Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers
Chapter 5
"Wel, mijn jongen," antwoordde kapitein Hull, "geven ons de microscopisch fijne meelkorreltjes geen goede soepen? Ja, en de natuur heeft het zoo gewild. Wanneer een walvisch zich te midden van dat roode water beweegt, is zijn soep gereed en heeft hij niets meer te doen dan zijn onmetelijken bek te openen, waarin dadelijk millioenen schaaldiertjes worden opgenomen, terwijl de talrijke baarden, waarmede het verhemelte van het dier voorzien is, zich uitspreiden als de netten van een visscher; niets kan er dan meer uit en een geweldige massa schaaldiertjes verzinkt in de enorme maag van den walvisch, als de soep van uw diner in de uwe."
"Je begrijpt licht, Jack," merkte Dick Sand op, "dat mijnheer de walvisch zijn tijd niet verliest met een voor een die schaaldiertjes te pellen, zooals gij garnalen pelt!"
"'k Moet er nog bijvoegen," zei kapitein Hull, "dat juist op het oogenblik als de ontzaglijke gulzigaard op die manier bezig is, 't gemakkelijkste is hem te naderen zonder zijn wantrouwen te wekken. Dat is dus juist het geschiktste oogenblik om hem met eenig succes te harpoeneeren."
Op dit oogenblik, en als om kapitein Hull gelijk te geven, deed zich de stem van den matroos op den uitkijk hooren: "Een walvisch aan bakboordszij vooruit!"
Kapitein Hull had zich opgericht.
"Een walvisch!" riep hij uit.
En door zijn visschersinstinct aangevuurd, snelde hij naar den bak.
Mevr. Weldon, Jack, Dick Sand en zelfs neef Benedictus volgden hem terstond.
En werkelijk gaf op vier mijlen onder lij, een zekere borreling te kennen dat een groot dier zich te midden der roode golven bewoog. Vooral walvischvaarders konden er zich niet in vergissen.
Maar de afstand was nog te groot om de soort te kunnen onderscheiden, waartoe dit dier behoorde. Deze soorten zijn inderdaad zeer van elkander verschillend.
Was het een van die echte walvisschen die bij voorkeur door de visschers van de noordpool-zeeën opgezocht worden? Die walvisschen, bij wie de rugvin ontbreekt, maar wier huid eene dikke laag spek bedekt, kunnen een lengte van vier-en-tachtig voet bereiken, hoewel de gemiddelde lengte geen zestig bedraagt, en in dit geval verschaft een enkele van die monsters tot honderd vaten traan.
Was het integendeel een "humpback", die tot de soort der baleinoptera behoort,--een woord waarvan de eindlettergreep hem althans de gunst van den entomoloog had moeten doen verwerven? Zij zijn het die rugvinnen bezitten, wit van kleur en zoo lang als de halve lengte des lichaams, die als een paar vleugels uitzien en hem daardoor wel eenigszins op een vliegenden walvisch doen gelijken.
Had men niet waarschijnlijker een "vinvisch" in 't gezicht, een zoogdier ook bekend onder den naam van "snavelwalvisch", die voorzien is van een rugvin en welks lengte die van den echten walvisch kan evenaren?
Kapitein Hull en zijn bemanning konden nog geen uitspraak doen, maar zij beschouwden het dier nog met meer begeerte dan wel bewondering.
Zoo het waar is dat een horlogemaker geen pendule kan zien zonder de onweerstaanbare behoefte te gevoelen haar op te winden, hoeveel meer moet dan niet de walvischvaarder op het gezicht van een walvisch door een dringende begeerte bezield zijn er zich meester van te maken! De jagers op grof wild zijn, zegt men, vuriger dan die op klein wild. Hoe grooter het dier is, des te meer wekt het de begeerlijkheid op! Wat moeten dan niet de jagers op olifanten en de visschers op walvisschen gevoelen! En dan bestond ook nog de teleurstelling der geheele equipage van den _Pelgrim_ om met eene halve lading thuis te varen!...
Intusschen trachtte kapitein Hull het dier dat gesignaleerd was, te onderscheiden. Het was op dien afstand niet zichtbaar. Evenwel kon het geoefend oog van een walvischvaarder zich niet bedriegen in zekere bijzonderheden die gemakkelijk van verre te ontdekken waren.
Werkelijk moest de straal, namelijk de kolom van damp en water die de walvisch door zijne neusgaten in de hoogte spuit, de aandacht wekken van kapitein Hull en hem de soort doen bepalen waartoe deze walvisch behoorde.
"Dat is geen echte walvisch!" riep hij uit. "Zijn straal zou hooger zijn en een kleiner volumen hebben. Zoo van den anderen kant het geraas dat de straal maakt vergeleken kon worden met het verwijderd geluid van een stuk geschut, zou ik geneigd zijn te gelooven dat deze walvisch tot de soort der 'humpbacks' behoort; maar daar is niets van aan en wanneer men goed hoort, dan kan men zich overtuigen dat dit geluid van gansch anderen aard is."
"Hoe denkt gij daarover, Dick?" vroeg kapitein Hull den leerling.
"Mij dunkt, kapitein, dat we hier te doen hebben met een vinvisch. Zie eens, met welk een geweld hij dien waterstraal in de lucht spuit. Komt het u ook niet voor,--'t geen mijne meening zou bevestigen,--dat die straal meer water dan verdichte lucht bevat? En dat is immers een eigenaardige bijzonderheid van den vinvisch?"
"Je hebt gelijk, Dick," antwoordde kapitein Hull. "Er is geen twijfel meer mogelijk! 't Is een vinvisch die aan de oppervlakte van die roode golven drijft."
"Wat is dat een prachtig gezicht!" riep Jack uit.
"Ja, mijn jongen! En wanneer men dan bedenkt dat het groote dier daar aan zijn ontbijt is en volstrekt niet vermoedt dat walvischvaarders naar hem kijken!"
"'k Zou durven verzekeren, dat het een groote vinvisch is," merkte Dick Sand aan.
"Ongetwijfeld," antwoordde kapitein Hull, die zich allengs begon op te winden, "ik schat hem ten minste op zeventig voet lengte!"
"Ja, ja!" voegde de bootsman er bij. "Een half dozijntje walvisschen van die grootte en een schip als het onze zou genoeg hebben!"
"Je hebt gelijk!" antwoordde kapitein Hull, die op de boegspriet klom om beter te kunnen zien.
"En als we dezen hadden," voegde de bootsman er bij, "zouden we in weinige uren de helft der twee honderd vaten traan kunnen inschepen, die ons nog ontbreken."
"Ja! inderdaad.... ja!...." mompelde kapitein Hull.
"Dat is waar," hernam Dick Sand, "maar 't is geen gemakkelijke taak, somtijds, die geweldige vinvisschen aan te vallen!"
"Niet gemakkelijk, niet gemakkelijk!" antwoordde kapitein Hull. "Ze hebben geduchte staarten, die men niet te dicht moet naderen! De sterkste sloep zou aan een goed gerichten slag geen weerstand bieden. Maar het voordeel beloont de moeite!"
"Nu!" zei een der matrozen, "een prachtige vinvisch is toch ook een prachtige vangst!"
"En winstgevend!" antwoordde een ander.
"'t Zou jammer zijn dezen in 't voorbijgaan niet even te groeten!"
Het was duidelijk dat de brave zeelieden op het gezicht van den walvisch hoe langer hoe meer bezield werden met den wensch hem te vangen. Een gansche lading traan maar voor het grijpen? Er bleef volgens hen niets anders meer te doen dan de vaten in het ruim van den Pelgrim te stuwen om de lading er van aan te vullen!
Eenige matrozen die in het want van den fokkemast geklommen waren, deden kreten van begeerlijkheid hooren. Kapitein Hull sprak niet en stond op zijn nagels te bijten. Het was alsof een onweerstaanbare magneet den _Pelgrim_ en zijn geheele equipage aantrok.
"Mama, mama!" hoorde men kleine Jack roepen, "'k zou zoo graag den walvisch hebben om te zien hoe hij er uit ziet!"
"Zoo, zoo, zou je dien walvisch willen hebben, mijn jongen? Wel! waarom niet, vrienden!" antwoordde kapitein Hull, die eindelijk aan zijn geheime begeerte toegaf. "De hulpvisschers ontbreken ons wel, dat is waar, maar wij alleen...."
"Ja, ja!" riepen de matrozen als uit één mond. "'t Zou de eerste keer niet zijn dat ik als harpoenier fungeer," voegde kapitein Hull er bij, "en dan zult ge kunnen oordeelen of ik den harpoen nog kan werpen!"
"Hoera! hoera! hoera!" was het antwoord der bemanning.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
TOEBEREIDSELEN.
Men begrijpt licht dat het gezicht van dit reusachtig zoogdier zeer geschikt was om de bemanning van den _Pelgrim_ in zulk een opgewonden stemming te brengen.
De walvisch, die zich te midden der roode golven bewoog, scheen ontzettend groot te zijn. Het was voorzeker zeer verleidelijk hem te vangen en de lading op deze wijze vol te maken! Konden visschers een dergelijke gelegenheid laten ontsnappen?
Evenwel meende Mevr. Weldon aan kapitein Hull te moeten vragen of er geen gevaar voor de bemanning en voor hem in gelegen was een walvisch onder zulke ongunstige omstandigheden aan te vallen.
"In het minst niet, mevrouw Weldon," antwoordde kapitein Hull. "Meermalen is het mij gebeurd dat ik den walvisch met een enkele boot vervolgde en 'k heb hem altijd meester kunnen worden. 'k Zeg u nogmaals, er is in 't geheel geen gevaar voor ons en dus ook niet voor u."
Mevrouw Weldon was volkomen gerust gesteld en drong nu niet meer aan.
Kapitein Hull nam nu dadelijk maatregelen om den walvisch te vangen. Hij wist bij ondervinding dat de jacht op deze soort van walvisschen met vrij ernstige moeilijkheden gepaard gaat en hij wilde deze allen trachten te voorkomen.
Wat vooral deze vangst minder gemakkelijk maakte, was dat de equipage van de schoenerbrik slechts met een enkele boot kon werken, alhoewel de _Pelgrim_ een sloep bezat die in haar davits tusschen den grooten en den fokkemast hing, daarenboven drie walvischsloepen, waarvan twee langs bakboords- en stuurboordszijde waren opgehangen en de derde aan het hek.
Gewoonlijk werden deze drie walvischsloepen gelijktijdig bij de vervolging der walvisschen gebruikt. Maar gedurende het vischseizoen werd, zooals men weet, een hulpequipage, ontleend aan sommige factorijen op Nieuw-Zeeland, aan boord genomen.
Doch in de omstandigheden waarin de _Pelgrim_ voor het oogenblik verkeerde, waren er slechts vijf matrozen beschikbaar, juist genoeg om een enkele der walvischsloepen te wapenen. De hulp van Tom en zijn kameraden aan te nemen, die zich dadelijk hadden aangeboden, was onmogelijk, want het besturen van een whaleboot vordert bijzonder daartoe afgerichte zeelieden. Een verkeerde manoeuvre met het roer of een riem kan bij den aanval het behoud van de sloep in gevaar brengen.
Van den anderen kant wilde kapitein Hull zijn schip niet verlaten zonder er althans een man der bemanning achter te laten in wien hij vertrouwen stelde. Men moest op alle mogelijkheden bedacht zijn.
Nu was kapitein Hull verplicht om ter bemanning der sloep flinke zeelieden te kiezen en moest zich daarom voor de zorg om op den _Pelgrim_ de wacht te houden op Dick Sand verlaten.
"Dick," zei hij tot dezen, "u belast ik om in mijn afwezigheid, die naar ik hoop, niet lang zal zijn, aan boord te blijven!"
"Goed, mijnheer," antwoordde de leerling.
Dick had nu eigenlijk wel gaarne deel willen nemen aan die visscherij, die een groote aantrekkelijkheid voor hem had, maar hij begreep dat eensdeels de armen van een volwassen man beter geschikt waren voor de bediening der walvischsloep dan de zijne en dat anderdeels hij alleen kapitein Hull kon vervangen. Hij onderwierp zich dus.
De bemanning der sloep zou uit vijf man bestaan, bootsman Howik er onder begrepen, die de geheele bemanning van den _Pelgrim_ uitmaakten. De vier matrozen zouden de riemen hanteeren en Howik den langen riem houden, die dient om een boot dezer soort te besturen. Van een eenvoudig roer zou de werking niet snel genoeg zijn en bijaldien de riemen buiten dienst gesteld worden, kan de lange of stuurriem, zoo hij goed gehanteerd wordt, de sloep buiten het bereik der slagen van het monster brengen.
Wat kapitein Hull aangaat, deze had voor zich den post van harpoenier bewaard en zooals hij reeds zei, het zou niet de eerste maal zijn. Hij moest het eerst den harpoen werpen, daarna het afloopen van de lange lijn bewaken die aan zijn uiteinde was bevestigd en vervolgens het dier, zoodra het zich aan de oppervlakte van den oceaan vertoonde met lanssteken afmaken.
De walvischvangers maken somtijds gebruik van vuurwapenen voor deze soort van visscherij. Door middel van een daartoe ingericht werktuig, een soort van klein kanon, of aan boord van het vaartuig, of voor in de boot, werpen zij, hetzij een harpoen die de lijn aan zijn uiteinde bevestigd medevoert, of ontplofbare kogels die groote verwoestingen in het lichaam van het dier aanrichten.
Maar de _Pelgrim_ was niet van toestellen dezer soort voorzien. Het zijn trouwens vuurwapenen van hoogen prijs, die vrij moeielijk te behandelen zijn, en de visschers die niet veel met nieuwigheden op hebben, schijnen het gebruik der van ouds gebruikelijke wapenen te verkiezen, waarvan zij zich behendig bedienen, namelijk den harpoen en de lans.
Het is dus met de gewone middelen, den walvisch namelijk met de blanke wapenen aan te vallen, dat kapitein Hull zou beproeven den vinvisch, die op vijf mijlen van zijn vaartuig gesignaleerd was, machtig te worden.
Overigens zou het weder dezen tocht begunstigen. De zee was zeer kalm en gunstig voor de manoeuvres van een walvischvanger. De wind was aan het afnemen en de _Pelgrim_ zou slechts zeer weinig afdrijven, terwijl zijn equipage zich in volle zee bezighield.
De walvischsloep aan stuurboordszijde werd dus dadelijk gestreken en de vier matrozen bemanden het ranke vaartuigje.
Howik reikte hun twee van die lange werpspiesen over, die als harpoenen moeten dienen en daarna twee lange lansen met scherpe punten. Bij deze aanvalswapenen voegde hij vijf strengen, buigzame en sterke touwen, die de walvischvangers "lijnen" noemen en die een lengte hebben van zeshonderd voet. Korter mogen zij niet zijn, want het gebeurt meermalen dat al deze "lijnen" aan elkander gebonden, niet toereikend zijn om den walvisch bij zijn vaart naar de diepte genoeg te kunnen vieren.
Dat waren de verschillende toestellen die met zorg vóór in de sloep gereed gelegd werden.
Howik en de vier matrozen wachtten nog slechts op de order om den sleper los te gooien.
Een enkele plaats vóór in de sloep,--die van kapitein Hull,--was nog onbezet.
Het spreekt van zelf dat de equipage van de _Pelgrim_, alvorens van boord te gaan, het schip bijgedraaid had. Met andere woorden, de raas werden zoodanig gebrast, dat de zeilen, tegen elkander in werkende, de schoenerbrik nagenoeg op dezelfde plaats hielden.
Op het oogenblik dat kapitein Hull zich zou inschepen, wierp hij nog een laatsten blik op zijn vaartuig. Hij overtuigde zich dat alles in orde was, met behoorlijk gestelde zeilen. Daar hij den leerling gedurende een afwezigheid van misschien eenige uren aan boord liet, wilde hij met recht dat Dick Sand, tenzij uit noodzakelijkheid geen enkele manoeuvre had uit te voeren.
Op het punt van te vertrekken, gaf hij hem zijn laatste instructies.
"Dick," zei hij, "ik laat je alleen. Zorg voor alles. Zoo 't, wat zeer onwaarschijnlijk is, noodig werd het schip te manoeuvreeren ingeval we te ver bij de vervolging van den walvisch werden meegevoerd, zouden Tom en zijn kameraden je zeer goed kunnen helpen. Door ze goed aan hun verstand te brengen wat ze te doen hebben, ben ik er zeker van dat ze 't doen zouden."
"Ja, kapitein Hull," antwoordde de oude Tom, "en mijnheer Dick kan op ons rekenen."
"Beveel, beveel!" riep Bat. "We zouden zoo graag willen helpen!"
"Waaraan moeten we trekken?..." vroeg Hercules, terwijl hij de wijde mouwen van zijn wambuis opstroopte.
"Aan niets op 't oogenblik," antwoordde Dick Sand glimlachende.
"Tot uw dienst," hernam de kolossale kerel.
"Dick," hernam, kapitein Hull, "'t is mooi weer. De wind is gaan liggen. Geen enkel teeken zie ik dat hij weer aan zal wakkeren. Wat er gebeure, strijk geen boot en verlaat het schip niet!"
"Dat beloof ik u, kapitein."
"Als het noodig mocht worden dat de _Pelgrim_ naar ons toekwam, zou ik je waarschuwen door een vlag aan een bootshaak te hijschen."
"Wees gerust, kapitein, 'k zal de sloep niet uit het oog verliezen," antwoordde Dick Sand.
"Goed, mijn jongen. Moed en koelbloedigheid. Je bent nu tweede kapitein. Houd je graad in eer. Nooit heeft iemand van dien leeftijd hem bekleed!"
Dick Sand antwoordde niet, maar een blos van vergenoegen verspreidde zich over zijn gelaat. Kapitein Hull begreep dezen blos en dezen glimlach.
"Die brave jongen," dacht hij, "bescheiden en vergenoegd, zoo is de jongen!"
Evenwel bleek het uit deze dringende aanbevelingen duidelijk dat, al stak er werkelijk niets gewaagds in, kapitein Hull niet gaarne zijn schip verliet, zelfs niet voor eenige uren. Maar zijn onweerstaanbaar visschersinstinct en vooral de vurige begeerte zijn lading traan aan te vullen en aan de verplichtingen te voldoen die James W. Weldon te Valparaiso had aangegaan, dat alles vuurde hem aan het avontuur te wagen. Daarenboven was de zee op 't oogenblik zoo bijzonder geschikt om een walvisch te vervolgen. Noch zijn equipage, noch hij zelf konden zulk een verzoeking weerstaan. De tocht zou op die wijze nog goed kunnen worden en deze laatste beweegreden was het vooral die hem alle bedenkingen over het hoofd deed zien.
Kapitein Hull richtte zich naar de valreep.
"Veel geluk!" wenschte Mevr. Weldon hem.
"Heb dank, mevrouw Weldon!"
"Doe dien armen walvisch toch vooral niet te veel pijn!" riep kleine Jack.
"Neen, mijn jongen!" antwoordde kapitein Hull.
"Vang hem heel zachtjes, mijnheer."
"Ja.... met handschoenen, Jack!"
"Somtijds," merkte neef Benedictus aan, "vindt men vrij zeldzame insecten op den rug van die groote zoogdieren!"
"Goed, mijnheer Benedict," antwoordde kapitein Hull lachend, "u hebt het recht om je hart als entomoloog zooveel als je maar wilt op te halen als onze visch langs den _Pelgrim_ drijft!"
Daarna zich tot Tom wendende, zeide hij:
"Tom, 'k reken op u en je kameraden, om ons den walvisch te helpen aan stukken houwen, als hij aan den romp van het schip is vastgesjord,--wat niet lang zal duren."
"U zult ons volkomen bereid vinden, mijnheer," antwoordde de oude neger.
"Goed!" antwoordde kapitein Hull.--"Dick, die goede menschen zullen je helpen de ledige vaten gereed te maken. Terwijl we weg zijn zullen ze die op het dek brengen en dan zal het werk bij onze terugkomst met spoed gaan."
"'t Zal geschieden, kapitein."
Voor hen die het niet weten, zij hier gezegd dat de walvisch, eens dood, naar den _Pelgrim_ gesleept en stevig aan stuurboordszijde moest vastgesjord worden. Dan gaan er matrozen, wier laarzen met scherpe haken voorzien zijn op den rug van het ontzaglijk gevaarte zitten en hakken het in regelmatige, evenwijdig loopende strooken in de richting van den kop naar den staart. Deze strooken worden dan in stukken van anderhalven voet gesneden en verder in kleinere stukken verdeeld, die, na in de vaten weggestuwd te zijn in het ruim worden geborgen.
Meestentijds tracht de walvischvaarder, zoodra de visscherij is afgeloopen, zoo spoedig mogelijk den wal te halen, teneinde de laatste hand aan de bewerking van den visch te leggen. De equipage zoekt ergens aan het strand een geschikte plaats om tot het smelten van het spek over te gaan, dat onder de werking van het vuur het bruikbare gedeelte, namelijk de traan, levert. [16]
Maar in de omstandigheden waarin kapitein Hull op het oogenblik verkeerde, kon hij moeielijk teruggaan, om deze bewerking te voltooien en dacht hij het eerst te Valparaiso te doen. Bovendien hoopte hij met dezen wind, die, voordat er twintig dagen zouden verloopen zijn, weldra naar het westen zou loopen, de Amerikaansche kust te bereiken, en dit tijdsverloop kon de resultaten zijner vangst niet in gevaar brengen.
Het oogenblik van vertrek was nu gekomen. Voordat de _Pelgrim_ door het tegenbrassen der zeilen nagenoeg onbeweeglijk was geworden, had men hem iets dichter bij de plaats gebracht waar de walvisch door het uitwerpen van damp en water zijn tegenwoordigheid bleef te kennen geven.
De walvisch zwom altijd te midden van het uitgestrekte roode veld van schaaldiertjes en opende automatisch zijn ontzaglijken bek om bij elken slok millioenen diertjes op te slorpen.
Volgens de deskundigen aan boord, bestond er volstrekt geen vrees dat hij zou ontsnappen. Hij was ongetwijfeld wat de visschers een "vechtwalvisch," noemen.
Kapitein Hull stapte de verschansing over, liet zich langs de valreep zakken, en stapte voor in de boot.
Mevr. Weldon, Jack, neef Benedictus, Tom en zijn kameraden riepen den kapitein geluk en een laatst vaarwel toe.
Dingo zelfs, die op zijn achterpooten ging staan en zijn kop boven de reeling uitstak, scheen de equipage vaarwel te zeggen.
Daarna begaven allen zich naar het voorschip, om toch vooral niets van al de belangwekkende tooneelen eener dergelijke visscherij te verliezen.
De walvischsloep stak van boord en begon onder de krachtige riemslagen van haar vier riemen zich van den _Pelgrim_ te verwijderen.
"Pas goed op, Dick, pas goed op!" riep kapitein Hull een laatste maal den leerling toe. "Een oog voor het schip, een oog voor de sloep, mijn jongen! Vergeet het niet!"
"Wees gerust, kapitein," antwoordde Dick Sand, die bij het roer ging staan.
De lichte boot bevond zich reeds verscheiden honderden voeten van het schip af. Kapitein Hull, overeind op de voorplecht, kon zich nu niet meer doen hooren, maar hernieuwde zijn aanbevelingen met de nadrukkelijkste gebaren.
Op dat oogenblik liet Dingo, nog altijd met zijn pooten op de reeling, een jammerlijk geblaf hooren, dat op bijgeloovige menschen een ongunstigen indruk zou gemaakt hebben.
Dit geblaf deed zelfs Mevr. Weldon ontstellen.
"Dingo," zei ze, "Dingo! moedig je op die wijze je vrienden aan? Kom, een helder, vroolijk geblaf!"
Maar de hond blafte niet meer, liet zich op zijn pooten neervallen en kwam langzaam naar Mevr. Weldon toe, wier hand hij vriendelijk likte.
"Hij kwispelstaart niet!" mompelde Tom. "Een slecht teeken! Een slecht teeken!"
Maar bijna op hetzelfde oogenblik richtte Dingo zich op en barstte in een woedend gehuil uit.
Mevr. Weldon keerde zich om.
Negoro had zoo even het matrozenverblijf verlaten en richtte zich naar de voorplecht, met het blijkbare doel om evenals de anderen, de manoeuvres van de walvischsloep gade te slaan.
Dingo vloog op den kok toe, ten prooi aan de grootste, doch tevens aan de meest onverklaarbare woede.
Negoro pakte een handspaak en nam een verdedigende houding aan.
De hond was op het punt hem naar de keel te vliegen.
"Hier, Dingo, hier!" riep Dick Sand, die zijn post van observatie een oogenblik verliet en naar voren liep.
Ook Mevr. Weldon van haar kant trachtte den hond te doen bedaren.
Dingo gehoorzaamde, niet zonder tegenzin en kwam, een dof gebrom doende hooren, naar den leerling terug.
Negoro had geen enkel woord geuit, maar was een oogenblik bleek geworden. Vervolgens zijn handspaak latende vallen, ging hij naar zijn hut terug.
"Hercules," zei Dick Sand daarop, "ik draag je dringend op het oog op dien man te houden."
"'k Zal hem in 't oog houden," antwoordde Hercules eenvoudig, terwijl zijn twee kolossale vuisten zich ten teeken van toestemming sloten.
Mevr. Weldon en Dick Sand sloegen den blik na dit voorval wederom op de sloep, die door haar vier riemen snel werd voortbewogen.
Weldra was zij nog slechts een stip op de onmetelijke zee.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE WALVISCH.
Kapitein Hull, een man van ondervinding in de jacht op walvischen, liet niets aan het toeval over. De vangst van een vinvisch vooral, is een moeielijke taak en geen enkele voorzorg mag verzuimd worden. En geen enkele werd verzuimd in deze omstandigheid.
Al dadelijk bestuurde kapitein Hull de sloep op die wijze dat zij den walvisch aan lij zou naderen, opdat hij door niet het minste geluid kon verontrust worden.
Howik bestuurde dus de sloep volgens de vrij uitgestrekte kromme lijn die de roodachtige bank afteekende, te midden waarvan de walvisch zijn ontbijt gebruikte. Men moest dus om hem heen varen.
De bootsman die deze manoeuvre ten uitvoer bracht, was een zeeman van groote koelbloedigheid, in wien kapitein Hull het meeste vertrouwen stelde. Men had van hem geen aarzeling, noch verstrooiing te vreezen.
"Pas op je roer, Howik," zei kapitein Huil. "We zullen probeeren den walvisch te verrassen en hem met rust laten totdat we dichtbij genoeg zijn om hem te harpoeneeren."