Chapter 3
Anna en Fransje, Clara en Maria gingen te samen om naar haar te hooren, die op de weide op den eersten Mei vertellen zou den strijd der arbeidsters. Zacht scheen de lucht en de zon wimpelde, het water stroomde hun buiten de poort temoet--en iets van de toekomstige dage was daar. Hun hart proefde het en hun lip. Statig wapperde uit de blauwe lucht boven het weiland, en roode banieren hingen er zwaar in neder als muziek. Scharen van vrouwen kwamen, als donkre kleurwolken door een herfstbosch--jonge meisjes als zwanen trokken, heldre oogen schoten pijlen omhoog, en stille harten klopten als kleine werktuigjes. Zacht als een zon kwam daar de spreekster over het tapijt.
Zij was in 't teeder bruin gekleed en zacht leek ze--de zon omwikkelde haar gestalt', maar hare oogen straalden uit dat zachte envelop heen naar al de gloeiende wezens die rondom haar diepkleurig gingen, en zacht kwam ze in haar bruine japon en met haar hoofd als van een hert. Zij boog zich zacht voorover naar de menschen toe. De hemel omvatte in wijde stilte dat stuk der aarde waar ze stonden. Zij begon met zoete klinkende stem te spreken. Maria's hart hing, en haar mond was open. Zij hing naar haar toe, een peer naar zijn boom.
"D' achturendag.--Wij vragen hem omdat de vrouwen niet sterk genoeg zijn, en omdat de eeuwge krachtsinspanning in fabriek ons, vrouwen, sloopt. Daar zitten wij 't eentonig werk doende, onze teedre zenuwen verstompen door den blik op de machine. De hersens worden stomp als botte messen-- wij denken niet meer,--onze hand doet maar. Onze ziel druppelt uit ons lichaam weg.
Wij vragen den achturendag, omdat wij gezond willen zijn, zooals de boomen, zooals de dieren, als deez' gouden zon wier schijn ik hier in mijne vingren heb. Wij vragen den achturendag, omdat wij vrouwen bergen willen zijn van gezondheid. Wij vragen hem omdat wij willen golven zijn van rijp vleesch en helder bloed. Wij vragen den achturendag, omdat ons lichaam anders is, dat iedre maand bloed stort en vrucht draagt. Als wij niet beschermd worden, dan stort het nieuw geslacht uit ons zwak en bouwvallig, en groeit niet vast op tot rijke, rijpe, rijzige gebouwen. Wij vragen den achturendag omdat wij meisjes, maagden, moeders zijn. Daarom vragen, ja eischen wij d' achturendag.
Wij vragen den achturendag, omdat het kind beschermd moet worden, dat in ons leeft, hier in onzen schoot. Als dit lichaam, deez' armen, dit bovenlijf, deze beenen, en dit hoofd niet zacht gaan, en aan het kind denken--dan wordt de stoot, hier gestooten, voortgeplant op het kind. En als mijn hoofd niet denkt voortdurend aan mijn kleine kind, en als mijn hoofd niet rijp verstandig denkt in mijne zwangerschap, dan wordt mijn kind dom of dof of arrem, zooals zoovelen.
Wij vragen den achturendag, omdat het zacht gebabbel van het kleine kind door ons gehoord moet worden. Wij willen niet heengaan van de aarde zonder dat gehoord te hebben, dat zachte beekvalletje door ons huis heen. Als wij in de andre kamer zijn, dan spreekt het daar verre stil, zijn ziel beweegt, gaat open, en klankt open als een bloem. Zouden wij geen tijd hebben om dat te hooren? O geeft ons dan den dag van acht uur, dat er een stuk voor ons over is om naar ons kind te luistren.
Wij willen onzen jongen tot een man zien worden--de eerste manlijke gedachten zien over zijn gelaat, de eerste taal van mannelijke daad hooren, zijn bleeke wangen onder zijn donkerbruine haren bespieden, en weten wanneer de liefde de eerste klop doet in zijn slaap, daar hoog aan zijn gezicht, laag in zijn hart. Wij willen aan ons meisje vertellen, wat de liefde is, wat de man. Wij willen bij haar zijn totdat zij vrouw is, als haar eigen zuster.
Wij willen bij onzen man zijn opdat wij onze liefde voor hem, o, doorproeven. Tot aan zijn dood of onzen dood. En omdat onze kinderen moeten zien wat of een huwlijk is. Daarom d' achturendag, want zonder dien bestaat daarvoor geen tijd.
Wij eischen den achturendag omdat ons hart brandt. Wij zijn niet de doode menschen der bourgeoisie, wij zijn de proletaren, de bloemen der menschheid. In onze harten brandt een fakkel, wij willen naar hooger als vlammen. De natuur roept ons.
Ziet ge die blauwe wolken? Daarheen willen wij, hier onze kleine gestaltetjes.
Wij willen de natuur in, willen schoonheid zoeken en vinden in het schuim der zee, wij willen de muziek aanhooren die opstijgt van het zeevlak, wij willen liggen aan 't strand en de geheimen van de schelpen en het zand voor ons uitkijken, wij willen de vogels zien gaan in 't bosch, wij willen de bloemen daaruit zien groeien, wij willen de zon als een broeder voelen, even vrij als hij zijne stralen zendt willen wij dat de menschheid ons uitzendt.
Wij willen 's avonds in ons kamertje gedichten lezen, bliksem door de hersens voelen van gedachten, en gloed in wel van ons hart, als de hartstocht in leugen en schoonheid der fantasie waarheid wordt.
Wij willen in de museums stil gaan langs de marmeren lijven, en in ons schoonheid voelen aan de antieken verwant. Wij willen bij de muziek luisteren die als een stroom over ons henen komt, en ons reinigt als een stroom door ons hart. Wij willen reine wetenschap kennen want zonder die worden wij nimmer sterk.
Wij eischen den achturendag omdat hij vastheid geeft.
Wij eischen den achturendag omdat gij en ik moeten maken lichamen van menschen, die de bezitters bestrijden. Gij en ik moeten van onz' lijven stalen geraamten maken, waar de harde vuist van den patroon op stuk slaat, als hij ons aantast. Gij weefsters en gij naaisters en gij die spint--ziet gij niet hoe uw heeren maken verbonden tegen u,--gij, maakt ze ook en strijdt met hen.
Tijd is noodig, een stukje van den tijd. Wij moeten 's avonds in dat stukje tijds, geroofd van 't kapitaal, in ons hoekje gaan zitten en studeeren wat toch is de maatschappij en haar groote lichaam. Wij moeten met gedachten in de hoeken, waar gewerkt wordt, dringen, en evenals met 't lijf des daags het kapitaal, zoo 's avonds met onz' gedachten nog eens 't kapitaal maken, met ons begrip. Gij moet d' oorzaken der proletariërsellende doorvroên-- de voorwaarden van bevrijding naspeuren, en als vrouwen doorzoeken hoe gij dubbel slaaf zijt, arbeidster-vrouw! Daarom de achturendag!
Gij moet den politieken strijd doorgronden tot zijn bodem, onder zijn diepsten bodem. Gij moet inzien hoe gij met u allen, hoe wij met ons allen, tot ééne macht moeten worden, zooals de lucht daarginds één is. Wij moeten inzien hoe de strijd niet in het vak slechts, maar tegen den Staat gevoerd moet worden, dat wij als een storm kunnen worden, als wij in diepe lucht, organisatie, alle vrouw saambrengen. Daarom acht uur.
O komt vogels, komt breede schare van zwaluwen, heft u op en komt met ons te zamen de deinzende diepte in der toekomst. Komt vrouwen, komt zusters, verheft u uit deez' tijd naar de toekomst. Uw blanke en bruine kleuren, uw cirkels en massa's, die daar staat, o komt, o komt! Wie is de toekomst zoozeer als gij, vrouwen?
Te zamen met den man willen wij vrouwen ten strijde trekken tegen 't kapitaal. Te zamen met den man willen we onze scharen helkleurig opschiên doen naar d' hooge burcht. Ziet gij niet hoe daarginds hoog in het zonlicht het _denkbeeld_ van het socialisme staat? Welnu-- Wij eischen den achturendag omdat alleen een geestelijk en zedelijk, lichamelijk en zielssterk proletaarjaat het socialisme timmren kan _met daden_."
Maria dacht aan haar man--en zij ging langzaam en zwaar naar huis om hem te zoeken. Haar lichaam was zwaar en haar borsten zwaar. Zij zag haar kameraden langs zich gaan, zij voelde hoe zij geheel was met hen, maar hoe zij aan hem diepst van al verknocht.
[Illustratie: "Muurschildering-R.R. Holst"]
VIII.
Zachte Maria trad in de fabriek. De zaal was lang. Honderden weefgetouwen stonden nog stil, diep in het bleeke licht. En daartusschen de honderden poppen van menschen, pratend en lachend. Zij ging tusschen ze door en voelde een hartwarmte. Ze ging op haar plaatsje tusschen de andren, en wachtte op het weefgetouw nabij haar. Daar ging een fluit, en de machinist in zijn groote eenzame machinekamer koppelde den dynamo. En daar ging de wonderbare stroom in de magneten, die trokken en stietten. Het rad begon majestueuzen hoogen cirkelgang.
En al de raadren en al de riemschijven, eerst daar verweg en toen ook in de zaal, begonnen te leven, het leven vloog door de fabriek, en de krukken en de boomen en de spoelen begonnen hunnen dans. In eens was de zaal vol rumoer. En alle menschen begonnen hun stille beweging. In eens was de zaal vol van gaande lijven. In eens was de zaal vol bukkende lijven. In eens was de zaal vol zachte aandacht. In eens was de zaal vol teedere gangen van levend vleesch en donkere kleeren en helle jurke'. In eens was de zaal vol van weefsels en van inslag en van schering. Maria keek op gloeiend rooden boom, en lette op den spoel en regelde den gang. Haar helpsters gingen zacht naast haar.
En zoo begon de groote lange dag. De zon zond zijnen butidel stralen door een grijzen glans. De ijzeren assen draaiden boven, de drijfriemen snelden, de wielen liepen en de houten armen rukten met schokken, dat de spoel klettrend vloog. Maria stil en lieflijk in haar werk, zooals een bloem tusschen het ijzer. En haar handen waren fijn, en hare oogen keken zoo lieflijk als druppelen water. En zacht stond ze te denken aan de mannen en vrouwen om haar, en de kleine kindren vertoonden zich om haar aan haar neerblikken ter zijde naast haar. En als zij uitkeek zag zij de lieve gezichten der mannen met hunne knevels en baarden, de helle gezichten der vrouwen toonden zich bloot. Schemering was om haar, want in haar hart voelde zij de liefde voor den arbeid. En in haar handen die werkten was warmte.
Daar trad op eenmaal een man dicht naar haar toe van het naaste weefgetouw, en in het dreunen en dondren van de machines het klettren des staals en de schoten van de spoelen sprak hij, zoo dat ze hem toch hoorde: "Zullen we verder over 't socialisme spreken of niet?" En zij keek stil uit hare warmte naar hem op en zei: "Ja heel graag." Toen begon hij, hij was een bleeke man met donkre knevels, zijn gelaat blonk vochtig. "Nu zal ik je nog eens vertellen hoe het kapitaal wordt in de groote wereld waarin wij wonen: onze maatschappij. Laten wij stil voortwerken en toch praten, onder ons werken socialisten zijn."
En hij dacht een poosje als in een zoeken, dat de wind doet; voor hij tot een storm wordt. Men ziet hem met de kleine bladen spelen, ze jagen, wervelen, 't is of hij kijkt ernstig op den grond waar hij zal beginnen.
"Zie eens Maria, zie eens deze draden, hun verf, dit staal, deze machine, dit huis met al zijne lederen riemen tot aan het dak. Zie eens uw boezelaar. Denk eens aan al de huizen in de stad. Denk eens aan al de dingen in ons land en in de landen hieromheen, de boomen, den grond, al wat er op is.... Wat zijn het behalve natuurdingen?--het zijn _waren_. _Koopwaren voor den mensch_.
Zie eens, elk ding heeft waarde. Wat is die waarde, wat is de ruilwaarde? Het is de Arbeid, gemeten door den tijd. Onze arbeid, van u en mij, schept waarde. En de bezitters ruilen waarde tegen waarde. Maar hoe ontstaat het kapitaal? Hoe komt het dat er altijd meer komt in d' handen van hem die kapitaal bezit? Hoe schept bezit bezit, geld geld, waar waarde? Hoe komt uit ruilen altijd meer, meer voort? Dat komt, Maria, omdat onder de waren die geruild worden er ook menschen zijn! Dat komt omdat wij, gij en ik, zijn onder de ruilwaarden, en wij, wij kunnen meer waarde maken dan wij waard zijn.-- Ons bloed kan meer doen dan het kost, ons eten, de kleeding die wij dragen, de kamers die wij bewonen en de brandstof die wij verbranden, op een dag, in een maand, of in een jaar, is minder waard, heeft minder waarde, wordt om 't duidlijker te zeggen, in korter tijdsduur gemaakt dan wat wij zelve maken hier in de fabriek in een jaar, een maand, of op een dag.-- We ontvangen voortbrengsel van zes uur misschien, wij geven van twaalf. En dat meerdere, die meerdere waarde, dat nieuwe werk aan grondstof toegevoegd, neemt de eigenaar der fabriek, en wij gaan iedere week met net genoeg naar huis om van te leven schamel en karig. Begrijp je 't Maria, het kapitaal?"
Maria knikte. En de werkman zei: "En zoo gaat 't overal op heel de wereld waar 't kapitalisme is. Iederen dag scheppen de millioenen loonarbeiders meer dan zij krijgen. Het kapitaal groeit, het wordt een eeuwig groote gouden berg."
Ze dreven ieder hunne handen door de draden, grepen hier en grepen daar, met hun gedachten half en met hun handen heel in het werk. Het werk schoot op, het werd grooter, er kwamen meer draden des inslags.
"Wat is nu de drijfkracht van dit alles", zoo ging hij voort, "hoe komt het dat altijd meer komt, waarom gaat 't overschot niet op of blijft gelijk? Dat moet ik je ook nog zeggen, opdat je een goeie socialiste wordt. In de eerste plaats zijn Wij dus de drijfkracht. Wij maken altijd meer, en zooveel meer dat elk jaar overblijft, en ieder jaar wordt gevoegd het surplus bij 't kapitaal. Maar in de tweede plaats is deze het, dit trouwe dier, dat altijd meer meer werkt." Hij legde zijne hand als op een paard op de machine, op het breede juk dat het weefgetouw boven samen hield. "Hij doet het, hij, met zijn metalen kracht. Want zie je, kind, alle machines worden altijd beter gemaakt door de geleerden, die zitte' in stille kamers ver van ons. Die maken dat het werktuig altijd beter en sneller en machtiger werkt, en in denzelfden tijd en met minder menscharbeid rijker oogst baart. En daardoor worden dan de dingen die wij noodig hebben, lager in waarde, de tijd die gebruikt wordt om ons onderhoud te maken, korter, de tijd dien wij dus voor niets voor onzen heer werken, langer, en zijn winst altijd grooter."
Hij zweeg en werkte, en om hen henen werkten de andren, in het ruischende stooten werden zij niet gehoord, zij gingen in het licht en schaduw, even snel gezien.
Maria zweeg, en hare liefde werd in haar grooter, de verontwaardiging liefde vlamde, het bloed van haar hart sloeg in den bloesem van haar lijf uit, terwijl ze zacht keek en met hare handen werkte.
Lang was het stil tusschen hen tweeën, hij keek hoe hij het verdere nu zou zeggen. Zij dacht en leefde en soesde en groeide.
Daar begon hij weer, en een groot visioen begon te stijgen in de stille lucht der fabriek. Hij leek wel een zanger die in de oude tijd zong van de helden en hun daden, voor de koningen der landen. "Wij zijn het dus, de machine en wij, gij en ik en die daar, die 't geheel drijven, en maken dat de ontwikkeling komt. Want wij maken het kapitaal, en 't kapitaal, altijd grooter, drijft de ontwikkling voort. Zie hier, buig u met mij in het werk neder, leg uwe handen in de draden van het weefsel, drijf ze er door, beweeg die zachte bloemen door het roode weefsel. Sla uw hand aan den hefboom, ruk hem over, glij uw oog langs den boom, en zie of in de juiste draden de spoel inschiet, wees met uw lijf zacht gaande zooals een droom, wees, vrouw, in 't werk, laat ik u zien als in machine gaan, en gij, zie gij naar mij, hoe ik één met mijne machine ben.
Zien wij naar elkaar. Hoe wij werken, werken. Wij maken 't kapitaal. En aldoor meer! De rijkdom der wereld wordt aldoor grooter. Wij doen het. O zie naar me, ik zie naar u."
De mannen en de vrouwen der nabuurge machines, die hem zagen en wisten dat hij over het socialisme sprak, waren nader gekomen en scholen te zamen met hun hoofden zooals kindren bij den meester, en kleine kindren als Chineesjes stonden onder hun boez'laren tegen het staal der weefgetouwen aan met hun hals en hun kin, naar hem te kijken, en luisterden goed hoe de wereld werd. Maria werd zacht door hen ingesloten.
En hij ging verder, klaar klinkend van stem: "Het kapitaal gaat van ons uit, een stroom van goud hier van uit onze handen. Werkt handen dus, gij drijft de wereld voort. Maria werk, werk, ik, wij drijven samen het kapitaal naar buiten de fabriek.
Het kapitaal van buiten de fabriek werpt aldoor meer arbeiders hier naar binnen. Dus handen werkt, maakt het weefsel toch voort. Werk, werk, Maria, machine werk voort, vermeerder het kapitaal, en vermeerder het leger der arbeiders. Onze handen, maakt kapitaal en maakt arbeiders snel."
Hij had zich over zijn werk heengebogen, en sprak als in een droom. Zij luisterde, en zij luisterde naar zijn droom gebogen.
En dieper boog hij zich op 't rood stramien, en sprak heel stil over de schering kijkend, over den spoel die daarachter heenweervloog: "Loop spoel en maak het weefsel, o gij weeft niet hier mijn weefsel alleen, maar het weefsel der maatschappij hier binnen en daar buiten." Hij had zijn mond bijna tot op het weefsel en fluisterde over de draden voort. Zijn kop rustte op het stramien, de stalen armen en bouten der machine vlak voor hem. Zijn hoofd was in grauwe schaduw der machine omvat, als 'n muzikant in de snaren der piano of harp.--
Zij keek naar hem,--als een bloem in een bloempot.
En hij richtte zich op in 't hooge licht, en met zijn haar dat stoffig was achterover, en met den fellen blik diep in het lichten van de zonnestof gericht, terwijl de machines van zelve liepen, sprak hij: "Loopt spoelen, loopt, en maakt het weefsel, gaat handen in den arbeid, maakt het weefsel, schept, arbeiders, uw strijd met 't kapitaal, den arbeid hier, het kapitaal daar,--binnen de arbeiders met den arbeid, daarbuiten de bezitters met het bezit.
O strijd tusschen beiden, kom, o kom, en word sterker. O Vrijheid kom, wij kunnen niet meer zonder.--
Begrijp je, Maria hoe 't al zóó wordt?'
Hij ging weer voorover in blauwen schijn van de machine, en allen ginge' in blauwen schijn der machines weer aan 't arbeidswerk, met lichter harten en diep zwijgende.
Maria was hoog als een hooge bloem, en zij keek stil naar de andere menschen, en voelde één met hen, zooals misschien allen eenmaal op elkaar zullen kijken. Maar 't kan misschien ook dan niet beter zijn dan haar hart was. Zoo vol als in de zee van gloed de anemone staat der zee, zoo was zij in het licht, een sterken gloed voelde zij van haar hart door haar japon heengaan en alles voor haar omhullen, de arbeiders en ook de machines.
En heel dien dag was zij in een verukking, en voelde hoe het socialisme werd. En nadat de avond gevallen was over de wegen, en zij had gegeten, zat zij stil en heerlijk in zwarten nacht, en wist weer nog zekerder hoe zij moest.
IX.
Zooals een bruid staat binnen in haar kamer, de dag breekt buiten open, uit het venster ziet ze uit naar buiten in de eeuwigheid-- haar hart stormt, zij is zeker.-- Zoo stond Maria en dacht aan haar leven.
Zooals een bruigom gaande door zijn kamer zich kleedende met wit--denkt: dit ben ik, en ik word spoedig met een andere. Zoo ging de rappe Willem met zijn hand, en met zijn voet die aftrapt' van den grond, door zijne kamer op dien Zondagmorgen.
Hij trad stil naar het raam en legde op 't kozijn zijn handen, en keek in het blauwe neder. En stil zooals een rivier gaat ging door zijn hart zijn leven. En hij dacht hoe zij en de menschheid één Eenheid waren.
En toen zij dan samen waren gekomen in 't goude en teere scheemren van de zon. En toen zij ver buiten waren gekomen, toen stonden zij daar stil zooals zij waren, en elkaars liefden keken ze in hun oogen. En Maria sprak: "weet je nog toen wij twijfelden zooals bekers vol van wijn, die in de lucht schommelt? O ik ben vast geworden, mijn hart weet wat 't kan en wil."