# Een liefde

## Part 13

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-liefde-10820/index.md

In den namiddag, als Jozef thuis was, zaten zij meestal in het zaaltje achter. Daar was het ruimer en een beetje lichter. Jozef had al licht iets te schrijven of zoo, waar hij wat plaats voor noodig had. Maar Mathilde deed niets. Zij kon haar oude handwerkjes niet hervatten, want dat maakte haar onbeschrijfelijk melankoliek. De piano had zij met het sleuteltje gesloten en zij wilde er niet eens naar kijken. Zij had zoo'n trek eigenlijk om te spelen, droevige, zachte, sombere melodiën, maar zij deed 't toch maar niet, om Jans en de buren niet te ergeren, en ook om dat zij 't in zich zelf ongepast vond. Zij zat maar te droomen van vroeger en naar haar vaders portret te kijken, dat aan den wand hing. Dan dacht zij na,--en zij moest er bitter om lachen--wat 't haar een strijd en een moeite had gekost om Jozef zijn huwelijksaanzoek niet te weigeren, om dat het haar zoo hard was voorgekomen zich van haar vader te scheiden, om dat zij zich niet had kunnen denken in een toekomst, waarin zij niet altijd aan zijn zijde zoû zijn om hem te verzorgen en hem nooit alleen te laten, om dat zij zich met afschrik had voorgehouden, hoe, als zij trouwde, zij daar het zwakkelijke, goede, oude mannetje alleen in zijn huisje zoû moeten achterlaten misschien. Zij dacht er over na, dat zij in Jozefs vraag alleen had toegestemd op uitdrukkelijke voorwaarde, dat haar vader bij hun in zoû komen wonen, zij hem altijd zoû kunnen verzorgen en in zijn behoeften zoû kunnen voorzien, altijd bij hem zoû kunnen zijn. En nu? Zij had zich wezenlijk toen niet zoo bekommerd hoeven te maken! Nu bracht zij zich te binnen wat zij zich al niet voorgenomen had te doen om in 't vervolg haar vader het leven altijd aangenamer en aangenamer te maken. Zij herdacht den zachten nieuwen leuningstoel, dien zij in de Kalverstraat voor een winkelraam had zien staan en dien zij voor hem zoû hebben willen koopen, en een bonten voetwarmer, dien zij aan had willen schaffen, een mooye zware Duitsche pijp van dertig gulden, en het mutsje voor zijn lieve oude hoofd, dat zij voor zijn verjaardag had willen borduuren en de dikke wollen handschoenen, tegen den aanstaanden winter. Hoe had zij ook door willen voeren, dat hij elken dag aan tafel een paar glazen zeer ouden wijn zoû drinken en vóor de koffie, om twaalf uur, een flinke eetlepel met flikjes zoû nemen. Hij hield zooveel van chocola! En wat een plannen had zij gemaakt voor als zij met hun drieën samen zouden wonen in een grooter huis, vader, Jozef en zij! Wat had zij er nog met vader over gesproken dat zij de avondjes voort zoû zetten, die hij begonnen was, dan natuurlijk hij háar aan huis, en hij, vader, op de eereplaats! Zij zoû hem een ruime kamer gegeven hebben met alle denkbare gemakken, en een schel onder zijn bereik, hoog van verdieping en op de zon gelegen, waar hij zich zoo graag in koesterde.

's Avonds, als Mathilde met Jozef aan de thee zat, herinnerde zij zich vooral de teederheden van haar vader voor haar. Terwijl de schemering dwarrelde door de kamer en Jozef, aan den anderen kant van de tafel, rookte en wechdook in de duisternis, schoot het vlammetje onder den theepot stralen naar haar oog en tuurde zij er zoo lang met groote oogen in, tot de stralen heen en weêr wipten en dansten en braken en de thee-pot verdween in een warreling van gouden pijltjes en er stille tranen spatten op haar japon. Al de herinneringen uit haar vroegste jeugd en van later kwamen op in haar verbeelding, zachtjes na mekaâr. Die goede vader, die zoo innig goed was, zoo iets wereldsch, zoo plicht-getrouw, die zoo bedaard en eenvoudig het leven doorging en haar zoo erg, met zoo een trouw, zoo oprecht en zonder bijbedoeling, had liefgehad. Daar waren nooit plechtige oogenblikken tusschen haar en haar vader geweest, er waren nooit hartstochtelijke dingen tusschen hen gebeurd, er waren nooit van die uren geweest, waarin hij haar een nadrukkelijk en opperst bewijs van een overgroote liefde zoû hebben gegeven. Hij was altijd stil voor zich heen geweest, en kalm, hij verdroeg zijn verdriet en genoot zijn pleizier zonder veel ophef. Toen haar moeder gestorven was, had hij haar eenvoudig gezoend en hadden zijn tranen over haar wangen gevloeid, toen zij naar 't kostschool ging en zij dus voor een heden tijd scheidden, was precies hetzelfde gebeurd. Dit waren de eenige oogenblikken, waarvan zij zich herinnerde, dat hij een beetje ongewoon was geweest. Nooit had hij haar het leven gered, nooit zelfs had hij haar in vervoering tegen zich aangedrukt. Maar toch, wat voelde zij vreeselijk, dat hij er niet meer was, hij, de eenige liefde van haar heele jeugd! Zij kon zich maar niet denken, dat hij dood was. Zij kon zich in dit huis maar niet thuis voelen zonder hem. Dan kwam zij een kamer binnen, wat, was vader er niet? Dan ging zij naar boven, naar bed,--wat, had zij vergeten vader goeye-nacht te zeggen? Waarom kwam zij hem, met zijn stille goedige gangetje, nooit meer tegen op het portaal? Waarom bleef zijn plaats toch open aan het ontbijt en 's middags aan tafel, wat was er toch iets vreemds, iets verlatens aan de stoelen en tafels, aan de vloer en vooral aan den leuningstoel van de binnenkamer! En al de meubels werden haar dierbaarder dan vroeger, om dat hij ze had gebruikt, om dat zij, zonder te zien en te spreken, zijn leven hadden bijgewoond en hem hadden helpen leven. Zij kon met een aandacht kijken naar de kale plekjes op het tapijt en het een beetje afgesletene van de stoelen hier en daar, om dat iemant ze door ze herhaaldelijk te betreden kaal had gemaakt en iemant ze moest hebben versleten.

Zoo zat zij 's avonds te droomen in haar zwarte japon zonder garneersel. Als de avond óm was ging zij met Jozef naar boven. Zij gaf hem zijn nacht-zoen in het portaaltje, waarop hun kamers uitkwamen, want Jozef sliep nu op het logeerkamertje, om dat zij zoo moe en zoo zwak en zoo verdrietig was en beter kon liggen en rusten alléen in het éen-persoons bed. Jozef had wel eerst de logeerkamer willen nemen, die boven het zaaltje was, maar Mathilde had hem graâg dicht bij haar 's nachts en buitendien, dat was alles van-zelf toevallig zoo gegaan. Zij hadden er niet eens over gedacht of het wel redelijk was. Zij schenen in het leed van den dood hun hartstocht in te sussen. Zij zoenden mekaâr goeden morgen en goeden avond als twee vijf-en-twintig jaar getrouwden. Soms leî Jozef zijn hand op haar schouder of streek haar over 't haar, maar dan andwoordde zij met geen enkelen blik, met geen een beweging. Hij had medelijden met haar droefheid; hij begon zich wel al te vervelen, maar hij wilde zich in deze omstandigheid schikken. Hij las maar koeranten en had ook zijn oude boeken over staathuishoudkunde weêr eens doorgebladerd. Allerlei boeken waren hem door de handen gegaan, toen hij de nalatenschap en beschikkingen van den ouden heer geregeld had. Zoo was hij daartoe gekomen.

Tot nu toe had Mathilde, na de begrafenis, nog niet in de slaapkamer van haar vader durven gaan. Jans had alles daar een beetje opgeredderd en schoongemaakt, maar verder was de deur gesloten gebleven. De sleutel stak er wel op, maar niemant had sints een dag of veertien de licht- bruine kruk bewogen. Maar Mathildes verdriet begon zich zoo te hechten aan al de voorwerpen in huis, die haar vader het dikwijlst had aangeraakt, dat zij eindigde met den wensch te hebben al de overblijfselen van zijn meest innig en eigen bestaan weêr te zien, en, voor zoover zij ze nog niet kende, te ontdekken en te betasten. Een droevige nieuwsgierigheid mengde zich in haar doffe verdriet. Zij wilde nu die slaapkamer ingaan, en zachtjes over den vloer loopen, die lucht inademen, die kleuren zien, waarin hij had geleefd als hij alleen was. Zij wilde aan die ruimte, waarin aan die zoldering waaronder hij zoo gauw was gestorven, vragen of hij erg geleden had, of hij nog veel om haar had gedacht. Er mengde zich nog angst voor de kamer in haar nieuwsgierigheid: zoû zij misschien de doffe echo van zijn stem hooren, zoû niet zijn stap nog ergends treden, achter het bed, bij de tafel?

Een ochtend, dat Jozef naar 't kantoor was over tienen, liep zij langzaam de trap op naar boven. Haar zwarte haar hing verdrietig over haar vale voorhoofd, en haar zwarte kleed schoof zonder geluid over de treden. Zij kwam binnen en sloot de deur achter zich. Een frischheid kwam haar te gemoet, de buitenlucht waarin zich het geluid van de straat oploste, drong om haar ooren en haar gezicht. Jans was waarschijnlijk van-morgen nog hier geweest, want achter de neêrgelaten gele jaloeziën, stond een van de twee vensters open. Het gegons en gebrom van de straat woei naar binnen. Mathilde haastte zich het venster te sluiten. Zij trok de jaloeziën allebei op. Toen keek zij rond. Wat een stilte, wat een eenzaamheid! Den rug naar het venster gekeerd, rechtop, het bovenlijf en het hoofd een beetje naar achteren gestrekt, de handen gevouwen naar beneden gedrukt en naar onderen geopend bekeek zij lang alles wat er in de rondte stond. De glans van het daglicht, die het zwart van haar japon vergrijsde, had zich over haar rug gespreid in een glimmend ovaal, viel in plooyen tot haar voeten en glimperde door de kroesige bosjes haar rondom haar hoofd. Zij liep naar het ledikant en schoof gauw de witte gordijnen op-zij. Zij keek er in. Er was niets. De kussens en peluw en de dekens en sprei lagen in twee hoopjes op de matras gestapeld als in een bed, dat niet meer gebruikt wordt, wachtende op een nieuwen gebruiker. Zij schoof de gordijnen weêr dicht. Daar naast was de kleine kast van haar vader in den muur. Verder was er een schrijfbureau, een klein kastje, dat altijd het "apotheekje" genoemd werd, waarin allerlei huishoudelijke medikamenten werden bewaard en geëtiketteerde fleschjes en doosjes; voords nog een kast in den muur, die alleen door het smoeselige bruin van het behangsel rondom het sleutelgat kenbaar was, waar het linnengoed en de kousen van den doode in werden geborgen. Eindelijk stond er een sjiefonjeire; hierin bewaarde de oude heer allerlei voorwerpen en snuisterijen, herinneringen aan zijn vrouw, eenige teekeningen van hem zelf uit zijn jeugd, papieren, ringen, kadootjes, een kostbaren wandelstok, een heele kollektie van zijn eigen oude zakportefeuilles, en zoo meer.

Mathilde had aan het ontbijt de sleutels van Jozef gevraagd en begon met de bovenste laâ van deze kast open te trekken. Met den arm, waarom de enge zwarte japon rond gespannen zat, leunde zij op den kant van de laâ en keek er in neêr. Al die voorwerpen, waarvan zij vele nooit had gezien, en die met een soort van eerbied en achterhoudendheid door haar vader buiten elks bereik werden gehouden, die hij alleen kende, waarvoor hij alleen zorgde, waarom hij bepaald veel gaf, het gezicht daarvan deed Mathilde bizonder aan. Met wat een genoegen moest vader dikwijls 's avonds in zijn eentje die dingen hebben te voorschijn gekregen, ze gehanteerd en bevoeld hebben! Zijn goedige, bedaarde, nederige, huiselijke geest gaf haar nu een zeer sterken indruk. Vooreerst lagen daar twee kerkboeken, een, zoo hoog en zoo breed als een mannen hand, met zwart geworden zilveren sloten, stoffig en vergrijsd goud op sneê, met gele spikkeltjes op het witte papier van-binnen: het was een kadoo van de Stuwen-zelf aan zijn vrouw geweest. "Aan mijn dierbare vrouw, de echte christin", stond als toewijding voor tegen het schut-blad geschreven. Het andere kerkboek, een fransch, veel kleiner, was van de Stuwen-zelf geweest, maar in jaren niet gebruikt. Daarnaast zag Mathilde een zilveren horlogeketting. Maar zij besloot, met het pijnlijk welbehagen, dat zij in deze bezigheid had, de laden eerst alle te openen en in te zien, om daarna de dingen éen voor éen te betasten en te bezichtigen. Knersend en haperend stommelden een paar laden open, als verborgen zij zaken, die niet gaarne hadden; dat het daglicht tot hen doordrong, andere gleden weêr gewillig meê en waren als met was bestreken. Alle waren gevuld. Een schat van prullen, voor Mathilde van de hoogste waarde, had zij nu onder haar oog, en zij bleef er op staren en droomen. Zij vergat zich-zelf in den aanblik van al die doode voorwerpen, die vroeger geleefd hadden in haar vaders handen zij snoof de geur van verleden dagen op met graagte. Maar zij had zoo'n rijkdom, dat ze niet wist waar te beginnen en zij had de tijd zoo vergeten, dat Jans kwam zeggen: de koffie stond klaar en meneer zat beneden te wachten.

Mathilde ging naar beneden. Zij had nu een bepaald onderwerp, waarmeê haar geest zich bezig hield 't was of de droefheid een beetje, een klein beetje maar toch iets, minder erg was. Zij deed aan Jozef verslag, van hetgeen zij had gevonden en daarbij gevoeld. Zij was er heelemaal van vervuld, zij sprak over niets anders. Zij zat met de ellebogen op tafel en vertelde alles. Zij was verwonderd over dit, over dat. Die oude beurs, die zij gezien had, die haar moeder nog voor haar vader gehaakt moest hebben, met die gouden franje, herinnerde zij zich wel heel lang geleden eens in de ouderlijke slaapkamer te hebben gezien, maar zij wist volstrekt niet, dat haar vader die nog had. En dan die kerkboeken weêr, och, hoe aardig! 't Was wel akelig al die reliquiën van vaders leven zoo vóor zich te hebben, maar er was toch ook iets aangenaams in, zooveel dingen te vinden, die zij nu natuurlijk in hun huishouden zouden bewaren, en die hun onophoudelijk aan vader zouden herinneren. Jozef vond het ook, die kleine onwillekeurige soeveniers hadden veel aantrekkelijks. Zij zouden heilig opgeborgen en verzorgd blijven. Mathilde sprak er weêr over voort of zweeg tusschenbeide en liet haar zwarte armen rechtuit op het witte tafellaken liggen, terwijl haar oogen er over heen droomden. Het kwam zelfs niet in Jozef op dan haar hand aan te raken, die in de zijne te nemen of te aayen. Zij vertelde hem alles en zag hem daarbij aan als een vriend, een vertrouweling, een broeder. In geen tien dagen hadden zij van hun liefde gesproken. Het leek wel alsof zij al tien jaar getrouwd waren.

Zoo doorleefden zij de dagen. Telkens na het ontbijt en telkens na de koffie ging Mathilde zachtjes naar boven. Zonder leven te maken was zij al boven gekomen zonder dat Jozef of Jans het merkten. De tijd van de kondolatievisites en van de visitekaartjes was voorbij. Het waren rustige, doodelijk stille dagen, die gauw achter mekaâr kwamen. En Mathilde maakte de uren, die zij met Jozef moest samen zijn, altijd nog korter. Zij sprak op 't laatst weinig meer van haar dagelijksche vondsten en gedachten. Het laatste had zij verteld van de intieme brieven van haar vader, die zij allemaal, naar tijdsorde gerangschikt, in het bureautje op de slaapkamer had vinden liggen. Jozef was eens met haar meègegaan, hij had haar tegenwoordig leven willen deden, zich aansluiten bij haar bezigheden. Maar na dat zij eenmaal samen waren bovengekomen, was zij aan het bureau gaan zitten, zóo in 't midden dat er geen plaats meer voor hem overbleef, en had al wat er onder haar handen lag in beslag genomen. Hij, werkeloos, lusteloos en verlegen, bleef er naast staan, niet wetende hoe zich te houden; hij had gebaren gemaakt om iets aan te vatten of in te zien, die gebroken werden door dat zij toevallig haar arm tusschen hem en het ding heen bewoog; hij had met belangstelling iets gevraagd, waarop zij geen andwoord gaf, heelemaal verdiept in haar studie. Hij was dus maar te-ruggeslopen naar het zaaltje, waar hij gemakkelijk ging zitten, zijn beenen uitgestrekt, en kranten las, en zich verveelde.

Mathilde maakte ook haar nachten langer. Zij ging 's avonds vroeg naar bed en stond laat op. Zij zeide zoo'n moeite te hebben om in slaap te komen, door haar vermoeidheid en haar verdriet. Zij had zelfs ook na den eten, gedurende den avond, haar napluizingen willen voortzetten en Jans om een lamp gevraagd, maar daartegen had Jozef zich ten stelligste verzet, zeggende, dat dat haar nog meer afmatten zoû en haar slaap nog meer bemoeilijken.

Vóor het oude bureautje gezeten, leefde dan Mathilde het leven der herinneringen voort. Zij deed het met een altijd vermeerderende liefde, met een inspanning, een drift en een volharding, die tot halsstarrigheid werden en uit een onwrikbaar genomen besluit schenen voort te komen. Dit besluit bestond dan ook. Het had zich langzaam, voetje voor voetje, in haar ziel gedrongen en zich daar vastgehecht, zonder dat zij 't zich zelf goed bewust was. Zij had besloten tóch zooveel voor haar vader te doen als zij zich vóor haar huwelijk had ingeprent. Zij had zich eenmaal, eer zij met Jozef op reis ging, voorgenomen, dat, bij hun te-rugkomst, de innige verstandhouding tusschen haar vader en haar zoû voort duren, ja nog inniger worden zoû. En zij wilde haar plan getrouw blijven. Gedurende haar afwezigheid had zich zooveel teederheid en zorg in haar hart opgestapeld, dat zij zich van dien voorraad, van die kracht, niet inéens kon ontdoen of haar geheel in tranen kon laten wechvloeyen. Zij had zich-zelf eenmaal beloofd dat, als zij eens wezenlijk getrouwd, wezenlijk vrouw zoû zijn, zij beter dan ooit en nu voor-goed aan haar vader vergelden zoû, wat zij voor het geluk van haar heele jeugd aan hem te danken had. En nu gebeurde dat, buiten haar eigen weten om. De eenzame ruimte van deze verlaten kamer trok haar meer en meer aan. Hier ademde zij de gedachten en gemoedsbewegingen in, die uit het oude verleden hier waren blijven hangen. Haar liefde sliep, zij vergat zich zelve, zij vergat Jozef die beneden alleen zat. Als zij de brieven van haar vader las en al die kleine zaakjes, die hij achter gelaten had, hanteerde met een innige teederheid en behoedzaamheid, dan was 't alsof zij zijn lotgevallen van vroeger deelde en als dochter hem vereerde in deze geheime en bizondere kenteekenen van zijn goedhartig en haar zoo dierbaar bestaan, dat nu op gehouden had voor altijd. Haar jeugd verdoofde. Zij dacht niet meer aan het tegen woordige. Koud, als een beeld, ging ze op en neêr door het huis, terwijl het warm was in haar hoofd en de figuur van haar vader onophoudelijk door haar verbeelding dwaalde. Uit al de woeligheid, de koortsige opvolging van indrukken en gezichten, den rijkdom van de voortdurend wisselende omgeving en den aandoeningenstorm van de huwelijksreis plotseling in de grijze stilte, in de sombere kilheid en eentonigheid van het huis, waar de doodslucht door heen had gewaaid, verplaatst, scheen ze zich er in te zullen ziek-suffen en de diepe ontsteltenis, door het kontrast veroorzaakt, niet te boven te kunnen komen. Het was te gauw gegaan, het was te hevig geweest. Zij voelde nog voortdurend den eersten schrik. Alle begoocheling was wech, wech de vrolijkheid, wech het brandende leven. Terwijl de scherpte van het leed langzaam week, bleef ze ongevoelig voor elke nieuwe levensprikkeling ook.

Zoo kropen onder Jozefs voeten heen de dagen voorbij. In zijn altijd sierlijk, nu donker-blauw pak, stapte hij 's morgens met een verveeld gezicht de deur uit, en, daar hij nu anders niets te doen, aan niets anders te denken had, leî hij zich met de borst op de kantoorzaken toe, zich dieper naar zijn lessenaar buigende, werd ijverig, zocht zijn inkomsten te vermeerderen. Hij droeg nu voortdurend, in plaats van zijn gekleurde een eenvoudige, breede zwarte strikdas en een hoogen rouwband om zijn hoed. Hij was er toe gekomen eenige studieboeken van vroeger, die op zijn kantoor in de stof lagen en daar vergeten werden, naar zijn huis te laten brengen. Hij had daar vroeger een tijd lang nog al pleizier in gehad en, daar hij zich onmogelijk bij publieke vermakelijkheden kon vertoonen en anders niets had om zijn ledige uren meê door te brengen, kwam het genoegen te-rug en zette hij zich 's middags en 's avonds aan de studie. Toch deed hij niet veel meer dan lezen, met belangstelling. Hij maakte geen aanteekeningen. Het waren werken van Quack, Heemskerk, de Pinto, staathuishoudkundige en populair-rechtsgeleerde boeken. Nu ging hij ook nieuwe uitgaven over dezelfde onderwerpen koopen, waar hij zich nu eenmaal meê bezig hield. Verder las hij het Handelsblad, den Figaro en de Fransche romans van George Sand en Feuillet. Dit alles in afwachting, dat Mathildes droefheid en ziekelijke afgetrokkenheid zoû verdwijnen. Ook kreeg hij 's middags wel eens bezoek van een club-vriend, D'Ablaincourt of Hasman, die een uurtje bleef praten en een glaasje port met hem drinken. Een enkele maal verscheen er een kantoorklerk, die iets te vragen had. Overigens kwam er niemant.

Er waren weêr twee weken voorbij. Het was op een zonnigen Donderdag, vier uur, een uur voór het eten. De deur van het zaaltje stond open. Jozef zat voor de met een rood en zwart tafelkleed overdekte tafel in 't midden van het zaaltje, zijn hoofd over een boek gebogen, gesteund door zijn blanke smalle hand, met een kleinen zegelring aan den pink. Een half-uitgedronken glaasje portwijn stond voor hem. Verder lag er een hoopje papieren. Er was een aangename dagheldere tint. In den gang was alles kalm. Alleen het gekuch van Jans, het sissen van boter of het geklater van borden, die op of van mekaâr geschoven, en het geklitter van zilveren lepels en vorken, die bewogen werden, klonken in den gang. Op-éens spande zich met een gepiep de ijzerdraad van de voordeurschel en de klepel klepte, met een gebibber van de ijzerdraad en; de schel klonk luid langs de witte muren met twee, telkens zachtere herhalingen. Jozef zag niet op; alleen knipte hij even snel met zijn oogen. Men kon hem, in de diepte van het zaaltje, van de straat af zien zitten, toen Jans de deur open had gemaakt voor een juffrouw die zij niet kende.

--Is mevrouw thuis? vroeg een hoog stemmetje.

--Jawel, jufvrouw.

--Zoû 'k mevrouw ook even kunnen zien?

De oude Jans keerde zich om, en, terwijl zij haar hand om de kruk van de voorkamerdeur schoof, andwoordde zij.

--Och, wil u hier maar even binnenkomen, asjeblieft?

Haar oogen op-zij, om Jozef niet te zien in de verte, stapte de ranke elegante jufvrouw, op haar hooge bottines met verlakte puntjes, in de voorkamer, waar Jans haar volgde.

--Kan ik ook zeggen, wie der is?

De jufvrouw reikte in de roestige hand van de keukenmeid, die deze zoo juist aan haar boezelaar had afgeveegd, een klein dof-geel visitekaartje: Emilie Hartse.

Na een blik tegen de jufvrouw, als had zij dien naam meer gehoord, ging Jans wech. Toen zij voorbij het zaaltje kwam, om Mathilde boven te waarschuwen, riep Jozef haar binnen.

--Laat eens zien, zeî hij, en daarna herkennend: o! Hij gaf Jans het kaartje te-rug, waarna zij de trap opslofte. Jozef ging voort met lezen. Na een paar minuten, draalde Jans te-rug, de trap af.

--Zou mevrouw komen?

Ja, meneer.

Maar het duurde vijf minuten; Mathilde kwam niet. Jozef keek eens rond en gaf er zich rekenschap van. Nog gingen er vijf minuten voorbij en Jozef hoorde niets komen. Toen stond hij op en ging zelf naar de voorkamer.

Hij kwam binnen en groette beleefd.

--Jufvrouw ik woû u niet langer laten wachten.

--Dag, meneer van Wilden, hoe maakt u 'et? ... En hoe gaat 'et uw vrouw?

Zij stak hem haar arm toe, die tot aan den elleboog in een zwart glacé-en handschoen was.

--Dank u, zij zal zoo wel komen ... En wat heeft men u in lang niet gezien ... Dat zal wel een jaar of vier, vijf zijn!

--Ja, ik ben verleden week pas te-ruggekomen in het land ... Er is heel wat gebeurd in dien tijd, zeî zij, plotseling ernstig, bijna meêwarig.

--Ja, ja, andwoordde Jozef, het is een groot verlies voor ons geweest. Wij hielden zoo veel van hem!

--Hoe houdt uw vrouw er zich onder? ... Och, ik begrijp heel goed, dat 't haar een groot verdriet moet doen, maar daartegen is 't al weêr gelukkig, dat zij nu zoo'n grooten steun heeft in ... in u. 't Zoû wat anders geweest zijn om dat alleen te dragen.

--Ja, zeî Jozef.

Zij spraken er nog eenigen tijd over door. Toen vroeg hij na een kleine pauze.

--En is u al dien tijd in Parijs geweest?

