Een liefde

Part 1

Chapter 1 3,476 words Public domain Markdown

EEN LIEFDE

door

LODEWIJK VAN DEYSSEL

VOORBERICHT

De tweede uitgave van den roman EEN LIEFDE verschijnt zonder de zogenaamd onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen, die in de eerste uitgave voorkwamen.

De belangstellende leidde daaruit niet af dat de meening van den schrijver veranderd zoû zijn met betrekking tot de mate van vrijheid en van onafhankelijkheid van algemeen geldende zienswijzen, die een eigenschap der letterkunde moeten zijn.

De reden, die tot wijziging deed besluiten, is deze, dat geene gelegenheid werd gevonden eene nieuwe uitgave behoorlijk bezorgd te zien, tenzij met wijzigingen.

De vraag deed zich nu voor in hoeverre de verandering verantwoord kon worden tegenover de kunstleer, waarvan de oorspronkelijke vrije text de toepassing was.

Ten eerste nu, kwamen, bij latere objektieve beoordeeling, sommige onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen tevens voor fouten van letterkundigen aard te zijn. Deze behielden voor den schrijver wel hunne bekoring als bewijzen van felle leer-stelligheid, maar deden feitelijk het wezen der roman-gedeelten, waar zij zich bevonden, geweld aan.

Ten tweede echter, kwamen de letterkundig deugdelijke deelen te berde, die toch wegens onvoegzaamheid of onzedelijkheid moesten verwijderd worden. Dit was eene verdrietelijke scheiding.

Een roman als deze is evenwel niet een Geheel van dien aard, dat hij, --gelijk een beeld of een muziekstuk wel--bedorven zoude worden door de uitneming van enkel kleine stukken.

Aangenomen dat deze roman goed werk zij en gegeven de noodzakelijkheid eener keuze als de zoo even aangeduidde,--zoo moest die zich wel vestigen op het behoud van zoveel mogelijk van het werk, dat anders geheel verdonkeremaand ware gebleven.

Zomer 1899. L. VAN DEYSSEL.

EEN LIEFDE

I.

--Doe nou de deur maar dicht, kind, anders vat-je kou.

Mathilde deed 't. Eerst draaide zij de onderste helft toe, daarna de bovenste, sloot die af met een dikken sleutel en hing den sleutel aan een haak, midden aan de bovenste helft der deur, waar Jans, de meid, hem vinden zoû.

Met éen sprongetje was Mathilde weêr bij haar vader, die, meer achter in den gang, wachtte; zij stak haar arm door den zijnen en de twee wandelden terug naar het zaaltje. Zij hadden met hun tweeën de menschen, die dien avond bij hen geweest waren, uitgelaten. Terwijl de heer de Stuwen opmerkingen maakte over kleine voorvalletjes van den avond, stapte zijn dochter op hakken naast hem, en keek zij, het hoofd gebogen, naar de punten harer schoenen. Zij zeî niet veel.

--Toen 't zoo geanimeerd werd, dacht ik niet, dat ze zoo vroeg heen zouden gaan.

--Nee, antwoordde Mathilde, dat was wel vreemd. In-eens herinnerde de vader zich iets, iets dat hem getroffen had. Hij glimlachte, de oogen neêr, schalksch:

--Heb-je wel gemerkt, hoe verlegen of mevrouw van Borselen werd en dat z'n 'n eindje met haar stoel van Louis Berlage vandaan schoof, toen ie die anekdote vertelde van die jonge weduwe, die zoo graag weêr trouwen woû?

--Nee, daar heb ik niet op gelet ...

--Van Wilden was weêr op zijn beau dire van-avond.

--Ja.

Mathilde moest nu den arm loslaten, want de ingang van het zaaltje was niet breed genoeg voor beiden te gelijk. Zij liet haar vader binnengaan, met gedachteloze blikken over zijn rug.

Het zaaltje, in de war, bepoeteld, kleverig, vol klamme glansen in het dik-gele lamplicht, luwde een volle warmte over hun gezichten, doorsiepeld van glacéhandschoenen-en punchgeurtjes. Door het éene groote venster, dat op de binnenplaats uitkwam, frischte, als uit een mond van den nacht, de buitenlucht er tegen in. De stoelen stonden, links en rechts, in een onvriendelijke wanorde. Voete-kussens lagen over den vloer, wild weggeschoven.

Mathilde ging naar de piano, krabde een droppel vet, die, van de kaarsen gedropen, op een zwarten toets was gestolten, aan poeyer, spreidde de groenwollen lap over de toetsen, sloot de klep dicht en borg de bladen muziek in het kastje daarnaast.

--Ja, zeì haar vader, die, langzaam met zijn laag kaal hoofdje, aan de tafel was gaan zitten om nog een half uurtje de krant te lezen en haar bezig zag, je heb wezenlijk uitstekend gespeeld, die sonate, oneindig beter als laatst.

--Och, zeî ze, en blies meteen de kaarsen uit.

Met een soort van drift liep zij nu door het vertrek en zette de stoelen en het speeltafeltje op hun plaats. Zij schelde; daarna slofte de meid binnen.

--Jans, breng de glazen en die twee flesschen nog even naar de keuken. En ook de kopjes, die op het buffet staan, dan is dát weêr in orde.

Mathilde zette den bruinen tonvormigen tabakspot met het meerschuimen pijpje bij haar vader en zeî hem in een zoen in zijn voorhoofdrimpels goeye-nacht.

--Maar, kindlief, 't is pas kwart voor elleve, ga je nou al na boven? vroeg de oude heer, goedig opziend haar omhelzingsgebaren.

--Ja, vader, ik heb een beetje hoofdpijn, en ik woû morgen vroeg opstaan om wat te teekenen.

--Nou, slaap wel dan.

--Insgelijks, papaatje. Jans zal je goed sluiten, ook raam hier, en ga jij dan ook maar naar bed, hoor!

--Jawel, jufvrouw, weest u maar heel gerust. Nacht, jufvrouw.

Geregeld elken avond werd deze aanbeveling gegeven en zoo beantwoord, nu al vier jaar lang, sinds Mathilde van kostschool terug was.

Mathilde holde naar boven, alsof er brand was. Daar bedacht zij iets, en, van het eerste portaal, riep zij luid:

--Vader!

--Wat is 't? riep hij door de zaaldeur.

--Blijft u nu ook niet al te lang op! Denk aan uw rheumatiek!

--Nee, kind, ik kom over een kwartiertje. Wel te ruste!

--De jufvrouw is zeker weêr een beetje bang, zeide Jans.

--Misschien wel, antwoordde de Stuwen, en stopte zijn pijpje.

Mathilde sliep op de tweede verdieping, boven haar vader, in een kamer aan de straat, twee ramen breed. Zij had in de gauwigheid vergeten een licht meê te nemen en bewoog zenuwachtig rond in de donkerte. Wat een akelige, nare kamer ook! Waar waren nu de lucifers? zij behandtastte met zoekende vingers de kastjes en tafels. Eindelijk vond zij ze en stak gauw het gas aan. Hoe heerlijk toch dat gas, dacht zij. Gelukkig, dat mijn kamer ook met gas is, want als ik een lamp had, zoo als op het zaaltje, dan kwam ik daar zeker nooit meê klaar. Toen het gas óp was, ging zij tegenover de tafel zitten, in-ééns, met een schok van haar lichaam, op een der vier stoelen aan den wand. Zij staarde voor zich uit, en liet haar oogen langs de planten-figuren van het tafelkleed gaan; haar armen hingen loom langs de heupen neêr. Daar omtrilde haar de koele nukkende nachtstilte. Waarom maakte zij zoo'n haast? ze wist het niet. Zij keek naar rechts en zag dat de venstergordijnen nog niet neêrgelaten waren. De blauwzwarte lucht boven de boomen langs den wallenkant, onder de franje der gordijnen, scheen een door de punten der franje getande donkere lap goed, van gouden vonken doorstikt. Mathilde maakte het touw los en roef! roef! klapten de gordijnen neêr. Toen begon zij zich uit te kleeden, zij nam den kam uit het haar, die haar toch al gedurende den avond had gehinderd, en liet het dikke zwarte haar over den rug heen en weêr zwieren. Zij was opgewonden, voelde zich koortsig. Haar borst daalde en steeg onder het ritselend korset. Ring! met éen ruk knoopte zij haar groenzijden lijf los, trok het korset af en gooide het op zij. Ja, zoo kon zij toch niet naar bed gaan! Ze zoû nooit slapen! Met haastige groote stappen de handen op den rug als een jongen, begon ze te loopen, van de ramen naar de deur en weêr te-rug. Haar schedel en handenpalmen zweetten van opgewondenheid. Haar bovenhoofd werd warmer. Telkens wanneer zij de tafel en het licht achter zich had. zag zij haar schaduw op de gordijnen en op de muur verschijnen, een wilde, warrige, wemelende schaduw: een hoofd met haren in grilligen kroes, rechtopsprietend en in kronkelende lijnen, als een ruiker grashalmen zonder kunst op het veld samengebonden zich vermengend, en een openhangend jak, met vagen schouder en taillevorm, als een breede bewegende japansche vaas daaronder. Als zij naderde werd de schaduw grooter en verloor hoe langer hoe meer haar eersten vorm. Zij kon niet ophouden met er naar te kijken, zij vond dat aardig, veel aardiger dan gisteren en eergisteren, toen ook de schaduw op het gordijn had bewogen.. Zij had er nooit zoo erg op gelet. Zij kreeg de gedachte den ruiker en de vaas van vorm te doen veranderen. Zij stak haar hand in het haar en streek het nog hooger naar boven, zij strengelde den langen bos, die over haar rug hing, om den hals of wierp alles naar boven en liet het terug vallen op haar schouders en over haar gezicht. Zij had er veel plezier in, zij lachte hardop. Zij nam haar jak bij de tippen en sloeg zóo naar twee kanten uit, zij gaf het den schijn van vleugels en maakte er de beweging van vliegen mede, met zoo een geweld, dat het garneersel kraakte aan de schouders. Zij sprong in de hoogte en danste door het vertrek. Zij kwam er toe een balletdanseres na te doen, bracht de armen samen boven het hoofd en strekte ze dan weêr horizontaal uit. Zij nam haar rokken op in de breedte en walste zoo rondom de tafel, en zij ging maar voort en wist niet welke gebaren maar te verzinnen om voor zichzelf de Chineesche-schim te vertoonen. Haar bewegingen werden grilliger en ongerijmder: zij zwaaide met de vingers, deed haar kanten zakdoekje wapperen, draaide op éen voet rond als een tol en was op het punt naar haar korset te grijpen om voor tamboerijn te dienen bij haar dansen, toen haar blik tegen den spiegel aankwam, aan den wand. Zij vond op-éens dat zij dwaas deed, kwam tot bedaren, in een akelig-leêg gevoel, leî haar handen naast elkaâr even over de borst en zakte hijgend op den stoel van zoo-even neêr. Zij voelde zich weêr een jong kind zijn in haar dolle vreugde. Onwetend wat te doen, stak zij, uitrustende, de haren tusschen haar tanden, en onttrok ze weêr met geweld aan haar eigen beten. En hijgend neuriede zij melodiën uit de _Juive_, die zij den vorigen Dinsdagavond had gehoord. Zij bond de haren in stevige knoopen aan elkaâr. Zij trappelde met de voeten op den vloer, al maar niet wetend wat te doen van blijdschap.

--Ja, ik ben twee en twintig jaar! joedelde zij, sprekend en zingend, en dat vind ik heerlijk, verrukkelijk, hemelsch, en hij houdt van me, want hij heeft t' van avond zelf gezeid, en wij zullen samen trouwen, zoo gauw mogelijk, en dat vind ik zalig! ...

Achter de kamer knapten de trappetreden onder Jans, die beneden alles nog opgeredderd had, en nu ook naar bed ging. Mathilde waakte even op uit haar mijmeren, met luisterende oogen. Een beetje bedremmeld en aarzel-lachend keek zij in de rondte. De stappen van Jans stierven uit op de verdieping daarboven. Mathilde hoorde, als heel uit de verte, Jans haar kamertje dichtdoen en het knipje voor de deur schuiven. Daarna was alles stil in huis. Mathilde pakte haar gloeyende wangen tusschen de handen. Langzaam peuterde zij de knoopen uit de haren los en gooide ze allemaal naar achteren. Zij hoorde niets meer dan het gezuis van de gasvlam vóór haar. Zij dacht er aan dat haar vader ook al naar bed moest zijn gegaan. Zij keek naar de zoldering en zag de zware schaduw van haar ledikant. Zij vond, dat van-avond de dingen op haar kamer zoo vreemd en koud waren als anders nooit. De tafel bewoog niet, de kasten zeiden niets en de stoelen waren leêg. Er daalde een benauwde warmte van het plafon neêr. Alles in de rondte, wat niet in den gas-schijn was, stond in een rare donkerte. Mathilde zag onbekende zwarte hoekjes, en een vreemd soort ruischende stilte wasemde daaruit op, naar haar toe.

Zij kreeg 't warm, zij streek met haar zakdoek over het vochtige voorhoofd en den klammen hals. Zij deed haar jak uit. Zij had pijn aan haar linkervoet. Zij duwde haar schoen uit. Zij had lichtgroene kousen aan, en kreeg onder het ledikant haar zwart-zijden pantoffels. Toen sidderde het dunne bedgordijn. Mathilde had een kleine huivering. Ze draaide het gas hooger. Langzaam ging ze naar de waschtafel. Haar wangen waren purperrood, haar hoofd boog naar den linker schouder, de zware zwarte haren bosten in glimmende kronkelingen over den half blooten rug. In het hoofd klopte de wildheid van zoo-even na. Zij deed een beetje Floridawater op den handdoek en bette haar gezicht ...

O God, hij hield van haar! ... Zij was bang duizelig te worden, als ze er erg aan dacht. Haar handen leunden op de kanten van de waschtafel, haar blikken zweefden langzaam over de kom met water. Zuchtend zij er weêr van daan en zag besluiteloos rond. Het gaslicht brandde flikkerend hoog. Zij had 't erg warm. Zij haakte haar groenen rok, die met een haakje en oogje op den rug vast zat, los, en liet hem over haar voeten uit glijden, en hing hem op in een muurkast, waaruit zij meteen haar langen licht-grijzen peignoir, met zwart-fluweelen kraag en mouwopslagen te voorschijn kreeg. Zij leî dien op de tafel en bleef daarvóor staan in haar korte witte rokken, waaronder de groene gladde kousen in de vloerdonkerte op-stonden. Het haar, ver naar voren aan weêrszijde, verborg haar oogomkastingen in een schaduw, waar de oogen als zwarte seinlichtjes in uitschenen en klapten open en dicht. In elken blik zag zij het geheel van haar kamer, met dezelfde kleuren en vormen als elken avond. En toch scheen alles zoo vreemd. Er was als een bizonder en ongekend leven in de meubels, die haar geen kwartier geleden nog zoo oud en levenloos hadden omgeven. Een geheimzinnig suizen, iets, als schemerde daar een onzichtbaar waas van de zoldering naar beneden om langzaam weêr op te trekken en als zweefde er een zwartige wolkige massa van de wanden uit naar voren, om, door de ruimte van het vertrek heen, over het huisraad te dwalen en zich daarmeê te vermengen of op eens in zich zelf te verdwijnen. Het scheen, dat er straks een gedaante zoû opkomen, die iets te fluisteren had aan Mathildes oor en dat er een vreemde wind langs het behangsel woei, die zijn naderen voorspelde. Dan was 't, als of onbekende menschen of vreemde wezens langs onzichtbare telegraafdraden, boven door de kamer, stilletjes elkaâr allerlei dingen zeiden. Keek zij vóor zich, dan bewoog daar iets links achter haar, maar stil en zacht, zonder vijandige bedoeling, en keek ze naar den hoek, waaruit de beweging scheen te komen, dan bewoog er weêr iets vóor haar heen en wilde zij zich overtuigen, dan was alles stil en stom als toen ze pas binnenkwam. Zij dacht, dat zij niet wél was en deed haar hand tegen haar voorhoofd, de haren wechstrijkend, zoo dat het volle licht haar in de oogen schoot en zij alles in de rondte van een grijzige mist zag omwasemd. En weêr dwarrelden er klanken van de zoldering omlaag. Jozef, ... suist het, Jozef, ... Zij deed haar oogen toe en zag in haar verbeelding dien naam, en altijd, altijd dien naam, in drukletters voor haar. En wech was weêr de naam, en Jozef van Wilden zelf stond te voeten uit vlak voor haar, hij naderde nog meer en drukte zich tegen haar aan, zijn gezicht vastgedrukt aan haar gezicht, en zijn oogen blonken in haar oogen, zoo dicht bij, dat zij de lichtblauwe tint van het wit dier oogen onderscheidde en de klare groen-blauwe balletjes der appels haar oogen schenen te raken. Daarna weken zij te-rug en leunde het mooye, blanke, aan de slapen afgeronde voorhoofd aan het hare. Mathilde schudde de verschijning van haar gezicht af. Zij opende haar oogleden en voelde zich een beetje bang. Zij durfde niet goed meer rondzien. Weêr bewoog er iets links en rechts. Wat kreunde daar achter het kastje? En zij zag een nevel weêr door de kamer dansen. Zij keerde haar hoofd rechts af en wrong de handen samen, in een beweging van beklemdheid voor het lijf uitgestrekt. Het was, als tintelde een gevoel door het vertrek en deelde zich aan al de omgeving mede, één enkel gevoel van opperste bevreemding, éen voorspelling van een onuitsprekelijk groot en nieuw geluk. Daar zag zij weêr in den spiegel en keek er zich zelf in aan. Zij deed er een stapje op toe en zag zich als een witte pop in de kamer staan. Eerst bekeek zij nu aandachtig de kamer, en was verwonderd haar in den spiegel zoo heel anders te zien. Alles had hier het oude, gewone voorkomen, dat van gisteren, dat van altijd. De wanden en het huisraad deden zich hier bedaard en juist voor, wezenloos en zonder geluid. Dat was zonderling, wat een rare spiegel! Haar gezicht was ook hetzelfde als altoos, alleen maar bizonder, erg, al te erg verhit. Wat stond zij daar gek, waarom zag ze er zoo verwilderd uit, waarom gloeide haar hoofd zoo, waarom stond ze zoo naakt, in haar ondergoed? Waarom was ze niet naar bed gegaan? Waarom had ze anders haar peignoir niet aangedaan? Waar was die? ... Op de tafel. Langzaam stak ze haar armen door de slappe mouwen, de dunne stof streek haar over de leden. De zwart fluweelen rand scheerde langs haar warmen hals. 't Is verschrikkelijk warm! zeide ze in zich zelf. Het kookte haar door de aderen. Met haar zakdoek wuifde zij koelte haar wangen. Haar hart klopte gauw achter mekaâr. Nu gooide zij nog eens gedachteloos een blik in den spiegel en zij zag het bibberig glansende vernis, dat de borst van haar moeders portret aan den wand, links tegenover het gaslicht, bedekte. Maar boven die schitterende plek bemerkte Mathilde de droevig-ernstige gelaatstrekken. En zij dacht even aan haar moeder. Zij had haar zoo weinig gekend! Zij was nog zóo jong, toen haar moeder dood was gegaan! Suffend draaide Mathilde naar het portret toe. Haar oogen bedroomden het vol onbewuste gedachten. Zij werd bang voor die geschilderde droefheid, zij ging naar het venster en trok het gordijn op. Haar koortsigheid was heviger. Tevergeefs probeerde ze op haar eigen gemoed in te denken. Haar blik schuimde over haar werktafeltje af, vóor het venster heen. Midden-tusschen uitgeknepen waterverffleschjes en lange penceelen, een glas vuil geel water, waarin roode wolkjes dwarrelden, een blikken doos, met lankwerpige en afgesleten stukjes verf, een paar licht-bruine potlooden, een stuk kleverig gommelastiek en smoezelige papieren, lag er een aquarel, die nog afgemaakt moest worden. Plotseling bedacht Mathilde, dat zij dat van-avond had willen doen. In een drift over haar vergeeterigheid, nam ze de teekening en de penceelen op, om ze over de groote ronde tafel te spreiden onder het snerpende gaslicht. Haastig ging zij zitten, maar hoe ze er zich ook over bukte, hoe ze zich in de werkstemming trachtte te brengen, het landschap, dat voor haar oogen lag, warrelde alsof er een wemelend vlies over gespannen was. Zij kon maar niet tot rede komen. Zij liet het teekenen weêr in den steek en nam een duitsch boek van het boekerekje, om wat te lezen. Maar dit lukte ook niet. Zij liet het boekje liggen. Het bonsde aan haar slapen. Haar hoofd was vol van de dolste gedachten. Eindelijk nam ze een besluit. Ze zoû naar bed gaan, beproeven in slaap te komen. Ze zoû de vensters, of ten minste éen, openzetten, want het was een zoele Julinacht. Zij deed het raam open door de kruk in 't midden éens rond te schuiven; zonder leven gingen de twee glazen deurtjes open. Het werktafeltje werd naar achteren geduwd en Mathilde ging op de vensterbank zitten, haar beenen over elkaâr, den arm geleund op het zwart ijzeren hekje. En zij wendde het hoofd naar buiten in de lauwe zomerlucht.

Het was een stille, hooge nacht. In korte spelingen woei zoetjes de wind door de trillende blaâren der boomen, vlak bij Mathilde aan den wallenkant en deed de haarsprietjes dansen tegen haar voorhoofd, en vlaagde de angst wech uit de kamer, voorbij het onrustig vlammende gas. Een groote kalmte daalde in Mathildes gemoed. Onder de wijde verte van den vonkel-krielenden hemel en boven den dorren klank der vér-geruchtende stads-nachtgeluiden, voelde zij het vreemde geluk in haar hersenen en hart, maar zonder angstige drift, zachtjes, zachtjes, als een dauw van zaligheid. Mathilde zag rond: een glimlach zweefde overal. De straatkeyen, in het lantaarnlicht, wiebelden teeder-grijs heen, smetteloos samenoogend, blaârenschaduwen plasvlekten in doezelige warrelingen over de bruingele klinkers. Als hooge kerkkaarsen stonden de slanke lantaarnpalen met hun van boven rossig gekartelde lichtjes, met geelwasemingen in de boomfestoenen. Het donker-groene water stroopte golfloos zachtjes voorbij. Boven de boomen uit zag Mathilde de bovenste ramen en de daken aan d'overkant. Aan éen venster was nog licht, een onbewegelijk dof licht, achter het vuil-gele gordijn. Maar hooger klommen Mathildes blikken, hoog boven de blauwige en bleekroode daken, boven de driehoekige en ovale geveltoppen uit, wijd-uit-turend, als zoekend, in de goud-doorstikt lichtende lucht.