende veel fransche romans, van Feuillet, van George Sand, enz. Maar Jozef verzekerde, dat er ook mooye nieuwe Duitsche romans bestonden en Engelsche. Hier wist Emilie bijna niets van en zij liet zich door hem een paar van die boeken leenen, om ze te lezen.
's Middags aan tafel vertelde Jozef, dat Emilie Hartse er weêr was geweest, dat hij haar een boek geleend had.
--Zoo! zeî Mathilde, glimlachte heel even, goedig, flauwtjes, en sprak weêr over iets anders.
De zomer verstreek. Tien dagen na haar vorige visite, kwam Emilie zelf de boeken terugbrengen. Ze had nog wel nu en dan een woord in de dictionnaire op moeten zoeken, maar overigens hadden de romans haar wel bevallen. Nû bleef zij wel een uur praten. Jozef leende haar weêr andere boeken en nog eens en nog eens, die zij telkens te-rug kwam brengen, dan na een veertien dagen, dan na een week. Iedere keer werd er eerst veel over boeken gesproken, daarna had Emilie heel wat te vertellen over de familie van Riet, van de hoofdpijn en het water in de beenen, waaraan mevrouw sukkelde en van de gezelligheid en de gemoedelijkheid van mijnheer, maar die wel eens tot vervelendheid oversloeg in den omgang zonder einde van het dagelijksche leven. Voorts deelde zij aan Jozef haar indrukken over Amsterdam en de Amsterdamsche wereld mede, vergeleek die bij de wereld van Parijs, sprak eindelijk over Jozef-zelf, over Mathilde en over hun plannen. Jozef vond haar wel een aardig ... ja, hij wist niet goed hoe hij haar voor zich-zelf noemen zoû. Emilie was een jaar of vier-en-twintig en nog ongetrouwd, dus een meisje. Maar zij was ontwikkeld en op de hoogte als een vrouw. Het waren Jozefs aangenaamste uren, en die zijn onverdragelijke eenzaamheid het genoegelijkst afwisselden, die hij met haar doorbracht. Oh 't laatst vergat hij wel eens aan Mathilde verslag te doen, wanneer Emilie hem weêr een visite had gemaakt. Te midden van de beleefde troostwoorden die hij dagelijks nog tegen haar zeî, kon hij niet goed van zijn vroolijker gesprekken met Emilie vertellen.
Eens op een avond, dat zij het theegoed binnendroeg zeî Jans:
--Der staat 'n parasol in den gang, menheer, die heeft zeker jufvrouw Hartse vergeten?
Nu trof het Mathilde voor het eerst. Toen Jans wech was, zeide zij
--Is die er van-middag al weêr geweest?
Zij zeide dit wel op haar gewonen toon van tegenwoordig, waar zoo weinig belangstelling in was, maar ze zeide het toch.
--Ja, andwoordde Jozef, zij kwam een boek te-rug-brengen.
--Wat komt ze dikwijls! zeî Mathilde, nog onverschillig.
--Och, ze leest graâg, en ze heeft weinig konversatie in de stad ...
Dien avond zat Mathilde weêr te droomen achter het ouderwetsche theeblad, terwijl het zaaltje zich in duisternis dompelde en Jozef op de kanapee een cigaar rookte, Maar nu en dan, terwijl zij zich onbewegelijk hield, richtte Mathilde de oogen naar den kant, waar hij zat, naar de gloeyende punt van de cigaar. Zij scheen dan over iets na te denken, dat buiten haar droefheid was. Jozef zag het wel, maar hij gaf er zich geen rekenschap van.
--Hoe lang is vader nu al dood? vroeg Mathilde eens, als wist zij dat zelf niet het beste.
--Vier, vijf weken, kind, vijf en een halve week.
's Avonds, bij het goeye-nacht-zeggen, zeî Jozef.
--Willen wij morgen nu niet eens een wandelingetje gaan maken, Thilde, het zoû zoo goed voor je zijn ...
--Och nee, nog niet, ik blijf maar liever thuis, ik ben bang voor de straat ...
--Kom! zeî hij, maar er was niets aan te doen.
Eenige dagen later kwam Mathilde eens om drie uûr 's middags beneden en, voorbij het zaaltje gaande, hoorde zij daar spreken.
Stilletjes ging zij naar de keuken.
--Wie is er bij meneer Jans? vroeg zij.
--Jufvrouw Hartse, mevrouw.
Zij vond 't onaangenaam. Haar doffe, wanhopige rust in de eenzaamheid van haar vaders slaapkamer was verstoord. Zij kon vooreerst nog niet scheiden van die kamer, maar zij was niet meer zoo onophoudelijk verdiept in het denken aan haar vader. Zij zat als naar gewoonte voor het bureau, maar betrapte er zich op somwijlen, dat haar blik van het voor haar liggend brievenblad was wechgeweken en langs den rand van den bovenkant van het bureau dwaalde en dat zij dacht aan Jozef en aan Emilie, die misschien beneden samen zaten te praten. Maar dan, als ware zij van haar plicht afgeweken ging zij weêr door met lezen met dubbelen ijver.
Een week later,--de deur van de dooden-kamer stond open--hoorde Mathilde de huisdeurschel gaan. Zij herkende de bizondere trilling van het geluid. Als was zij dat al lang van plan geweest, stond zij op en ging, haar zakdoek in haar hand naar beneden. Jans deed juist open. 't Was Emilie. Mathilde ging op haar toe en, met een eersten glimlach na zes weken.
--Wel jufvrouw, het doet me toch plezier u eindelijk eens te ontmoeten.
Emilie zeî te gelijker tijd, met een meêwarig lachje, iets, dat niet gehoord werd onder de woorden van Mathilde heen.
--Ja, mevrouw, mag ik u nog wel kondoleeren ...
--Dank u, u begrijpt ...
Zij gingen de zijkamer binnen.
--Ja, mevrouw, dat hoor ik ...
Zij spraken voort. Mathilde verontschuldigde zich, dat zij zoo dikwijls op zich had laten wachten. Zij sprak van haar groote droefheid, sprak voords over het leenen van de boeken van Jozef, dat zij zeide heel aardig te vinden, om toch vooral niet den schijn te hebben daar niets van te weten. Toen kwam ook Jozef binnen. Het verraste hem Mathilde daar te vinden. Het deed hem pleizier.
Dien avond zaten Jozef en Mathilde onder de thee als gewoonlijk zwijgend bij-mekaâr. Zij hadden heel weinig gesproken sinds Emilies vertrek, een half uur voór den eten. Jozef dacht juist aan niets anders dan aan de geur van zijn cigaar en aan het ongelijk dat hij gehad had met een vrouw als Mathilde, die zoo lang bedroefd bleef, te trouwen, toen hij een snik hoorde en het lichtje onder de theepot hevig zag waggelen en deinen. Mathilde stond op, ging naar hem toe en zeî met een bevenden mond:
--Och toe, ontvang d'r niet meer alleen, die Emilie. wees niet meer met haar alleen!
Zij drukte haar gezicht tegen het zijne, terwijl zij haar armen om zijn schouders hield en zij morste een traan van haar wang op zijn snor. Maar eer hij tijd had van zijn verwondering te bekomen en te-rug te zoenen, was zij al van hem van-daan. Zij vluchtte de kamer uit, de trap op, als riep een onweêrstaanbare stem haar naar boven, en sloot zich op in haar vaders kamer. Daar bleef zij in donker boven het bureau huilen.
Jozef wist niet wat te doen. Eerst wilde hij haar nagaan, maar hij bedacht zich, hij bleef zitten, en ging weêr alleen naar bed.
De dagen daarna leefde Mathilde in een veelkleurig peinzen en in een wonderlijken tweestrijd. Langzaam, met groote macht, daalde de liefde voor het leven, voor het jonge genietende leven in haar hart. Zij was verschrikkelijk zenuwachtig. Het eene oogenblik zat zij voor het oude bureautje, en wilde er niet van-daan gaan. Maar het volgende oogenblik kon zij 't zoo niet langer houden. Zij stond op, liep naar de deur, maar bedacht zich weêr, en viel af in lange droomerijen. En terwijl de tijd verliep en de eene dag den anderen volgde, doemden daar voor haar geest, midden-in de treurige verlatenheid om haar heen, al de indrukken te-rug van haar liefdesgeschiedenis met Jozef, droomde zij dat leven over, van den eersten avond van zijn verklaring en valt nog lang vóor dien tijd af tot aan den laatsten avond van hun huwelijksreis. De tijd van haar treuren kwam als vreeselijk lang voor haar. Was dat dan zoo lang geweest, dat zij haar man, beneden vergeten had. Hoeveel gedachteloze zoenen hadden zij mekaâr in dien tijd gegeven, wat een tijd was het geleden, sinds zij mekaâr zoenden den heelen dag! Al de gezichten van haar huwelijksreis kwamen op in haar verbeelding, en het kwam uit dat zij maar gewaand had zich ongelukkig te voelen toen. Het was was niet waar geweest, de bedwelming van dat schokkende nieuwe leven was er geen verdoovende geweest, zoo als zij het zich toen gedacht had. Mathilde kreeg een kleur van aandoening en begeerte, zij sloot het bureau dicht, al de laden een voor een. Zij liep door de kamer heen en weêr, een glans over haar voorhoofd. Dat was liet geluk geweest, die huwelijksreis, dat de jeugd, dat het genot. Zij streek haar handen over haar wangen en over haar zwarte japon, om zich alles goed te herinneren. Er ging een prikkeling door haar leden. Een levensgloed schemerde door de doode-kamer. Een rijkdom van kleuren, een vloed van onbegrepen genietingen dwarrelden er door Mathildes hersens. Haar hoofd bonsde, een drift naar nieuw genot, naar meerdere vreugde nog, vulde haar. O, vader, prevelde zij, o, Jozef, Jozef, Jozef!
Dien middag aan tafel merkte Jozef nog niets van de verandering in Mathilde. Wel zag zij hem voortdurend aan en trachtte nu en dan zijn blik op te vangen, om zich er eens rekenschap van te geven of zijn oog nog 't zelfde stond als vroeger, als hij naar haar keek, wel waren haar gebaren minder loom, maar hij zag 't niet. 's Avonds ook nog niet, maar den volgenden morgen, na hun ontbijt van negen uur, waaraan Mathilde hem verteld had, dat zij zoo heerlijk had geslapen, als in geen tijden, vroeg zij:
--Als je van-middag na de beurs thuis komt, gaan we dan een wandelingetje doen?
--Meen je 't wezenlijk?
--Ik verlang er na, zeî ze, ik ben in zoo lang niet uitgeweest!
Jozef bracht er, werkelijk waar, een heden blijden ochtend om door op het kantoor. Hij was er gelukkig meê.
Om drie uur gingen ze uit. Voor 't eerst had Mathilde haar rouwhoed op met de lange kaper. Toen zij buiten kwam in het groote licht, in de levende straat, duizelde haar hoofd. Maar zij nam Jozefs arm, die zoo heerlijk steunde. Stil gingen zij voort. Mathilde keek naar haar voeten, haar zwart-stoffen laarsjes, om te zien of zij wel precies gelijken pas met Jozef hield. Maar het ging niet. Hij maakte te groote stappen. Zij wandelden de Hoogstraat door, daarna langs den Kloveniersburgwal tot aan den Amstel, tot aan de Hooge Sluis. Hier voelde Mathilde zich moe worden. Zij wandelden denzelfden weg te-rug, nog langzamer.
--Hè, zeî Mathilde, die goeye vader, wat hield hij ook van zoo'n loopje!
Maar er klonk alleen nog maar melankolie in haar stem, de hartstochtelijke droefheid was overgegaan in het smartelijk-plezierige van de herinnering. Toen zij bij hun stoep te-ruggekeerd waren, drukte zij Jozefs arm innig met den haren. En zij brachten een avond door zoo als vroeger. Hun levens naderden elkaâr weêr zeer.
Nu begonnen er dagen voor Mathilde, zoo gelukkig als zij ze nog niet had gekend. Langzamerhand begon ze er vrede meê te krijgen haar vader niet meer in haar nabijheid te zien. Zij verbeeldde zich, dat hij nu in een hemel, in een soort bovenaardsche sfeer verkeerde en hij van omhoog op haar neder glimlachte, als hij zag, dat zij niet zoo mistroostig meer was. Haar gevoel dat altijd behoefte aan iets geheimzinnigs bovenaardsch had, gaf haar volzinnen in over het nog bestaan en de zaligheid van haar vader, die zij zich zelve herhaalde als de gedachte daaraan haar hinderde, en die haar te vrede stelden zonder dat zij verder behoefte had er meer over na te denken en er zich onophoudelijk meê bezig te houden.
De anderhalf jaar van hun rouwtijd gingen Jozef en Mathilde kalm, zonder gebeurtenissen, in altijd weêr vermeerderende liefde, voorbij. In den eersten tijd, als Jozef van de Beurs thuis kwam en Mathilde zag hem dan zijn boeken opzoeken en gaan zitten lezen en studeeren als een werkzaam man, dan deed haar dat een onuitsprekelijk genoegen en had ze hem er nog liever om. Zij kwam dan wel naast hem staan, leî haar hand op zijn schouder en boog zich over hem heen om ook in het boek te kijken. Zij las een paar zinnen met hem meê en vroeg dan, om zijnentwille, wat of dit of dat beteekende. Wanneer hij 't haar verklaarde, begon zij tegen hem aan te leunen en vroeg meer uitleggingen. Eindelijk zat zij op zijn schoot, en het gebeurde dikwijls, dat zij zijn zinnen afbrak, door hem, midden in hun ernstig gesprek, zoo te zoenen, dat hij niet verder spreken kon. En dan vroeg zij zoenen te-rug, dan bleven zij zoo'n heelen middag zitten vrijen als waren zij heel pas getrouwd.
Jozef begon te voelen, dat hij dol veel hield van zijn vrouw, Als zij niet bij hem was, was hij zoo gehoorzaam, dat hij 't niet harden kon. Kwam zij een oogenblik te laat beneden aan 't ontbijt, een vijf minuten, dan was hij ongerust, dan ging hij kijken. Had zij hoofdpijn, dan werd hij bezorgd, dacht over middeltjes na, ging zelf naar den apteker. Hij was gelukkig in deze afzondering met Mathilde, die zooveel van hem hield. Hij verveelde zich niet meer. Hij dacht er den heelen dag aan om zijn vrouwtje allerlei kleine pleizieren te doen. Hij had een prachtige eikenhouten kist laten maken, met veel beeldhouwwerk er aan, em haar die kadoo gemaakt, om er in de volgorde, die zij zelf zoû willen, den inhoud van de latafel en van het bureau haars vaders in te verzamelen en te schikken. Wat een stille blijdschap voor Mathilde, toen zij op een morgen de kist vond staan in het zaaltje, en Jozef haar zeî wat er meê gebeuren moest en haar vroeg, waar zij hem gezet wilde hebben, boven op de slaapkamer of hier in het zaaltje. Zij verkoos het zaaltje. En, samen met Jozef, besteedde zij er nu een paar dagen aan om de zaakjes over te pakken, samen met Jozef besprak zij de volgorde, waarin zij de voorwerpjes en papieren nu zouden bergen. Hij hielp haar nu met alles. Al het egoïsme, de te-ruggetrokkenheid van haar droefheid was verdwenen. Zij liet Jozef meêdoen in al de droevige vreugde, die zij van deze nieuwe schikking had; telkens vertelde zij zachtjes van de gedachten, die er door haar geest gingen onder deze bezigheden. Des ochtends ráakte zij zelfs niet aan de kist of aan de reliquiën; zij vond er een zoet genoegen in, hem te laten merken, dat zij op hem gewacht had, om samen alles te doen, en hem over alles raad te vragen. De kist werd het dierbaarste meubelstuk van het zaaltje en van het huis. In de morgenuren deed Mathilde het huishouden, wat gedurende haar afzondering heelemaal aan Jans was overgelaten geweest. Dan breide en borduurde zij ook. Zij maakte een beurs voor Jozef, zij zag het linnengoed na en bemoeide zich met zijn kleêren. Hierin vooral begon zij een bizondere liefhebberij te krijgen: zich langzamerhand en hoe langer hoe inniger in de bizonderheden en uitwendige eigenaardigheden van zijn persoon in te wijden; zich er erkenschap van te geven, wat hij al zoo aan zijn lijf had, den vorm van zijn boven-en van zijn onderkleêren na te gaan, zijn kleine gewoonten te bespieden, uit te vorschen wat hij liever had dan wat anders, wat hij verkoos voor hemdsknoopjes, voor halsboorden en manchetten, hoe hij zijn jassen droeg, hoe zijn broek en zijn schoenen waren ingericht en werden gebruikt.
Zijn persoon werd het voorwerp van haar beoefening. Hem zoo volledig mogelijk en in alle onderdeelen te kennen, werd haar doel. Zij wilde zijn goede trouwe vrouw zijn en blijven, zij wilde alleen denken om zijn geluk en hem gelukkig maken. Zijn mooye lichaam kende zij nu heelemaal; zij had al die vormen en de manier, waarop zij zich bewogen, in haar verstand opgenomen. Zij wist hoe zijn haar was, waar er rimpels waren op zijn gezicht, wanneer hij naar zijn zin geschoren was en wanneer niet. Zij wist wanneer en waar zijn wangen rood werden; al de schakeeringen van schaduw en licht, van rood en wit en blauwig en grijzig, het geaderde, het gladde van zijn gezicht had zij nagegaan, onwillekeurig en toch om dat zij het wilde. Hoe kende zij zijn lach en het fronsen van zijn voorhoofd; zij kende zijn tanden, groot en wit, zij kende de verschillende glansen van zijn oogen, en hun kinderlijke goedige uitdrukking als hij blij was, en hun doffen gloed als hij nadacht. Zij kende de aardige manier, waarop hij zijn eene wenkbrauw optrok, als er een besluit genomen moest worden. Zij kende zijn weinig behaarde armen, zijn zachte borst, zijn middel, dat zij altijd met het hare vergeleek, zijn beenen, veel langer dan de hare, zijn voeten met hun hooge wreef. En zij had dat alles zoo lief, zij vermeide er zich in het als haar heilig eigendom te beschouwen. Zijn flanellen verstelde zij zelf met een uiterste zorg. Hij raadpleegde haar als er een vest versteld moest worden of een nieuwe das gekocht, en over het strijken van zijn overhemden.
Zij snuffelde in zijn kleerenkast. Hij had op hun reis bijna alleen zijn grijze reispak gedragen en was na hun te-rugkomst natuurlijk altijd in 't zwart en donker-blauw gekleed geweest. Zijn vele andere kleêren kende zij alleen, om dat zij ze hem aan had zien hebben vóor hun huwelijk. Maar ze nu zoo van-dichter-bij te kunnen beschouwen, ze te betasten, al die kleedingstukken en die toiletzaken, die hij als ongetrouwd heer had gebruikt en die nu allemaal in haar oude huis waren overgebracht dat deed haar een groot pleizier.
Maar zij wilde hem-zelf, zijn binnenste, nog beter kennen. Wanneer zij zijn handen half dicht gehouden, vóor haar, op het kantje van de tafel zag liggen, met den zegelring aan zijn pink, dan wilde zij weten, wat die handen al deden en aanraakten buiten haar tegenwoordigheid, en wat, toen zij haar nog niet mochten omhelzen en streden. Wanneer hij 's avonds, wat hij dikwijls deed, in het zaaltje op en neêr liep, zijn handen op zijn rug, en hij zijn hoofd zoo recht-op droeg, en hij, van de hoogte van zijn oogen tot haar nederzag, terwijl zij achter 't theeblad zat of aan de tafel te lezen, en dat gezicht hem ernstig en vol liefde over haar na scheen te doen denken, dan wilde zij weten naar wat of naar wien die blikken zoo gingen en die gedachten zich richtten in haar afwezigheid, vóor en tijdens hun huwelijk, toen hij niets aan haar had gehad. Zoo kwam zij hem over alles te ondervragen. Zij stelde belang in zijn kantoorzaken, in de Beurs. Hij moest van-alles vertellen, om haar te vrede te stellen: hoe zijn bedienden er uitzagen, hoe de boeken werden gehouden, of hij pleizier had in de zaken, of het personeel hem eerbiedig behandelde, of hij in zijn appart kabinet zat en van daaruit de zaken bestuurde of hij een mooyen lessenaar bezat, of hij veel visites kreeg op het kantoor, of er wel eens vrouwen kwamen. O, stellig, als hun rouwtijd om was, zoû zij hem stellig daar komen opzoeken en zijn omgeving eens goed bekijken. Emilie Hartse kwam er toch nooit, nietwaar, nooit? Wel neen, andwoordde hij, hoe kon ze er aan denken, er kwam nooit een vrouw Ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, verzekerde ze hem wel, ik weet niet hoe het komt, maar ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, dat ik eigenlijk maar weinig jaloersch ben. Hierna ondervroeg zij hem, met een ontzachlijke nieuwsgierigheid, naar zijn levens-inrichting van vóor hun huwelijk. Ja, zij wist er wel veel van, want, daar zij zooveel omgang met elkaâr hadden gehad, altijd, had hij natuurlijk veel verhaald, maar was alles wel waar geweest, wat hij vertelde? wat had hij verzwegen? Och, hij kon nu gerust alles zeggen, nu waren zij toch getrouwd! En hij zoende haar en deed de verlangde verhalen, tot in de minste onderdeden, en telkens vroeg zij meer, telkens nadere bizonderheden tot dat zij het zich volledig kon voorstellen.
* * * * *