Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers

Chapter 9

Chapter 94,036 wordsPublic domain

"En hoe groot is de snelheid van het schip geweest?"

"Gemiddeld honderdtachtig mijlen per dag, sedert de wind zich verhief," antwoordde de leerling. "Ook verwondert het mij, dat we nog niet in 't gezicht van land zijn. En wat me nog vreemder voorkomt, is, dat we zelfs geen enkel van die vaartuigen ontmoeten, die gewoonlijk deze streken bezoeken."

"Hebt ge u niet kunnen vergissen, Dick?" hernam Mevr. Weldon, "bij het bepalen van de snelheid van den _Pelgrim_?"

"Neen, mevrouw. Op dat punt heb ik niet kunnen dwalen. Er is om het half uur gelogd; en 'k heb de uitkomsten zeer juist opgeteekend.--Kom, 'k zal 't op 't oogenblik weer doen en u zult zien dat we nu tien mijlen per uur loopen, wat meer dan twee honderd mijlen per dag bedraagt!"

Dick Sand riep Tom en beval hem te loggen,--een werk dat de oude neger nu zeer gewoon was te doen.

De log, stevig aan het einde van de lijn bevestigd, werd gebracht en buiten boord gegooid.

Nauwelijks waren twintig vademen afgeloopen, of de lijn in de handen van Tom werd eensklaps slapper.

"Och! mijnheer Dick!" riep hij uit.

"Welnu, Tom?"

"De lijn is gebroken!"

"Gebroken!" riep Dick Sand uit! "En de log is verloren!"

De oude Tom liet het eind van de lijn zien, dat hij in de hand hield.

Het was maar al te waar. Zij was goed vastgebonden geweest. De lijn was in het midden afgebroken. En toch was het touw van eerste kwaliteit. De strengen moesten dus op het punt waar ze afbraken, zeer versleten zijn geweest! En dat waren zij inderdaad, waarvan Dick zich kon overtuigen toen hij het eind van de lijn in de hand hield! Maar.... waren zij door het gebruik versleten, vroeg de leerling zich af, die wantrouwend geworden was.

Hoe het zij, de log was verloren, en Dick Sand had nu geen enkel middel meer om de snelheid van zijn schip juist te schatten. Het eenige instrument dat hij nu nog bezat, was een kompas, en hij wist niet eens dat zijn aanwijzingen valsch waren!

Mevr. Weldon zag dat hij zoo terneergeslagen was over dit ongeluk, dat zij niet verder wilde aandringen en met een bezwaard hart zich in haar kajuit terugtrok.

Maar, al kon de snelheid van den _Pelgrim_ en bijgevolg de afgelegde weg niet meer bepaald worden, het was gemakkelijk zich te overtuigen dat de vaart van het schip niet verminderde.

Werkelijk daalde de barometer den volgenden dag, 10 Maart, tot acht-en-twintig duim twee tiende. [21] Dat voorspelde een van die stormvlagen die tot zestig mijl per uur maken.

Het werd dringend noodzakelijk nog meer zeil te minderen, teneinde de veiligheid van het vaartuig niet in de waagschaal te stellen.

Dick Sand besloot zijn bramsteng te strijken, zijn kluifhout in te voeren en zijn benedenzeilen te bergen, om slechts te varen onder stagfok en gereefd marszeil.

Hij riep Tom en de anderen om hem behulpzaam te zijn in dit moeielijk werk, dat ongelukkig niet snel kon verricht worden.

En toch, de tijd drong, want de storm barstte reeds met hevigheid los.

Dick Sand, Austin, Actéon en Bat gingen naar boven terwijl Tom aan het roer bleef, en Hercules op het dek, om dadelijk, als hem de order gegeven werd, de vallen te vieren of los te gooien.

Na talrijke pogingen werd het kluifhout ingevoerd en de bramsteng gestreken, niet zonder dat deze brave menschen door het vreeselijk schudden der masten, tengevolge van het slingeren, honderd maal op het punt waren in zee te storten. Nadat daarna nog een rif ingestoken en de fok geborgen was, lag de schoenerbrik alleen onder stagfok en het dicht gereefd marszeil.

Alhoewel zijn zeilen nu aanmerkelijk verminderd waren, bleef de _Pelgrim_ nog altijd een buitengewoon snelle vaart houden.

Den 12en zag het er met het weder nog slechter uit. Dien dag toch zag Dick Sand in den vroegen morgenstond den barometer tot zeven-en-twintig duim negen tiende [22] dalen.

Het was nu een echte storm geworden, zoodanig, dat de _Pelgrim_ zelfs het weinigje doek niet meer kon dragen, dat hem nog over bleef.

Toen Dick Sand zag dat zijn marszeil zou scheuren, gaf bij bevel het te beslaan.

Maar te vergeefs, want een nog heviger rukwind wierp zich op dit oogenblik op het schip en scheurde het zeil los. Austin, die zich op de marsra bevond, werd door den bakboordsschoot getroffen. Gewond, maar vrij licht, kon hij zelf naar beneden komen.

Dick Sand was nu ten hoogste ongerust en had slechts één gedachte: dat namelijk het schip, met zulk een woedende vaart voortgestuwd, zich elk oogenblik kon te bersten stooten, want volgens zijn raming, konden de klippen van het strand niet meer ver af zijn. Hij keerde dus terug naar het voorschip, maar hij zag niets, dat zelfs den schijn van land had en nam het roer weder op.

Een oogenblik later trad Negoro op het dek. Daar gekomen, strekte zich zijn arm onwillekeurig uit naar een punt van den horizont. Men zou gezegd hebben dat hij zeer in de verte door den dichten nevel heen hoog land ontdekte!....

Nogmaals vertoonde diezelfde valsche glimlach zich op zijn gelaat, en zonder iets te zeggen van 't geen hij misschien gezien had, ging hij weder naar zijn verblijf terug.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

AAN DEN HORIZONT.

Het was op dezen dag dat de storm op zijn felst woedde en zijn vreeselijksten vorm aannam, namelijk dien van orkaan. De wind was naar het zuidoosten geloopen. De lucht verplaatste zich met een snelheid van negentig mijlen in 't uur. [23]

Het was nu wel degelijk een orkaan, een van die vreeselijke windvlagen, die al de schepen eener reede op de kust werpen en waaraan, zelfs aan land, de stevigste gebouwen geen weerstand kunnen bieden. Zoodanig een was die, welke den 25n Juli 1825 Guadeloupe verwoestte. Wanneer vier-en-twintig ponders van hunne affuiten worden gelicht, bedenke men eens wat er van een schip moet worden dat geen ander steunpunt heeft dan een oproerige zee! En toch is het juist aan de beweeglijkheid van die zee, dat het vaartuig dikwijls zijn redding te danken heeft. Het loopt met den wind mede en mits het maar stevig gebouwd zij, is het in staat de hevigste windstooten te weerstaan. Dit was het geval met den _Pelgrim_. Eenige minuten nadat het marszeil aan flarden gescheurd was, werd ook de stagfok op haar beurt weggerukt. Dick Sand moest er toen van afzien om zelfs een stormfok, een klein zeil van sterk doek, te stellen, hetgeen het sturen van het schip anders gemakkelijker zou gemaakt hebben.

Er bleef dus geen enkel stukje doek aan den _Pelgrim_ meer over waarop de wind vat kon hebben, die nu woedde tegen zijn romp, zijn masten en zijn want; dit reeds was genoeg om hem met ontzettende snelheid te doen voortvliegen. Somtijds scheen het schip zelfs boven de golven te zweven en moest men aannemen dat het die slechts even aanraakte.

In dezen toestand was het slingeren van het vaartuig op de door den storm heen en weer geschudde golven, vreeselijk. Telkens liep men gevaar een monsterachtige stortzee achterin te krijgen. De bergen water liepen sneller dan de schoenerbrik en dreigden den achtersteven te treffen, zoo zij zich niet snel genoeg oprichtte. Dit is een der grootste gevaren die een schip, dat voor den storm vlucht, kan beloopen.

Maar, wat te doen om deze mogelijke ramp te voorkomen? Men kon den _Pelgrim_ geen grootere snelheid mededeelen, omdat hij niet het kleinste stukje doek zou behouden hebben. Men moest dus beproeven door middel van het roer, waarvan de werking evenwel dikwijls onmachtig was, aan het vaartuig dezelfde richting te blijven geven.

Dick Sand verliet het roer niet meer. Hij had zich met een touw om het middel vastgesjord, om niet door een stortzee weggeslagen te worden. Ook Tom en Bat hadden zich vastgebonden en hielden zich gereed om hem te hulp te komen. Hercules en Actéon hadden zich aan de betings vastgeklampt en waakten op het voorschip.

Wat Mevr. Weldon, den kleinen Jack, neef Benedictus en Nan aangaat, zij bleven op verzoek van den leerling in de achterkajuit. Mevr. Weldon was liever op het dek gebleven, maar Dick Sand had het met alle macht tegengehouden, omdat dit zich zonder noodzakelijkheid in gevaar begeven zou geweest zijn.

Al de luiken waren hermetisch gesloten. Het was te hopen dat zij genoegzaam tegenstand zouden bieden ingeval het mocht gebeuren, dat er een van die ontzaglijke zeeën over boord sloeg waartegen niets bestand is. Indien zij ongelukkig voor het gewicht dezer stortzeeën weken, kon het schip onderloopen en zinken. Zeer practisch was ook de lading met zorg gestuwd, zoodat in weerwil van het vreeselijk overhalen der schoenerbrik, haar lading zich niet verplaatste.

Dick Sand had de uren, die hij aan den slaap gaf, nog verminderd. Ook bekroop Mevr. Weldon de vrees dat hij ziek zou worden. Zij verkreeg van hem dat hij eenigen tijd rust zou nemen.

Nu had er juist, terwijl hij sliep, in den nacht van den 13en op den 14en Maart weder iets bijzonders plaats.

Tom en Bat waren achteruit, toen Negoro, die zich slechts zelden op dit gedeelte van het schip liet zien, op hen toekwam en zelfs een gesprek met hen scheen te willen aanknoopen; maar Tom en zijn zoon gaven hem geen antwoord.

Plotseling, op het oogenblik eener vreeselijke slingering, viel Negoro, en zou hij stellig in zee geslingerd zijn, zoo hij zich niet aan het kompasbuisje had vastgegrepen.

Tom gaf een schreeuw, daar hij vreesde dat het kompas gebroken was.

Dick Sand was in een oogenblik wakker, hoorde den kreet en vloog op het dek.

Negoro was reeds weder op de been, maar hij hield het stuk ijzer in de hand, dat hij van onder het kompashuisje had weggenomen en deed het verdwijnen voordat Dick Sand het bemerkt had.

Zou Negoro er belang bij gehad hebben dat de magneetnaald de goede richting hernam! Ja, want deze winden uit het zuid-westen kwamen hem nu te stade!....

"Wat is er gaande?" vroeg de leerling.

"Dat is die ongelukkige kok, die viel op het kompas!" antwoordde Tom.

Bij deze woorden, bukte zich Dick Sand, die zich zeer ongerust maakte, naar het kompashuisje.... Het was in order, het kompas door de lampen verlicht, lag altijd op zijn beide concentrische ringen.

Dat was een steen van het hart van Dick! Het breken van het eenige kompas aan boord zou een onherstelbaar ongeluk geweest zijn.

Maar, wat Dick Sand niet had kunnen opmerken, was, dat sedert het wegnemen van het stuk ijzer, de naald haar normalen stand weder had ingenomen en juist het magnetische noorden aanwees, zooals het onder dezen meridiaan moest zijn.

Al kon men nu evenwel Negoro niet verantwoordelijk stellen voor een val, die onwillekeurig scheen, zoo had Dick Sand toch alle reden er zich over te verwonderen dat de kok zich op dat uur op het achterschip bevond.

"Wat doe je daar?" vroeg hij hem.

"Wat me bevalt," antwoordde Negoro.

"Je zegt!...." riep Dick Sand uit, die zich een oogenblik boos maakte.

"Ik zeg!...." antwoordde de kok, "dat er geen reglement is dat me verbiedt op het achterschip te wandelen!"

"Welnu, ik maak dat reglement," antwoordde Dick Sand, "en nu verbied ik u achteruit te komen!"

"Och kom!" antwoordde Negoro.

De man, die zich zelf gewoonlijk zoo meester was, maakte een dreigende beweging.

De leerling haalde een revolver te voorschijn en richtte deze op den kok, zeggende:

"Negoro, onthoud dat ik dit wapen altijd bij me draag en ik je bij het eerste teeken van verzet door 't hoofd schiet!"

Op dit oogenblik voelde Negoro zich door een onweerstaanbare kracht tot het dek neergebogen.

Hercules had eenvoudig zijn zware hand op zijn schouder gelegd.

"Kapitein Sand," zei de reus, "wilt u dat 'k dien kerel over boord gooi? Het is een lekkerbeetje voor de visschen die nog al zoo kiesch niet zijn."

"Nog niet," antwoordde Dick Sand.

Negoro richtte zich op, zoodra hij de hand van den neger niet meer op zich voelde drukken. Maar Hercules voorbijgaande, mompelde hij:

"Dat zal 'k je betaald zetten, vervloekte neger!"

Intusschen was de wind omgeloopen en toch gaf, tot Dick's verwondering, niets in den toestand der zee te kennen dat er een verandering op til was. Het schip hield nog steeds koers, maar door wind en zeeën, die nu dwars inkwamen, was Dick Sand genoodzaakt vier streken af te houden om voor den storm te blijven wegloopen.

Maar van den anderen kant was zijn aandacht meer dan ooit opgewekt en vroeg hij zich af of er niet eenig verband bestond tusschen den val van Negoro en het breken van het eerste kompas. Wat was de kok daar komen doen? Had hij er misschien eenig belang bij dat het tweede kompas ook buiten dienst gesteld werd? Welk belang zou dat hebben kunnen zijn? Er was geen enkele reden voor te vinden. Moest ook Negoro, evenzeer als allen, niet vurig wenschen zoo spoedig mogelijk aan de Amerikaansche kust te landen?

Toen Dick Sand met Mevr. Weldon over het voorval sprak, kon ook zij, hoewel zijn wantrouwen in zekere mate deelende, geen aannemelijke drijfveer vinden voor 't geen van den kant van Negoro een misdadig overleg zou geweest zijn.

Intusschen werd op den kok, uit voorzichtigheid, nauwkeurig het oog gehouden. Overigens kwam hij in zooverre de bevelen van den leerling na, dat hij zich niet meer op het achterschip waagde, waar zijn dienst hem nimmer riep. Bovendien nam men de voorzorg er Dingo aanhoudend verblijf te laten houden, en men weet dat Negoro niet bijzonder op het gezelschap van den hond gesteld was.

Gedurende de geheele week bleef de storm voortwoeden. De barometer daalde nog altijd. Van den 14en tot den 26en Maart, was het onmogelijk, van een oogenblikje kalmte gebruik te maken om eenige zeilen bij te zetten. De _Pelgrim_ stormde naar het noordoosten met een snelheid die niet onder de twee honderd mijlen in de vier-en-twintig uur kon zijn, en nog altijd geen land! En toch, dat land was Amerika, dat als een onmetelijke slagboom tusschen de Atlantische zee en de Stille Zuidzee ligt, op een lengte van meer dan honderd twintig graden.

Dick Sand vroeg zich somtijds af of hij niet krankzinnig was, of hij nog het bewustzijn had het ware van het valsche te onderscheiden, of hij niet sedert zoo vele dagen, buiten zijn weten, in een verkeerde richting liep! Neen, zoo erg kon hij zich niet vergissen! De zon, die hij wel is waar in den dikken nevel niet kon onderscheiden, kwam altijd vóór hem op, om achter hem onder te gaan!

Maar was het land dan verdwenen? Waar lag dan Amerika, waarop zijn schip misschien te gronde zou gaan, waar was het, zoo het zich niet daar bevond? Het mocht dan het zuidelijke of het noordelijke vasteland zijn,--want alles was mogelijk in die verwarring,--een van beiden moest de Pelgrim toch bereiken. Wat was er toch gebeurd sedert het begin van dien verschrikkelijken storm? Wat geschiedde er nog, nu die kust, die zijn heil of zijn ondergang zou zijn, nog altijd niet opdoemde? Moest Dick Sand dan veronderstellen dat hij bedrogen was door zijn kompas, welks aanwijzingen hij niet meer kon vergelijken, omdat het tweede kompas hem ontbrak om die vergelijking te doen? En werkelijk zijn vrees was gewettigd door die voortdurende totale afwezigheid van land!

Wanneer Dick Sand zich dan ook niet aan het roer bevond, was hij onophoudelijk bezig de kaart met de oogen te verslinden. Maar al bestudeerde hij deze nog zoo vlijtig, zij kon hem het raadsel niet oplossen dat, in den toestand waarin Negoro hem gebracht had, onbegrijpelijk voor hem was, zooals het voor iedereen zou geweest zijn.

Dien dag evenwel, den 27n Maart ongeveer 8 uur 's morgens deed zich iets van het grootste gewicht voor.

Hercules voor op den uitkijk, deed den kreet hooren:

"Land! land!"

Dick Sand nam een sprong naar den bak. Zou Hercules, die geen zeemansoogen kon hebben, zich niet bedriegen?

"Land!" riep Dick Sand.

"Dáár!" antwoordde Hercules, terwijl hij een bijna onmerkbaar punt aan den horizont in het noord-oosten aanwees.

Men kon elkander te midden van het geloei van den storm slechts moeielijk verstaan.

"Heb je werkelijk land gezien?...." vroeg de leerling.

"Ja," antwoordde Hercules, met het hoofd knikkend. En wederom wees hij met de hand aan bakboord vooruit.

De leerling keek, maar zag niets.

Op dit oogenblik betrad Mevr. Weldon, die den kreet door Hercules geuit, gehoord had, het dek, niettegenstaande haar belofte er niet te komen.

"Mevrouw!...." riep Dick Sand.

Ook Mevr. Weldon, zich niet kunnende doen hooren, beproefde het door den neger aangewezen land te ontdekken, en scheen haar geheele leven in haar oogen te concentreeren.

Waarschijnlijk had de hand van Hercules naar een verkeerd punt aan den horizont gewezen, want noch Mevrouw Weldon, noch Dick Sand konden iets zien.

Maar eensklaps strekte ook hij de hand uit.

"Ja! ja! land!" zeide hij.

En werkelijk was op een plek, waar de nevelen voor een oogenblik uiteen weken, een soort van top te zien. Zijn zeemansoogen konden hem niet bedriegen.

"Eindelijk!" riep hij uit, "eindelijk!"

Hij hield zich koortsachtig aan de verschansing vast. Mevr. Weldon, door Hercules ondersteund, keek onophoudelijk naar dat zoo vurig verlangde land.

De kust, die door dit voorgebergte gevormd werd, verhief zich op tien mijlen aan lij van bakboordszij. Daar er nu een blinker kwam, kon men de kust duidelijker onderscheiden. Het was ongetwijfeld een kaap van het Amerikaansche vasteland. De _Pelgrim_ kon zonder zeilen niet goed koers houden, maar moest wel op het strand aanloopen.

Het was slechts om eenige uren te doen. Het was nu acht uur 's morgens en dus zou de _Pelgrim_ voor twaalf uur dicht bij land zijn.

Op een teeken van Dick Sand, geleidde Hercules Mevr. Weldon weder naar het achterschip, want zij zou het geweld van het stampen niet hebben kunnen weerstaan.

De leerling bleef nog een oogenblik op den bak en keerde vervolgens naar het roer bij den ouden Tom terug.

Eindelijk zag hij dan nu deze zoo lang weggebleven, zoo vurig begeerde kust! maar nu helaas! met een gevoel van schrik!

En inderdaad, in den toestand waarin de _Pelgrim_ zich bevond, namelijk vluchtende voor den storm, het land aan lij, was er niets anders te wachten dan een schipbreuk met al haar mogelijke verschrikkingen.

Twee uren verliepen. Het voorgebergte vertoonde zich nu dwarsscheeps.

Op dit oogenblik kwam Negoro aan dek. Dezen keer keek hij met de grootste aandacht naar de kust, schudde het hoofd als iemand die wist waaraan zich te houden, en ging weder naar beneden, na een naam genoemd te hebben dien niemand kon verstaan.

Wat Dick Sand betreft, hij trachtte de kust te ontdekken, die zich achter het voorgebergte moest uitstrekken.

Opnieuw verliepen twee uren. Het voorgebergte verhief zich aan bakboordszij van achteren, maar de kust was nog altijd niet te onderscheiden.

Intusschen klaarde de lucht aan den horizont op, en een hooge kust, zooals het Amerikaansche land zich juist moest voordoen in het verre verschiet, begrensd door de ontzaglijke keten der Andes, zou op een afstand van meer dan twintig mijlen zichtbaar geweest zijn.

Dick Sand nam zijn verrekijker en liet dien langzaam langs den geheelen oostelijken horizont gaan.

Niets! Hij zag niets meer!

Om twee uren na den middag, was alle spoor van land achter den _Pelgrim_ uitgewischt. Vooruit kon de verrekijker niet de minste lijn van een hooge of lage kust ontdekken.

Toen ontsnapte aan Sand een smartelijke kreet; hij verliet onmiddellijk het dek en begaf zich haastig naar de kajuit waar Mevr. Weldon met den kleinen Jack, Nan en Neef Benedictus zich ophielden.

"Een eiland! 't was maar een eiland!" zeide hij.

"Een eiland, Dick! maar welk?" vroeg Mevr. Weldon.

"De kaart zal 't ons zeggen."

En even heengaande, kwam hij met de kaart terug.

"Daar, mevrouw Weldon, daar!" zei hij. "Het land dat in 't gezicht geweest is, kan niet anders zijn dan het verloren punt te midden der Stille Zuidzee! 't kan niet anders zijn dan het Paascheiland! Er zijn geen andere eilanden in deze streken!"

"En hebben we 't al achter ons?" vroeg Mevr. Weldon.

"Ja, loefwaarts van ons!"

Mevr. Weldon keek aandachtig naar het Paasch-eiland, dat slechts een onmerkbaar punt op de kaart uitmaakte.

"En hoe ver is het van de Amerikaansche kust.

"Vijf en dertig graden."

"En dat is?...."

"Ongeveer twee duizend mijlen."

"Maar is dan de _Pelgrim_ niet vooruitgegaan, omdat we nog zoo ver van het vasteland afzijn?"

"Mevrouw Weldon," antwoordde Dick Sand, die een oogenblik de hand aan het voorhoofd bracht, als om zijn gedachten bijeen te houden, "'k weet.... 'k kan geen verklaring van de ongelooflijke vertraging geven!.... Neen! ik kan niet.... of de aanwijzingen van het kompas moeten valsch geweest zijn!.... Maar dat eiland moet wel het Paasch-eiland geweest zijn, omdat we voor den wind naar het noord-oosten hebben moeten loopen en de Hemel zij gedankt dat we nu weten waar we zijn. Ja! 't is het Paasch-eiland! Ja het is nog twee duizend mijlen van de kust af! Eindelijk weet ik dan toch waarheen de storm ons gejaagd heeft, en zoo hij bedaart, kunnen we met eenige kans op geluk de Amerikaansche kust aandoen! Nu althans mag ons schip niet meer verloren heeten in de onmetelijke Stille Zuidzee!"

Dit vertrouwen, door den jeugdigen leerling geuit, werd door allen gedeeld die hem zoo hoorden spreken. Mevr. Weldon zelve liet zich overtuigen. Het was wezenlijk alsof die arme menschen aan het einde van hun zorgen, van hun lijden gekomen waren en de _Pelgrim_ weldra met goeden wind in een haven zou binnenloopen!

Het Paascheiland,--met zijn waren naam Vai-Hou geheeten,--ontdekt door David in 1686, bezocht door Cook en Lapérouse, is gelegen op 27° Z.B. en 112° O.L. Indien de schoenerbrik op deze wijze meer dan vijftien graden naar het noorden was verzeild, dan was dit blijkbaar tengevolge van dien storm uit het zuid-westen waarvoor zij had moeten lenzen.

De _Pelgrim_ was dus nog twee duizend mijlen van de kust verwijderd. Evenwel moest hij door de kracht van den wind, die nog altijd even hevig bleef, in minder dan tien dagen een of ander punt van de kust van Zuid-Amerika bereikt hebben.

Maar mocht men niet hopen, zooals de leerling gezegd had, dat het weder eindelijk toch wat zou bedaren en dat het dan mogelijk zou zijn een of ander zeil bij te zetten, zoodra men land in 't gezicht had?

Dit was nog altijd de hoop van Dick Sand. Hij was van meening dat die orkaan, die nu reeds zoovele dagen had aangehouden, eindelijk toch wel zou afnemen. En nu hij, tengevolge van de verkenning van het Paasch-eiland, juist wist waar zij zich bevonden, had hij alle reden te vertrouwen, dat hij, eenmaal weder meester van zijn vaartuig geworden, het naar een veilige ankerplaats zou kunnen brengen.

Nu Dick Sand als door een bijzondere gunst der Voorzienigheid dat verlaten punt te midden der zee had kunnen verkennen, nu had Dick Sand zijn vertrouwen, dat bijna verloren was gegaan, teruggekregen. Werd hij altijd door een orkaan, dien hij niet beteugelen kon, voortgezweept, dan ging dit toch niet geheel blindelings meer.

De _Pelgrim_, stevig gebouwd en getuigd, had onder deze woedende aanvallen van den storm, weinig geleden. Zijn averij bepaalde zich tot het verlies van het marszeil en de kleine stagstok--verliezen die licht te herstellen waren. Geen druppel water was door de met zorg gestopte naden van den romp en het dek gedrongen. De pompen waren volkomen onbelemmerd. In dit opzicht was er niets te vreezen.

Doch onophoudelijk bleef de orkaan voortwoeden en niets scheen hem tot bedaren te brengen. Kon Dick Sand zijn schip in zekere mate bestand maken tegen den storm, hij vermocht den wind niet bevelen te gaan liggen, den golven te bedaren, den hemel op te klaren. Was hij aan boord na God "heer en meester," buiten boord was het God alleen die wind en golven gebood.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

LAND! LAND!

Intusschen zou het vertrouwen, dat Dick Sand als bij instinct bezielde, gedeeltelijk gerechtvaardigd worden.

Den volgenden dag, 27 Maart, ging de kwikkolom in de barometerbuis aan het rijzen. De schommeling had niet plotseling plaats en was ook niet belangrijk, eenige strepen slechts, maar de rijzing scheen te zullen aanhouden. De storm ging blijkbaar in het tijdperk van afneming over, en, mocht de zee nog buitengewoon onstuimig blijven, toch kon men zich overtuigen dat de wind afnam.