Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers
Chapter 2
Dick Sand--zooals hij heette--was waarschijnlijk afkomstig uit den staat New-York en ongetwijfeld uit de hoofdstad van dien Staat.
De naam van Dick,--verkorting van Richard,--was ontleend aan dien van den liefdadigen voorbijganger die hem had opgenomen, twee of drie uur na zijn geboorte. Wat den naam van Sand aangaat, men had hem dien gegeven ter herinnering aan de plaats waar hij gevonden was, namelijk op de landengte van Sandy-Hook [11], die den ingang vormt van de haven van New-York, aan de monding der Hudson.
Dick Sand zou, geheel volwassen, de gemiddelde lengte niet overschrijden, maar hij was krachtig gebouwd. Ongetwijfeld was hij van Anglo-Saxische afkomst. Hij was bruin, maar had blauwe oogen die als vuur schitterden. Als zeeman had hij reeds vroeg den strijd des levens leeren kennen. Zijn schrander gelaat ademde geestkracht. Het was niet dat van een stoutmoedige, maar van iemand die "durft". Dikwijls haalt men deze drie woorden van een vers van Virgilius aan:
Audaces fortuna juvat,
maar men haalt ze onjuist aan. De dichter zegt:
Audentes fortuna juvat.
Hun, die durven, niet den stoutmoedigen, lacht bijna altijd het geluk toe. De stoutmoedige kan onbedacht handelen. Hij die durft denkt eerst en handelt daarna. Daarin is het verschil gelegen.
Nu was Dick Sand _audens_. Op vijftienjarigen leeftijd kon hij reeds een besluit nemen en tot het einde toe uitvoeren wat zijn onverschrokken geest beslist had. Zijn levendig en tegelijk ernstig voorkomen trok de aandacht. Hij was zeer spaarzaam in woorden en gebaren, het tegengestelde van jongens op zijn leeftijd. Al vroeg, in een tijdperk des levens dat men de groote vraagstukken van ons bestaan nog niet bespreekt, had hij zijn ellendigen toestand goed ingezien en zich vast voorgenomen zichzelven te vormen.
En hij had zich gevormd, daar hij reeds bijna een man was op den leeftijd dat anderen nog kinderen zijn.
Daarbij zeer vlug, zeer bekwaam in alle lichaamsoefeningen, was Dick Sand een van die bevoorrechte wezens, van wie in de wandeling gezegd wordt dat zij met vier handen geboren zijn.
Men weet dat de openbare liefdadigheid den kleinen wees had opgevoed. Hij was eerst in een van die kinderhuizen geweest, waar in Amerika altijd een plaats voor de kleine verlatenen wordt opengehouden. Daarna, toen hij vier jaar oud was, leerde Dick lezen, schrijven en rekenen op een van die scholen in den staat New-York, die door liefdadige inschrijvingen onderhouden worden.
Toen hij acht jaar oud was, deed zijn begeerte om op zee te gaan hem dienst nemen als kajuitsjongen op een mailboot der zeeën van het Zuiden. Daar leerde hij het vak van zeeman, en zooals men het moet leeren, van den vroegsten leeftijd af aan. Langzamerhand onderwees hij zich onder de leiding van officieren, die belang in het kleine ventje stelden. Ook moest de kajuitsjongen weldra leerling worden, in het vooruitzicht van beter ongetwijfeld. Het kind dat al vroeg begrijpt dat de arbeid de wet des levens is, hij die al bij tijds leert dat het brood slechts verdiend wordt in het zweet zijns aanschijns, zoo iemand is waarschijnlijk voorbeschikt tot groote dingen, want hij zal eenmaal met den wil, de kracht hebben ze te volbrengen.
Toen Dick Sand kajuitsjongen aan boord van een koopvaardijschip was, werd hij opgemerkt door kapitein Hull. Deze brave zeeman gevoelde zich dadelijk tot den knaap aangetrokken en bracht hem in kennis met zijn reeder James W. Weldon. Deze stelde het levendigste belang in den wees, wiens opvoeding hij te San-Francisco voltooide en dien hij in den Katholieken godsdienst, waartoe zijn familie behoorde, liet groot brengen.
Onder al de vakken zijner studie was het vooral de aardrijkskunde, waarvoor Dick Sand een sterke voorliefde gevoelde, totdat hij den ouderdom bereikte om dat gedeelte der mathesis te leeren dat betrekking heeft op de zeevaart. Bij dit theoretische gedeelte van zijn onderricht, verzuimde hij niet de praktijk te voegen. Voor het eerst kon hij als leerling de reis aan boord van den _Pelgrim_ mede maken. Een goed zeeman moet even goed de groote visscherij leeren als de groote vaart. Het is een goede voorbereiding voor alle mogelijke gebeurtenissen die het zeemansvak medebrengt. Bovendien ging Dick Sand mede op een schip van James W. Weldon, zijn weldoener, en gecommandeerd door zijn beschermer, kapitein Hull. Hij bevond zich dus in de gunstigste omstandigheden.
Het is overbodig te zeggen hoever zijn toegenegenheid voor de familie Weldon, waaraan hij alles verschuldigd was, gaan zou. Beter is het de feiten te laten spreken. Maar men begrijpt hoe gelukkig de jeugdige leerling was, toen hij vernam dat Mevr. Weldon aan boord van den _Pelgrim_ den overtocht mede zou maken. Mevr. Weldon was gedurende eenige jaren een moeder voor hem geweest en in Jack zag hij een broertje, terwijl hij zijn positie tegenover den zoon van den rijken reeder daarbij niet uit het oog verloor. Doch--zijn beschermers hadden het wel voorzien,--het goede zaad dat zij gezaaid hadden, was in goede aarde gevallen. Het hart van den wees was met dankbaarheid vervuld, en zoo hij eenmaal zijn leven moest geven voor hen die hem geleerd hadden zich te onderrichten en God lief te hebben, zou de jeugdige leerling niet geaarzeld hebben. In één woord, op vijftienjarigen leeftijd te denken en te handelen als iemand van dertig jaren, was een van de kenmerken van Dick Sand's karakter.
Mevr. Weldon wist dat karakter naar waarde te schatten. Zij kon hem zonder de minste ongerustheid den kleinen Jack toevertrouwen. Dick Sand van zijn kant had het kind hartelijk lief dat zich door dien "grooten broeder" bemind wist en hem opzocht. Gedurende de lange uren van rust die zoo menigvuldig op een zeereis voorkomen, als de zee kalm is en de eenmaal gestelde zeilen niet verwisseld behooren te worden, in zeemanstermen: als het tuig kant staat, waren Dick en Jack bijna altijd te zamen. De jeugdige leerling liet den kleinen jongen alles zien wat hem genoegen kon geven. Zonder eenige de minste vrees zag Mevr. Weldon Jack in gezelschap van Dick Sand het want openteren, naar de voormars, of de kruiszalings klauteren en als een pijl uit den boog langs het touwwerk naar beneden glijden. Dick Sand ging hem vooruit of volgde hem altijd, gereed hem te ondersteunen of hem vast te houden zoodra zijn armen van vijf jaar hem in deze lichaamsoefeningen in den steek lieten. Dat alles nu deed den kleinen Jack goed, die door de ziekte bleek en zwak geworden was; maar weldra kreeg hij zijn kleur aan boord van den _Pelgrim_ terug, dank zij de versterkende zeebries en die dagelijksche gymnastiek.
Zoo stonden dus de zaken. Onder deze omstandigheden had de overtocht plaats, en ware de wind gunstiger geweest, dan zouden noch de passagiers, noch de bemanning van den _Pelgrim_ zich ergens over te beklagen hebben.
Maar juist de hardnekkige oostenwinden boezemden kapitein Hull eenige ongerustheid in en beletten hem het schip op den goeden weg te brengen. Later, bij den Steenbokskeerkring, vreesde hij windstilte te ontmoeten, die hen nog meer zou tegenwerken, om niet te spreken van den aequatoriaalstroom die hen onweerstaanbaar naar het westen zou medevoeren. Hij maakte zich dus, vooral voor Mevr. Weldon ongerust over deze vertraging waarvoor hij evenwel niet verantwoordelijk was. Hij dacht er dan ook over, om zoo hij op zijn weg eenig transatlantisch vaartuig mocht ontmoeten op reis naar Amerika, zijn passagier aan te raden, zich aan boord er van te begeven. Ongelukkig werd hij door de hooge breedte opgehouden om te kruisen met een stoomboot die koers zette naar Panama en daarenboven was in dien tijd de vaart over de Stille Zuidzee tusschen Australië en de Nieuwe-Wereld niet zóó druk als ze later geworden is.
Men moest zich dus aan Gods genade overgeven en niets scheen dezen eentonigen overtocht te zullen verstoren, toen juist op dien datum van den 2n Februari op de bij het begin dezer geschiedenis aangegeven breedte en lengte iets bijzonders voorviel.
Ten negen ure 's morgens, bij zeer helder weer, hadden Dick Sand en Jack zich op de bramzaling neergezet. Van daar uit konden zij het geheele schip en een gedeelte van den oceaan overzien. Naar achteren vertoonde zich de horizon aan hun blikken, slechts afgebroken door den grooten mast met het brikzeil en gaftopzeil. Hierdoor was een gedeelte van de zee en de hemel voor hen onzichtbaar. Vooruit zagen zij den boegspriet zich boven de golven uitstrekken met zijn drie stagzeilen, die zoo strak mogelijk aangehaald, zich als drie groote ongelijke vleugelen spanden. Onder breidde zich de fok uit en boven het kleine voormarszeil en het kleine bramzeil, waarvan de staande lijken door het in- en uitloopen van de lichte bries kilden. [12] De schoenerbrik zeilde dus zoo dicht mogelijk bij den wind.
Dick Sand verklaarde dus Jack hoe de _Pelgrim_, goed geballast, goed in evenwicht gehouden in al zijn deelen, niet kon omslaan, ofschoon hij vrij sterk overhelde, toen de kleine jongen hem in de rede viel.
"Wat zag ik daar toch?" zeide hij.
"Zag je iets, Jack?" vroeg Dick Sand, die zich geheel overeind op de zaling oprichtte.
"Ja, daar!" antwoordde de kleine Jack, terwijl hij naar een punt van de zee wees, dat telkens vrij kwam tusschen de schooten van den kluiver en den jager.
Dick Sand keek oplettend naar het aangewezen punt en riep onmiddellijk met luide stem:
"Een wrak, te loevert op, aan stuurboordszij vooruit!"
DERDE HOOFDSTUK.
HET WRAK.
Bij den kreet van Dick Sand, was onmiddellijk de geheele bemanning op de been. De mannen die de wacht niet hadden, kwamen aan dek. Kapitein Hull verliet zijn kajuit en begaf zich naar voren.
Mevr. Weldon, Nan, zelfs de onverschillige neef Benedictus, kwamen aan stuurboordszij over de verschansing leunen om het door den jeugdigen leerling gesignaleerde wrak goed te kunnen zien.
Negoro alleen verliet de hut niet, die hem tot kombuis diende, en zooals altijd was hij van de geheele bemanning de eenige, die geen belang in de ontmoeting van een wrak scheen te stellen.
Aller oogen waren toen op het drijvende voorwerp gericht dat op drie mijlen van de _Pelgrim_ door de golven gewiegd werd.
"Wat zou het wel zijn?" zei een matroos.
"Een verlaten vlot misschien!" antwoordde een.
"Misschien zijn er op dat vlot wel ongelukkige schipbreukelingen?" zei Mevr. Weldon.
"We zullen 't gauw weten," antwoordde kapitein Hull. "Maar dat wrak is geen vlot. 't Is de romp van een schip dat overzij ligt."
"Maar zou 't niet eer een zeedier zijn, een groot zoogdier?" deed neef Benedictus opmerken.
"'k Geloof het niet," antwoordde de leerling.
"Wat zou jij er van denken, Dick?" vroeg Mevr. Weldon.
"Een omgekeerde romp, zooals de kapitein zei, Mevrouw." "'k Geloof zelfs dat 'k zijn gekoperde huid in de zon zie schitteren."
"Ja.... waarlijk...." antwoordde kapitein Hull.
Daarna tot den man aan het roer:
"Een tikje loeven, Bolton, om dichter bij het wrak te komen."
"En ik," hernam neef Benedictus, "ik houd vol wat ik gezegd heb. 't Is bepaald een dier!"
"Dan zou 't een koperen walvisch moeten zijn," antwoordde kapitein Hull, "want ook ik zie hem in de zon schitteren!"
"Hoe het zij, neef Benedict," voegde Mevr. Weldon er bij, "u zult moeten toestemmen dat die walvisch dan toch dood is, want het is zeker dat hij niet de minste beweging maakt."
"He! nicht Weldon," antwoordde neef Benedict, die gewoonlijk stijf op zijn stuk stond, "'t zou de eerste keer niet zijn dat men een walvisch ontmoette die op de oppervlakte der zee sliep!"
"Wel mogelijk," antwoordde kapitein Hull, "maar we hebben nu met geen walvisch, maar met een vaartuig te doen."
"We zullen zien," antwoordde neef Benedictus, die eerder al de zoogdieren der noord- en zuidpoolzeeën zou gegeven hebben voor een zeldzaam insect.
"Goed sturen, Bolton, goed sturen!" riep wederom kapitein Hull, "en loop niet tegen het wrak aan. Blijf er op een kabellengte van af. 'k Heb geen lust de zijden van den _Pelgrim_ er aan te wagen met tegen dien romp aan te varen.--Loef een beetje, Bolton, loef wat!"
De steven van den _Pelgrim_, die naar het wrak gewend was geweest, week door een lichte beweging van het roer een weinig af.
De schoenerbrik bevond zich nog een mijl van den omgeslagen romp af. De matrozen hadden er gretig het oog op gevestigd. Misschien bevatte hij een kostbare lading die mogelijk op den _Pelgrim_ kon overgeladen worden? Men weet, dat bij de berging van gestrande goederen, het derde van de waarde aan de bergers toekomt, en indien in dit geval de lading niet beschadigd was, zou de bemanning, zooals men zegt, "een goeden slag slaan!" Het zou een prachtige vergoeding zijn voor hun ongelukkige vangst!
Een kwartier later bevond zich het wrak nog een halve mijl van den _Pelgrim_ af.
Het was wel degelijk een vaartuig dat geheel over bakboord lag. Tot aan de verschansing toe omgeslagen, lag het zoover op zijde, dat het bijna onmogelijk was zich op het dek staande te houden. Men zag niets meer van de masten. Aan de rusten hingen nog slechts eenige eindjes gebroken trossen en gesprongen kettingen.
In den boeg aan stuurboordszij bevond zich een groot gat tusschen de spanten en de ingedrukte buitenhuid.
"Dit schip is aangezeild!" riep Dick Sand uit.
"Dat is niet twijfelachtig," antwoordde kapitein Hull, "en 't is een wonder dat het niet onmiddellijk gezonken is."
"Zoo er aanzeiling geweest is," merkte Mevr. Weldon op, "mag men hopen dat de bemanning van dit vaartuig opgenomen is door hen die het aangezeild hebben."
"'t Is te hopen, mevrouw Weldon," antwoordde kapitein Hull, "of de equipage moet zich, na de botsing met zijn eigen sloepen gered hebben, als het aanzeilende schip althans zijn koers vervolgd heeft--'tgeen helaas! somtijds gebeurt!"
"Hoe is 't mogelijk! Dat zou toch een staaltje van verregaande onnmenschelijkheid zijn, mijnheer Hull!"
"Ja, mevrouw Weldon.... ja! En toch zijn er vele voorbeelden van! Wat me zou doen gelooven dat de bemanning van dit schip het al vroeg verlaten zal hebben, is dat 'k geen enkele boot zie en zoo de menschen aan boord niet opgenomen zijn, zou ik eerder gelooven dat ze getracht hebben aan land te komen! Maar bij den afstand waarop we ons hier van het Amerikaansche vaste land of van de eilanden van Australië bevinden, vrees ik dat ze hierin niet zullen geslaagd zijn!"
"Misschien," zei Mevr. Weldon, "zal men nooit achter het geheim van dit ongeluk komen! Toch zou 't mogelijk zijn dat er nog iemand van de equipage is achtergebleven!"
"Dat is niet waarschijnlijk, mevrouw Weldon," antwoordde kapitein Hull. "Men zou ons reeds herkend hebben en ons eenig signaal maken. Maar we zullen er ons van verzekeren.--Loef een beetje, Bolton, loef!" riep kapitein Hull, terwijl hij met de hand den te volgen koers aanwees.
De _Pelgrim_ was nog slechts drie kabellengten van het wrak verwijderd en er was geen twijfel aan of de romp was door de geheele bemanning verlaten.
Doch op dit oogenblik maakte Dick Sand een gebaar dat onmiddellijk stilte gebood.
"Hoor! hoor!" zeide hij.
Iedereen luisterde.
"'t Is alsof ik geblaf hoor!" riep Dick Sand uit.
En werkelijk deed zich binnen in den romp een verwijderd geblaf hooren. Er was inderdaad daar een levende hond, opgesloten misschien, want het was mogelijk dat de luiken hermetisch gesloten waren. Maar men kon hem niet zien, daar het dek van het omgeslagen vaartuig nog niet zichbaar was.
"Al was er niets anders dan een hond, mijnheer Hull," zeide Mevr. Weldon, "zouden we hem immers redden!"
"Ja.... ja!...." riep de kleine Jack, "we zullen hem redden!.... 'k zal hem te eten geven!.... Hij zal veel van ons houden.... Mama, 'k zal een stukje suiker voor hem gaan halen!....."
"Blijf hier, mijn kind," antwoordde Mevr. Weldon glimlachende. "Me dunkt, 't arme dier moet haast van honger sterven en 't zal liever een goed stuk vleesch hebben dan je stukje suiker!"
"Welnu, laten ze hem mijn soep geven!" riep de kleine Jack uit. "Ik kan er best buiten!"
Op dit oogenblik deed zich het geblaf duidelijk hooren. Drie honderd voeten slechts waren de twee schepen van elkander verwijderd. Bijna onmiddellijk vertoonde zich een groote hond op de verschansing aan stuurboordszij en klampte er zich aan vast, terwijl hij wanhopend bleef blaffen.
"Howik," zei kapitein Hull en wendde zich tot den bootsman van den _Pelgrim_, "laat bijdraaien en de kleine boot strijken."
"Houd je goed, hond, houd je goed!" riep de kleine Jack het dier toe dat hem nu door een half gesmoord geblaf scheen te antwoorden.
De zeilen van den _Pelgrim_ werden dadelijk zoo gesteld dat het schip genoegzaam onbeweeglijk bleef, op minder dan een halve kabellengte van het wrak.
De boot werd gestreken en dadelijk lieten kapitein Hull, Dick Sand en twee matrozen er zich in zakken.
De hond bleef blaffen. Hij trachtte zich aan de verschansing vast te houden, maar viel telkens op het dek terug. Men zou gezegd hebben dat zijn geblaf zich niet meer tot hen richtte die hem naderden. Gold het de matrozen of passagiers die in het schip opgesloten waren?
"Zou er zich dan aan boord een schipbreukeling bevinden, die het overleefd heeft?" zei Mevr. Weldon bij zich zelve.
De boot van den _Pelgrim_ bereikte met eenige riemslagen de omgeslagen kiel.
Maar eensklaps kwam er een verandering in de houding van den hond. Op het eerste geblaf dat de redders uitnoodigde tot hem te komen, volgde nu een woedend gebrul. Het zonderlinge dier werd nu door den hevigsten toorn bewogen.
"Wat scheelt dien hond toch?" zei kapitein Hull, terwijl de boot achterom ging, teneinde dat gedeelte van het dek aan te doen dat onder water lag.
Noch kapitein Hull, noch zij die zich aan boord van den _Pelgrim_ bevonden, konden opmerken dat de woede van den hond zich op dat oogenblik het hevigst uitte, toen Negoro zijn kombuis verliet en zich naar den bak begaf.
Kende en herkende dan de hond den kok? Het was zeer onwaarschijnlijk.
Hoe het zij, na den hond aangekeken te hebben, zonder eenige verwondering te doen blijken, ging Negoro, die de wenkbrauwen toch een oogenblik fronste, naar het verblijf der equipage.
Intusschen was de boot het achterschip omgevaren alwaar de naam _Waldeck_ op den spiegel te lezen stond.
_Waldeck_, maar geen naam van de haven waar het schip te huis behoorde. Doch aan de vormen van den romp, aan zekere bijzonderheden die een zeeman dadelijk in 't oog vallen, had kapitein Hull herkend dat het vaartuig van Amerikaanschen bouw was. De naam bevestigde dat trouwens. En nu was er van die groote brik van vijfhonderd ton niets meer overgeschoten dan de romp.
Een groot gat in den boeg van de _Waldeck_ wees de plaats aan waar de schok had plaats gehad. Tengevolge van het op zij vallen van den romp, bevond die opening zich toen op vijf of zes voet boven het water,--'t geen verklaarde waarom de brik nog niet gezonken was.
Op het dek dat kapitein Hull in al zijn uitgestrektheid overzag, was niemand.
De hond, die nu de verschansing verlaten had, liet zich nu naar het grootluik glijden dat open was en blafte nu eens naar binnen, dan weder naar buiten.
"Dat dier is stellig niet alleen aan boord!" merkte Dick Sand aan.
"Dat geloof ik ook niet!" antwoordde kapitein Hull.
De boot voer nu langs de verschansing aan bakboordszij, die half onder water lag. Ware de deining maar iets sterker geweest, dan zou de _Waldeck_ binnen eenige oogenblikken gezonken zijn.
Het dek der brik was van het eene eind naar 't andere schoongeveegd. Er bleef niets anders over dan de stompen van den grooten mast en den fokkemast, die beiden op twee voet boven de vissing waren afgebroken en zeker bij den schok gevallen waren, hoofdtouwen, stagen en loopend want medeslepende. Evenwel waren, zoover het oog reikte, geen overblijfselen in den omtrek van de _Waldeck_ te bespeuren,--'t geen wel scheen aan te duiden dat het ongeluk reeds voor eenige dagen had plaats gehad.
"Als soms eenige schipbreukelingen de botsing overleefd hebben," zei kapitein Hull, "zullen ze wel van dorst en honger bezweken zijn, want het water heeft de kombuis moeten bereiken. Er kunnen niets anders dan lijken meer aan boord zijn!"
"Neen!" riep Dick Sand uit, "neen, dan zou de hond zoo niet blaffen! Er zijn levende wezens!"
Op dit oogenblik liet het dier op den roep van den leerling zich in zee glijden en zwom met moeite naar de boot, want hij scheen uitgeput.
Men nam hem op en hij wierp zich gretig, niet op een stuk brood dat Dick Sand hem dadelijk voorhield, maar op een tobbe die een weinig zoet water bevatte.
"'t Arme dier sterft van dorst!" riep Dick Sand uit.
De boot zocht toen een gunstige plaats op om de _Waldeck_ gemakkelijker langzij te kunnen komen en verwijderde zich met dit doel eenige vademen. De hond moest blijkbaar denken dat zijn redders niet aan boord wilden gaan; want hij pakte Dick Sand bij zijn baaitje terwijl zijn klagend geblaf met nieuwe kracht weer begon.
Men begreep hem. Zijn gebaren, zijn taal waren even duidelijk als de taal van een mensch. De boot naderde dadelijk den kraanbalk aan bakboord. Daar legden de twee matrozen haar stevig vast, terwijl kapitein Hull en Dick Sand den voet op dek enterden tegelijk met den hond en zich niet zonder moeite naar het luik tusschen de twee maststompen in de hoogte werkten.
Beiden lieten zich door dit luik in het ruim zakken.
Het ruim van de _Waldeck_, half vol water, bevatte geen lading. De brik had slechts ballast in,--een ballast van zand dat over bakboord geslagen was en het schip op zijde hield. Aan dezen kant viel er dus niets te redden.
"Niemand hier!" zei kapitein Hull.
"Niemand," antwoordde de leerling, na zich naar het voorste gedeelte van het ruim begeven te hebben.
Maar de hond, die op het dek was, bleef altijd blaffen en scheen nog dringender de aandacht van den kapitein op zich te willen vestigen.
"Laat ons weer naar boven gaan," zei kapitein Hull tot den leerling.
Beiden verschenen weder aan dek.
De hond liep op hen toe en trachtte hen naar de dekhut mee te voeren.
Zij volgden hem.
Daar lagen vijf lichamen,--vijf lijken zeker,--op den vloer uitgestrekt.
Bij het daglicht dat door den koekoek naar binnen stroomde, herkende kapitein de lijken van vijf negers.
Dick Sand, die van het eene lijk naar het andere liep, meende op te merken dat de ongelukkigen nog ademhaalden.
"Naar boord, naar boord!" riep kapitein Hull.
De twee matrozen, die de boot bewaakten, werden nu geroepen en hielpen hen de schipbreukelingen uit de dekhut te brengen.
Dit geschiedde niet zonder moeite; maar na een paar minuten waren toch de vijf zwarten in de boot overgebracht, zonder dat een hunner slechts het geringste teeken van bewustzijn gaf. Eenige druppels van een hartsterkend middel, daarna een weinig koud water, voorzichtig toegediend, kon hen misschien in het leven terugroepen.
De _Pelgrim_ bleef tot op een halve kabellengte van het wrak af, zoodat de boot het schip weldra bereikt had.
Dadelijk werd er een gording van de groote ra afgehaakt waaraan de negers een voor een opgeheschen en op het dek van den _Pelgrim_ neergevlijd werden.
De hond had hen vergezeld.
"Die ongelukkigen!" riep Mevr. Weldon uit, bij het zien van die arme menschen.
"Ze leven, mevrouw Weldon! We zullen hen redden! Ja, we zullen ze redden!" riep Dick Sand uit.
"Wat is er toch met hen gebeurd?" vroeg neef Benedictus.
"Wacht totdat ze kunnen spreken," antwoordde kapitein Hull, "en ze zullen ons hun geschiedenis vertellen. Maar laten we hun dadelijk wat water geven, waarbij we een druppel of wat rum zullen voegen."
"Negoro!" riep hij toen.
Bij het hooren van dien naam richtte de hond zich op, met opgeheven kop en geopenden muil.
Intusschen kwam de kok niet te voorschijn.
"Negoro!" riep kapitein Hull nogmaals.
Wederom gaf de hond teekenen eener buitengewone woede.
Negoro verliet de kombuis.
Nauwelijks had hij zich op het dek vertoond of de hond vloog op hem aan en wilde hem naar de keel springen.
De kok echter had zich met een pook gewapend en sloeg daarmede het dier terug dat door eenige matrozen in bedwang werd gehouden.