Een liefde

Part 11

Chapter 11 4,062 words Public domain Markdown

Eenige dagen later reisden zij verder; een waas van balorigheid lag over Mathildes gezicht. Haar stemming veranderde bijna gedurende de geheele reis niet meer. Zij wilde, om Jozef niet onaangenaam te zijn, er niet op aandringen de reis te bekorten, maar zij verlangde eigenlijk onophoudelijk naar huis.

Het scheen haar, dat zij Jozef niet meer zoo lief had als vroeger. Er was als een verwijdering tusschen hen gekomen. Vooral des nachts, als zij zoo zeer alleen met hem was, voelde zij een wrevel omstijgen in haar gemoed tegen zich-zelve, dat zij een onberaden stap had gedaan. Maar andere keeren lachten zij er over, dat zij haar huwelijk zoo noemde. En was zij een paar dagen achter elkaâr niet al te lief voor Jozef geweest, dan had zij oogenblikken van berouw, als een kind, dan zoende zij zijn hoofd en vroeg om vergeving. Maar de algemeene staat van haar liefde bleef flauw.

De verrassingen en ongewendheden, die al de bezochte vreemde streken op haar afschudden, vermengden zich met de nieuwheid, waarin Jozef voor haar was. Zij begon dat alles voor éen te houden: hun ruwerig leven van dezen tijd, met al zijn rare bewegingen en gezichten, met, tot getuigen van de manier waarop Jozefs lichaam haar behandelde, onvertrouwde luchten, bosschen en bergen, niets dan ernstige en onverschillige spoorwegwagens, hotelkamers, en museums niets dan onbekende en haar niet kennende straten en pleinen. Nergends gemeenzaamheid, nergends rust. Naar geen enkel kastje kon zij kijken van haar geluk, wech was haar piano om tegen te droomen van heerlijk, wech het teekengerij om meê te suffen van zaligheid. En zoo kwam zij er toe zich angstig af te vragen of er wel geluk en heerlijk en zaligheid was. Jozef amuzeerde zich bizonder, en zij begreep hem daarom niet meer. Hij beklaagde zich wel bij haar over haar weinige levendigheid en opgeruimdheid, maar al het wereldsche, al het schitterende en woelige, dat zij door-leefden, vond hij even pleizierig als het háar mishaagde. Ook was hij onophoudelijk vol allerliefste oplettendheden voor haar, hij zocht op alle mogelijke manieren haar ook plezier te doen hebben. Zij ging wel overal met hem meê, maar het bleef in het geheel dát niet.

Mathilde droomde een paar maal van haar vader, telkens akelig. Zij droomde eens, dat hij uitging om een wandeling te doen, dat er een zware mist op kwam zetten, die hoe langer hoe dichter werd, dat vader niets meer zien kon op 't laatst en in de gracht viel, zij droomde een anderen keer, dat er een dief in huis was gekomen en zich onder het bed van den ouden heer had verstopt. Haar vader stapte in bed, zij wilde hem waarschuwen en stak haar hand uit; zij werd wakker met een schrik en had Jozef in haar slaap aangestooten, die haar verwonderd vroeg, waar zij zoo ongerust van droomde.

* * * * *

Toen zij al heel lang op reis waren en de reis gauw gedaan zoû zijn, werd Mathildes neêrslachtigheid afgewisseld door hevige aanvallen van liefde voor Jozef. Maar tot haar droefheid merkte zij juist dan, als zij er over nadacht, dat zij eigenlijk lang zooveel niet meer van Jozef hield als vroeger, en dat die verliefde buyen alleen korte te-ruglevingen waren van haar hartstocht van vóor dat zij getrouwd waren.

* * * * *

Het was nu nog tien dagen vóor zij weêr thuis zouden zijn. Zij reisden met een nachttrein door midden-Duitschland, zij zaten alléen samen in den wagon. Om dat er over-dag niets dan vervelende boemel-treinen in den spoorweggids stonden, hadden zij dezen trein genomen. Bevend-schemerend daalde de schijn van het zolderinglampje, waarom de gele gordijntjes waren toegehaald, over het donkerrood trijp van het rijtuig. Jozef en Mathilde hadden afgesproken te slapen. Daar zij gezegd had liever in een hoekje te blijven zitten dan op een bank te gaan liggen, deed hij uit beleefdheid ook zoo. Zoo reden zij beiden vóoruit, éen armstoel was er tusschen hen opengebleven. Mathildes grijs-gele stofjas hing open over haar licht-grijze japon. Een boekètje lag op haar schoot van uit haar opene handen met geel zemeleeren handschoenen. Haar hoofd, onder een lichtkleurig kapot-hoedje, leunde tegen het donkerroode kussen. De wiebelende schaduwen van de vooruitstekende boven in de netten geborgen valiezen en reistaschjes bewogen over haar heen in de maat van het dreunen van het rijtuig. Een zijige donker-blauwe voile hing juist tot over haar bovenlip. Haar oogen vonkelden als zwarte stukjes glas. Zonder te zien, keek zij voor zich uit. Zij hield haar hoofd een beetje op zij met van ernst groezelige wangen. Roerloos-suffend zat zij na te denken in de kreunende en bonzende stilte. Hoe het kwam, wist zij niet, maar zij had zich nog nooit zoo alleen gevoeld met Jozef als in deze uren. Was zij dan nog niet aan hem gewend? Zij wist het niet. Hield zij dan niet van hem en was ze gelukkig alleen met haar geliefde te zijn, dus alleen met haar eenigen, met haar alles? Zij wist het niet. Onrustig dreven haar gedachten om. Zij stoomden den trein vooruit, ver, ver vooruit en weêr naar haar vader, die alleen in Amsterdam zat. En dan weêr te-rug naar Jozef, die daar te dommelen zat en naar wien zij haar hand maar had uit te strekken om hem te raken. Het scheen haar dat zij nu altijd duizend mijlen van haar vader gescheiden zoû blijven, dat zij voor eeuwig opgesloten was in deze enge ruimte met Jozef, en, zoo verschrikkelijk gauw, een oneindige ruimte met hem werd ingedreven naar een altijd wijkenden horizont. Voor het eerste voelde zij, dat zij haar vrijheid van vroeger niet meer had. Zij voelde, dat zij zich overgeleverd had en haar lot nu was beslist. Vooruit nu in het leven, vooruit en altijd met hem, altijd bij hem, altijd naast hem, hij altijd haar nagaande met zijn eischenstellende liefde.

En zij bestudeerde hem, bezag hem in zijn licht-grijze reispak, de beenen uitgestrekt op de fauteuil vóor hem, met zijn lage schoenen en elegante wit en rood gestreepte sokken. Zijn armen kruizelings over de borst, dommelde hij, en zijn hoofd, onder een grijze reispet, zonk, bij lichte knikjes, naar voren; zijn mond was even open gevallen. Wat had hij toch een mooye snor en recht mannelijk profiel! Weêr gleden een reeks van doezelige droevige voorgevoelens door haar brein. Zij hechtte een blik op hem, die vroeg, wat er nu van haar worden zoû, van haar toekomst, van haar heele leven, dat nu in zijn macht was, wat hij daarvan zoû maken. Zal-je mij wezenlijk gelukkig maken, vroeg zij, zul-je me weten te begrijpen? Zal-je van me blijven houden, zoo als je zegt het nu te doen, zal-je van me houden, zooals ik het van jou doe en toch eigenlijk wel voel het altijd te zullen blijven doen? Of ben-je wispelturig en heb ik mij vergist, vreeselijk, vreeselijk? Plotseling dacht zij dit hevig en zag hem strakker aan. Zij wilde een andwoord weten. Zij wilde uit zijn persoon, uit zijn wezen, uit zijn houding, uit zijn gezicht, een andwoord lezen. Maar zij ontdekte niets. Met kleine schokjes volgde Jozefs lichaam de bewegingen van den trein en zijn slapend hoofd schudde ja en neen, op alles ja, op alles neen.

Zij bekeek hem voortdurend: hij zat daar als een kind en machteloos, en niets dan tevredenheid en genoegen-neming met het leven sliep er in hem; zij was met hem en waakte en allerlei zorgen en rustige overwegingen gingen er door haar hersenen; en toen begon het haar te schijnen alsof hij toch wel goed, wel goedig was, en het altijd zoû zijn. Zijn slapen scheen haar iets klagends, iets hulpvragends tot haar te richten, scheen een vertrouwen in haar te stellen, dat haar verteederde. Hij rekende op haar; nu, hij kon gerust slapen: zij hield van hem! Een aandoening van grenzelooze teederheid doorstroomde haar. Ja, hij kon vertrouwen, zij had hem lief, zij zoû over hem waken Hij hoefde niet meer voortdurend wakker te zijn om op de minste van haar bewegingen, de geringste van haar wenschen te letten, vol attenties, vol bewijzen van eerbied, om haar hart te veroveren. Want de verovering was geschied, de buit was hém en zeker kon hij zichzelf vergeten en slapen bij zijn trouwe vrouw.

Daar gilde de stoomfluit en woei het geluid, bij herhaalde kreten, langs de wagens. Jozef deed zijn hoofd in de hoogte, smakte met zijn lippen, kromde zijn éene been naar boven, om dat het moe was van de langdurige uitstrekking, bleef een oogenblik weêr roerloos zitten, scheen zich toen te bedenken, zuchtte en wreef met het blauwe gordijntje den wasem van de ruit, die 't dichtst bij zijn gezicht was, en keek naar buiten in de zwarte duisternis. Daarna wendde hij zijn hoofd om en keek even, heel vluchtig, met bevende oogen naar Mathilde. Hij dacht blijkbaar, dat ook zij sliep. Zij keken mekaâr aan. Zij glimlachte.

--Ben-je wat uitgerust? vroeg zij.

--Ja kind, andwoordde hij in den ernst van het ontwaken. De slaap zat hem nog in zijn oogen en mond. Hij deed zijn oogen weêr toe, schoof zich in de gemakkelijkste houding en bleef onbewegelijk. Alleen bewoog zich tusschenbeide langzaam zijn arm en streek zijn hand over zijn kin of aan zijn oor, terwijl hij inwendig geeuwde. Eindelijk hield alle beweging op en bleef hij, alleen met aandachtig snel knippende oogleden, zitten suffen. Mathilde was ook weêr in haar vórig gepeins wech. Zoo levendig, als ware zij in zijn tegenwoordigheid geweest, kwam haar vader voor haar geest: lieve, lieve vader. Wat had hij haar zegenend gezoend toen zij heenging! Wat zoû zij probeeren hem nog verder gelukkig te maken, als zij te-rug waren thuis!

Maar Jozef was niet zoo rustig meer als eerst. Hij schoof zijn beenen op en neêr, rekte zich uit en zag herhaaldelijk naar Mathilde, als had hij een plan met haar. De wervelwind van de zucht naar het avontuurlijke, naar het gewaagde, en een onweêrstaanbare begeerte deed het bloed achter zijn ooren stijgen en gaf hem een lichte prikkeling onder de oogen. Hij stond op, ging in de fauteuil naast Mathilde zitten, klepte den rood- trijpen arm, die nog tusschen hen neêr was, naar de hoogte en nam haar hand, die hij op zijn been liet liggen.

--Wat zijn we in lang niet samen alleen geweest, zeî hij.

--Hoe bedoel-je dat? vroeg zij; zij liet zich tegen zijn schouder glijden. Van-daag den heden dag toch, en gisteren en van-nacht, zeî ze heel eenvoudig. Hè, ik heb zoo aan vader zitten denken, daarzoo ...

--Nou ja, maar over-dag zijn we eigenlijk nooit alleen geweest, altijd met andere menschen, die ons zagen, we hebben bijna nooit intiem kunnen zijn ...

Hij drukte zijn lippen op haar lippen. Haar tanden deden pijn want de zoen was een beetje hard. Zij ging weêr recht zitten, zij trok zich te-rug, een beetje zenuwachtig. Zij was niets lief. Ernstig en bedremmeld keek zij voor zich uit. Hij begreep haar niet.

--Wat is 't nou?

--Och, niets, andwoordde zij langzaam. Na een oogenblik zeî hij weêr:

--Hoû-je niet van me?

--Ja wel.

Nu viel hij naar haar toe, hij kon zich niet inhouden, hij sloeg zijn armen om haar middel en wilde haar aan zijn borst trekken. Maar zij verzette zich.

--Nee, zeî ze, nu niet ... wat wil-je toch?

--Wat niet? Waarom niet? Waarom nu niet? vroeg hij en hij bezoende haar heele gezicht. Zij verzette zich zachtjes.

--Toe, Jozef, wat mankeert je nou toch? Laten we wat gaan slapen ...

--Maar, waaróm niet? Zijn wij niet alleen? Wil ik het licht lager doen?

--Nee, nee, och nee!

--Maar, waaróm niet?

--Dáarom niet, zeî ze koud en ernstig.

Hij ging tegenover haar zitten, erg teleurgesteld. Eerst zweeg hij, keek haar bij tusschenpoozen ongeduldig aan en dan weêr den anderen kant uit, zijn armen kruiselings over de borst. Zij trok haar stofjas weêr in 't fatsoen en raapte het boekètje op, dat gevallen was; zij hield haar oogen neêr over haar heete bleeke wangen.

Langzamerhand begon Jozef, bij korte stooten, te zeggen:

--Wat beteekent dat nu? 't Is absurd! Vraag ik je niet iets heel gewoons, ben ik je man niet, ik heb immers recht om je te vragen, wat ik vraag!

Hij was heelemaal uit zijn humeur geraakt.

--Zoo iets heb 'k nog nooit gehoord! Moet er dan volstrekt een slaapkamer bij te pas komen, en een egyptische duisternis en zware gordijnen en een dubbel gesloten deur ... Er zal hier geen kondukteur meer in komen, de kaartjes zijn geknipt ... Vóor we aan het eerste station komen, is 't nog wel twee uur.

Zoo gromde hij voort, en naarmate hij zag, dat ze onder zijn berisping bukte, werd hij heviger en trommelden zijn vingers op zijn knieën.

--Wat is t'er ân? zeî hij verder. Ik ben geen minnaar, ik ben je man. Ben ik je man niet?

Na een paar minuten zwijgens en nagedachte, kwam weêr het onbegrijpelijke van de weigering bij hem boven. Zacht zeî hij:

--Zeg nou 'es, Thilde, wáarom wil-je niet?

--Och, ik weet 't niet, ik weet 't niet, snikte zij en begon wrevelig te huilen als een kind, zoo dat tranen kleine donkere vlekjes maakten op haar gele stofjas.

Nog erg boos, ging hij nu weêr op zijn oude plaats zitten. Maar hij kon niet meer slapen. Hij nam zijn Baedeker en begon knorrig te studeeren op het plattegrondje van een stad, die zij al lang achter den rug hadden, zonder te weten wat hij las.

De blauwe gordijntjes hingen slap langs de raampjes neêr en de vaal-gele schijn van het duistere lampje aan de zoldering trilde hevig door den jagenden en schokkenden wagon. Het begon er benauwd-warm te worden.

Mathilde beefde in haar hoekje; een onbegrijpelijke angst had zich van haar meester gemaakt. Zij begreep niet goed, waarom ze zoo bang was geworden voor Jozef. Maar ze had een schrik van hem gekregen. Neen, aan dien man had zij zich zelf niet heelemaal gegeven. Dat was maar schijn geweest. Een ijzig gevoel van vervreemding huiverde door haar hersenen. Zij was bang voor nu en voor later. Nu was hij te-rug-gegaan toen zij weigerde, maar zoû dat altijd zoo zijn, zoû hij later nog wel niet eens verder kunnen willen gaan, tegen haar tranen, tegen haar smeken in? Zoû hij haar niet eens te lijf willen gaan, om haar kwaad te doen, haar pijn te doen? Zij vreesde, ja, zij vreesde alles, maar wat dan, wat alles? Er bestond geen reden voor haar angst. Mocht hij dan niet doen, wat hij gewild had? Immers ja. Wat bezielde haar dan toch om op-eens zoo'n afschrik te hebben? 't Was heel natuurlijk en gepermitteerd, wat hij woû. Dat was het huwelijk, dat was de liefde. Alle mannen handelden zoo tegenover hun vrouwen. En zij-zelf, wat had zij-zelf niet gedaan dien morgen in het bosch? Wat scheelde er dan toch aan, wat maakte haar zoo kriegelig, wat gaf haar dien onweêrstaanbaren weêrzin? Neen, zij begreep zich-zelve niet meer. Zij was moe, zij was zenuwachtig. Het dansen van den wagon om haar heen matte haar af. O, was 't maar gedaan! Waar was 'r einde van de reis, van de lange, al te lange reis? Zij zuchtte en deed haar handen voor zich uit in een wensch om verlossing, als om iets van zich wech te duwen.

De trein ging langzamer. Zij waren dicht bij een station. Zij zouden even iets gaan eten. Jozef stond op, knoopte zijn jas dicht en zocht zijn hoed. Toen hij voorbij Mathilde boog om het portierraampje open te maken, hoorde hij haar snikken: "vader, vader!"

VI.

De table-d'hôte was juist begonnen in het hotel Belle Vue te Deutz, over Keulen, aan den anderen Rhijnkant. Door de acht hooge vensters helderlachte een zomer-zon binnen, straalde in de glazen vóor elk bord geschaard, bevonkelde den wijn, deed het goud van de spiegellijsten en de schoorsteenpendule blinken, verhelderde het witte tafellaken en de sloofjes van de kellners, schemerde schijnsels van frischheid over de fletse wanden, poeyerde stofgoud door de kroezige haren van de vrouwen.

De pastijtjes werden binnengedragen. Een uitwaseming was over de tafel, als bij felle koû 's winters in een dicht rijtuig, dat vol is. Een soeplucht steeg naar de zoldering. De heeren veegden hun snorren en kinnen schoon, zwaayend en duwend met de servetten. Heeren krabden zich achter hun ooren, legden beide handen half toegeknepen, de zegelring goed zichtbaar, aan weêrszijde op de tafel naast hun bord, keken rond, schuin-smakkend met de lippen van voldoening over de gegeten soep, schuin langs hun buurvrouwen naspeurend of er gevoeglijk een gesprek te beginnen zoû zijn. Andere heeren snoten hun neuzen; eenige deden het met hun rug naar de tafel en snoten half achter de ruggen van die naast hen zaten; twee dames schrokken even. De jonge meisjes staarden vóor zich en hielden de handen op elkaâr gedrukt achter het leêge soep-bord, andere bekeken de bewegingen van het licht tegen de muren en namen den schijn aan hun armbanden in orde te doen. De oudere dames kruimden een stukje brood en groetten glimlachend, met lichten hoofdknik, de menschen die te laat kwamen. Een oude vrijster kon haar grijze oogen maar niet van den jongsten kellner afhouden, een blonden baardeloozen krullekop met dikke korte lippen, die handig de pasteitjes tusschen de gasten in kon houden, zonder ze ooit aan te raken of hen te noodzaken een beetje op zij te buigen. De schuivende stappen van de kellners klonken droog en krakend af op het zeil over de vloer. Dit geluid vermengde zich met den doffen klank van de schoone borden, die den gasten voorgeschoven werden, op het tafellaken, met het gekletter van stapels borden, die in een hoek van de zaal werden neêrgezet, met het zilveren getik van de vorken en messen, die sommige heeren naast hun bord tegen elkaâr lieten glijden of onder het eten samentikten.

Onder de soep had niemant een woord gesproken.

Zachtjes werden er nu koele gesprekken begonnen. Beginnende glimlachjes waren om enkele monden. Zij spraken, schor, en fluisterend, over het mooye weêr, over de aangename ligging van het hotel, over het muziekfeest gisteren-avond in Keulen, over hun reizen. Een jongen van twintig jaar sprak tegen een meneer, die tegenover hem zat. Daarom klonk zijn stem boven de anderen en keken de menschen, die dicht-bij hem zaten, naar hem op. Een reuteligheid in zijn keel en het knippen van zijn oogen was zijn verlegenheid. Links, aan het uiterste einde van de tafel, zaten twee roode, vette Westfalers, hun servetten van-boven in hun wijde boorden onder de ruig-roode onderkinnen, die over vette varkensvleeschbereidingen gingen praten. Drie fatterige Berlijnsche heeren naast hen bogen hun drie hoofden over hun borden bij elkaâr, bespotten de Westfalers en spraken daarna heel zachtjes over een zangeres, die deel had genomen aan het muziekfeest van gisteravond en die om een andere reden nog-al erg over den tong ging.

Na de pasteitjes, bij het rundvleesch, de wit-groene met kaneel bruin bespikkelde bloemkool, en de rookende aardappelen, vermeerderde het suizend stemmengegons aan tafel. Heeren bedienden de dames naast hen. Een fijn blond tenger kantoorbediendetje uit Keulen, die wist, dat de zwaarlijvige Hollandsche jongejufvrouw aan zijn linker kant altijd heel weinig van alles gebruikte, lispte, in vlijmerig hollandsch: Jufvrouw, mag ik u eens mikroskopiesch bedienen? De jufvrouw lachte met breede lippen en zware witte tanden. Een lange magere heer voerde het woord over politiek en meer bizonder over Bismarck.

Jozef en Mathilde zaten bedaard en stil naast elkaâr te kijken. Zij waren moe van de eerste huwelijksweken en van de reis, zij dachten er nu maar aan zoo gauw mogelijk thuis te zijn. Zij zagen allebei een beetje bleek. Mathildes gang en haar hand-en armgebaren waren flets van gemakzucht, een gevolg van de uitputting. Jozef was ook stiller dan gewoonlijk. Zij zaten zij aan zij, hij voortdurend in het licht-grijze pak, zij in een licht-bruine japon, zonder veel garneering of kant, en zij keken een beetje beteuterd om zich heen en konden den rechten konversatietoon maar niet vatten. Tusschenbeide zeiden zij zachtjes een eenzaam woord tegen elkaâr.

--Zijn er van-morgen geen brieven gekomen? vroeg Jozef.

--Nee, dat heb ik ook al vreemd gevonden. Ik had mevrouw Berlage toch zóo gevraagd me te schrijven of alles thuis goed in orde was en ik heb haar toch duidelijk gevraagd om me hier-na-toe te schrijven, om dat dit het laatste adres op onze reis was.

--Nou, misschien komt er van-avond nog wat.

En hij gaf haar de sla aan, die, met den ròsen en glibberigen zalm het volgend gerecht uitmaakte.

--Zal u er ook wat peper bij nemen, mevrouw? vroeg een hollandsche stem aan Mathildes linker kant.

In de rondte was het gesprek aan tafel nu algemeen geworden. Allerlei stemmen, doortruffeld van het vorkgepik op de borden en het geluid van slikken, klonken door-een. Hier en daar begon men geanimeerd te worden. Een roodachtig heer hoestte in zijn servet, een slok wijn was zijn verkeerde keelgat ingegaan. Een oude dame, met witte muts en paarsen linten er aan op het hoofd, draaide zich naar hem toe, wilde hem helpen. Maar hij stelde haar gerust met zijne korte kleine hand. Hij nam een slok water. Een paar plaatsen verder sloten nieuwe bekenden vriendschap. Links had een diskussie plaats over politiek. Het begon warm te worden in de zaal. De dame die zoo lang naar den jongen kellner had gestaard, wenkte hem en verzocht hem minzaam de middendeur open te laten staan. Door de vestibule heen zag men nu in het wuivende groen van den tuin, die aan den anderen kant van het hotel was. Men beproefde ook door een venster versche lucht te krijgen. Een oogenblik hoorde men den Rhijn in zacht golfgeklots voorbij spoelen. Maar 't tochtte en op algemeen verlangen werd het venster weêr gesloten.

--Hè, ik woû, dat we al thuis waren zeî Mathilde.

Het eten duurde voort. Twee oude jonge heeren veegden hun voorhoofden af. Zij hadden zich bizonder te goed gedaan. Een bejaarde dame zuchtte van benauwdheid. De kellners zagen oplettend na wie nog te bedienen was. De zonneschijn was langzamerhand gedaald van de muren en van de stapels borden op de dientafels, die er tegen aanstonden, was ook niet meer op de gezichten van de eters, maar brandde nog alleen op de halzen en ruggen van hen, die aan den vensterkant zaten.

Zij gingen aan het dessert. Eerst kwam de moskovische taart. Een paar heeren, die haast hadden, rolden hun servetten slordig op, keken vóor zich, stonden op met stoelgekraak en een lichte beweging van de dames aan hun zijden, bogen even, terwijl ze met iets zenuwachtigs in hun oogen een blik over het gezelschap lieten gaan, dat hen een oogenblik te-rugbekeek en waarvan heel ouden en heele jongen groetten gingen gauw heen door de vestibule, namen daar hun gele strooye hoeden van den breeden erg beladen kleerenstandaard, hun dunne wandelstokken uit den bak er onder, en liepen schielijk de deur en den tuin uit.

Door een andere deur, van op-zij, kwam nu de portier van het hotel binnen, nam zijn breedbollige pet af en ging op zijn teenen naar Jozef.

--Een telegram! zeî Mathilde.

Uit beleefdheid deden de andere alsof er niets gaande was en spraken voort. Jozef zeî niets maar zag bevreemd zijn naam aan en opende den telegram met zijn dessertmesje.

--Van huis? vroeg zij.

Na twee sekonden vouwde Jozef het papier toe, frommelde het koevert, waarin de telegram geweest was, in mekaâr, gooide de prop op den vloer en zeî: 't Is niets, terwijl zijn gezicht heel effen stond. De anderen kraakten nu noten in de rondte en zogen uit donzig vette druiven. De jongelui waren goed aan 't drinken. Men bestelde nog een flesch wijn. De dames hapten hun laatst hoopje vanielje-ijs op, dronken nog een slokje spuitwater en maakten zich éen voor éen klaar om wech te gaan. Eenige menschen kregen koffie. Een oude heer kreeg een cigaar uit zijn koker, sneed er het puntje af en leî de cigaar op tafel, naar lucifers rondziende. Twee andere heeren, met groote overhemdsborsten en breede zwarte dassen, waren gemoedelijk familie-herinneringen aan 't op halen, die hen nader tot elkaar brachten en slikten wat zij haast te veel gezegd hadden wech in een langzaam bij kleine scheutjes koffie-slurpen, terwijl er een met zijn lepeltje op zijn schoteltje tikte, als de andere aan het woord was.

--Wat is 't? fluisterde Mathilde.

--Niets, herhaalde hij.

Maar zij drong aan:

--Toe, zeg 't nu maar.

--Willen wij eens naar boven gaan? zeî Jozef een beetje harder.