# Een liefde

## Part 10

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-liefde-10820/index.md

Het hotel aan den landweg, waar een andere weg, die bergopwaarts ging, daarin eindigde, blaakte zijne éene verdieping en aschgele gevels in de zon. Van boven de onderste ramen van den voorgevel tot aan het lila-kleurige hek, dat het stuk grond vol banken, stoelen en donkergroene tafeltjes vóor de deur, omheinde, waren vale doeken gespannen, om het er koel te houden. Maar gouden hittestralen spoten door reten en beschilderden hel-geel den muur. Geen windje woei, maar door de vroegte was het nog niet snikheet. Mathilde zat, zachtjes naar achteren geleund, op een van de zwart-groene banken vlak aan het huis, met hun geribde ruggen tegen de vensterbanken, rechts van de deur. Zij was in een luchtig blauwen peignoir, met goedkoope, breede witte kant afgezet. Zij hield haar handen op haar schoot, haar ééne duim tusschen de bladen van een rood reisboek; en klein wondje, nog frisch, bloedde aan haar wijsvinger, waarmeê zij een roos had geplukt, om die zoo-met-een in Jozefs knoopsgat te steken. Zij las niet. Zij zat roerloos, haar voeten in blauwe kousen en opengewerkte schoentjes, op een versleten voetenbankje. De nauwheid van het witte plooisel maakte haar hals een beetje rood. Zij sufte, haar blikken voor haar uit in de heesters of opklimmend rechts langs den bergwand, met zijn zwarte, paarse, bruine, donkerroode en gele aarde, beneden als zand-steen uitgegraven en hooger-op met kleine boomengroepen. Boven in de lucht verdreven wazige witheden in het belle hemelblauw. Mathilde droomde zich heel wech, in een loomheid afgezonken. Haar oogvlakjes stonden mat-mijmerend, drinkend de pleizierige kleuren voor haar uit. Een weekelijkheid was door heel haar lichaam gedrongen. D'r haar was nog maar half opgemaakt. Lange slappe vlokken, dof-zijig zwart, hingen naast haar ooren neêr. Haar huid scheen haar als door een dunne laag was, gevoelloos en zacht-prettig, bedekt. In de vensterbank, volgend op die, waar zij vlak voor zat, had de logementhouder vier bloempotten laten zetten, met roode en witte rozen, wier reuk zwaarzachtjes om Mathildes hoofd kwam hangen. Een logge zandwagen knerste voorbij, rechts over den weg, het zweepgeknal klitste, de wagen trok af en grommelde voort in de verte. Vroege vliegjes wirrelden boven haar handen; twee heele kleine bleven mekaâr halsstarrig op haar rechter wijsvinger vervolgen. Het ochtendgepraat van een paar gezinnen, een eind verder onder het zonnescherm aan het ontbijt, links van Mathilde, hoorde zij bijna niet. Een stijve kellner kwam uit de deur loopen om de families te bedienen, versleten zwarte blaadjes met gemeen wit aardewerk op de handen, borden met groote ronde brooden aandragend. Soezelig fladderde een gedachte door Mathildes hoofd: wat zoû vader graâg eens zulk brood proeven. En zij overdacht haar vaders voorliefde voor brood. Twee blonde kinderen huppelden nu naar buiten en bekeken Mathilde even met klare oogen. Maar er waren zooveel gele tinten in de groene heesters, de zon smeet breed lila over den bergwand rechts en er sprankten zooveel glansjes door de sparreboompjes, dat Mathilde langzaam opstond, en terwijl haar korte sleep, waar ook een wit strookje uit te voorschijn kwam, bevend over het zand krulde, naar voren wandelde, het hek door, en op den weg staan bleef om naar beneden, links in het dal, te kijken. De zon was schuin achter haar; haar blikken dwarrelden door de wijde zilverblauwe lucht. Voor haar uit streepte de weg neêr, breed, poeyerig, wit, altijd nauwer wordend tusschen de ruigbestruikte lage bergglooying, in een hoog kroeserig boschje verdwijnend. In de diepte zag zij een roerloos watertje, sneeuwwitte huizen, kaal land, waarop poppetjes, dat menschen waren, gebaren maakten en liepen. Maar effen lichtend blauw daalde de hemel nauwelijks, heel beneden, blankend. Nog nooit had Mathilde zoo weinig grijze nevel aan een horizont gezien. Hooger-op in de lucht stond de heele ruimte in een laayend sidderen witblauw, goud-flonkerend. En alles blankte schitterend. Een plekje gras en mos door-een-gegroeid, vlak bij Mathilde, glansde van niet wechgedroogde dauw met kleuren van paarlemoer. Er zongen vogels en Mathilde voelde van muziek die uit de lichtzee van den hemel neêrruischte. De lucht was sterk. Mathilde voelde, bij dit ontwaken vol wemelende stralen, haar oogen door een donzig waas overtrokken. Sprakelooze onuitbare vreugde steeg er op van haar hart. Zij zag golven van wit vuur uit de hoogte tot haar afkomen. Haar oogen glommen dronken tegen het tintelend verschiet. Haar eene been, waarop zij steunde, wankelde. Weêr langzaam ging zij te-rug naar de bank, om op Jozef te wachten. Het roode reisboek was op den grond gevallen.

De families, links, waren druk aan 't kakelen geraakt. Een oude vrijster schonk, met ernstig voorhoofd, koffie, en men knabbelde op beschuiten, onder het getemperde licht van het spandoek. Juist kwam Jozef voor den dag in een grijs dun pak. Mathildes blik verwarmde zich. Met een zachten glimlach leî ze haar arm in de zijne en stak, voor hem heen buigend, het rozeknopje in zijn knoopsgat. Zonder zich te bedenken, als sprak 't van-zelf, wandelden zij dadelijk den weg op tot zij alleen waren en niemant hen zien kon. Zwijgend gingen zij een heel eind voort, daalden de bergglooying af, liepen hoe langer hoe langzamer tot zij aan een boschje van pijnboomen kwamen. Zij gingen er in en bleven stilstaan. Hier was schaduw en koelte. Zij gingen naast mêkaar liggen op den grond. Jozef trok halmen stuk en beet ze klein. Hij vond den dag zoo mooi, en zeî het.

--'t Is heerlijk, zeî Mathilde, heerlijk!

Jozef lag tegen den heuvel aan op zijn rug. Hij keek naar de bladen in de hoogte. Mathilde zat naast hem en steunde zich met haar elleboog. Zij keek naar het mos en zeide: Wat zullen wij gelukkig zijn samen.

--Wij zíjn 't al, andwoordde hij. Zonder naar haar te kijken, liet hij zijn voorarm over zijn elleboog heenbuigen en opende zijn mooye hand. Zij leî er de hare in en zoo bleven zij een tijdje liggen. Het was Mathilde wél te moede. Zij zagen geen van beiden om. Door de boomstammen heen zagen zij alleen schemering van hel-witte lucht in de verte en hoog boven hen sprankte een enkele maal het goud tusschen de groene massa. Mathilde vond, dat het lichte grijze pak Jozef uitstekend stond, om dat hij zoo'n geanimeerde kleur had op zijn wangen.

--Wat zoû vader nu wel doen op 't oogenblik? vroeg zij.

--Lieve kind, het is pas hallef nege. Je vader ...

--Nu moet je zeggen "Vader", want nu is ie ook de jouwe.

--Goed. Vader zal zoo wat juist opstaan.

--En weêr lagen zij bewegingloos. Jozef gaapte nog eens even en rekte zijn beenen uit. Met gemakkelijke gebaren aaide hij Mathildes wangen of drukte zachtjes haar hals tusschen zijn wijsvinger en duim. Kwamen zijn handen hij haar lippen, dan zoende zij ze even, zonder precies te letten waar.

Mathilde voelde zich langzamerhand weêr heelemaal zich-zelve worden. De droomende stemming ging zoetjes voorbij. Zij ontwaakte onweêrstaanbaar in het heerlijk ontwaken van haar liefde. Uit de doffigheid van haar alleen-zijn openbaarde zich nu het bewustzijn van haar geluk. Zoo ging dat bijna iederen morgen. Dit zalig-vreemde gevoel in deze vreemde omgeving was zoo vol verrassingen, dat zij telkens dacht nu zoû het wel op zijn heerlijkst zijn geweest. Iederen nacht sliep zij in met de gedachte van-daag zooveel te hebben liefgehad, dat zij den volgenden morgen zoû ondervinden, dat er een verkoeling in haar liefde was gekomen. Maar bij het begin van den nieuwen dag, dan dacht zij nog meer van Jozef te houden dan gisteren. Alleen dat haar vader zoo ver wech was vond zij verschrikkelijk naar. Zij voelde zoo zich niet heelemaal aan haar geluk te kunnen geven. Zij had dien goeden vader daar alleen thuis achter gelaten. Als zij terugkwam in Amsterdam, zoû zij weêr erg voor hem te zorgen hebben waarschijnlijk, en toch verlangde zij er naar. 't Was nu maar te hopen, dat vader niet ziek werd gedurende haar afwezigheid. Mathilde dacht nu na, over hetgeen Jozef in oogenblikken als deze wel voelde.

--Hoû-je van me? vroeg zij. Dit had zij al zoo dikwijls gevraagd.

--Dat weet-je wel, heel veel.

--Wezenlijk, heel veel?

--Wezenlijk, zeî Jozef, maar hij lag te lekker den zomermorgen te genieten, zoo op zijn rug, om haar voor dit gezegde in zijn armen te nemen en te zoenen, zoo als zij het had gehoopt.

--Ben-je dan niet blij, dat we nu zoo heel alleen samen zijn, dat ik nu heelemaal voor jou ben, dat je met mij doen kunt, wat je wilt? Hij andwoordde iets dat haar veel pleizier moest doen. En zij sprak weêr voort: O, ik ook, ik begrijp mijn geluk nog niet heel goed, maar ik voel, dat het er is. Ik ben zoo gelukkig, dat ik bang ben, dat het niet lang meer duren zal.

--O, waarom niet?

--Ja, dat weet ik niet, maar het is zoo. Ik weet niet, maar alles is nog zoo vreemd; ik ben er nog zoo weinig aan gewend, En ik ben zoo bang dat vader iets zal overkomen.

Hij stelde haar gerust. Waarom bang te zijn? Het weldadige seizoen zoû ook vader goed doen.

--Ik weet niet, zeî ze weêr, maar 't is net, of ik nog altijd een beetje bang voor jou ook ben.

--Ben-je bang voor me?, vroeg hij, hoe dan?

En zij leî het hem uit. Hun verhouding, zoo als die nu al acht dagen bestond, was zóo vreemd, zóo vreemd voor haar. Het hinderde haar, dat hij zich zoo met het meeste gemak kon schikken in al die dingen, waaraan zij zich nog gewoon moest maken. Hij behandelde haar op een manier, zooals hij het vroeger nooit had gedaan. Hij was heel lief, maar op zoo een innige manier, dat 't haar wel aangenaam was, maar dat zij er zich toch iederen keer weêr over verbaasde. Het ging hem al te goed af, zij waren hem al te eigen, die woorden en aanrakingen, die haar in 't eerst tegen hadden gestaan, maar waarin zij langzamerhand een genot was begonnen te vinden zich aan te onderwerpen. Maar toch, hij deed zooveel, hij wist zooveel, en zij deed nog niets, zij wist nog niets. Waren alle mannen nu zoo, of hij alleen? Zij voelde dat zij aan hem wech ging. Hij was 't, die een vrouw van haar zoû maken. Wel voelde zij zich groeyen in de innige samenleving met hem, maar zij voelde zich voor zich-zelve verloren gaan in die liefde. Waar bleven haar eigen denkbeelden, die kleine bespiegelingen over allerhande dingen in de wereld, waar zij alleen voor zich-zelf pleizier in had. Waar bleven de indrukken, die zij kreeg en die zij voor haar eigen gemoed alleen verwerkte en onthield? Alles bleef wech. Zij gaf hém alles. Zonder het te zeggen of te waarschuwen, maakte hij zich van alles meester. Zij kon aan niets anders denken. Hem zag zij alleen in het leven, op hem kwam alles neêr. En zij verweet hem deze waarheden zóo lief, dat hij op zijn knieën naast haar ging zitten, haar bij haar schouders achter-over neêrdrukte, en haar heele gezicht rood en warm zoende, elken keer met zijn hoofd achteruitgaande om haar, een beetje verder af, goed te kunnen bekijken. Hij vond alleen dit te zeggen jij bent mijn eenige en grootste schat. Zij had zich hulpeloos prijs gegeven. Nu en dan bracht zij zwakjes haar armen, die aan haar zijden waren neêrgevallen, naar boven om hem een beetje af te weren. Maar zij liet hem begaan, en zoende te-rug, als zijn gezicht niet te gauw wech was. Er kwam geen sterveling over den weg achter hen en de heele omtrek bleef doodstil. Aan mekaâr geklemd, bleven zij liggen. Keek Mathilde naar boven, dan daalde heel de hemel neêr, de blaâren verwijdden zich boven hun hoofd, stralen van vuur schoten neêr; het groen verdween en wolken van vuur en licht daalden altijd nader over hen af. Begon het niet te waayen? Als de boomstammen met al de blaâren ter zijde bogen, zouden zij bedolven worden door het regenend vuur, dat boven hen ronddreef. Het bosch werd hoe langer hoe kleiner. Vlammende winden woeyen wijd en zijd. Hijgende luchtstroomen zweefden tusschen de stammen door altijd dichter en dichter bij.

--Vader, waar is vader? zuchtte Mathilde, maar alles was gloed om haar heen. In de bedwelmende lucht leefde zij voor het eerst vol haar liefde, met opzwenkende leden en duizelende oogen. Zij zag Jozefs naakt gelaat en zijn koortsige oogen. Was dat nu het leven? Was dat nu het getrouwd zijn? De boomen ruischten haar huiveringen tegen. Haar oogleden trilden; zij kreeg het koud aan de slapen. Zij viel te-rug op het mos, leî zich met het gezicht naar beneden en, zonder iets te voelen of iets te zijn, verborg zij haar oogen tegen den grond.

Zij bleven nog een half uur liggen, zonder te spreken, zonder zich te verroeren. Mathilde stond het eerst op. Ongearmd gingen zij naar het hotel te-rug. Na een tijdje fluisterde Mathilde: Dat kan nooit duren, ik zal gek worden, ik ben ál te gelukkig, of er zal iets anders gebeuren, ik weet niet wat. Een lusteloosheid hing verder over Mathilde dien heelen dag. In plaats van te gaan rijden, zoo als eerst het plan was geweest, zat zij den heden dag op haar kamer of onder het spandoek. Jozef, die begonnen was met te probeeren haar gezelschap te houden, toen het hem niet gelukken mocht haar tot het ritje over te halen, moest eindigen met in zijn eentje te gaan wandelen. Wat zij deed was zoo raar, zij deed precies als vóor hun huwelijk wel. Zij durfde hem niet lang achter mekaâr aankijken. Zij sprak maar over haar vader. Tegen den avond schreef zij een brief naar Amsterdam, vol van de innigste teederheid, vol van hartstochtelijke gehechtheidsbetuigingen. Zij schreef haar vader, dat Jozef het heel goed maakte, dat zij zich wel gelukkig voelden, maar dat zij toch o zoo verlangend was hem te-rug te zien. Zij was nu pas een groote week op reis, schreef zij, maar toch telde zij nu al de dagen, die moesten verloopen vóor hun te-rugkomst. De zekerheid, dat vader zich goed verzorgde, zoû haar echter de afwezigheid dragelijker maken. Hij moest haar dus daarover nog vele zaken, erg in onderdeelen en breed onderschrapt, meêdeelen. Had hij geen pijn meer aan den linkerkant? Niet de minste aandoening daarvan? Hoe was Jans? Bromde zij niet, voorzag zij hem goed van alles, wat hij woû? Deed hij zonder over te slaan, dagelijks geregeld zijn loopje? Hij moest dat toch vooral nooit vergeten; de dokter had er zóo op gedrukt. Dus niet denken: de lucht is van-daag wat betrokken, ik zal van-daag maar thuis blijven en morgen een beetje langer wandelen, vooral niet, want van dat langer kwam morgen toch niets. Regende het den heelen dag, dan moest hij een uurtje afwachten dat de droppels minder zwaar vielen en dán gaan. Hij moest 's avonds ook maar weêr eens menschen vragen en zich-zelf zoo wat afleiding geven. Het woord "avond" en "afleiding" deed Mathilde aan haar piano denken. Zij lachte in haar eigen, terwijl zij schreef: hoe maakt het de piano? Die komt nu zeker nooit meer open? Zoo ging zij nu voort. Na haar vader in al zijn kleine gewoonten en geliefde bezigheidjes herdacht te hebben, was zij op de piano gekomen en zoo verder op nog andere stukken huisraad. Zoo het theeblad en de broodmand, de leuningstoel in de achterkamer, de mooye lampen van het zaaltje. Zij voelde zich wel een eeuw al gescheiden van al die zaken, die zij een week te voren nog had gezien. Toen zij de brief af had, kwam Jozef juist binnen, die haar een boeketje veldbloemen gaf. Zij dankte hem zóo maar, zonder zoenen. Hij vroeg haar, wat zij nu wilde gaan doen. Zij antwoordde: pianospelen. Stellig zoû hier ook wel een piano wezen, voor het gebruik van de logees. En Jozef liet haar weêr alleen. Zij wilde liever, dat hij niet bleef luisteren, zeî ze. Nu begon hij zich bepaald te vervelen, hij wandelde op en neêr voor en door het huis, hij zocht praatjes te maken met het andere gezelschap, hij speelde met die lieve kleine meisjes, die hier ook logeerden. Hij bladerde in zijn reisboek, hij rookte cigaren, beneden bij de rozepotten, hij stond op en ging weêr zitten. Hij dronk alleen thee, toen pons, toen wijn. Hij ondervroeg de kellners naar de omstreek. Hij zat, met de ellebogen op de knieën en draaide zijn twee duimen rond over elkaâr. De versleten pianotoon van Mathildes muziek trilde boven door het venster voort in de avondlucht. Jozef kreeg zijn wandelstok en ging kuiltjes wroeten in het zand. Daar hield Mathilde op met spelen. Fluisterend vroeg zij hem uit het venster, of hij niet boven woû komen. Hij ging naar boven. Zij stelde hem voor nog een beetje over hun reisplannen te spreken, samen iets verfrisschends te drinken en dan vroeg naar bed te gaan, want zij was moe, en dan zouden zij morgen vroeg een lange wandeling kunnen maken, in een andere richting dan die van eergisteren, om verder de mooye omstreken te leeren kennen. Zij deden zoo als Mathilde het verlangde, maar zij bleef toch den heelen avond stil en te-ruggetrokken.

Den volgenden dag maakten zij de afgesproken lange wandeling. Zij gingen tot heel ver, Jozef weêr in zijn licht-grijze pak en een groote strooyen hoed op zijn hoofd, Mathilde in haar ruwe blauwe jurk. Zij liepen over een weg vol zon en stof, wel anderhalf uur van Valkenburg af. Bij elken stap dwarrelden vaalwitte wolkjes om hun voeten. Zij stapten langzaam voort en lieten den rijweg tusschen hen in, terwijl zij ieder op het smalle voetpaadje, dat voor hen uitreepte, aan weêrszijde liepen. Zij hadden al wel een kwartier gezwegen, toen Mathilde over het geloof begon te spreken.

--Hè, zeî ze, de vrije natuur stemt me altijd geloovig ... Voel-jij nu ook niet zoo iets in je binnenste? Hij andwoordde van ja, hij voelde wel iets, maar kon zich toch volstrekt niets voorstellen. Zij vroeg, of hij niet aan een schepper begon te denken, wanneer hij zoo'n prachtige schepping om zich heen gewaar werd, een idee, dat zij zich van een preek van pastoor Sluyter herinnerde. Neen, andwoordde Jozef, dat in 't geheel niet. Hij was blij alles zoo mooi te zien, maar juist aan een persoon te denken, die de natuur zoo vervaardigd zoû hebben, daaraan had hij geen behoefte. Hij kwam op een dichterlijke gedachte. Alleen als hij háar aanzag, verzekerde hij halflachend, kwam er een geloof aan een eeuwig voortbestaan in hem op. Maar zij vond, dat hij haar, nu zij eenmaal getrouwd waren, geen overdreven komplimenten behoefde te maken. Hij verzette zich, hij meende het wel deugdelijk. Hij hield zóoveel van haar, dat hij ijsde als hij dacht aan een eenmaal noodzakelijke eeuwige scheiding. En was zij koud en onverschillig tegen hem, dan voelde hij zich vreeselijk ongelukkig. Waarom was zij toch zoo? Hij sprak er nu over, omdat zij-zelve het gesprek er op gebracht had. Maar zij verklaarde in 't geheel niet koel tegen hem te zijn geweest. Zij was misschien een beetje stiller; hoe dit kwam, kon zij niet uitleggen. Eigenlijk, ja, eigenlijk vervreemde haar wel een beetje van hem, altijd natuurlijk maar een heel klein beetje, zijn kalm ongeloof. Jozef vroeg hierop, of hun liefde haar dan niet genoeg was, neen, dan hield zij ook niet genoeg van hem. En buitendien, wát geloofde zij dan, hoe kon zij haar geloof omschrijven, was zij katholiek? Neen, van die godsdienst wist zij weinig meer en had zij nooit veel begrepen, maar zij voelde iets in haar, dat haar zeî te aanbidden en te danken. En zoo voorts, zeî Jozef. Maar zij sprak door. Zij wilde haar God aanbidden, daar buiten, het gezicht naar de zon gekeerd en de voeten tusschen de bloemen. Zij kon zich, evenmin als hij, goed vereenigen met het denkbeeld van een God, die in schemerlicht of bij kaarsvlammen te vereeren zoû zijn. Maar iets was er toch, zij drukte op dat woord "iets", iets moest er wezen. Er moest iets zijn buiten de zichtbare wereld, oneindig grooter en beter dan al het zichtbare. Maar hij hield niet van redeneeren met haar. Hij had haar lief, dit wist zij en dat was genoeg voor haar en voor hem. Hij liet haar de vrijheid, om te bidden en te denken zooveel zij woû. Daarin moesten zij ieder maar hun eigen gang gaan. Maar zij was van een heel andere meening. Het hinderde haar, dat hij zoo cyniesch was, waar het bovennatuurlijke zaken gold. Vader geloofde toch ook aan een Opperwezen. En het scheen haar, als ging er weêr een gedeelte van haar liefde van Jozef op haar vader over, die zoo eenzaam in Amsterdam was achtergebleven. Mathilde zweeg weêr stil en begon na te denken, en terwijl hij, altijd met denzelfden langzamen tred, op denzelfden afstand van haar, naast haar voortwandelde, onderzocht zij zich zelve nog eens, om te weten, hoe het mogelijk was, dat zij voor altijd haar bestaan aan dien Jozef Wilden had verbonden. En in wat voor een oogenblik van krankzinnigheid, van bedwelmenden hartstocht, had zij, had zij gisteren in het bosch dat gedaan, waarover zij zelf nog verlegen was. Hield zij dan wezenlijk zóoveel van hem? Was toen haar ware aard boven gekomen? Of was dat opwinding geweest, een gevolg van het heele nieuwe leven, dat zij sinds acht dagen leefde, een opwinding zóo hevig als zij nooit te-rugkomen kon? Waar bleef haar eerbied voor de majesteit van God in de natuur, toen zij zoo had gedaan onder Zijn oog? Zij voelde een lichte koû in haar hart dalen. Zouden haar droomen van toewijding aan Jozef nooit verwezenlijkt worden? Zoû altijd God, de onbestemde persoonlijke heerlijke aanbiddenswaarde natuurkracht, het opperste wezen, die alle schoonheid aan de aarde gaf, tusschen hen beiden staan? Zoû ze van hem, Jozef nooit naast en in dien God kunnen houden? Zoû hij nooit haar mede-aanbidder zijn en zoû ze hem nooit ook óm zijn gebed liefhebben? Neen, nooit! Hij zoû nooit bidden. Daarvoor was hij te veel een mooye man, een man van de wereld, daarvoor was zijn haar te verzorgd en was zijn vest te nieuw. Daarvoor stond hij ook te goed met zich-zelf. Hij liep zoo gerust en ijdel, zoo zonder verdriet en met zooveel gemak rond op de wereld, dat hij, om dat hem niets ontbrak, niet meer vroeg wie hem dat alles had gegeven.

Zoo dacht Mathilde voort. Alle godsdienstaandoeningen, die zij ooit in haar leven had ondervonden herleefden in haar ziel. Zoû hij haar wel ooit genoeg zijn, hij Jozef? Zoû zij werkelijk ooit alles, haar God en heel haar zelf kunnen verlaten vóor hem alleen? Zou hij ooit het eenige kunnen worden, waaraan zij zich hechtte? Zou hij zoo bezit van haar nemen, dat al het andere haar niet meer aanging? Zij had dat wel gedacht en gehoopt, verleden jaar, ja, maar sinds dien tijd? En nu, nu ze ver met hem wech was gereisd en hém alléen zag en haar vader in 't geheel niet meer, voelde zij zich nu wezenlijk minder alleen dan ooit, zooals zij het zich altijd had gedacht? Zij keek hem even aan, onder haar parasol. Hij wandelde altijd maar voort. Zijn gezicht was rood geworden van de warmte. Een paar droppels zweet biggelden van zijn slapen. Zijn grijze pak zat vol stof en zijn schoenen waren als met asch bedekt Zijn hoed hield hij over zijn voorhoofd gedrukt, zijn armen bengelden vermoeid aan zijn zijden. Zijn handschoenen waren met vlekken. Hij zag naar den horizont, naar de wolken die stegen als schuimende rotsgevaarten, hij kon den omtrek wel een uur ver waarnemen, en zijn mooye voorhoofd dacht niet aan God, en in zijn mooye oogen was geen geloof. De koude vermeerderde in Mathildes hart. Neen, neen, zij kon zich aan hem niet heelemaal geven. Zij schrikte te-rug voor zijn kalmte en zijn langzamen gang, terwijl er bij háar zooveel omging.

Mathilde stelde voor óm te keeren, om dat het weêr slecht zoû worden. Zonder ergens uit te rusten, zonder veel te spreken, terwijl de zon verdween achter grijs zwarte wolkenpakken, wandelden zij naar het hotel te-rug. Mathilde werd bepaald zenuwachtig. Waaróm had zij dien mooyen man getrouwd? Wáarom had zij willekeurig afstand gedaan van haar vrijheid, om hém te volgen? Waarom was zij niet bij haar ouden vader alleen gebleven en met hem bij haar eenzame eigene gedachten, die haar zoo dierbaar waren? Haar eigen-liefde was gekrenkt. Het griefde haar, dat Jozef in stilte minachtte wat zij voor heilig hield. Er begonnen zware droppels te vallen, toen zij weêr op hun kamer waren Jozef ging zitten op een stoel, om uit te rusten.

