Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers
Chapter 7
Ware Dick Sand vier of vijf jaar ouder geweest, zoo zou hij het schoone, maar moeielijke zeemansvak in den grond gekend hebben! Hij zou zich hebben weten te bedienen van den sextant, het instrument waarmede kapitein Hull de sterrenhoogte nam! Hij zou op den chronometer den middelbaren tijd van Greenwich afgelezen en met behulp daarvan en den bekenden uurhoek, de lengte gevonden hebben. De zon zou elken dag zijn raadgeefster geweest zijn! De maan en de planeten zouden hem gezegd hebben: Daar op dat punt van den Oceaan bevindt zich uw schip! Het uitspansel waar langs de sterren zich bewegen als de wijzers van een volkomen juist uurwerk, dat uitspansel zou hem de uren en de afstanden geleerd hebben! Door de sterrenkundige waarnemingen, zou hij op een mijl na de plaats hebben leeren bepalen, zooals zijn kapitein zulk elken dag deed, waar de _Pelgrim_ zich bevond, zoowel als den afgelegden weg en den weg die nog afgelegd moest worden!
En nu moest hij geheel op gegist bestek varen, dat wil zeggen: zich alleen op de log en het kompas verlaten, waarvan hij de miswijzing in rekening kon brengen.
Evenwel verloor hij den moed niet.
Mevr. Weldon had zeer goed begrepen, wat er in het moedige hart van den leerling omging.
"Heb dank, Dick," zeide zij tot hem met vaste stem. "Kapitein Hull is niet meer! Zijn geheele equipage is met hem omgekomen. Het lot van het schip is in uw handen! Dick, je zult het schip met allen die het draagt, redden."
"Ja, mevrouw," antwoordde Dick Sand, "ja, met Gods hulp zal ik het beproeven."
"Tom en zijn kameraden zijn brave menschen die je volkomen kunt vertrouwen."
"'k Weet het en 'k zal er zeelieden van maken. We zullen samen manoeuvreeren en met goed weer zal het best gaan, maar met slecht weer,--welnu, met slecht weer, zullen we alles doen wat we kunnen en we zullen u redden, mevrouw Weldon, u en uw kleinen Jack, allen. Ja, 'k voel dat 'k het doen zal...."
En hij voegde er bij:
"Met Gods hulp!"
"En nu, Dick, zou je juist kunnen zeggen, waar we ons op 't oogenblik bevinden?"
"Zeer gemakkelijk," antwoordde de leerling, "'k Heb niets anders te doen dan de kaart te raadplegen, waarop kapitein Hull gisteren nog het bestek heeft afgezet."
"En zou je den goeden koers kunnen aangeven?"
"Ja, 'k zou den steven naar het oosten kunnen wenden, nagenoeg naar dat punt van de Amerikaansche kust waar we moeten aanlanden."
"Maar, Dick," hernam Mevr. Weldon, "je begrijpt, niet waar, dat deze ramp onze eerste plannen kan en zelfs moet wijzigen? Er is nu geen sprake meer van den _Pelgrim_ naar Valparaiso te brengen. De dichtstbij gelegen haven van de Amerikaansche kust is nu zijn bestemming."
"Ongetwijfeld, mevrouw," antwoordde de leerling. "Maak u vooral maar niet ongerust! We kunnen niet missen de Amerikaansche kust die zich zoo ver zuidelijk uitstrekt te bereiken."
"Waar is zij gelegen?" vroeg Mevr. Weldon.
"Daar, in die richting," antwoordde Dick Sand, het oosten met den vinger aanwijzende.
"Welnu, Dick, 't komt er niet op aan of we Valparaiso of een ander punt van de kust bereiken. Het voornaamste is dat we aan land komen."
"En 't zal geschieden, mevrouw Weldon, 'k zal u op een veilige plaats ontschepen," antwoordde de leerling met vaste stem. "Bovendien geef ik de hoop niet op om, als we dichter bij land komen, eenige vaartuigen te ontmoeten die den kusthandel drijven. Kom! mevrouw Weldon, de wind loopt naar het noord-oosten! God geve dat hij daar blijve, dan zullen we flink vooruitkomen, want we zullen alle zeilen bijzetten."
Dick Sand had dit alles gezegd met het vertrouwen van den zeeman, die weet dat hij een goed schip onder zich heeft, een schip waarvan hij volkomen meester is. Hij ging aan het roer en riep zijn metgezellen om de zeilen behoorlijk te stellen, toen Mevr. Weldon hem er aan herinnerde dat hij vooral goed de plaats moest kennen waar de _Pelgrim_ zich bevond.
Dit was inderdaad iets dat geen uitstel gedoogde. Dick Sand begaf zich naar de kajuit van den kapitein en haalde daar de kaart waarop het bestek den vorigen dag juist was aangegeven. Hij kon dus Mevr. Weldon toonen dat de schoener-brik zich op 43° 35' breedte en op 164° 13' lengte bevond, want sedert vier-en-twintig uren was zij nagenoeg stationnair gebleven.
Mevr. Weldon had zich over deze kaart heengebogen. Zij zag de bruine tint die de aarde, rechts van den uitgestrekten Oceaan moest voorstellen. Het was het kustland van Zuid-Amerika, dat als een onmetelijke slagboom, van Kaap Hoorn af tot aan de stranden van Columbia toe, tusschen de Stille Zuidzee en den Atlantischen Oceaan geworpen is. Bij de beschouwing van deze kaart, waarop een gansche oceaan was afgebeeld, kwam onwillekeurig de gedachte bij haar op dat het zeer gemakkelijk zoude zijn de passagiers van den _Pelgrim_ naar hun vaderland terug te brengen. Dit is een zinsbedrog dat zich steeds bij iedereen voordoet die niet bekend is met de schalen waarnaar de zeekaarten vervaardigd worden Werkelijk scheen het Mevr. Weldon toe dat het land in het gezicht moest zijn, zooals het op dit stuk papier was.
En evenwel zou de _Pelgrim_ te midden van dit witte stuk papier, op zijn juiste schaal afgebeeld, kleiner geweest zijn dan het allerkleinste der infusiediertjes! Dit mathematische punt, zonder waarneembare afmetingen, zou als verloren beschouwd zijn, zooals het werkelijk het geval was, in de onmetelijkheid van de Stille Zuidzee!
Dick Sand zelf had niet denzelfden indruk als Mevr. Weldon ondervonden. Hij wist dat het land ver verwijderd was en dat honderden mijlen niet voldoende waren om den afstand, die het van hen scheidde, te meten. Maar zijn besluit was genomen: Hij was een man geworden door de verantwoordelijkheid, die op zijn schouders rustte.
Het oogenblik om te handelen was gekomen. Men moest van deze bries uit het noord-oosten, die aanwakkerde, gebruik maken. De tegenwind had eindelijk voor een gunstigen wind plaats gemaakt en eenige "cyrrhus" wolken, hier en daar aan de kim opkomende, wezen aan dat hij althans gedurende eenigen tijd zou aanhouden.
Dick Sand riep Tom en zijn kameraden.
"Mijne vrienden," zoo sprak hij hun toe, "ons schip heeft geen andere equipage meer dan u. Zonder uwe hulp kan ik het niet besturen. Ge zijt wel geen zeelieden, maar ge hebt goede armen: Stelt ze dan ten dienste van den _Pelgrim_, dan zullen we hem kunnen besturen. Ons aller heil is er mede gemoeid dat alles goed gaat aan boord."
"Mijnheer Dick," antwoordde Tom, "ik en mijn kameraden, wij zijn uwe matrozen. Aan goeden wil zal het ons niet ontbreken. Alles wat mannen vermogen, door u aangevoerd, zal gedaan worden."
"Goed gesproken, oude Tom," zei Mevr. Weldon.
"Ja, goed gesproken," hernam Dick Sand, "maar we moeten voorzichtig zijn en 'k zal niet alle zeilen laten bijzetten, om niets in de waagschaal te stellen. Een beetje minder snelheid, maar meer veiligheid in acht te nemen, wordt ons dringend door de omstandigheden geboden. 'k Zal u aanwijzen, mijne vrienden, wat iedereen te doen staat. Wat mij betreft, ik blijf aan 't roer, zoolang ik door vermoeidheid niet genoodzaakt wordt het over te geven. Eenige uren slaap van tijd tot tijd zijn voldoende om me weer in orde te brengen. Maar gedurende dien tijd, moet een van u me vervangen. Tom, 'k zal je wijzen hoe men op het kompas stuurt. 't Is niet moeielijk en met een weinig oplettendheid, zult ge spoedig goed kunnen sturen."
"Zoodra u maar wilt, mijnheer Dick," antwoordde de oude neger.
"Komaan," antwoordde de leerling, "blijf bij mij, aan het roer tot van avond en als ik door den slaap overmand mocht worden, zul je me al spoedig eenige uren kunnen vervangen."
"En ik," zei de kleine Jack, "kan ik onzen vriend Dick ook niet een handje helpen?"
"Ja, lief kind," antwoordde Mevr. Weldon, terwijl zij Jack in hare armen drukte, "jij zult ook leeren sturen, en 'k geloof zeker dat, zoolang jij aan 't roer zult staan, we goeden wind zullen hebben!"
"Zeker! Zeker! moeder, 'k beloof het u!" antwoordde de kleine jongen in de handen klappende.
"Ja," zei de jeugdige leerling glimlachende, "het spreekwoord: 'de goede scheepsjongens weten een goeden wind te houden,' is bij onze zeelieden zeer bekend!"
Daarna wendde hij zich tot Tom en de andere negers: "Mijne vrienden," zei hij, "we zullen volbrassen. Doe maar wat ik je zeggen zal."
"Tot uw dienst," antwoordde Tom, "tot uw dienst, kapitein Sand."
TIENDE HOOFDSTUK.
DE VIER VOLGENDE DAGEN.
Dick Sand was dus nu de kapitein van den _Pelgrim_, en, zonder een oogenblik te verliezen, nam hij de noodige maatregelen om zeil te zetten.
Het spreekt van zelf dat slechts één hoop de passagiers kon bezielen, die namelijk, om de een of andere haven op de Amerikaansche kust te bereiken, zooal niet Valparaiso. Wat Dick Sand dacht te doen, was den koers en de vaart van den Pelgrim op te teekenen en er een gemiddelde uit op te maken. Daartoe was het voldoende elken dag, zooals wij reeds zeiden, door middel van de log en het kompas den afgelegden weg op de kaart af te zetten. Er bevond zich juist een van die "patentlogs", met wijzers en een schroef aan boord, die voor een bepaalden tijd de juiste snelheid aangeven. Dit nuttig instrument, zeer gemakkelijk in 't gebruik, kon de grootste diensten bewijzen, en daarbij waren de negers volkomen in staat het te behandelen.
Een enkele bron van dwaling zou er altijd blijven bestaan,--de stroomen. Om haar te bestrijden, waren de log en het kompas onvoldoende, alleen de astronomische waarnemingen zouden er een juiste rekening van hebben kunnen geven. Maar de leerling was nog niet in staat deze waarnemingen te doen.
Dick Sand had er een oogenblik over gedacht om met den Pelgrim naar Nieuw-Zeeland te stevenen. De overtocht zou niet zoo lang geweest zijn en voorzeker zou hij het gedaan hebben, indien de wind, die tot nog toe tegen geweest was, niet gunstig was geworden.
Het was dus beter den steven naar Amerika te wenden.
En werkelijk was de wind gedraaid en woei nu uit het noord-westen, met neiging om aan te wakkeren. Men moest er dus gebruik van maken en zooveel mogelijk spoed maken.
Dick Sand maakte zich dus gereed om den _Pelgrim_ zijn koers te doen vervolgen.
Op een schoenerbrik draagt de fokkemast vier vierkante zeilen; de fok, aan den ondermast; boven, het marszeil, aan de marssteng; verder aan de bramsteng, een bramzeil en een bovenbramzeil.
De groote mast is daarentegen minder van zeilen voorzien. Achter den ondermast heeft hij slechts een brikzeil en daarboven een gaftopzeil.
Tusschen deze twee masten, aan de stagen, die ze van voren steunen, kan men nog een driedubbele verdieping van driehoekige zeilen aanbrengen.
Eindelijk, op den voorsteven, aan den boegspriet en haar kluifhout worden de drie stagzeilen bevestigd.
De stagzeilen, het brikzeil, het topzeil, de tusschenstagzeilen zijn gemakkelijk te behandelen. Zij kunnen van dek af geheschen worden, zonder dat het noodig is in den mast te klimmen, omdat zij niet aan de raas bevestigd worden met beslagseizings, die men eerst moet losmaken.
Integendeel vordert het zetten der vierkante zeilen meerdere oefening. Het is toch noodig, als men ze wil bijzetten, hetzij in de mars van den fokkemast te klimmen, hetzij op de bramzaling, hetzij in het bramwant van genoemden mast,--en dat zoowel om ze los te maken of ze te bergen, als om hunne oppervlakte te verkleinen door ze te reven. Daarvoor is men dan verplicht op de paarden te loopen,--beweeglijke touwen onder de raas gespannen,--met ééne hand te werken en zich met de andere vast te houden, een gevaarlijke manoeuvre voor iedereen die het niet gewoon is. Het slingeren en stampen van het schip, het slaan der zeilen bij een flinke bries, doen gemakkelijk een man over boord slaan. Men kan zich voorstellen dat dergelijke gymnastische toeren voor Tom en zijn kameraden zeer gevaarlijk waren.
Zeer gelukkig was de wind gematigd en het slingeren en het stampen niet hevig.
Toen Dick Sand, op het signaal van kapitein Hull, zich naar het tooneel van de ramp begeven had, lag de _Pelgrim_ alleen onder zijn tusschenstagzeilen, brikzeil en marszeil. Om zoo spoedig mogelijk voltebrassen, had Dick niets anders te doen dan het voortuig om te halen, waarbij de negers hem gemakkelijk geholpen hadden. De zeilen moesten dus nu kant worden gezet en om alles bij te zetten, het bramzeil, het gaftopzeil en de stagzeilen worden geheschen.
"Vrienden," zei de leerling tot de vijf negers, "als ge doet wat ik commandeer, zal alles goed gaan."
Dick Sand was aan het stuurrad gebleven.
"Hola Tom," riep hij, "vier gauw dat touw af!"
"Afvieren....?" zei Tom, die niets van deze uitdrukking begreep.
"Ja.... maak het maar los!--En jij ook, Bat!.... Goed zoo!.... Haal aan.... Kom, trekken!"
"Zoo goed?" zei Bat.
"Ja, goed zoo. Best!.... Kom, flink aangepakt!"
Om tot Hercules te zeggen: "flink aangepakt!" was misschien onvoorzichtig. De reus deed een ruk om alles 't onderste boven te halen.
"Niet zoo hard, mijn jongen!" riep Dick Sand glimlachend. "Je zult 't geheele want naar beneden trekken!"
"'k Heb nauwelijks getrokken," antwoordde Hercules.
"Nu, doe maar alsof je trekt! Je zult zien dat dat genoeg is!.... Goed, laat schieten.... vier.... Leg vast.... goed zoo!.... Goed! Haal de brassen aan...."
En het geheele Vaartuig welks bakboordsbrassen los lagen, ging langzaam aan 't draaien. De wind, de zeilen nu doende zwellen, deelde aan het schip een zekere snelheid mede.
Dick Sand liet toen de voorschooten afvieren. Daarna riep hij de negers op het achterdek.
"Ziezoo, vrienden, dat heb jelui er eens goed afgebracht! Nu moeten we ons met het groottuig bezig houden. Maar breek niets, Hercules."
"Ik hoop het niet," antwoordde de kolos, zonder zich tot iets meer te willen verbinden.
Deze tweede manoeuvre was nog al gemakkelijk. Nadat de boomschoot zachtjes gevierd was geworden, nam het brikzeil den wind beter op en voegde het zijn machtige werking bij die van de voorzeilen.
Nu werd het topzeil geheschen, en daar het eenvoudig gegeid was, had men slechts het val door te halen. Maar Herkules trok zoo goed, geholpen door zijn vriend Actéon, zonder nog den kleinen Jack mede te rekenen, die zich bij hen gevoegd had, dat het touw glad afbrak.
Alle drie vielen omver,--gelukkig zonder zich te bezeeren. Jack was verrukt!
"Dat's niets, dat's niets!" riep de leerling. "Knoop voorloopig de twee einden aan elkaar en hijsch dan zachtjes aan."
Dit werd onder de oogen van Dick Sand verricht, zonder dat hij het roer nog had verlaten. De _Pelgrim_ liep reeds snel voor den wind, met den steven naar het oosten gewend en er was op 't oogenblik niets anders te doen dan hem in deze richting te houden. Niets gemakkelijker, daar de wind handelbaar was en men voor gieren of afvallen niet behoefde te vreezen.
"Goed, vrienden!" zei de leerling. "Vóór het einde van den overtocht, zult ge goede zeelieden zijn!"
"We zullen ons best doen, kapitein Sand," antwoordde Tom.
Ook Mevr. Weldon maakte haar compliment aan de goede menschen.
Zelfs de kleine Jack kreeg zijn deel in de lofspraak, want hij had aardig meegewerkt.
"'k Geloof, jongeheer Jack," zei Hercules glimlachend, "dat u eigenlijk het touw stuk hebt getrokken! Welke flinke sterke vuistjes hebt u! Zonder u waren we er niet gekomen!"
En de kleine Jack, zeer trotsch op zich zelven, schudde krachtig de hand van zijn vriend Hercules.
Evenwel ontbraken er aan de uitgespannen zeilen nog eenige die vooral bij het zeilen vóór den wind niet te versmaden zijn. Vooral de bovenzeilen, als het bramzeil, het bovenbramzeil, de stagzeilen moesten allen het hunne toebrengen om den gang van de schoener-brik te versnellen, en Dick Sand besloot daarom ze mede bij te zetten.
Deze manoeuvre moest moeielijker zijn dan de andere, niet wat de stagzeilen aangaat, die van het dek geheschen en aangehaald konden worden, maar wat betreft de vierkante zeilen. Men moest naar de bramzaling om ze los te maken, en Dick Sand, die niemand van zijn geïmproviseerde bemanning in gevaar wilde brengen, deed het liever zelf.
Hij riep dus Tom en plaatste hem aan het stuurrad, terwijl hij hem aantoonde hoe hij moest sturen. Toen vervolgens Hercules, Bat, Actéon, Austin allen geplaatst waren, deze aan den bovenbramval, gene aan den bramval, ging hij het want in. Het openteren langs de weeflijnen van het onderwant, en langs het puttingwant en het stengwant de bramzaling te bereiken, dat alles was slechts spel voor Dick. In één minuut, was hij op het paard van de bramra en maakte de beslagseizings los die het zeil bestigd hielden.
Daarna ging hij naar den hommer en vierde op de bovenbramra snel het bramzeil.
Nadat Dick Sand zijn werk verricht had, greep hij een der pardoens aan stuurboordszij en liet zich op het dek glijden.
Op zijn aanwijzingen werden nu de twee schooten flink aangehaald en bevestigd en daarna de twee raas opgeheschen. Nadat vervolgens de stagzeilen tusschen den grooten mast en den fokkemast bijgezet waren, was ook deze manoeuvre geëindigd.
Dezen keer had Hercules niets gebroken.
De _Pelgrim_ had nu al de zeilen bij, die zijn tuig uitmaakten. Wel had Dick Sand er nog de lijzeilen aan bakboordszijde kunnen bijvoegen, maar dit was een moeilijke manoeuvre in de omstandigheden waarin zij verkeerden, en indien men ze in geval van een windvlaag had moeten bergen, zou men het niet haastig genoeg hebben kunnen doen. De leerling bepaalde er zich dus bij.
Tom werd toen van zijn post aan het roer afgelost, dat Dick Sand weder ter hand nam.
De bries wakkerde aan. De _Pelgrim_, die aan stuurboordszij een weinig overhelde, gleed snel over de oppervlakte der zee en liet slechts een vlak kielwater achter, dat voor de zuiverheid van zijn waterlinie getuigde.
"Nu zijn wij op den goeden weg, mevrouw Weldon," zei Dick Sand, "en nu geve God dat we dien gunstigen wind behouden!"
Mevrouw Weldon drukte de hand van den leerling. Daarna ging zij, vermoeid van al de aandoeningen die zij in het laatste uur beleefd had, naar haar kajuit terug en verzonk in een soort van diepe sluimering die toch geen slaap was.
De nieuwe bemanning bleef op den bak van de schoenerbrik, gereed om de bevelen van Dick Sand uit te voeren, namelijk om de zeilen te wijzigen naar de veranderingen van den wind; maar, zoolang de bries dezelfde kracht en richting bleef behouden, zou er niets te doen zijn.
Maar, waar zat toch al dien tijd neef Benedictus?
Neef Benedictus hield zich met de loupe in de hand bezig met de studie van een geleed insect dat hij eindelijk aan boord ontdekt had, een eenvoudig insect tot de orthoptera behoorende (rechtvleugeligen), welks kop onder den prothorax verborgen is, een insect met platte bovenvleugels, een ronden buik en vrij lange vleugels, dat tot de familie der kakkerlakken en tot de soort der Amerikaansche kakkerlakken behoorde.
Hij had deze ontdekking gedaan, juist toen hij in de kombuis van Negoro aan 't snuffelen was, en op het oogenblik dat de kok op punt stond het insect onmeedoogend plat te trappen. Vandaar boos worden van neef Benedictus, waarbij Negoro trouwens zeer onverschillig bleef.
Maar.... wist neef Benedictus welke verandering aan boord had plaats gehad van het oogenblik af dat kapitein Hull en zijn metgezellen op die noodlottige vangst van den walvisch waren uitgegaan? Ongetwijfeld. Hij was zelfs aan het dek, toen de _Pelgrim_ in het gezicht kwam van de overblijfselen der walvischsloep. De equipage van de schoenerbrik was dus onder zijn oogen omgekomen.
Nu zouden wij hem van groote ongevoeligheid beschuldigen, als wij zeiden dat deze ramp hem niet had getroffen. Ongetwijfeld was ook zijn hart bewogen geworden door diep medelijden met zijn evenmensch. En evenzeer was hij ontroerd over den toestand waarin zijne nicht nu verkeerde. Hij had de hand van Mevr. Weldon gedrukt, als om haar te zeggen: "Vrees niets! Ik blijf bij u!"
Daarna was neef Benedictus naar zijn hut teruggekeerd, zeker wel om na te denken over de gevolgen van dit zoo droevig ongeluk en de krachtige maatregelen die genomen moesten worden.
Maar onderweg had hij den kakkerlak ontmoet, en daar hij tegen het oordeel van eenige entomologen in, beweerde dat de kakkerlakken van zekere soort, merkwaardig door hunne kleur, gewoonten hebben, zeer verschillende van de eigenlijke kakkerlakken, had hij zich dadelijk aan het werk gezet, vergetende dat er ooit een kapitein Hull geweest was, die het bevel over den _Pelgrim_ voerde en dat die ongelukkig met zijn bemanning was omgekomen!
Hij was geheel in de studie van den kakkerlak verdiept en bewonderde hem niets minder, ja gaf er zich even veel moeite mede alsof dit afschuwelijk insect een gouden tor geweest ware.
Het leven aan boord had dus zijn gewonen loop hernomen, alhoewel ieder natuurlijk nog geruimen tijd onder den indruk bleef eener zoo grievende en onverwachte ramp.
Gedurende dien geheelen dag was Dick Sand overal, om te zien of alles op zijn plaats was en te zorgen dat hij gewapend was tegen alles wat er gebeuren kon. De negers gehoorzaamden hem goed willig en de volmaaktste orde heerschte aan boord van den _Pelgrim_. Men mocht dus hopen dat alles nu zonder hinder zou gaan.
Van zijn kant deed Negoro geen nieuwe pogingen om zich aan het gezag van Dick Sand te ontrekken. Hij scheen het stilzwijgend erkend te hebben. Zooals altijd in zijn bekrompen kombuis bezig, zag men hem niet meer dan vroeger. Trouwens Dick Sand had zich stellig voorgenomen hem bij de minste overtreding, bij het eerste teeken van verzet voor de rest van den overtocht in de boeien te zetten. Op een teeken van hem zou Hercules den kok bij den nek gepakt hebben. Dat had zeker niet de minste moeite gekost. In dat geval ware Nan, die goed koken kon, in de plaats van den kok opgetreden. Negoro moest zich dus bekennen dat hij niet onmisbaar was, en, daar men van nabij op hem lette, scheen hij geen vat op zich te willen geven.
De wind, die tot den avond toe aanwakkerde, maakte geen verandering in de zeilen van den _Pelgrim_ noodig. Zijn stevige masten, zijn ijzeren tuig, dat in goeden staat verkeerde, hadden hem veroorloofd onder dezen gang zelfs een sterkere bries te verdragen.
Het is dikwijls 's nachts de gewoonte zeil te minderen en inzonderheid de bovenzeilen, bovenbramzeilen, boven stagzeilen, enz. Dat is voorzichtig, in het geval dat een rukwind onverwacht in de zeilen viel. Maar Dick Sand meende zich van deze voorzorg te kunnen onthouden. De toestand der atmosfeer deed niets noodlottigs voorzien en daarenboven had Dick Sand besloten dezen eersten nacht op het dek door te brengen en het oog over alles te houden. Bovendien had het schip een snelleren gang en zoo spoedig mogelijk wenschte hij zich in minder eenzame streken te bevinden.
Wij hebben reeds gezegd dat de log en het kompas de eenige instrumenten waren, die Dick Sand te zijner beschikking had, om althans tennaastenbij den door den _Pelgrim_ afgelegden weg te ramen.
Gedurende dezen dag liet de leerling om het half uur loggen en teekende de aanwijzingen op, die het instrument hem verschafte.
Wat den magneet aangaat, die ook den naam van kompas draagt, er bevonden zich twee aan boord. De een was geplaatst in het kompashuisje, onder de oogen van den man aan het roer. Zijn wijzer, op den dag door het daglicht verlicht en des nachts door twee ter zijde geplaatste lampen, wees ieder oogenblik aan welke richting het schip volgde.
Het andere kompas was een omgekeerde magneetnaald, bevestigd aan een dekbalk in de kajuit die vroeger door kapitein Hull bewoond werd. Op deze wijze kon hij, zonder het vertrek te verlaten, altijd weten of de goede koers gestuurd werd en of de man aan het roer, hetzij door onkunde of achteloosheid niet te veel gierde.
Trouwens is er geen schip, dat lange zeereizen moet maken, of het heeft minstens twee kompassen aan boord, zooals het twee chronometers heeft. Men moet deze instrumenten met elkander kunnen vergelijken en bijgevolg hun opgaven controleeren.