Een klein heldendicht

Chapter 2

Chapter 24,130 wordsPublic domain

Hij las hoe noodzaaklijk de slavernij moet erger worden op de arbeiders. Omdat zij altijd een steeds sterker druk van rijkdom staaplen--hij las hoe de knechtschap vermeert, maar ook de scholing, en ook de Eenheid der arbeiders. Hij zag het vóór zich, boven 't boek in 't felle helleschijnsel. Hij begreep het, de zwarte arbeiders waren levend voor hem, daar vóór hem, 't kapitaal was goud boven het gouden boek, daarin zag hij de zwarte arbeidersfiguren. Hij drong zich tegen 't boek aan, en zijn handen werden vochtig tegen zijn blanke slapen. Zijn oogen schitterden, er liepen tranen doorheen van licht, zeer diep, zij vielen niet. Hij begreep het, in 't binnenste der wereld drong hij, dat was het wezenlijk geheim, het geheim van 't bestaan, 't eigenlijke wat hij moest weten, de diamant der daad, waar alle daden uit voort moesten komen. Hij voelde het, hiervandaan kwam het leven der maatschappij. En der maatschappij was hij zelf de kern, zoo goed als ieder ander.

Hij ademde diep in den zwarten nacht naar de hoeken der kamer toe, als een die ontrukt is aan 't eigen zelfbestaan, en die zoozeer is in de gemeenschap verloren, dat hij die voelt, niet meer zich. Juist, dàt was het, hij las van de gemeenschap, begreep de gemeenschap, maar juist daardoor zich zelf. Zijn persoon was de gemeenschap: die had hem gemaakt, die had hem gevormd tot 'n kern van haar, en hij, als deze kern, voelde in zich haar, en zich met haar tot één. Wat haar was, was hem, en wat hij was zij.

En daarin diep dringende met zijn oogen werd 't groot probleem, wat hij las, hem daar klaar. Hij las van den arbeid en van de waarde der dingen--maar hij begreep wat of was de arbeider, wat of hij zelve was.

En 't gemeenschapsgevoel stortte zich over hem als een zwarte golf, en hij voelde in zijn hart het diep-zwart voelen voor de Eenheid, de Eenheid van hem en alle arbeiders.

["Muurschildering-R.R. Holst"]

V.

O zoete lucht! O iedre avond die iets leert! o Dag waardoor de arbeid gaat!

Zacht parelde de avond op de stad en van den hemel eene zachte gloed. Willem kwam van zijn werk. Dit was d'avond, waarop de vreemden zouden komen en vertellen van het socialisme, ver in andre landen. Hij stapte naar huis en zwolg het eten binnen. Hij zag niets dan even de planken om zijne kamer, hun rooden gloed.

Maar hij trok snel zijn wit halfhemdje aan, en wiesch zich. En hij stapte in zijn kleeren. Hij ging door de deur, en sloot ze stil dicht, en toen door de stad die zacht bloemrijk was. Het zwarte stof van de metaalfabriek verging, er rezen bloemen voor hem op. Hij stapte als een haan, die in den avond gaat naar zijn hok waar alle kippen zitten.

En nu schreed hij over den kleinen drempel en betaalde. En zag de kameraden weinig in aantal in de kleine zaal. Hij ging zitten stil met hen aan de tafel, en wachtte tot de andren zouden komen. Het was een kleine leering-avond van enkelen--waar de vreemde kameraden zouden vertellen hoe het bij hen was.

En klaar scheen de lucht door de ruiten binnen. De avond was blauw buiten, binnen bruin. 'k Geloof, de zee was daar ook niet heel ver. Zoo scheen althans de lucht, alsof 't kristal der zee in schittering gestegen was. En de menschen, de donkre kameraden hinge' achterover in de kamerscheemring.

En in die volle donkre rust, daar klonken buiten op houten gang de voetstappen plotsling. De deur ging open. Daar traden eerst de bekenden binnen, en toen twee mannen al oud, grijs was hun baard, en klein beide--en allen, jong en oud, zetten zich.

En zacht begon, na een stilte, te stijgen een stem, zooals een peil, een goudene. Zooals men 's zomers zien kan eenen vogel. "Genoten, vrienden, echte kameraden van ons en mijn hart. Ik groet broederschap tusschen u en mij. Echte broederschap plaveit zich tusschen u en mij. Zoo moge de broederschap eenmaal zijn tusschen menschen."

O zachte stem, o gouden vrijheid, hoe vuldet gij de kamer en maaktet een vlak waarin al de hoorende harten leefden. Zooals een fontein spuit, en 't heele bosch hoort het, ook waar hij niet is, zoo hoorden zij zijne stem alsof uit eene verte:

"Duitschland was altijd 't land van slavernij sinds eeuwen. En onder onze gelijken was er geen vrijheid. Totdat voor een vijftig jaren gedacht' aan vrijwording begon. Wat was het tooverstaal, dat in 't bazalt leven bracht, wat bezield' de doode stof, wat bracht de vrijheidsdorst in onze monden? Het werktuig, vrienden. De machine sloeg vonken in ons los. 'k Heb het zelf beleefd. Zij bracht de groote massa's samen, zij zette ons naast, naast, naast elkaar, zij maakte ons broeders, ons kameraden, ons maten. Zij bracht onze oogen bij elkaar. Zij bracht de honderd arbeiders vóór elkaar, die elkaar vreemd waren geweest. Zij stelde om zich als haar kindren of kuikens al de machinisten. En die zagen elkaar in de oogen, en hun moeder naast hen, de stalen machine. Was 't niet of die machine hen aaneen bond? Waren ze niet werkelijk vrienden in 't werk? Ja--dat voelden zij, ze waren broeders en vrienden. Dat gaf ééniging. Dat is het zaad waaruit het socialisme komt.

En dat gebeurde niet in één fabriek, makkers, maar overal, maar overal. Over gansch Duitschland, hier en daar, wel weinig eerst, maar allengs meer. Het groeide, het fabriekswezen, en elke machine vereenigde de mannen om zich heen. Al die machines met die groepen mannen werden kernen der nieuwe maatschappij, en van het socialisme. IJzren kernen met vleezen omhulsel.--Gij ziet wel 's zomers de vruchten rijpen, is 't niet? aan uw boomen, en al die vruchten zitten vol van zaad? Zoo was 't met het fabriekswezen dat over Duitschland zich spreidde, toen ik nog jong was.

Maar al die vrienden, al die menschenlijven, al dat vleesch rondom al de ijzren kernen kenden toen nog niet 't socialisme. 't Was voor hen nog onbewust. Hoewel _zij_ in hun arbeid wel 't eerste gevoel al kenden,-- zoo goed als zij,--van die groote broederschap, was 't toch slechts een eerst gevoel. Zoo is 't immers ook in een jongen van twaalf jaar? De liefde is er, maar niet tot bewustheid. Zoo was het in ons. Wij keken elkaar aan, maar wij wisten nog niet.--Hoe kwam dat toen in ons, hoe zijn wij toen overgegaan tot volle kennis? Welke vonk is dat toen weer geweest, die in ons groene het vuur bracht en de kleur, de vurig roode? Dat is de wetenschap geweest, mijn broeders.

Daar zat een man in Londen, ver van ons, en terwijl wij iederen dag zoo zwoegden, en terwijl wij iederen dag aankeken elkaar over het groen geolied staal, en terwijl wij in elkaars oogen zochten vriendschap, terwijl de vlammen van ons zijn met de vlammen der stalen machine schiepen het goud voor den bourgeois--en wij maar niet konden vinden den _algemeenen_ weg, den weg voor allen, om tot kracht te komen-- zat die man en zocht de wetenschap voor ons.... En in 't verbond van wetenschap en arbeid vond hij het, de magneet, die ons aan elkaar voor goed kon trekken: 't gansche proletariaat. En hij schreef het uit in een gulden boek, en in stalen boekjes: die leus voor ons. Proletaarjaat aller landen, wees Eén. En hij wees ons den weg, dien wij gegaan waren in 't klein, in 't groot als algemeenen bevrijdings-zonlicht-gouden-vrijheidsweg.

En wij vereenden ons in éénen band, de Internationale, die gij kent, de Associatie roemvol aandenkens. Dat was Marx, mijne vrienden, de man wien de arbeidersklasse van Europa en Amerika meer dankt dan aan wien ook. De man die d' Wetenschap, zoolang u vreemd, u gebracht heeft en haar gemaakt uw kracht. U, lijdenden, verbond hij met het denken. De denkenden verbond hij met het lijden. Zacht golft het gras over zijn diepe graf te Highgate, maar hij staat hier tusschen ons, hier naast mij, en daar zit hij tusschen u."

En zacht vloten de beken van de tranen omdat het denken bij de lijdenden eindlijk gekomen was. Er waren oude arbeidersgezichten, als steenen koppen in de buitenlucht. En zij weenden niet, want de arbeid had hen gewend aan alles wat hard en pijnlijk.

"Wij hebben opgeroepen, 't Was Lassalle die den strijdroep liet hooren. En wij snelden toe, en vormden de Arbeiders-partij. De politieke partij, 't was voor 't eerst, dat arbeiders afdaalden in het strijdperk te strijden met het heele kapitaal. Wij vlogen samen, o nog maar 'n klein troepje, voor veertig jaar. Maar wij vielen ze aan dadelijk allen: 't grond-, 't bank-kapitaal, het handels-, en 't industriekapitaal, wij, de arbeiders, schaarden ons er over: Wij stelden ons tegenover den Staat.

O 'k weet het nog zoo goed, ik was de eerste die heengestuurd werd, waar de Staats-Kop ligt, den Rijksdag, om daar als een jonge Siegfried te gaan vechten in het hol van den draak. Het kon niet anders zijn dan woorden, woorden, die ik tegen hem slingerde, een zwaard dat hem kon dooden, was er toen nog niet. Maar mijn woorden werden buiten gehoord in al die plaatsen waar de vleezen vruchten om de ijzre kernen heen zijn. En dáár dáár, begon men toen het zwaard te smeden, dat eenmaal, wanneer het hecht is volgesmeed, den strot zal boren van het kapitaal: d' Organisatie. En men heeft gesmeed. Vroolijk als Siegfried staat de arbeidersklasse van Duitschland, en smeedt aldoor aldoor door. Gij kunt 't haast hooren als gij van hier luistert.

Rondom de ijzeren machines gaan de vleezen lijven, de denkende koppen Naar de fabrieken loopen iedren dag de stevige voeten dragend helle koppen. In de fabrieken komen elken dag duizenden vrienden samen, met hun vrouwen en kindren, hun meisjes en jongens. En die bevolking ziet elkander gaan, en op den hoek van een machine als zij elkaar tegenkomen, zien ze elkaar soms even in de harde sterke oogen. De ééne hand reikt in handgreep de ander, een voet raakt voet, een rug raakt rug, dan keeren ze even om tusschen hun deelmachines: Was 't zijn lijf of was 't mijn lijf dat het deed, was het haar zachte heup, haar teedre oog, was het mijn jas of haar jurk dat mij raakte. Neen, 't was de hand van onze kleine zoontje, dat daar staat en vlug met zijn vingers voedt het bijtend welgeolied vlugge staal. En als ik mijn hoofd soms heel stil opricht, en in een oogenblik dat mijn werktuig poost om gesteld te worden voor nieuw werk, mijn oogen rond laat gaan door heel de zaal, wat hangt daar, wat is daar die grijze nevel waarin de armen staal slaan, waarin flarden product en ijzer, grondstof en menschstukken dooreenscheemren, wat is die damp die alles omslurpt en overhuift en ons toedekt? Ik zie 't, 't 'is de gloed die ons aaneenbindt, het socialisme, dat uit onzen arbeid opstijgt, d' Eenheid van werken, waaruit één voelen en willen, hopen en leven komt. Zoo ontstond in Duitschland de nieuwe droom, als een nevel die in den zomerdag begint te trekken uit het groene weiland, het smaragd kristalgroen verbreidt zich onder.-- 't Kapitalisme bouwt ons de machines, 't Kapitalisme bouwt ons de fabrieken, wij bouwen 't kapitaal, 't kapitaal bouwt ons werkhuis-- wij willen het huis óns, dat wij zelf bouwen."

De stem ging naar de hoogte. Willem ging mee naar de hoogte--hij zag alles goed.

"Wij hebben organisatie gemaakt. Wij hebben gebouwd al die jonge bosschen, waaruit muziek waait die gij hier kunt hooren. Wij hebben gebouwd al de nieuwe orgels uit wier pijpen, uit wier luchtpijpen-kelen, het wereldlied klinkt als van vrije vogels, die 's morgens op een heeten zomerdag midden" in zomer al vóór drie uur zingen.

Terwijl wij zongen, kwam de donkre machte van 't kapitaal, de patroons en de kerk, de bankiers, renteniers en grondbezitters, de dievenkooplieden en de beursdieven, vielen ons aan en sneden menigen strot van een jong zanger meedoogenloos af, zoodat zijn stem uit afgesneden keel niet meer klonk, maar als een bloem zonder hoofd daar bleef.-- Duizenden arme vogels sloten ze op in hun kooien dat niet hun stemmen klinken zouden, en de stomme vogels, die nog niet zongen, leeren 't lied. Duizend vogels vertrapten ze, tienduizend roofden ze 't brood, honderdduizend verstomden ze door bedreiging, en millioenen maakten ze dom door de hel van hun domme godsdienst. Maar wat kon 't geven, waar die lieveling, de machine, ons roept, ons leert, ons éént; waar de arbeid, de bron van het bestaan, de moeder aarde die de grondstof geeft, die één met het werktuig is, één met ons, ons leert dat wij één moeten zijn,--wat geeft daar't dreige' en doodslaan van een zwakken mensch? Neen, ondanks dat duizenden menschen vallen, ondanks het lage loon, den kinderarbeid, den vroegen dood van ons allen, ondanks dat 't fijne lichaam onzer schoone vrouw, het breeklijk lichaam der jonge arbeiders gebroken wordt bij duizenden, ondanks moreel' en physische ellend', ondanks achteruitgang en slavernij, ondanks werkloosheid, zwerven, onzeker bestaan, bloedloosheid van hoofd, angst om ons hart vaak, armoed van bloed in vleesch en in oogen, gele voeten, geel gezicht, arme ooren en oogen-- maakt de Arbeid, Onze Eigenschap, ons één. Men kan even goed aan het water zeggen om niet nat te zijn,--als aan de arbeiders om niet één te worden.

Eeuwen van jaren straf gaven ze ons, Duizenden jaren honger gaven ze ons, Millioenen jaren strijd gaven ze ons samen.--Eeuwigheid hoop geven ze ons. En de hoop _wordt_, het socialisme _komt_.

Hoort ge 't niet, vrienden, het geklinkeklank, het tapprend beuken, het gepinkepank, als ge goed luistert?--Luistert, hoort 'n maal? Daar over 't Oosten klinkt een rijpe schaal. Daar over 't Oosten klinkt een rijpe keel, en een zwaardvegen, en een zwaardgestreel, en weer een beuken en een galmend hameren. Dat is jong-Siegfried, die is aan 't verzamelen van zijne krachten, en hij stort ze in zijn zwaard, waarvan hij nu maakt het begin. Zijn lichaam is een deel van onze natie. Hij is de Arbeiders, 't zwaard: Organisatie. Hoort, hoort, gij kunt hem bijna van hier hooren."

Het leek alsof hij zelve even luisterd', of hij van hier uit zijn land hooren kon, en of hij 't hoorde. Want hij zonk een poosje in aandacht weg, diep en diep in zich zelve. En wat hij hoorde werd toen daarop kond aan de vergadring, die nog dieper luisterd', nadat zij op zijn luistren gewacht had:

"Duitschland is één groot land van heel veel lijden De rijken hebben zich aan één gesmeed: de adel, de landheeren, fabrikanten zijn als een bond op den nek van het volk. Maar de arbeidersklasse van heel Duitschland wordt één en aldoor meer één, onze macht wordt grooter aldra dan die onzer heeren. Zij rusten op ons--kunnen toch niet leven zonder ons.--Wat als wij dan sterker worden dan zij?--Dan zijn zij niets, kunnen niet leven als wij niet willen meer zooals zij willen.--Hun leger wordt immers altijd meer ons!--En de arbeid is, als wij één zijn, ons."

Het leek of hij wat droomde, of hij ziende werd van diep denken dat als droomen is, En de vergadring ging mee in den droom. Zij waren één met hem: allen arbeiders. Als een gehoor dat één is met een spreker.

Maar hij richtte zich op en zeide stil:

"Wij zijn al ver in Duitschland, halverwege bij 't doel. Daar staat 't. Ik zie 't voor mijn oogen, het vlamt zilver, daar, daar staat het. Gij ziet het ook, vrienden, het Socialisme."

In één opvlamming kort had hij 't gewezen, van uit zijn kracht, van uit zijn zeekre hart. En als een vlam van zilver ging hij zitten.

En zij, zij keken allen op hem. En Willem keek tot hem vol ademlooze verbazing op,--op hem met teere liefde. En hij zat stil schuin naar benee te kijken, de woorden waren weg, zijn hart klopte.

Zijn vriend verrees, de kleine sterke Franschman, die 't leven lang voor 't proletariaat gewerkt had. Hij leek een gouden rechte vlam, als in 't glas van een lampje op het koper staat. Maar zijn stem was als de stem van de zee, als ze gehoord wordt met korte rukken, die de onophoudelijke wind meedraagt, en broederlijk in stukken geeft aan 't land.

"Een ander maal zal ik u meer verhalen. Nu slechts een enkel woord, het is al laat.

Het was voorjaar, mijn kindren, en de zoete luchten vol wolken vlamde' over Parijs.

Zooals een bloem breekt in de lente, eene papaver met zijn breede ronde bladen, zoo is toen in die stad, voor 't eerst, Europa een oogwenk rood socialistisch geweest.

Gij weet het, kindren, het was de Commune. O zacht klinke de naam zooals een bloem.

Parijs was toen zoo schoon. Er waren geene heeren, noch hoeren, want die lichtekooie papegaaien zaten saam in Versailles.-- Er liepen geen prostituees op straat.-- Er dreven geen lijken meer in de Seine.-- Er werd niet gestolen en niet gemoord.-- Men kwam veel menschen met de hoop al tegen op hun gezicht.--Het was het eerste windje van dien dag, die eens komt, als alle kindren zullen lachen op de hoeken der straten, en als de kindren ook de menschen lachen. Zal 'k u een teeken van de toekomst zeggen, wat ik toen zag in het oude Parijs? Er waren geen prostituees op straat-- de lichtekooien in hun roode zijde waren weg.--Maar weet ge wàt men zag?.-- De arbeidersvrouw in het openbaar leven.

Parijs was toen een goudschijnende fakkel. Parijs was toen een heerlijke middernacht. Parijs was toen een roode granaatappel, die met zijn roode wangen aldoor lacht. Wat zaten er toen aan den nok der daken, aan hun zoldervensters een jonge harten, uitkijkend, zooals duiven, naar de zon--welk een schoon bruischen van filosofie steeg op--o welk een liefde ging verloren! Want 'k hoef u niet te zeggen, mijne vrienden, na wat mijn vriend straks zeide: 't ging verloren, want het ééne noodige, het ontbrak, de doelbewuste strijdorganisatie.

Arbeiders kunnen nooit, neen nooit dat winnen, wanneer ze niet in zeer grooten getale en één van wil en doel vereenigd zijn. Bij ons ontbrak dat. Daardoor stierven wij. Wij zijn door onze onwetendheid vernietigd. Laten wij leeren, onderrichten w' ons.

En dat is wat ik u nu slechts wou zeggen, jonge vrienden, hier in 't kleine Holland: Wij zijn door onz' onwetendheid vernietigd. Laten wij leeren, onderrichten w' ons. O laat ons leeren, zoeken wij door kennis den weg tot eenheid."

Stil stond de man, die man die zelf daarbij was, en die met die oogen alles zag. Het was geluidloos rondom, 't stil rumoer der harten alleen ging door. Na een stilte sprak hij: "Wij zijn na dien sterker geworden. Ook in ons land zijn wij den taaien strijd begonnen tegen de bourgeoisie, en tegen d' onwetendheid der arbeiders. Lang is de weg, aan 't einde is de bloemige zegedag, als 't socialisme als een tuin ontluikt. Maar aan 't begin staat ons land, eene bloem, de Commune, 't Parijs der Arbeiders. Eeuwig de roemvolle vooruitbode, de bloedige, der nieuwe maatschappij.--

Het schoone komt niet zonder dood. Haar Martlaars worden bewaard in 't hart der arbeiders. Haar verdelgers staan nu reeds aan den schandpaal, van welken hen geen gebed hunner papen verlossen kan. Het Parijs der arbeiders zij u een les vàn 't kwade, naar het goede.-- Een ander maal zal ik u meer verhalen, laat ons nu gaan, het is morgen vroeg dag."

Hij had gesproken, en zette zich neer naast zijn vriend, en de jonge Hollanders waren vol zwijgen uit eerbied voor het verleden, en voor de mannen die 't verleden maakten. En langzaam gingen zij daarna uiteen, zooals schepen die uit een haven gaan, maar niet alle gelijk, maar een voor een, of bij tweeën en drieën. Aldus gingen zij weg naar hun huizen, en Willem ging alleen naar zijn huis, het hoofd vol gedachten.

[Illustratie: "Muurschildering-R.R. Holst"]

VI.

De aarde ontspant zich, en uit de baring rijzen fijne nieuwe gestalte omhoog.

Maria ging door 't licht met fijnen voet, zooals een hert slaande den fijnen hoef. Zij ging naar buiten om aan zich te denken, daar in de bosschen in den koelen schemer.

Zij was een weefster, hare kameraden hadden haar pas geleerd den klassestrijd. Zij wilde er goed over gaan denken, buiten.

Zij holde door het gouden bruine licht, zooals een schip dat, nieuw, zijn vlosjes hout, zijn ijzersplintertjes, zijn vlokjes verf verliest als het snel doorschiet door de zee. Zooals een paard dat in de weide komt, en 't verliest zacht 't donkerbruin winterhaar, doordat het strookt door de fijne landlucht. Zoo holde zij door 't groene dagelicht. Tintlend was 't of nu hier dan daar op d' huid een plekje nieuw ontplook. Was dat de lucht die 't deed, de wind? of kwam het uit haar zelf? Was het haar ziel--was het haar nieuwe ziel? Zooals een meisje in wie de bronnen opengaan, zoo was 't haar over het lijf.

En zacht bereikte ze de donkre schaduw van 't oude bosch, donkre eiken, groenzwarte elzen, en daar, in de waterig natte schaduw, zette ze zich op eene rott'ge bank, en begon over haar leven te denken.

Voorbij was het, zooals stille fontein. Voorbij haar leven, zachte kinderleven, voorbij de droom, bij moeder zacht geleefd.

Voorbij was het zooals zachte fontein. Nu zat zij hier, de stille hand hing naast haar heen, de witte boezelaar kreukelde en haar hoofd hing stil voorover.-- Hoe zou het zijn als alles nieuw, nieuw werd? Zij vroeg 't den grond, den vetten natten grond--zij keek voor zich uit naar de roode huizen, zij vroeg 't den hemel, grijzig wit en warm. Zou ze kunnen? zou ze met al de mannen kunnen uitgaan en strijden en nieuw worden? Over haar huid viel neer een doffe matheid, zooals over een jongen valt die man wordt. 't Is geen zwakheid, het is nieuwheid maar. En zij liet slap de beide armen hangen naast haar witte gestrekte boezelaar, en strekte de beenen en lag te denken. Zooals een schip dat ergens in de zee geschommeld wordt door het loodgrijze water. Het is een wrak, er is geen levend mensch meer op. Het heeft geen roer, geen mast, geen zeil, 't is maar een klomp hout. En de golven doen wat zij willen, en doen of 't schip er niet is. Zoo speelden met haar de groote gedachten, die evenals de wind nu door de menschen gaan en hen doen doen en hen doen denken. De zachte vrouw lag met haar zwarte haren daar neder, door het denken overmeesterd. Zal ik gaan, zal ik den strijd mee beginnen?

Zooals voorjaars, als er in alle sprieten 't leven begint over de verre velden en op de torens en op de kapen waar 't gele helm hangt bij de warme zee-- begon 't in haar te lachen, helderheid spreidde zich door haar henen uit haar beenen. 't Was of helderheid door haar heen ging lachen-- en zij verrees en keek over zich henen.

't was of haar kleeren hel waren: 'n wasch. "Dit ben ik, dacht zij, dit ben ik, ik kan veel zijn, ik hoef niet altijd zoo te zijn zooals ik was.--Ik kan ook anders worden. Ik kan heel anders worden, heel, heel anders. Ik kan nieuw worden."

Zoo lag ze lang heel stil neder te denken. Gedachten vlogen door haar hoofd van: Anders. En telkens prevelde ze stil: O, anders. En lachend zag ze zich gaan groot en schoon.

Zich zag ze, en ze ging heel vroolijk door het zwarte pad dat door het natte bosch was.

En toen ze buiten was over den rand van 't bosch en in de wijdte keek, daar stonden in zand van duinen weinig boomen ver. Toen had ze een visioen: Ze zag door de boomen zeer duidlijk menschen gaan: talrijke vrouwen en mannen op een langen wijden weg. Ze dacht niet wie ze waren, had ook niet de beteeknis van hen in bewustzijn, hoewel ze heel goed wist wie of ze waren in 't onbewuste van haar--had alleen het gevoel dat zij daar die menschen zag.

Zij ging verder, en het visioen verdween, zooals een gedachte verdwijnt, ze ging hooger en hooger in de blonde heuvels.

Boven gekomen zag zij verre zee in klaar-blauw fonkelen. Zij stond heel stil als een vrouw uit albast gegoten. Stil hing haar kleed zwart en wit over haar schouders, haar kleine hoofdje bleek in vochtig licht.

"Ik moet in deze wereld heel verandren. Alles verandert, ik moet ook verandren", dacht ze en stond stil naar de zee te kijken, zooals een beeld, zooals een vrouw, een teere zachte vrouw.

VII.