Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers

Chapter 8

Chapter 83,977 wordsPublic domain

De _Pelgrim_ was dus in dit opzicht voldoende voorzien, en Dick Sand drukte zijn onderhoorigen op het hart de grootste zorg voor deze twee kompassen, die hij zoo noodig had, in acht te nemen.

Maar ongelukkig had er in den nacht van den 12en op den 13en Februari, terwijl Dick de wacht had en aan het roer stond, een bedroevend ongeval plaats. Het kompas, dat in een koperen ring hing, die aan een dekbalk der kajuit bevestigd was, raakte los en viel op den vloer. Men ontdekte het pas den volgenden morgen.

Hoe kwam deze koperen ring te breken? Het was vrij duister. Het was evenwel mogelijk dat hij geoxydeerd was en door het slingeren en stampen van het schip van den balk was losgeraakt. Juist toch was de zee in den gepasseerden nacht onstuimiger geweest. Hoe het zij, het kompas was gebroken en kon niet gerepareerd worden.

Dick Sand was zeer teleurgesteld. Er schoot hem nu voortaan niets meer over dan het nachthuiskompas te raadplegen. Het breken van dit tweede kompas kon blijkbaar aan niemand geweten worden, maar het kon treurige gevolgen hebben. Dick nam dus alle mogelijke maatregelen om het tweede kompas voor ongelukken te bewaren.

Tot nog toe ging, behalve dat, alles goed aan boord van den _Pelgrim_.

Toen Mevr. Weldon zag hoe kalm en bedaard Dick Sand was, had ook zij haar vertrouwen teruggekregen. Wel had zij zich nooit aan wanhoop overgegeven en rekende zij boven alles op Gods goedheid. Ook versterkte zij zich, als oprechte en vrome katholieke, door het gebed.

Dick Sand had het zoo weten te schikken, dat hij gedurende den nacht aan het roer bleef. Hij sliep vijf of zes uur per dag en dat scheen hem voldoende te zijn, daar hij zich niet al te vermoeid gevoelde. Gedurende dien tijd werd hij door Tom of diens zoon Bat aan het roer vervangen, die, dank zijn raadgevingen, langzamerhand tamelijke roergangers werden.

Dikwijls hadden Mevr. Weldon en de leerling een gesprek met elkander. Dick Sand raadpleegde gaarne die schrandere en moedige vrouw. Iederen dag toonde hij haar het bestek op de kaart, dat hij bij schatting afzette, daarbij alleen rekening houdende met den gezeilden koers en den afstand.

"Ziet u, mevrouw Weldon," herhaalde hij haar dikwijls, "met die vaste winden moeten wij de kust van Zuid-Amerika wel bereiken. 'k Zou het niet durven verzekeren, maar 'k geloof wel dat, wanneer ons vaartuig in 't gezicht van land zal komen, het niet ver van Valparaiso zal zijn!"

Mevr. Weldon kon niet twijfelen of de koers was goed, vooral begunstigd door die noord-westenwinden. Maar wat kwam de _Pelgrim_ haar nog ver van het Amerikaansche strand voor! Welke gevaren lagen er nog tusschen hen en het vasteland, al waren het alleen die, welke konden voortkomen uit eene verandering in den toestand van de zee en den hemel!

Jack had met de zorgeloosheid aan zijn leeftijd eigen, weldra zijn gewone spelen hervat. Hij liep weder op het dek, speelde met Dingo, en vond ongetwijfeld dat zijn vriend Dick zich minder dan vroeger met hem bemoeide, maar zijn moeder had hem aan het verstand gebracht, dat hij den leerling niet van zijn bezigheden moest aftrekken. Jack had genoegen met deze redenen genomen en stoorde "kapitein Sand" niet meer.

Zoo ging het met de zaken aan boord. De zwarten verrichtten met schranderheid hun werk en werden elken dag meer bedreven in de praktijk van het zeemansvak. Tom werd natuurlijk bootsman en ook zijn kameraden zouden hem ongetwijfeld voor deze betrekking uitgekozen hebben. Hij commandeerde de wacht, terwijl Dick sliep en met hem waren dan steeds zijn zoon Bat en Austin. Actéon en Hercules maakten de andere wacht uit onder commando van Dick Sand. Terwijl dus de een stuurde, waakten de anderen op het voorschip.

Hoewel deze streken eenzaam waren en een aanzeiling geenszins te vreezen was, nam de leerling gedurende den nacht de uiterste waakzaamheid in acht. Hij voer nooit zonder zijn lichten op te hebben,--een groen licht aan stuurboordszij, een rood aan bakboordszij,--en hierin handelde hij wijs.

In die nachten evenwel, die Dick Sand geheel aan het roer doorbracht, maakte zich somtijds een onweerstaanbare neerslachtigheid van hem meester. Zijn hand stuurde dan zuiver instinctmatig. Het was het gevolg eener afgematheid, waarvan hij niets wilde weten.

Nu gebeurde het in den nacht van den 13n op den 14n Februari dat Dick Sand, die zeer vermoeid was, eenige uren rust moest gaan nemen en door den ouden Tom aan het roer vervangen werd.

De hemel was met dikke wolken bezet, die tegen den avond onder den invloed van de koude lucht gedaald waren. Het was dus zeer duister en het was onmogelijk de bovenzeilen te onderscheiden. Hercules en Actéon hadden de wacht op den bak.

Op het achterschip werd het zwakke schijnsel van het licht van het kompashuisje zacht weerkaatst door het metalen bekleedsel van het stuurrad. De boordseinlantarens, die hun lichten zijdelings deden uitstralen, lieten het dek van het schip in diepe duisternis gehuld.

Tegen drie uur 's morgens deed zich bij Tom een soort van helderziendheid voor, waarvan hij zich zelven niet bewust was. Zijn oogen, die al te lang op een lichtend punt van het kompashuisje gestaard hadden, verloren plotseling het gezichtsvermogen en hij verviel in een soort van werkelijke anaesthetische slaperigheid.

Niet alleen zag hij niet meer, maar al had men hem aangeraakt of hard geknepen, zou hij waarschijnlijk niets gevoeld hebben.

Hij zag dus de schaduw niet die over het dek gleed.

Het was Negoro.

Achteruit gekomen, plaatste de kok onder het kompashuisje een tamelijk zwaar voorwerp, dat hij in de hand hield.

Na toen een oogenblik den verlichten wijzer van het kompas waargenomen te hebben, trok hij zich terug zonder dat hij gezien was.

Indien Dick Sand den volgenden morgen het voorwerp had opgemerkt, dat Negoro onder het kompashuisje geplaatst had, zou hij zich gehaast hebben het weg te nemen.

En niet zonder reden, want het was een stuk ijzer, waarvan de invloed de aanwijzingen van het kompas veranderd had. De magneetnaald was afgeweken en in plaats van het magnetische noorden aan te wijzen, dat een weinig van het geographische noorden verschilt, wees zij het noord-oosten aan. Het was een afwijking van vier streken, anders gezegd van een halven rechten hoek.

Tom was bijna dadelijk uit zijn diepe sluimering ontwaakt. Zijn oogen wendden zich terstond naar het kompas... en hij geloofde, hij moest wel gelooven dat de _Pelgrim_ de goede richting niet had.

Hij draaide dus het roer, teneinde den steven weder naar het oosten te richten.... Hij dacht het althans.

Maar, bij de afwijking van de naald, die hij niet kon vermoeden, wendde hij den schoener naar het zuidoosten.

Terwijl men dus niet anders dacht dan dat de _Pelgrim_ bij gunstigen wind de goede richting had, vervolgde hij met een verschil van vijf-en-veertig graden zijn weg!

ELFDE HOOFDSTUK.

STORM.

In de week die op dit voorval volgde, van den 14n tot den 21n Februari, had er niets bijzonders aan boord plaats. De noordoostelijke wind wakkerde allengs aan en de _Pelgrim_ liep snel, een afstand afleggende van gemiddeld honderd zestig mijlen in de vier-en-twintig uren. Dit was nagenoeg alles wat men van een vaartuig van deze afmeting kon vergen.

De schoenerbrik moest dus, naar de berekening van Dick, de streken naderen waar de mailbooten van het eene halfrond naar het andere oversteken. De leerling hoopte altijd een van die vaartuigen te ontmoeten, en hij had het stellige voornemen, hetzij er zijn passagiers op over te brengen, hetzij eenige matrozen en misschien wel een officier te leenen. Maar hoewel er zeer nauwkeurig werd uitgekeken, kon er geen enkel schip gesignaleerd worden en bleef de zee altijd eenzaam.

Dit begon Dick Sand wel een weinig vreemd te vinden. Hij had meermalen dit gedeelte der Stille Zuidzee op zijn drie reizen naar de zuidelijke zeeën, om te visschen, doorkruist en bij de breedte en de lengte waarop hij zich meende te bevinden, was het zeldzaam dat er zich geen enkel Engelsch of Amerikaansch schip vertoonde, dat van Kaap Hoorn naar den evenaar kwam opwerken of naar de uiterste punt van Zuid-Amerika afzakte.

Maar Dick Sand wist niet, en hij kon het ook niet weten, dat de _Pelgrim_ reeds op een hoogere breedte was, dat is te zeggen meer zuidelijk dan hij vermoedde.

Dit lag aan twee redenen.

De eerste was dat de stroomen dezer streken, welker snelheid de leerling slechts onvolkomen kon gissen, er aan hadden toegebracht, om het schip van zijn weg af te brengen zonder dat het hem mogelijk was er zich rekenschap van te geven.

De tweede reden was dat het kompas, geschonden door de schuldige hand van Negoro, slechts onnauwkeurige uitkomsten gaf,--uitkomsten die Dick Sand, sedert het verlies van het tweede kompas, niet kon controleeren. Zoodat hij, meenende en moetende meenen dat de steven naar het oosten gekeerd was, werkelijk naar het zuid-oosten stevende! Het kompas werd steeds trouw door hem waargenomen. Er werd geregeld gelogd. Met zijn twee instrumenten kon hij in zekere mate den _Pelgrim_ besturen en het aantal afgelegde mijlen bij benadering bepalen. Maar was dit voldoende?

Evenwel deed Dick Sand steeds zijn best om Mevr. Weldon, die zich over de voorvallen dezer reis dikwijls ongerust maakte, moed in te spreken.

"We zullen er wel komen!" herhaalde hij telkens. "We zullen de Amerikaansche kust bereiken, hier of daar, onverschillig waar, maar ergens aanlanden zullen we!"

"'k Twijfel er niet aan, Dick."

"Natuurlijk, mevrouw, zouden we geruster zijn, als u niet aan boord waart en we slechts voor ons zelven hadden te zorgen, maar...."

"Maar als ik niet aan boord was," antwoordde Mevr. Weldon, "als neef Benedictus, Jack, Nan en ik geen plaats op den _Pelgrim_ genomen hadden, en als van den anderen kant, Tom en zijn kameraden niet in zee waren opgenomen, Dick, zou er niemand overgebleven zijn dan gij en Negoro!.... Wat zou er van je geworden zijn, alleen met dien raadselachtigen man, dien je niet vertrouwen kunt?"

"'k Zou begonnen zijn," antwoordde Dick flink weg, "met Negoro te beletten mij te benadeelen."

"En je zoudt alleen het schip bestuurd hebben?"

"Ja....alleen.... met God's hulp!"

De moed en de geestkracht die uit deze woorden spraken, waren zeer geschikt om Mevr. Weldon op te beuren. En toch, als zij haar kleinen Jack aanzag, maakte zij zich dikwijls ongerust! Als de moeder niets wilde laten blijken van 't geen de moeder gevoelde, dan kon zij niet altijd beletten dat een heimelijke angst zich van haar hart meester maakte.

Mocht intusschen de jeugdige leerling niet ver genoeg in zijn hydrographische studiën gevorderd zijn om zijn bestek op te maken, zoo bezat hij een werkelijk zeemans instinct, als er sprake van was om naar het weer te raden. Het voorkomen van de lucht van de eene zijde, van de andere de aanwijzingen van den barometer, deden hem voorzorgen nemen. Kapitein Hull, die een goed meteoroloog was, had hem geleerd dit instrument te raadplegen, dat merkwaardig zeker het weer kan voorspellen.

Ziehier met weinige woorden wat de aanteekeningen betrekkelijk de waarneming van den barometer bevatten. [18]

1º. Wanneer de barometer, nadat het tamelijk lang mooi weer geweest is, plotseling en aanhoudend begint te dalen, komt er ongetwijfeld regen; maar, als het lang mooi weer geweest is, kan de kwik twee of drie dagen lang in de barometer-buis zakken, voordat men eenige verandering in den toestand der atmosfeer opmerkt. Hoe meer tijd er dan verloopt tusschen de daling van de kwik en het komen van regen, des te langer zal de regentijd duren.

2º. Indien integendeel de barometer bij regenachtig weder, dat reeds lang geduurd heeft, langzaam en geregeld begint te rijzen, zal het zeker mooi weer worden, hetgeen des te langer zal duren hoe langer tusschenpoos verloopen is tusschen het mooie weer en het begin van het rijzen des barometers.

3º. Indien in de twee gevallen die voorafgaan, de verandering van weer onmiddellijk volgt op de beweging van de kwikkolom, zal deze verandering slechts kort duren.

4º. Wanneer de barometer gedurende twee of drie of zelfs meer dagen langzaam en aanhoudend rijst, verkondigt hij mooi weer, al houdt de regen gedurende deze drie dagen niet op, en _vice versa_; maar, indien de barometer gedurende twee of meer dagen, terwijl het regent, rijst en hij vervolgens, terwijl het mooi weer geworden is, wederom begint te zakken, zal het mooie weer zeer kort duren, en _vice versa_.

5º. In de lente en den herfst, voorspelt een plotselinge daling van den barometer wind. In den zomer, kondigt hij, als het zeer warm weer is, dan een onweer aan. In den winter, na eenigen tijd vorst gehad te hebben, voorspelt een snelle daling van de kwikkolom een verandering van wind, gepaard met dooiweder en regen; maar het rijzen van den barometer, terwijl het reeds eenigen tijd gevroren heeft, voorspelt sneeuw.

6º. De snelle schommelingen van den barometer moeten nooit opgenomen worden als droog of regenachtig weer van eenigen duur te voorspellen. Deze aanwijzingen worden uitsluitend gegeven door het rijzen of het dalen, dat langzaam en aanhoudend plaats heeft.

7º. Wanneer tegen het einde van den herfst, na aanhoudend regenachtig en winderig weer, de barometer rijst, dan kondigt dit rijzen den overgang aan van den wind naar het noorden en de nadering van den vorst.

Dit zijn algemeene regelen, die men moet afleiden uit de aanwijzingen van dit kostbaar instrument.

Dit was het wat ook aan Dick Sand zeer goed bekend was, 't geen hij in verschillende omstandigheden van zijn zeemansleven bevestigd had gezien en hem leerde op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn.

Nu begonnen, juist tegen den 20sten Februari, de schommelingen van de kwikkolom den jeugdigen leerling, die ze verscheidene malen per dag met groote zorg opteekende, eenigszins te verontrusten. Werkelijk begon de barometer langzaam en aanhoudend te zakken, 'tgeen regen voorspelde; maar daar deze regen nog niet spoedig kwam, besloot Dick Sand daaruit dat het slechte weder zou aanhouden. Dit was dan ook werkelijk het geval.

Maar de regen was hier de wind, en inderdaad wakkerde de bries zoo zeer aan, dat de lucht zich met een snelheid van zestig voet per seconde, of een en dertig mijlen per uur [19] verplaatste.

Dick Sand moest toen eenige voorzorgen nemen, om de masten en de zeilen van den _Pelgrim_ niet in gevaar te brengen. Hij had reeds het bovenbramzeil, het gaftopzeil en den buitenkluiver laten bergen en besloot dit ook met het bramzeil te doen en daarna twee reven in het marszeil te laten steken.

Dit laatste moest zekere moeielijkheid in zich hebben met een bemanning die nog zoo weinig geoefend was. Evenwel viel er niet te talmen en niemand talmde ook.

Dick Sand, vergezeld van Bat en Austin, ging naar boven en nam, ofschoon niet zonder moeite, het bramzeil in. Met minder dreigend weer, zou hij de twee raas niet hebben afgenomen, maar, daar hij voorzag dat hij waarschijnlijk verplicht zou zijn de bramsteng te schieten en die zelfs geheel aan dek te nemen, nam hij de beide raas af. Men begrijpt toch dat, als de wind te sterk wordt, men niet alleen de zeilen, maar ook het boventuig moet neernemen. Dit is een groote verlichting voor het schip, dat, hoog getuigd, van het slingeren en stampen niet meer zoo veel te lijden heeft.

Nadat deze eerste arbeid volbracht was,--en er gingen twee uren mede om,--hielden Dick Sand en de zwarten zich bezig met het marszeil te verkleinen door twee reven in te steken.

De _Pelgrim_ voer niet, als de meeste nieuwere vaartuigen, een dubbel marszeil, hetgeen de manoeuvre gemakkelijk maakt. Men moest dus doen als vroeger, namelijk de ra op den rand laten loopen, een zeil door den wind geslagen naar zich toe halen en de rifseizings stevig vastknoopen. Dat alles was moeielijk, gevaarlijk en duurde lang, maar eindelijk gaf het gereefde marszeil minder vat aan den wind en daardoor werd de schoenerbrik aanmerkelijk verlicht.

Dick Sand kwam met Bat en Austin weder beneden. De _Pelgrim_ bevond zich toen in den toestand van zeewaardigheid, gevorderd door dien staat van den dampkring, waaraan men de benaming van "stijve koelte" heeft toegekend.

Gedurende de drie volgende dagen, 20, 21 en 22 Februari, was de wind noch in kracht, noch in richting belangrijk gewijzigd. Intusschen ging het kwik voort in de barometerbuis te zakken en den laatsten dag merkte Dick op, dat het voortdurend onder acht en twintig duim zeven tiende [20] stond.

Er was overigens volstrekt geen schijn van dat de barometer voor eenigen tijd zou gaan rijzen. De lucht zag er slecht en buitengewoon winderig uit. Buitendien werd zij aanhoudend door dikke dampen bedekt. Deze laag van nevels was zelfs zoo dik, dat men de zon niet meer kon zien en dat het moeilijk zou geweest zijn de plaats waar zij op- en onderging aan te wijzen.

Dick Sand begon zich ongerust te maken. Hij verliet het dek niet meer. Hij sliep nauwelijks. Evenwel had hij geestkracht genoeg om zijn angst in het diepst van zijn hart te verbergen.

Den volgenden dag, 23 Februari, scheen de wind in den loop van den morgen een weinig af te nemen, maar Dick Sand vertrouwde het niet, en hij had gelijk, want in den namiddag stak de wind weer op en ging de zee hol staan.

Tegen vier uur verliet Negoro, dien men weinig zag, het verblijf der matrozen en begaf zich naar den voorsteven. Dingo sliep zeker ergens in een hoek, want hij blafte niet, zooals gewoonlijk.

Negoro bleef, altijd zwijgend, een half uur lang den horizon waarnemen.

Lange golven volgden elkander op, zonder nog in botsing met elkander te komen. Evenwel waren zij hooger dan met de kracht van den wind overeenkwam. Men moest er uit besluiten dat er slecht weer in het westen was, niet ver af meer misschien, en dat het weldra deze streken zou bereiken.

Negoro liet, in gedachten verzonken, zijn blikken weiden over de onmetelijke zee, die rondom den _Pelgrim_ in volslagen oproer verkeerde. Daarna richtten zich zijn koude en strakke oogen naar de lucht.

De lucht zag er verontrustend genoeg uit. De dampen verplaatsten zich met zeer verschillende snelheden. De wolken in de bovenlucht bewogen zich sneller dan die der benedenlagen van den dampkring. Men mocht dus vooruitzien dat weldra deze zware massa's naar beneden zouden dalen en wat nu nog slechts een stijve koelte was, namelijk een verplaatsing van lucht tegen drie-en-veertig mijlen per uur, zou overgaan in een storm en misschien in een orkaan.

Hetzij Negoro geen man was om angst te gevoelen, hetzij hij niets begreep van het dreigende weer, hij scheen volstrekt niet ontroerd. Wel speelde er een valsche glimlach op zijn lippen. Eigenlijk was het of deze toestand van het weer hem eer genoegen gaf dan dat hij er zich onaangenaam gestemd over gevoelde. Een oogenblik klom hij op den boegspriet en kroop tot aan de woeling, om zijn blikken nog verder te laten weiden, alsof hij eenig teeken aan den horizont zocht. Daarna klom hij weder naar beneden en begaf zich, zonder een enkel woord gezegd of zelfs maar een gebaar gemaakt te hebben, weder naar het matrozenverblijf.

Evenwel was er onder al deze verschrikkelijke omstandigheden één gelukkige zaak, die ieder aan boord wel op prijs mocht stellen, namelijk dat de wind, hoe stevig hij werd of zou worden, gunstig was en dus de _Pelgrim_ snelle vorderingen naar de Amerikaansche kust scheen te maken. En zelfs kon, als het weer maar niet tot storm oversloeg, deze overtocht zonder gevaar volbracht worden en zouden de werkelijke gevaren eerst dan beginnen, als het oogenblik gekomen was dat zij op eenig onbekend punt der kust land zouden bezeilen.

Dit was iets dat nu reeds dikwijls een onderwerp van Dick Sand's overdenkingen uitmaakte. Hoe zou hij, als het land eenmaal in 't gezicht was, manoeuvreeren, indien hij geen loods of geen zeeman ontmoette, die met het vaarwater bekend was? Wat zou hij doen, ingeval het slechte weder hem verplichtte een noodhaven te zoeken, daar deze kust hem ten eenemale onbekend was? Wel is waar had hij zich vooralsnog over deze zaak niet ongerust te maken, alhoewel er, als het uur eenmaal gekomen was, een besluit moest genomen worden.

Gedurende de 13 dagen die verliepen, van den 24n Februari tot den 9n Maart, veranderde de toestand van den dampkring niet belangrijk. De hemel was altijd met zwaren nevel bezwangerd. Gedurende eenige uren nam de wind af, om dan weder met dezelfde woede los te barsten. Twee of driemaal ging de barometer aan het rijzen, maar zijn schommeling, een twaalftal strepen uitmakende, was te plotseling om een verandering van weer en een terugkeer tot zachtere winden aan te kondigen. Daarbij kwam dat de kwikkolom bijna dadelijk weder daalde, zoodat vooralsnog niets het einde van het slechte weder voorspelde.

Ook barstten er van tijd tot tijd geduchte onweders los, die Dick ernstig ongerust maakten. Twee of drie malen sloeg de bliksem op slechts eenige kabellengten van het schip af in de zee. Daarna viel dan de regen in stroomen neder en kwamen er van die dwarrelwinden van half verdichte dampen voor, die den _Pelgrim_ met een dichten mist omgaven.

Uren achtereen had de man op den uitkijk geen uitzicht meer en ging men op goed geluk verder.

Alhoewel het vaartuig, niettegenstaande het sterk stampte, vreeselijk slingerde, verdroeg Mevr. Weldon dit stampen en slingeren, zonder er gelukkig eenigen hinder van te gevoelen. Maar haar kleine jongen was zeer ongesteld en vereischte al haar zorgen.

Wat neef Benedictus betreft, hij was evenmin ziek als de Amerikaansche kakkerlakken, die hij gezelschap hield, en hij bracht zijn tijd door met studeeren, alsof hij rustig in zijn studeervertrek te San-Francisco zat.

Zeer gelukkig hadden ook Tom en zijn kameraden weinig last van de zeeziekte en konden zij daarom hun jeugdigen bevelvoerder hulp blijven verleenen, die zelf volkomen gewend was aan al de ongeregelde bewegingen van een schip dat voor den wind loopt.

De _Pelgrim_ liep snel onder zijn verminderde zeilen en reeds zag Dick Sand aankomen dat hij nog meer zeil zou moeten minderen. Maar hij wilde volhouden, zoolang het zonder gevaar mogelijk zou zijn. Naar zijn berekening kon de kust niet ver meer verwijderd zijn. Men zag dus ijverig uit. Evenwel kon Dick niet te veel op de oogen zijner metgezellen vertrouwen om de eerste teekenen van land te ontdekken, want hoe scherp van gezicht men moge zijn, hij, die niet gewoon is om den horizont op zee te onderzoeken, is niet in staat om de eerste omtrekken eener kust te onderscheiden, vooral te midden van dikke nevels. Ook moest Dick Sand zelf uitkijken en klom hij daarom dikwijls in het want om beter te zien. Maar niets deed zich nog voor van de Amerikaansche kust.

Dat verwonderde hem en toen hem hieromtrent eenige woorden ontvielen, begreep Mevr. Weldon zijn verwondering. Het was de 9e Maart. De leerling bevond zich op het voorschip, nu eens den blik gericht op de zee en de lucht, dan weder met het oog op de masten van den _Pelgrim_, die onder het aanhoudend geweld van den wind begonnen te lijden.

"Zie je nog niets, Dick?" vroeg zij hem, op een oogenblik dat hij den verrekijker liet zakken.

"Niets, mevrouw, niets," antwoordde hij, "en toch schijnt de horizont een weinig op te klaren, onder den hevigen wind die nog meer gaat aanwakkeren."

"En volgens u, Dick, kan de Amerikaansche kust niet ver meer af zijn, nu?"

"Dat kan zij niet, mevrouw, en als er iets is dat me verwondert, dan is het dat zij nog niet in 't gezicht is!"

"En toch," hernam Mevr. Weldon, "heeft het schip altijd goeden koers gehouden."

"Altijd, vanaf de wind noord-west geweest is," antwoordde Dick Sand, "dat is dus sedert den dag dat we onzen ongelukkigen kapitein en zijn equipage hebben verloren. Dat was de 10e Februari, we hebben nu den 9en Maart. Er zijn dus sedert dien tijd zeven-en-twintig dagen verloopen!"

"Maar hoever waren we toen nog van de kust verwijderd?" vroeg Mevr. Weldon.

"Vier duizend vijfhonderd mijlen ongeveer, mevrouw. Zijn er soms zaken, die ik zeer betwijfel, voor dit cijfer kan ik instaan op twintig mijlen na."