Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers

Chapter 17

Chapter 172,277 wordsPublic domain

"Nu wachtte ik wel altijd op een gelegenheid, die zich maar niet voordeed, toen de _Pelgrim_, een walvischvaarder, in de haven van Auckland binnenviel."

"Is dat het vaartuig dat op de kust van Angola gestrand is?"

"Hetzelfde, Harris, en dat waarop Mevr. Weldon, haar kind en haar neef den overtocht zouden meemaken. Nu zag ik er in mijn hoedanigheid van zeeman, ik was zelfs tweede stuurman aan boord van een slavenhaler geweest, volstrekt niet tegen op om weer dienst op een vaartuig te nemen.... 'k Bood dus den kapitein van de _Pelgrim_ mijn diensten aan, maar de equipage was voltallig. Zeer gelukkig voor mij, was de kok van de schoenerbrik gedeserteerd. Nu is er geen zeeman of hij kan koken. Ik bood me dus aan als kok. Bij gebrek aan beter nam men me aan, en eenige dagen later had de _Pelgrim_ de kust van Nieuw-Zeeland uit het gezicht verloren."

"Maar," vroeg Harris, "naar mijn jonge vriend me verteld heeft, was volstrekt niet de kust van Afrika de bestemming van de _Pelgrim_. Hoe ben je daar dan toch aangeland?"

"Dick Sand zal het zich zeker nog niet kunnen begrijpen en misschien zal hij 't wel nooit begrijpen," antwoordde Negoro; "maar 'k zal je vertellen wat er gebeurd is, Harris, en als je wilt kan je 't hem wel overbrengen."

"Hoe dan?" antwoordde Harris. "Zeg op, kameraad, zeg op."

"De _Pelgrim_," hernam Negoro, "zette koers naar Valparaiso. Toen 'k me inscheepte, dacht ik niet verder dan tot Chili te gaan. Dat was altijd een goede helft van den weg tusschen Nieuw-Zeeland en Angola en 'k was dan verscheiden duizenden mijlen dichter bij de kust van Afrika. Maar 't toeval wilde dat drie weken, na Auckland verlaten te hebben, kapitein Hull, die den _Pelgrim_ commandeerde, bij de jacht op een walvisch met zijn equipage omkwam. Van dien dag af bleven er maar twee zeelieden aan boord over, de leerling en de kok Negoro."

"En jij hebt het commando van 't schip op je genomen?" vroeg Harris.

"Dat was ik eerst van plan, maar 'k merkte dat men mij wantrouwde. Er waren vijf sterke negers aan boord, vrije mannen! 'k Zou geen meester geweest zijn en bij nadere overweging bleef ik wat ik bij 't vertrek was, de kok van den _Pelgrim_."

"Dus was 't toeval dat dit schip koers deed zetten naar de kust van Afrika?"

"Neen, Harris," antwoordde Negoro, "er was in dit geheele avontuur geen ander toeval dan onze ontmoeting bij een van je uitstapjes als slavenhandelaar en dat nog wel juist op dit gedeelte van de kust waar de _Pelgrim_ gestrand is. Maar wat nu het in 't gezicht komen van Angola betreft, dat is geheel en al met mijn wil, mijn geheimen wil geschied. Je jonge vriend, die nog zeer onbedreven in de zeevaartkunde is, kon zijn positie niet verkennen dan door middel van de log en het kompas. Welnu, op zekeren dag is de log verloren gegaan terwijl er 's nachts iets met het kompas is gebeurd, zoodat de _Pelgrim_, door een hevigen storm beloopen, een verkeerden koers genomen heeft. De lange duur van den overtocht was dus onverklaarbaar voor Dick Sand en zou dit voor den bekwaamsten zeeman geweest zijn. Zonder dat de leerling het kon weten, noch zelfs vermoeden, werd Kaap Hoorn omgevaren, maar ik Harris, ik herkende hem in dichte nevels gehuld. Toen heeft de kompasnaald door mijn toedoen haar ware richting hernomen en is het schip door dien geduchten orkaan naar het noord-oosten voortgejaagd en op de kust van Afrika geworpen, juist op het strand van Angola waar ik wilde aankomen!"

"En op dat zelfde oogenblik, Negoro," antwoordde Harris, "heeft het toeval mij naar die plaats gevoerd om je te ontvangen en die brave menschen naar 't binnenland te geleiden. Zij meenden en konden niets anders meenen dan in Amerika te zijn, en 't is me niet moeielijk geweest hen deze provincie voor Beneden-Bolivia te doen houden, waarmede ze juist eenige overeenkomst heeft."

"Ja, ze hebben 't geloofd, zooals je jonge vriend het Paasch-eiland meende te verkennen, toen ze in 't gezicht van Tristan d'Acunha voorbijstormden in vliegend weer."

"Iedereen zou er zich in vergist hebben, Negoro."

"Dat weet ik, Harris, en 'k rekende wel degelijk partij van die vergissing te trekken. Welnu, mijn doel is bereikt, mevrouw Weldon en haar reisgenooten bevinden zich op 't oogenblik in 't binnenland van Afrika, waarheen ik ze wilde voeren!"

"Maar nu," antwoordde Harris, "weten ze toch waar zij zijn!"

"Wat is daar nu aan gelegen!" riep Negoro.

"En welk plan heb je nu met die menschen?" vroeg Harris.

"Welk plan!" antwoordde Negoro.....

"Maar, voordat ik je dat zeg, Harris, vertel me eens wat van onzen meester Alvez, den slavenhandelaar, dien ik in geen twee jaar gezien heb!"

"O! die oude schurk is heel wel!" antwoordde Harris, "en 't zal hem zeker genoegen doen, je weer te zien."

"Is hij op de markt van Bihé?" vroeg Negoro."

"Neen, kameraad, sedert een jaar woont hij in zijn nederzetting van Kazondé."

"En hoe gaat het met de zaken?".

"Goed, voor den duivel!" riep Harris uit, "ofschoon 't hoe langer hoe moeilijker wordt voor den handel, althans op deze kust. Zoowel de Portugeesche overheden, als de Engelsche kruisers, maken den uitvoer lastig. Alleen in de omstreken van Mossamedés, ten zuiden van Angola, kan de inscheping der negers nog met eenige kans op succes geschieden. Ook zijn op dit oogenblik de loodsen opgepropt met slaven, die op schepen wachten om ze naar de Spaansche koloniën over te brengen. Ze over Benguela of St.-Paul de Loanda te vervoeren, is niet mogelijk. De gouverneurs verstaan geen reden meer, en de chefes [26] evenmin. Men zal zich dus moeten wenden tot de factorijen in de binnenlanden en dat denkt de oude Alvez te doen. Hij zal zich naar den kant van Nyangwé en het Tanganyika-meer begeven, om daar zijn stoffen tegen ivoor en slaven in te ruilen. Met Boven-Egypte en de kust van Mozambique, die geheel Madagascar voorzien, gaan de zaken altijd goed. Maar weldra, vrees ik, zal de tijd komen, dat de slavenhandel een einde zal nemen. De Engelschen maken groote vorderingen in de binnenlanden van Afrika. De zendelingen gaan steeds vooruit en werken onze plannen tegen! Die vervloekte Livingstone zal, zegt men, na de streek der meren doorzocht te hebben, naar Angola gaan. Dan spreekt men van een luitenant Cameron, die plan heeft het vasteland van het oosten naar het westen over te steken. Men vreest dat de Amerikaan Stanley dit ook zal doen! Al die bezoeken zullen onze werkzaamheden zeer benadeelen, Negoro, en als we onze belangen goed begrijpen, dan moet geen van die pioniers naar Europa terugkeeren om te vertellen wat hij in Afrika al zoo gezien heeft!"

Zou men niet gezegd hebben, als men deze schoeljes aldus hoorde redeneeren, dat zij spraken als eerlijke kooplieden wier zaken voor het oogenblik door een handelscrisis bedreigd werden? Wie zou denken dat er in plaats van balen koffie of vaten suiker sprake was van menschelijke wezens, die als koopwaren moesten verzonden worden? Die slavenhandelaars hebben geen begrip meer van recht of onrecht. Het zedelijk gevoel ontbreekt hun geheel, en al hadden zij het, dan zouden zij het te midden der ijselijkheden van den Afrikaanschen slavenhandel spoedig verliezen.

Doch, daarin had Harris gelijk, toen hij zeide dat met die stoutmoedige reizigers, wier naam onafscheidelijk verbonden is aan de ontdekkingen in Midden-Afrika, de beschaving allengs in die woeste streken doordrong. Aan het hoofd staat David Livingstone, na hem komen Grant, Speke, Burton, Cameron, Stanley, allen helden, die als weldoeners der menschheid een onvergankelijken roem zullen achterlaten.

Toen het gesprek zoover gevorderd was, wist Harris hoe de twee laatste levensjaren van Negoro waren doorgebracht. De oude zaakgelastigde van den slavenhandelaar Alvez, de losgebroken gevangene van Loanda, stond weder voor hem zooals hij hem altijd gekend had, als iemand namelijk, tot alles in staat. Maar welke plannen Negoro had met de schipbreukelingen van de _Pelgrim_, wist Harris nog niet; hij vroeg het daarom zijn medeplichtige.

"En wat zal je nu met die menschen uitvoeren?" vroeg hij.

"De eene partij," antwoordde Negoro, als iemand wiens besluit reeds sedert lang genomen is, "verkoop ik als slaven en de andere...."

De Portugees eindigde niet, maar op zijn woest gelaat stond genoeg te lezen.

"Welke zal je verkoopen?" vroeg Harris.

"De negers, die mevrouw Weldon vergezellen," antwoordde Negoro. "Die oude Tom is misschien niet veel waard, maar de andere zijn vier kloeke snaken, die veel geld zullen opbrengen op de markt van Kazondé!"

"Dat zal waar zijn, Negoro!" antwoordde Harris. "Vier flinke negers, gewoon aan den arbeid en zoo geheel anders dan het domme vee dat we uit het binnenland krijgen! Je zult ze duur verkoopen, daar kan je zeker van zijn! Slaven, die in Amerika zijn geboren en op de markten van Angola te koop worden aangeboden, zijn zeldzaam!--Maar, jongen ja, je hebt me nog niet verteld of er ook nog wat geld was aan boord van den _Pelgrim_?"

"O! maar een honderd dollars of wat, die ik nog gered heb! Gelukkig reken ik op eenige gelden die me nog toekomen......"

"Welke gelden, kameraad?" vroeg Harris nieuwsgierig.

"Niets!" .... antwoordde Negoro die tot zijn spijt meer gezegd had dan hij had willen loslaten.

"Er blijft nu nog alleen maar over je van die kostbare koopwaar meester te maken," zeide Haris.

"Zou dat dan zoo moeilijk zijn?" vroeg Negoro.

"Neen kameraad. Tien mijlen van hier, aan de Coanza, is op 't oogenblik een karavaan gekampeerd, aangevoerd door den Arabier Ibn Hamis, die alleen op mijn terugkomst wacht om naar Kazondé op weg te gaan. Er zijn bij die karavaan meer inlandsche soldaten dan noodig is om Dick Sand en zijn reisgenooten gevangen te nemen. Als nu mijn jonge vriend maar op de gedachte komt naar de Coanza te gaan....."

"Maar zàl hij op die gedachte komen?"

"Zeker wel," antwoordde Harris, "omdat hij het gevaar niet kan vermoeden dat hij daar loopt en te verstandig is om er aan te denken naar de kust terug te keeren langs denzelfden weg, dien we samen hebben afgelegd. Hij zou te midden van die onmetelijke wouden verdwalen. Hij zal dus stellig trachten een van de rivieren te bereiken, die naar de kust stroomen, om die dan op een vlot af te zakken. Hij kan geen ander besluit nemen en, ik ken hem, hij zal het nemen."

"Ja.... misschien!...." antwoordde Negoro, die de zaak overdacht.

"Je moet niet 'misschien' zeggen," hernam Harris, "maar 'zeker'. Ik voor mij ben er zoo zeker van, alsof 'k mijn jongen vriend rendez-vous gegeven had aan de oevers van de Coanza!"

"Welnu," antwoordde Negoro, "op marsch! Ik ken Dick Sand. Hij zal zich geen uur ophouden en we moeten hem vooruit zien te komen."

"Op marsch, kameraad!"

Harris en Negoro stonden beiden op, toen het geluid, dat reeds eens de aandacht van den Portugees getrokken had, zich weder deed hooren. Het was een geruisch tusschen de stengels van de hooge biezen aan den oever.

Negoro bleef staan en greep de hand van Harris.

Plotseling deed zich een dof gebrom hooren en vertoonde zich een hond aan den voet van den snellen oever, met geopenden bek, gereed om een sprong te nemen.

"Dingo!" riep Harris.

"Dezen keer zal hij me niet ontsnappen!" antwoordde Negoro.

Dingo was op het punt zich op hem te werpen toen Negoro, Harris het geweer uit de handen rukkend, driftig aanlei en vuur gaf.

Een langgerekt, klaaglijk gehuil volgde onmiddellijk op de losbranding en Dingo verdween tusschen de dubbele rij struiken die de beek omzoomden.

Negoro daalde dadelijk langs den steilen oever naar beneden.

De biezen waren met bloeddruppels overdekt, en een lange roode streep was op de keisteenen van de beek zichtbaar.

"Eindelijk heb ik met dat vervloekte beest eens afgerekend!" riep Negoro.

Harris had, zonder een woord te spreken, dit gansche tooneel gadegeslagen.

"'t Schijnt, Negoro, dat die hond een bijzonderen hekel aan je had."

"Dat schijnt zoo, maar dat zal nu wel uit zijn!"

"En waarom had hij zoo'n pik op je, kameraad?"

"Och! een oude zaak die we samen te vereffenen hadden!"

"Een oude zaak?" drong Harris aan.

Negoro liet zich niet verder uit, en Harris besloot er uit dat de Portugees een of ander avontuur uit zijn verleden voor hem verzweeg, maar hij drong niet verder aan.

Eenige oogenblikken later richtten zij zich, den loop der beek volgend, door het bosch, naar de Coanza.

AANTEEKENINGEN

[1] Typen: sprinkhanen, krekels, enz.

[2] Typen: mierenleeuwen.

[3] Typen: bijen, wespen, mieren.

[4] Typen: vlinders, enz.

[5] Typen: bladluizen, vlooien.

[6] Typen: meikevers, glimwormen, enz.

[7] Typen: muggen, muskieten, enz.

[8] Typen: stylops.

[9] Typen: myten, enz.

[10] Typen: suikergasten, enz.

[11] "Sand" beteekent "Zand" in 't Engelsch.

[12] Zeeterm voor "heen en weerslingeren".

[13] Verkorting van Bartholomeus.

[14] Militaire school van den Staat New-York.

[15] Men weet dat er nog eene andere verdeeling der gelede dieren is, namelijk die in _vier_ klassen: de kreeftachtige, spinachtige, duizendpooten en insecten.--Vert.

[16] Bij deze bewerking verliest het spek van den walvisch ongeveer een tiende van het gewicht.

[17] Een kabellengte, een eigenaardige maat bij de marine, bedraagt een lengte van honderd twintig vademen, dat is twee honderd meters.

[18] Uittreksel uit den "_Dictionnaire illustré_" van Vorepièrre.

[19] 57 kilometers.

[20] De Engelsche en Fransche barometers zijn in duimen en strepen gegradueerd. Acht- en twintig duim zeven tiende staan gelijk met 728 millimeters.

[21] 716 millimeters.

[22] 709 millimeters.

[23] Ongeveer 166 kilometers.

[24] Eertijds vergenoegde men zich met dezen bast tot poeder te stampen, dat den naam droeg van "Jezuïeten-poeder", omdat de Jezuïeten van Rome er in 1640 van hun Amerikaansche zending een aanzienlijke hoeveelheid van kregen.

[25] 4,650 kilometers.

[26] Titel, dien men geeft aan de Portugeesche hoofden der nederzettingen van minderen rang.