Part 12
Zij stond gauw op, groette nauwelijks twee nog aanwezige dames en wachtte Jozef in de vestibule bij de breede wenteltrap met zijn blinkend gepolitoerde lage treden. Hij kwam ook aanloopen, kuchte luchtig en zocht in zijn vestjeszak naar een tandestoker; de andere hand hield hij in zijn broekzak.
--Nu wat is 't? vroeg zij, hem aarzelend aanziende.
--Ik zal 't je boven laten lezen. En zwijgend gingen zij de trap op. Mathilde wist niet wat te denken, zij beet op haar onderlip en klapte in haar handen om haar ongeduld te temperen. Boven in hun grijzige logeerkamer, sprak Jozef nog geen woord: hij scheen in gedachten. Zwijgend gaf hij haar den telegram over. Mathilde las 'm.
--O, God, zeî ze, wat zullen we nu doen?
--Niets, andwoordde hij, precies hetzelfde wat we anders gedaan zouden hebben.
--Laten we maar liever zoo gauw mogelijk afreizen.
--En niet meer in Arnhem stil blijven?
--Nee, natuurlijk niet, dadelijk naar huis gaan. Vader is erg ziek.
--Zoo erg zal 't niet zijn. Hij heeft een sterk gestel. Laten we maar eerste den brief afwachten. Dan kunnen we altijd nog zien.
Mathilde wandelde de kamer op en af en dacht na. Jozef stond aan 't venster geleund en trommelde tegen de ruiten. Hij kreeg een cigaret uit zijn zak.
--Ik ga maar vast pakken, zeî Mathilde.
--Dat kun-je altijd doen, zeî hij, of nee, láat 't liever doen. Lieve kind, je bent zoo moe.
--Wat zoû vader schelen? zeî Mathilde, over den koffer gebukt.
--Ja, dat weet ik niet. 't Kan natuurlijk van alles zijn, maar de brief zal wel gauw komen, dan weten we 't. Jozef was bezig vóor den spiegel zijn das recht te keeren en zijn snor op te krullen. Al zijn oude vriendschap voor de Stuwen kwam boven; hij was ongerust. Ik ga nog even in den tuin, zeî hij, win-je nou maar niet op, lieve kind, en laat me waarschuwen als er nog iets komt.
Beneden was de table d'hôte gedaan.
Voortdurend klepte de buitendeur open en dicht, de luide en lachende stemmen van de heengaanden klonken op, om wech te suizen in de open lucht, zoodra de deur weêr dicht was geslagen, en gevolgd te worden door andere, meer gemoedelijke stemmen, die langzaam opkwamen en uitstierven en van slofferige voetstappen waren vergezeld, of door stemmen, die klonken als kristallen glazen en door het geruisch van japonnen werden omsisd.
Jozef zoû juist de kamer uitgaan, toen een kellner de trap opkwam, een telegram in zijn hand. Jozef duwde den man te-rug, om Mathilde niets te laten merken en gaf hem een order over het ontbijt van morgenochtend, als had hij hem daarvoor ontboden. Terwijl hij den nieuwen telegram openmaakte, ging Jozef achter den kellner de trap af.
De Stuwen was gestorven. Men wist niet waaraan. "Oorzaak onbekend" stond er. Jozef werd verzocht zoo spoedig mogelijk te-rug te komen. Jozef vond dit alles heel natuurlijk. Hij was niet gewoon licht te schrikken, hij draaide in de vestibule even op éen hiel rond en ging toen weêr langzaam naar boven, den telegram voor zich uit houdende.
Mathilde was niet voortgegaan met pakken maar was gaan zitten op een stoel bij het ledikant, om eens na te denken. Dat vader zoo gauw zoû kunnen sterven! Wie had dat gedacht! Arme vader! Hoe teeder en met hoeveel droefheid had hij haar omhelsd, toen zij wech ging, ver van hem wech, op haar huwelijksreis! Wat had hij haar een aanbeveling gegeven voor de toekomst, alsof hij haar nooit terug zoû zien! Wat had hij veel gesproken van de eenzaamheid, die hij tegemoet ging! Och, och, hoe had ze hem ook kunnen verlaten! Hij had 't zelf gewild, ja, maar ze had 't toch niet moeten doen ze had het nooit moeten doen! Waarom was ze ook getrouwd, waarôm was ze wech-gegaan uit zijn beschermende armen, die zij verwarmde, die haar alléen nog konden omhelzen en zonder haar leêg en slap neêrhingen. En nu dood, zuchte zij ... Maar ... dood? nee, hij was niet dood, hij kon niet dood zijn! Hij was maar ongesteld; hij moest toch wel erg ongesteld zijn, dat ze zoo telegrafeerden van huis! Of misschien ook niet, misschien hadden ze den indruk willen verzwaren, om te maken dat Jozef en zij gauw overkwamen, om geen last met den ouden heer te hebben en te zorgen, dat hij in geen geval alleen stierf, dàt dáar geen mogelijkheid voor zoû zijn. Ja, zoo moest het wezen. En zij stond gauw op om verder door te pakken, met het vaste besluit dadelijk naar huis te sporen. Jozef zoû wel toestemmen, hij vond alles goed, wat zij woû. Daar stond Jozef weêr in-eens vóor haar.
--Je vader is van-middag overleden, zeî hij bedaard en hoogst ernstig, en hij hield haar den telegram voor.
Zij nam dien niet aan, andwoordde niet, ging weêr op den stoel, waar ze daar-zóo over alles had nagedacht zitten. Met wijd open oogen keek ze Jozef strak in zijn gezicht. Twee dikke tranen vielen op haar licht bruine japon. Zij huilde een oogenblik stil en hevig. Toen stond ze op in een overgegeven houding, heel week:
--Nou ben ik wél heelemaal voor jou en voor niemant anders op de wereld, zeî ze. Zij legde haar armen om zijn hals. Hij sloeg zijn handen om haar schouders. Hij kreeg ook tranen in zijn oogen en zag er haar zwarte haren in golven aan zijn borst. En zij zagen mekaâr aan, beiden opgewonden door den heftigen toestand.
Toen Mathilde met de koffers klaar was gekomen, waschte zij haar oogen en ging Jozef opzoeken in den tuin. Zij kwam in de vestibule en keek naar de eetzaal. De zon daalde bedaard wech achter de huizen van Keulen, zij bereikte de tafel niet meer. Een paar kellners liepen haastig af en aan. De tafel was bijna heelemaal opgeredderd. Over het wijn-en vetvlekkig tafellaken vlogen vliegen in korte kringen om de vergeten broodkruimels heen. Een zware gemengde etensreuk benauwde de zaal. Op de vloer was een stukje rotte appel en een druivenschil gevallen. De stoelen stonden door elkaâr, een eind naar achteren geschoven de servetten hingen er lusteloos en verkreukeld over heen. Er kwamen twee meiden de glazen uitwasschen in een hoek van de zaal. Een kellner gooide de eene met een perenschil. In platduitsch schold zij hem daarover uit, terwijl de rook van haar warm water in de rondte dwarrelde.
Mathilde stiet de voordeur open en ging naar Jozef, die, een cigaret in zijn mond, voortdrentelde tusschen het groen in.
VII.
Den volgenden avond waren zij te-rug in Amsterdam. Zij reden gauw door den regen naar huis. Jans deed al open voor er nog gescheld was, met een doodsch gezicht. De tranen daalden over Mathildes wangen, toen zij den gang doorging naar het zaaltje, tranen om het leven, dat wech gestorven was uit het huis, het stille, bedaarde, goedaardige leven, met zijn kalmen gang, zijn zacht neurieën, al zijn kleine gewoonten en al zijn stille dingetjes. De stilte was nu zoo stil, dat het niet was om te zeggen. De stilte van den dood ademde door het huis, een grijsheid zweefde langs de muren en over de trappen, een warrelende schimmige nevel waarde in de hoeken en stofte van de zoldering. Mathilde had Jans bij het binnenkomen de hand gedrukt, zoo als het altijd in de familie gebruikelijk was geweest aan de meiden te doen bij allergewichtigste omstandigheden en treurige of aandoenlijke gelegenheden. Jans was nu de jonge mevrouw, die zij in de onnadenkendheid der ontsteltenis telkens nog jufvrouw noemde, naar het zaaltje gevolgd en hielp haar daar haar reisgoed afdoen.
--Hoe is 't nou gegaan, zoo in eens? vroeg Mathilde zachtjes; de tranen drupten langzaam, zonder zenuwachtigheid, van haar wangen.
--Ja, u zal wel erg geschrokken zijn? zeî Jans.
--'t Is treurig, erg treurig voor me, 't is een heele steun die me ontvalt.
En 't is zoo gauw gegaan, toch zóo gauw, onbegrijpelijk, Meneer was dan, zooals u weet, een beetje rhematiek-achtig nog altijd, maar och gut, anders zoo gezond als 't maar kan. Hij at goed, zeker ... flink ... ten minste behoorlijk, zooals altijd. Een dag of vier geleden begon hij een beetje pijn te voelen hier, bij zijn maag, op zijn rug en in zijn hoofd. Ik zeg: meneer gaat u na bed, zeg ik, dan zal 't morgen wel over zijn. Den volgenden ochtend nog 't zelfde. Nou, toen zeg ik tegen meneer, blijft u nou maar legge. Wil ik ook iets schrijven of zoo aan de jufvrouw? Nee, zeit meneer, doe dat maar niet, ze komen toch over een paar dagen thuis. Nou, toen deê ik 't dan niet, maar 's middags werd meneer erger, hij had zoo'n pijn, dat ie 't niet uit kon houden. Och God, en hij huilde zoo! Ik ben naar den dokter gegaan, die is dadelijk gekomen, hij zeî, dat 't weêr de rhematiek was, dat meneer maar veel rust moest hoûen. 's Avonds woû ik meneer wrijven, maar dat kon ie onmogelijk velen en hij gilde het uit van de pijn. Nou, toen dacht ik, dat 't geen rhematiek kon zijn. Ik zeê tegen meneer, of ie niet een andere dokter gehaald woû hebben, of misschien een professor of zoo. Maar meneer zeê, dat 't wel over zoû gaan, hij woû maar, dat ik hem met rust zoû laten. Zoo duurde het vooreergisteren en eergisteren en vooral gisteren-morgen werd meneer toch zoo naar, ja gisteren morgen was 't, ik werd er wakker van, zoo als ie aan 't kermen was. Ik naar beneden, ik vroeg meneer of ik ook een pap voor hem klaar woû maken, of hij ook iets hebben woû, nee, ja, hij woû den dokter hebben. De dokter kwam en bleef een uur bij meneer en ging heen zonder me iets te zeggen. Toen werd meneer hoe langer hoe erger. Nou, toen ben ik naar meneer Berlage gegaan en die heeft getelegrafeerd. Ik ben gisteren bijna aldoor bij meneer gebleven, ik kon 't niet anzien, zoo als de man toch leê. Dan schudde ik zijn kussens en leê zijn dek goed. Leê ie dan weêr een oogenblik rustig, dan woû ie weêr in-éens opstaan, en, had ie even op een stoel gezeten, dan verlangde 'n ie weêr na bed. Zoo ging het tot een uur of vier, toen werd meneer inééns zoo akelig benauwd en blauw in z'n gezicht, dat ik dacht, dat ie zóo dood bleef. Ik schrok er zoo van, dat ik niet wist wat ik doen zoû. Ik bette meneer z'n gezicht met water want ik dacht, dat zijn aren zouden bersten. Na een kwartier kwam ie weêr bij. Ik had al-door geen oog van hem afgehad. Toen zeê ie zachies, o toch zoo zachies: Jans, kom eens hier. Ik geloof, dat ik nu dood ga zeg et an de jufvrouw, zeg et an de jufvrouw. Dit zeê ie precies zoo tweemaal achter mekaâr. Toen ging ie weêr leggen, achterover op zijn kussen. En toen was alles gedaan.
Jans had het verhaal gedaan, op den ernstigen welvoegelijken toon van een meid, die meegaat in de ongelukken van het huishouden. Mathilde had naar haar staan te luisteren, haar hoed nog in een hand en éen handschoen aan, bewegingloos en ontroerd. Jozef had den koetsier betaald, na dat deze de koffers in den gang had gedragen. Daarna was hij naast zijne vrouw komen staan, met veel belangstelling in zijn gezicht, de armen slap langs het lichaam.
--En heeft meneer anders niets gezeid? vroeg hij.
--Nee, meneer.
--In 't geheel niet, vroeg Mathilde, ook die paar dagen te voren niets?
--Nee, jufvrouw, nies bizonders, andwoordde Jans nadenkend.
--Is er al iemant geweest? vroeg Jozef.
--Ja, de dokter is er van-daag nog geweest en meneer Berlage kwam vragen of u al te-rug was. Anders nies.
Dof-zwijgend ging Mathilde de trappen op, naar boven, Jozef stapte achter haar aan. Toen zij tien treden gegaan was, kwam Mathilde in een luid snikken los: och, mijn arme vader, mijn arme vader, huilde zij. Had ik het niet gedacht? Heb ik het niet voorgevoeld? Hè, hè, 't is verschrikkelijk! Wij hadden nooit op reis moeten gaan en hem alleen laten!
In een uiterst verdriet ging zij haar vaders slaapkamer binnen, haar zakdoek voor haar gezicht. De gordijnen waren wechgeslagen voor het ledikant van-daan. Twee kaarsen brandden er voor naast een zilveren kruisbeeld. Daar had Jans voor gezorgd. Stijf en wit en doodelijk verouderd lag de Stuwen onder zijn wit lijklaken gestrekt, zijn oogen toe, zijn mond open. De bovenste rand van zijn onderste rij tanden was zichtbaar. Het laken dekte hem tot onder zijn kin. Zijn korte grijze haren waren glad gestreken. Een blauwige tint lag om zijn oogen en voorhoofd en wangen, en schemerde loodkleurig door het vel. En hij was zoo mager, zóo mager en hij had zulke diepe rimpels in zijn voorhoofd. De gordijnen voor de straatvensters waren neêrgelaten en de kaarsen schenen vaal met het verdoofde daglicht samen.
Het lijk schrikte Mathilde af. Een beetje rillerig knielde zij neêr voor het bed. Zij bad, en zag het lijk heftig aan. Zij huilde hard-op. Toen kon zij zich de bewegingloosheid van haar vader maar niet begrijpen. Zij schoof het laken zachtjes wech en tastte naar de hand van den doode. Die hand lag recht-uit, grijzig-wit, het bloed was van onder de nagels wech en Mathilde probeerde de hand goed beet te pakken. Het vleesch van het lijk gaf niet meê. Die hand kon haar niet meer aayen en zoo innig de hare drukken als vroeger, dacht zij. Vader, vader! riep Mathilde, o. vader is u nu voor altijd van me wech? En, haar kin naar voren, haar oogleden neêr, schudde zij haar hoofd, en zag wanhopend naar het lijk. Daarna leî zij haar handen over zijn schouders en zoende het harde koude voorhoofd. Maar zij kon niet wech gaan, zij kon hem niet alleen laten. En weêr knielde zij en deed haar gezicht tegen het doodelaken, dat in breede plooien van het bed afhing.
Jozef wachtte, staande. Maar toen er geen eind aan kwam besloot hij bij de tafel te gaan zitten en eenige niet te vergeten zaken die gedaan en maatregelen die genomen moesten worden, te noteeren. Hij was ook iets geroerd, door het groote verdriet van Mathilde en den dood van zijn ouden vrind, maar hij moest zijn hoofd bij mekaâr houden om de drukte, die nu natuurlijk volgen zoû.
Toen hij daar een minuut of tien bezig was geweest en bij het ledikant niets meer hoorde, zag hij om. Mathilde knielde rechtop daar naast en bekeek het lijk. Daarna stond zij op en zoende Jozef lang met een betraand gezicht en drukte zijn handen. Toen droogde zij haar tranen wech, maar huilde dadelijk toch weêr met haar bleeke gezicht en liep stilletjes naar beneden. De nacht was neêrgekomen en alles was zoo koud op de trap en in de kamers, dat zij griezelde bij elke schaduw en bij elken hoek. Jans vroeg of zij ook eten zouden.
--Vraag 't maar aan meneer, of hij iets gebruiken wil. Meneer zit boven. Ik heb geen trek.
En zij drentelde troosteloos van de eene kamer in andere en bekeek alles met haar treurende oogen: de piano in het zaaltje en de tafel en vaders tabakspot en de kranten, die daar nog lagen, vier-vijf op mekaâr, ongebruikt in denzelfden vorm waarin zij gekomen waren. Jans had zelfs het licht in den gang vergeten op te steken. Nergends brandde een lamp. Mathilde nam haar hoed en stofjas en liep naar boven, naar haar eigen kamer. Toen zij voorbij de doodekamer kwam, waarvan de deur op een kier stond en den zachten kaarsenglans door liet schijnen, hoorde zij gauw-achter-mekaâr dof snikken en Jozef die heen en weêr liep. Zij ging weêr binnen en zag Jozef, die voor het lijk was blijven staan, en te vergeefs, ongeduldig over zijn eigen gevoeligheid, probeerde om niet te huilen. Dit deed Mathilde ontzaglijk veel goed. Zij voelde zich-zelf er een beetje door verlicht en zij omhelsde en zoende hem uit dankbaarheid.
Boven op haar kamer was alles nog akeliger en duisterder dan overal-anders. Maar zij was toch blij dat ze er was, in deze kamer, die haar met al zijn oude kleuren zoo vriendelijk omwandde. Zij ging op haar bed zitten, en een zachte, troostende warmte steeg door haar lichaam, vol innigheid, vol herinnering, vol van het verleden, dat plotseling hevig voortleefde om haar heen. Hoe vreemd en droevig-heerlijk, dit te-rugzien van haar kamertje na haar huwelijksreis! Wat was zij veranderd sints zij hier voor 't laatst was geweest!
En zij sloot zich op, zoo als vroeger. Zij deed haar stoffige kleêren uit en ging zoo voor de tafel zitten, en droomde. Daarna stak-zij het gaslicht aan, ging buiten de deur en riep met gedoofde stem, als om den doode niet te hinderen, dat Jans uit haar koffer haar peignoir moest brengen. Meneer had de sleutel. Zij was zoo moe. Jans kwam boven met de peignoir, Mathildes reismand, een een beetje eten: een stukje biefstuk, wat princesseboonen en aardappelen. Meneer had gezegd, dat zij 't maar aan mevrouw brengen moest, die 't wel eten zoû na de reis.
--Zeg aan meneer, dat ik maar naar bed zal gaan, ik ben dood-, dood-moe.
Zij probeerde om iets te eten, maar het woû bijna niet door haar keel. Half ziek van het huilen en van al de aandoeningen, met een nevel van vermoeyenis voor haar oogen en een razend gesuis in haar ooren, ging zij naar bed, maar toch troostte haar de gedachte, dat zij niet heelemaal alleen over was gebleven op de wereld, maar dat er beneden iemant was, die haar steun en haar alles zoû zijn, bij wien zij haar toevlucht kon zoeken, zoo als vroeger bij haar vader en waar zij nu toch eigenlijk inniger bij hoorde.
De volgende dagen met hun koortsige bezigheden, hun vermoeyenis, hun droefheid, liepen Mathilde snel voorbij. De visites van vrienden, die kwamen kondoleeren, het ceelen-maken, de zorgen voor de begrafenis en voor de uitvaart, de verzorging van het lijk--zij was bij alles tegenwoordig, deed alles meê, bemoeide zich met alles, stond met haar treurigen ernst en een bedrijvigheid die gelatenheid insloot, Jozef in alles ter zijde, spoorde hem aan, gaf hem raad, zeî haar meening. Zij begreep wel, dat zij haar verlies later, als alle drukte voorbij zoû zijn, pas volledig zoû voelen. Voorloopig maar niet te veel aan de ledigheid gedacht, die zoû achterblijven, want er was van alles te doen: brieven schrijven, meiden ontvangen, voor rouwgoed zorgen en zooveel meer, en betraande oogen en bevende handen kunnen geen redelijk werk verrichten. Jozef liet zich ook voor alles vinden, hij dacht letterlijk om alles. Telkens zeî hij tegen Mathilde van rust nemen, zeggende, dat hij 't alléen wel afkon.
Van den morgen tot den avond klonk de huisbel door den gang. Dan was 't mevrouw Berlage, de heer Ster, die kwamen kondoleeren, dan was 't de mode-maakster, de koster van de kerk, een bediende van den circulaire- drukker, de timmerman, of wel brieven van rouwbeklag, die aankwamen.
Toen eindelijk de dag van de begrafenis voorbij was en Mathilde de stoet uit had zien trekken en de deur van het oude huis voor goed achter haar vader had zien sluiten, en zij 's avonds met Jozef boven alleen was op haar kamer en Jans naar bed, zagen zij elkaâr aan, zij waren in deze droefheid weêr nader tot mekaâr gekomen. Toen zij in bed naast mekaâr lagen, huilden zij allebei nog. Maar Mathilde schikte zich heelemaal tegen Jozef aan en sloeg zijn arm om haar hoofd. Hij zoû voortaan haar eenige beschermer wezen.
Er werd besloten, dat zij voorloopig het oude huis zouden blijven bewonen, tot hun rouwtijd om was, had Jozef gedacht, en dan naar een beter huis verhuizen. Uit de papieren bleek, dat Mathildes vader, behalve dit en nog twee dergelijke huizen op den Oude Zijds Achterburgwal, die samen twee-en-twintig honderd gulden huur opbrachten, honderd dertig duizend gulden in effekten had nagelaten. Jozefs zaak ging ook vooruit en leverde een acht duizend gulden in het jaar, zoo dat zij te zamen een inkomen van zestien duizend zeven honderd gulden hadden, waar vooreerst, zoo lang er geen kinderen waren, ruim van geleefd kon worden in hun stand. Het bedrag van de Stuwens nalatenschap had Jozef bizonder verrast. Hij had dan wel erg zuinig geleefd in zijn klein huis en met zijn burger pot! Maar Jozef vond 't mooi van hem, daar hij 't waarschijnlijk gedaan had om zijn dochter meer na te kunnen laten.
Jozef richtte nu voorloopig zóo zijn dag in: Na het ontbijt ging hij om half tien naar 't kantoor, kwam om éen uur thuis koffie drinken, ging daarna naar de Beurs en kwam daarna thuis iets lezen. Dan schonk Mathilde hem een glas port-wijn. Om half zes dineerden zij. En 's avonds bleven zij weêr bij mekaâr zitten tot aan den nacht. Naar de club ging Jozef vooreerst niet. Hij woû daar liever niet komen met den rouwband om zijn hoed. En dan, had hij thuis niet zijn lieve vrouw zitten? Haar gezelschap trok hem meer en meer aan. Uren lang zaten zij 's avonds bij elkaar met de thee en praatten over de Stuwen en het verledene. Over de toekomst spraken zij weinig.
Gedurende de eerste dagen, die op de begrafenis volgden, had Mathilde niet naar haar vaders kamer gewild en alles precies zoo laten liggen als het was bij zijn sterven. Zij had eigenlijk de eerste week, die op de drukte volgde, niets uitgevoerd den heelen dag dan de kopjes omwasschen na het ontbijt en na de koffie en de glazen na het eten. Verder zat zij maar, met haar handen over mekaâr, in de binnenkamer, waar zij zooveel uren en uren met haar goeden ouden vader had gezeten. Dan tuurde zij in de rondte, naar haar vaders leêgen leuningstoel, naar het buffet-kastje, naar zijn tabakspot en pijpen, naar het boekenrekje aan den wand, waar een paar boeken over natuurkunde op zwierven, die hij doorgestudeerd had, en waar de koeranten lagen, die hij 't laatst had gelezen. Zij nam ze van het plankje en las ze over en wilde uitmaken voor zich-zelve, waar haar vader het aandachtigst gelezen zoû hebben. Zij zocht naar vingerdrukken, naar een potloodstreepje aan den kant, en had zij iets gevonden, dan toonde zij 't Jozef bij zijn thuiskomst: Kijk, zeî ze, dat heeft vader nog met belangstelling gelezen. Dan bracht zij zich te binnen, hoe hij, wat hem betrof bij het lezen van de koerant, vroeger altijd voorlas en er zijn meening over zeî en de hare hooren wilde.
Jozef en zij hadden besloten, dat Jans de keukenmeid waarover zij geen klagen hadden, voorloopig in hun dienst zoû blijven. Mathilde liet Jans dan 's ochtends, als zij zoo alleen zat, bij zich komen en haar nauwkeurig al de laatste levensdagen van haar vader verhalen hoe hij dít gedaan had, hoe hij dát gedaan had, wat hij gegeten had, of hij op zijn gewone tijd naar bed was gegaan, of hij thee had gedronken zoo als altijd, en zoo voords. Dan begon zij aan Jans te klagen over haar verlies en liet haar met zich meê klagen. Mevrouw Berlage kwam ook haar wel een paar keer bezoeken, maar, na haar trouwen, kon zij met deze vrouw, die toch, toen zij nog een jong meisje was, haar beste vriendin was geweest, lang zoo goed niet meer over-weg. Misschien wel, om dat mevrouw Berlage haar nog altijd te veel als een jong-meisje behandelde en het Mathilde hinderde, dat zij niet sprak als van getrouwde vrouw tot getrouwde vrouw.