Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers
Chapter 16
Tien jaren later, in 1848, stelde de Republiek de slaven der Fransche koloniën vrij, ten bedrage van tweehonderd zestig duizend negers.
In 1864 brak de oorlog uit tusschen de Noordelijke en Zuidelijke Staten van Noord Amerika, het Noorden volbracht het werk der vrijmaking en verspreidde haar over geheel Noord-Amerika.
Het waren dus de drie groote machten, die dit werk van menschlievendheid hadden tot stand gebracht. Thans wordt de slavenhandel alleen nog maar gedreven ten behoeve der Spaansche of Portugeesche koloniën en om aan de behoeften te voldoen der Oostersche, Turksche of Arabische volkeren. Moge Brazilië zijn oude slaven nog niet in vrijheid gesteld hebben, het verkrijgt althans geen nieuwe en de kinderen der zwarten worden er vrij geboren.
Het is in de binnenlanden van Afrika, na de bloedige oorlogen die tusschen de Afrikaansche opperhoofden wegens de menschenjacht gevoerd worden, dat gansche stammen tot slavernij gedoemd worden. De karavanen gaan dan in twee tegengestelde richtingen op weg: de eene naar het westen, naar de Portugeesche koloniën van Angola; de andere naar het oosten, naar Mozambique. Van deze ongelukkigen, waarvan slechts een klein gedeelte hun bestemming bereikt, worden eenigen naar Cuba of naar Madagascar, anderen naar de Arabische of Turksche provinciën van Azië, naar Mekka of Mascate gezonden. De Engelsche en Fransche kruisers kunnen dezen handel slechts onvoldoende beletten, tengevolge van de moeilijkheid om zulk een uitgestrekte kustlijn te bewaken.
Maar is het cijfer van dien schandelijken uitvoer nog aanzienlijk?
Ja! Men schat op niet minder dan tachtig duizend het aantal slaven dat op de kust aankomt en dit getal schijnt slechts het tiende gedeelte der vermoorde inboorlingen te bedragen. Na die afgrijselijke slachtingen zijn de verwoeste velden verlaten en de verbrande dorpen ontvolkt, de stroomen voeren lijken mede en wilde dieren waren overal rond in het land. Na den afloop dezer menschenjachten herkende Livingstone de provinciën niet meer, die hij eenige maanden vroeger bezocht had. Al de overige reizigers, Grant, Speke, Burton, Cameron, Stanley spreken in denzelfden geest over de boschrijke hoogvlakte van Midden-Afrika, het voornaamste tooneel van de oorlogen tusschen de verschillende opperhoofden. In de streek der groote meren, over de gansche uitgestrekte landstreek, die de markt van Zanzibar voorziet, in Bernoe en Fezzan, verder ten zuiden, op de oevers van de Nyassa en de Zambesi, meer ten westen, in de distrikten van de boven-Zaïre die de stoutmoedige Stanley nog voor niet lang is door getrokken, overal hetzelfde schouwspel, verwoesting, moord, ontvolking. Zal dan de slavernij in Afrika eerst ophouden met de verdwijning van het zwarte ras en zal het gaan met dit ras als met het Australische in Nieuw-Holland?
Maar eens zal de markt der Spaansche en Portugeesche koloniën gesloten zijn en deze uitvoerhandel een einde nemen; beschaafde volken kunnen den slavenhandel niet langer dulden!
En inderdaad moet ditzelfde jaar, waarin dit geschreven wordt, 1878, de vrijmaking zien van al de slaven die zich nog in het bezit der Christen-Staten bevinden. Evenwel zullen de Mohamedaansche volken den handel, die het Afrikaansche vasteland ontvolkt, nog gedurende vele jaren instandhouden. Naar Turkije toch heeft de belangrijkste uitvoer van zwarten plaats, daar het cijfer der inboorlingen, die aan hun land ontrukt en naar de oostkust opgezonden worden, jaarlijks meer dan veertigduizend bedraagt. Vele jaren vóór den veldtocht van Egypte, werden de negers van Sennaar bij duizenden aan de negers van Darfoer verkocht en wederkeerig. Generaal Bonaparte kocht zelfs een vrij groot aantal dezer zwarten, waarvan hij soldaten maakte, die op de wijze der Mamelukken georganiseerd waren. Sedert dien tijd, is in deze eeuw, waarvan het vier vijfde gedeelte reeds verloopen is, helaas! de slavenhandel in Afrika niet verminderd. Integendeel.
En werkelijk is het Mohamedanisme den slavenhandel gunstig. De zwarte slaaf moet in het Turksche land den blanken slaaf van vroeger vervangen. Ook wordt de verfoeilijke handel door kooplieden van allerlei landaard in het groot gedreven. Zij vullen op die wijze het te kort aan, dat bij de rassen voorkomt, die uitsterven en eenmaal geheel zullen verdwijnen, omdat zij zich niet door den arbeid herstellen. Deze slaven worden, evenals ten tijde van Bonaparte dikwijls soldaat. Bij zekere volken van den Boven-Niger, maken zij voor de helft de legers der Afrikaansche opperhoofden uit. In dezen toestand is hun lot niet veel slechter dan dat der vrije menschen. Wanneer overigens de slaaf geen soldaat is, is hij een munt die koers heeft en zelfs in Egypte, en Bornoe, worden officieren en ambtenaars met deze munt betaald. Willem Lejean heeft het gezien en het ons medegedeeld.
Zoodanig is dus de tegenwoordige toestand van den slavenhandel.
Moeten wij er nog bijvoegen dat een aantal lasthebbers der groote Europeesche mogendheden zich niet schamen een betreurenswaardige toegevendheid voor dien handel aan den dag te leggen? Niets is zekerder, en terwijl de kruisers de hutten van de Atlantische zee en den Indischen oceaan bewaken, wordt in het binnenland geregeld handel gedreven, gaan de karavanen onder de oogen van zekere ambtenaren huns weegs en hebben de moorden, waarbij tien zwarten omkomen om één slaaf te leveren, op geregelde tijden plaats!
Ook begrijpt men nu, welke vreeselijke beteekenis in de woorden lag opgesloten, door Dick Sand uitgesproken:
"Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!"
En hij bedroog zich niet: Het was het Afrika met al zijne gevaren voor zijn reisgenooten en voor hem.
Maar op welk gedeelte van het Afrikaansche vasteland had een onverklaarbaar noodlot hem doen aanlanden? Op de westkust blijkbaar, en wat deze treurige omstandigheid nog treuriger maakte, was dat de jeugdige leerling tot de overtuiging kwam dat de Pelgrim juist gestrand was op de kust van Angola, waar de karavanen aankomen, die dit geheele gedeelte van Afrika voorzien.
En werkelijk was dit zoo. Het was het land, dat eenige jaren later Cameron ten zuiden en Stanley ten noorden zouden doortrekken, ten koste van bovenmenschelijke inspanning! Van dat uitgebreide grondgebied, dat uit drie provinciën bestaat, Benguela, Congo, en Angola, kende men toen slechts het kustland. Het strekte zich uit van den Nourse ten zuiden, tot den Zaïre ten noorden, terwijl twee voorname steden er twee havens bezitten, Benguela en St. Paul de Loanda, hoofdstad der kolonie, die aan het koninkrijk Portugal toebehoort.
Het binnenland van deze uitgestrekte streek was toen bijna onbekend. Weinige reizigers hadden er zich durven wagen. Een noodlottig klimaat, een warme en vochtige bodem, die koortsen doet ontstaan, barbaarsche inboorlingen waar van eenige nog menscheneters zijn, een aanhoudende oorlog van de stammen onderling, het wantrouwen der slavenhandelaars tegen iedereen vreemdeling, die de geheimen van hun schandelijken handel tracht te doorgronden, zoodanig zijn de moeilijkheden en de gevaren die overwonnen moeten worden in deze provincie van Angola, een der gevaarlijkste van Midden-Afrika.
Tuckey was in 1816 den Congo tot boven de watervallen van Yellala opgevaren, 't geen slechts een tocht was van hoogstens twee honderd mijlen. Dit eenvoudig uitstapje was niet voldoende om het land grondig te doen kennen en toch had het den dood gekost van de meeste geleerden en officieren die den tocht medemaakten.
Zeven en dertig jaren later was Livingstone van de Kaap de Goede Hoop tot den boven-Zambesi doorgedrongen. In de maand November 1853, reisde hij met een ongehoorde stoutmoedigheid, Afrika van het zuiden naar het noordoosten door, stak den Coango, een der zijtakken van den Congo over, en kwam den 31n Mei 1854 te St.-Paul de Loanda aan. Het was de eerste doortocht door de onbekende groote Portugeesche kolonie.
Achttien jaren later zouden twee stoutmoedige ontdekkers Afrika van het oosten naar het westen doorreizen en ten koste van ontzettende moeilijkheden, de een ten zuiden, de andere ten noorden van Angola weder uitkomen.
De eerste dezer reizigers was de luitenant der Engelsche marine Verny-Howet Cameron. In 1872 had men alle reden om te meenen dat het met den tocht van den Amerikaan Stanley, die ter opsporing van Livingstone naar de landstreek om de groote meren was uitgezonden, zeer hachelijk gesteld was. Luitenant Cameron bood aan hem op te zoeken. Het aanbod werd aangenomen. Cameron, vergezeld van dokter Dillon, den luitent Cecil Murphy en Robert Moffat, neef van Livingstone, vertrok van Zanzibar. Na den Ougogo te zijn overgetrokken, ontmoette hij het lijk van Livingstone, dat door zijn getrouwe bedienden naar de oostkust gevoerd werd. Daarna zette hij zijn tocht naar het westen voort, met den onwrikbaren wil, van de eene kust naar de andere te trekken. Hij doorreisde Ounyanyembé, Ougoenda, Kahouélé waar hij de papieren van den grooten reiziger verzamelde, stak het Tanganyika-meer, de bergen van Bambarré, den Loualaba over, dien hij niet kon afzakken en na al deze provincies, die door den oorlog verwoest, door den slavenhandel ontvolkt waren, verder Kilemmba, Ouroua, de bronnen van den Lomané, Oulouda, Lovalé bezocht te hebben, na Coanza en de onmetelijke bosschen doorkruist te hebben, waarin Harris Dick Sand en diens reisgenooten had doen verdwalen, zag de onvermoeide Cameron eindelijk den Atlantischen oceaan vóór zich en kwam te St.-Phillippe de Benguela aan. Deze reis van drie jaar en vier maanden had het leven gekost aan twee zijner reisgenooten, dokter Dillon en Robert Moffat.
Bijna onmiddellijk daarop zou de Engelschman Cameron in deze reeks van ontdekkingen opgevolgd worden door den Amerikaan Henry Moroland Stanley. Men weet dat deze stoutmoedige korrespondent van den _New-York Herald_, uitgezonden om Livingstone op te sporen, hem den 30n October 1971 te Oujiji aan de oevers van het Tanganyika-meer gevonden had. Maar hetgeen Stanley uit een oogpunt van menschelijkheid zoo gelukkig volbracht had, wilde hij in het belang der geografische wetenschap opnieuw beginnen.
Zijn doel was toen de algeheele verkenning van den Loualaba-stroom dien hij slechts even gezien had. Cameron bevond zich nog in de provinciën van midden-Afrika, toen Stanley, in November 1874, Bagamoyo op de oostkust verliet, en een-en-twintig maanden later, den 24n Augustus 1876, uit Oujiji door de pokken ontvolkt, vertrok, in vier-en-zeventig dagen den overtocht van het meer te Nyangwé volbracht, een groote slavenmarkt, die reeds door Livingstone en Cameron bezocht was, en de vreeselijkste tooneelen bijwoonde op de strooptochten, ondernomen door de officieren van den Sultan van Zanzibar, in de landen der Maroungous en Marryouemas.
Stanley nam toen de noodige maatregelen om den loop van den Loualaba te verkennen en dezen stroom tot aan zijn monding af te zakken. Honderd veertig lastdragers, te Nyangwé gehuurd, en negentien booten vormden het materieel en personeel van zijn tocht. In het begin reeds moest hij de menscheneters van Oegousoe bestrijden en zich al dadelijk bezighouden met het overdragen der booten, teneinde onbevaarbare watervallen om te gaan. Onder den evenaar, op het punt waar de Loualaba zich naar het noord-oosten kromt, werd de kleine vloot van Stanley aangevallen door vier-en-vijftig booten, bemand met verscheidene honderden inboorlingen, die op de vlucht werden gedreven. Daarna bevestigde de moedige Amerikaan, die tot den tweeden graad N.B. de rivier weder opvoer, dat de Loualâba niet anders was dan de Boven-Zaïre of Congo en dat hij, door den loop dezer rivier te volgen, rechtstreeks naar de zee zou afzakken. Dit ondernam hij onder een bijna dagelijksch gevecht tegen de stammen aan de oevers. Den 3n Juni 1877, bij den overtocht der watervallen van Massassa, verloor hij een zijner reisgenooten, Francis Prook, en hij zelf werd den 18n Juli met zijn boot in de watervallen van M'bélo medegesleept en ontsnapte als door een wonder aan den dood.
Eindelijk kwam Henry Stanley, den 6n Augustus, bij het dorp van Ni Sanda aan, nog vier dagen van de kust verwijderd. Twee dagen later, vond hij te Banza M'bouko de levensmiddelen, die twee kooplieden van Emboma daarheen hadden gezonden, en eindelijk rustte hij uit in deze kleine stad van de kuststreek, verouderd op vijfendertig-jarigen leeftijd door vermoeienissen en ontberingen, na het Afrikaansche vaste land van de eene kust naar de andere dwars te zijn doorgetrokken, een reis die hem twee jaren en negen maanden van zijn leven gekost had. Maar de loop van den Loualâba was nu tot den Atlantischen Oceaan bekend geworden, en indien de Nijl de groote slagader van het noorden is en de Zambesi die van het oosten, dan weet men nu dat Afrika in het westen nog een derde rivier bezit, een van de grootste der wereld, de rivier namelijk die in haar loop van twee duizend negen honderd mijlen [25], onder de namen van Loualâba, Zaïre en Congo de streek der meren vereenigt met den Atlantischen oceaan.
Intusschen was, niettegenstaande deze twee reizen, die van Stanley en van Cameron, de provincie van Angola nagenoeg onbekend gebleven in het jaar 1873, het tijdperk waarop de _Pelgrim_ op de kust van Afrika gestrand was. Het eenige wat men er van wist, was, dat zij het tooneel van den slavenhandel in het westen was, dank zij haar belangrijke markten van Bihé, Cassange en Kazondé.
En in dit land was het, dat Dick Sand tot op meer dan honderd mijlen van de kuststreek was medegevoerd, met eene vrouw, uitgeput door vermoeienis en smart, een bijna stervend kind en reisgenooten, die als geboren negers een gereede prooi waren voor de roofzucht der slavenhandelaars.
Ja, het was Afrika en niet dat Amerika waar noch de inboorlingen, noch de wilde dieren, noch het klimaat wezenlijk geducht zijn. Het was niet de gelukkige en welvarende streek tusschen de Cordilleras en de kust waar talrijke dorpen worden aangetroffen en de vestingen der zendelingen gastvrij voor iederen reiziger openstaan. Helaas! zij waren veraf, de provincies van Peru en Bolivia waar de storm de _Pelgrim_ ongetwijfeld zou gebracht hebben, indien een misdadige hand hem niet van zijn weg had doen afwijken en waar voor schipbreukelingen zoovele gemakkelijke gelegenheden bestonden om naar hun vaderland terug te keeren!
Het was het vreeselijke Angola en niet het gedeelte van de kust dat rechtstreeks door de Portugeesche overheid bewaakt werd, maar het middelpunt der kolonie die doorkruist werd door de slavenkaravanen onder de zweep der havildars.
Wat wist Dick Sand van het land waar het verraad hem geworpen had? Niet veel. Alleen maar wat de zendelingen der XVIe en XVIIe eeuw en de Portugeesche kooplieden, die den weg volgen van St.-Paul de Loanda naar den Zaïre over San-Salvador, er van gezegd hadden en wat dokter Livingstone er van verhaald had ten tijde van zijn reis van 1853, en dat was voldoende om een minder sterke ziel dan de zijne geheel uit het veld te slaan.
En werkelijk was de toestand verschrikkelijk.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HARRIS EN NEGORO.
Den dag volgenden op dien toen Dick Sand en zijn reisgenooten hun laatste halte in het bosch hielden, hadden twee mannen drie mijlen van daar een vooraf door hen beraamde samenkomst.
Deze twee mannen waren Harris en Negoro, en men zal zien wat op rekening van het toeval moest geschreven worden, dat den Portugees van Nieuw-Zeeland samenbracht met den Amerikaan dien zijn vak van slavenhandelaar verplichtte dikwijls deze provincie van West-Afrika te doorkruisen.
Harris en Negoro waren aan den voet van een reusachtige vijgeboom gaan zitten, aan den oever eener snel vlietende beek, die tusschen een dubbele haag stroomde.
Het gesprek nam een aanvang, want de Portugees en de Amerikaan hadden elkander pas ontmoet en al dadelijk had het geloopen over de omstandigheden die in de laatste uren waren voorgevallen.
"En dus, Harris," zeide Negoro, "heb je den kleinen troep van kapitein Sand, zooals zij dien leerling van vijftien jaar noemden, niet verder in Angola mee kunnen nemen!"
"Neen, kameraad," antwoordde Harris "en 't verwondert me zelfs dat ik ze nog, honderd mijlen ver minstens, van de kust heb kunnen meetronen! Sedert verscheiden dagen keek mijn jonge vriend Dick Sand me met een wantrouwend oog aan, zijn vermoeden ging allengs in zekerheid over, en waarachtig...."
"Nog honderd mijlen verder, Harris, waren die menschen nog zekerder in onze handen geweest! Ze moeten ons toch daarom niet ontsnappen!"
"En hoe zouden ze dat kunnen?" antwoordde Harris, die de schouders optrok. "Ik zeg je nog eens, Negoro, 't was meer dan tijd me stilletjes uit de voeten te maken! 'k Heb tien maal in de oogen van mijn jongen vriend gelezen dat hij lust had me een kogel door den kop te jagen en mijn maag kan die pruimen van twaalf in een pond niet best verteren!"
"Nu, goed!" zei Negoro. "Ik heb ook een rekening met dien leerling te vereffenen...."
"Ga je gang en vereffen je rekening met den interest er bij, kameraad. Wat mij betreft, 't was me best gelukt hem deze provincie te laten slikken voor de woestijn van Atacama, die ik vroeger bezocht heb, maar daar had je die kleine aap, die om zijn caoutchouc-speelgoed en zijn kolibries riep, de moeder die om haar kina zanikte, de neef die volstrekt lichtkevers wilde vinden!.... 'k Was waarachtig ten einde raad, en nadat ik hun met groote moeite struisvogels voor giraffen had verkocht.... dat 's een mooie, die, Negoro!--wist ik niets meer te verzinnen! Nu, ik merkte heel goed dat mijn jonge vriend niets meer van al mijn verklaringen geloofde! Daarna zijn we op sporen van olifanten gevallen en zijn er zich nijlpaarden mee gaan bemoeien! En je weet, Negoro, nijlpaarden en olifanten in Amerika, dat's even goed als eerlijke lui in de gevangenissen van Benguela! En ziedaar, om 't spel te volmaken, krijgt die oude neger 't in zijn kop, aan den voet van een boom jukken en stukken ketting op te schommelen, waarvan eenige slaven zich ontdaan hadden om te vluchten! Op 't zelfde oogenblik brult de leeuw, om alles te bederven, want 't is moeielijk zijn gebrul voor 't miauwen van een poesje te laten doorgaan! 'k Heb daarom net nog tijd gehad om op mijn paard te springen en me uit de voeten te maken!"
"'k Vat het!" antwoordde Negoro. "Toch zou 'k ze liever honderd mijlen dieper 't land in willen hebben!"
"Men doet wat men kan, kameraad," antwoordde Harris. "Wat jou aangaat, die onze karavaan van de kust af, op den voet volgde, 't is maar goed dat je op een afstand gebleven bent. Ze roken je! Er is een zekere Dingo, die niet veel van je schijnt te houden. Wat heb je dat dier toch gedaan?"
"Niets," antwoordde Negoro, "maar 't zal niet lang duren of ik zal 'm een kogel door zijn kop jagen."
"Zooals jij er een van Dick Sand zoudt gekregen hebben, als je maar een klein stukje van je persoon op twee honderd passen van zijn geweer hadt laten zien. Hij schiet goed mijn jonge vriend, en onder ons moet ik zeggen dat hij in zijn soort een degelijke jongen is!"
"Al is hij nog zoo degelijk, Harris, hij zal me zijn onbeschaamdheid duur betalen," antwoordde Negoro, op wiens gelaat een onverzoenbare wreedheid te lezen stond.
"Komaan," mompelde Harris, "mijn kameraad is dezelfde gebleven! Het reizen heeft hem niet veranderd!"
Daarna hernam hij na een oogenblik stilte:
"Zeg eens, Negoro, toen ik je daar zoo onverwachts op het tooneel van de schipbreuk, aan de monding van de Longa ontmoette, had je juist dien tijd om me die brave menschen aan te bevelen en me te verzoeken ze zoo ver mogelijk door dat gewaande Bolivia te geleiden, maar je hebt me niet gezegd, wat je sedert twee jaar alzoo hebt uitgevoerd! Twee jaar van ons afwisselend bestaan, dat's een heele tijd, kameraad! Op zekeren dag, nadat je het geleide van een trein slaven op je genomen hebt, voor rekening van den ouden Alvez, van wien we weinig meer dan de nederige agenten zijn, heb je Cassange verlaten en niets meer van je laten hooren! 'k Heb dikwijls gedacht dat je misschien onaangenaamheden gehad hadt met de Engelsche kruisers en dat ze je opgehangen hadden!"
"'t Heeft niet veel gescheeld, Harris."
"'t Zal je nog wel eens gebeuren, Negoro."
"'k Dankje zeer!"
"Wat zal 'k je zeggen?" antwoordde Harris met wijsgeerige onverschilligheid, "'t is een van de kansen van 't vak! Men drijft geen slavenhandel op de kust van Afrika zonder er zijn nek aan te wagen! Hebben ze je gepakt?...."
"Ja."
"De Engelschen?"
"Neen! de Portugeezen."
"Vóór of na de lading gelost te hebben?" vroeg Harris.
"Na...." antwoordde Negoro, die een weinig met zijn antwoord aarzelde. "Die Portugeezen hangen tegenwoordig de braven uit! Ze willen van geen slavernij meer weten, hoewel zij er langen tijd tot hun voordeel van hebben gebruikt gemaakt! Ik was verraden en werd nagegaan. Ze hebben me ingerekend...."
"En veroordeeld?...."
"Om mijn dagen te eindigen in de gevangenis van St.-Paul de Loanda."
"Bij alle duivels!" riep Harris uit. "Een gevangenis! Een ongezonde plaats voor menschen als wij, gewoon om in de open lucht te leven! Ik voor mij was liever maar gehangen!"
"Men ontsnapt niet aan de galg," antwoordde Negoro, "maar wel uit de gevangenis...."
"Heb je kunnen ontvluchten?...."
"Ja, Harris! Pas veertien dagen nadat ze me gevangen gezet hadden, kon ik me verstoppen in 't hol van een Engelsche stoomboot, met bestemming naar Auckland op Nieuw-Zeeland. Een vaatje water, een kist met geconserveerd voedsel, waar tusschen ik gekropen was, hebben me gedurende den ganschen overtocht eten en drinken verschaft. Je kunt begrijpen dat ik, toen we eens in zee waren schrikkelijk geleden heb in mijn gedwongen schuilhoek. Maar als 'k onbezonnen genoeg geweest was me te vertoonen, zou 'k naar 't scheepshol teruggebracht zijn en, vrijwillig of niet, zou de pijniging 't zelfde geweest zijn! Daarenboven zou men me bij mijn aankomst te Auckland, opnieuw in handen van de Engelsche overheden gesteld hebben en me naar de gevangenis van Loanda teruggebracht, of misschien wel opgehangen hebben, zooals je straks zei! Daarom reisde 'k liever incognito."
"En zonder je overtocht te betalen!" riep Harris lachend uit. "Jongen, dat 's wat al te erg, voeding en overtocht gratis!...."
"Ja," hernam Negoro, "maar dertig dagen in het scheepsruim!...."
"Nu ja, dat's voorbij, Negoro. Dus ben je naar Nieuw-Zeeland gegaan, naar 't land der Maoris! Maar je bent er van teruggekomen. Heeft de terugkeer op dezelfde wijze plaats gehad?"
"Neen, Harris, je kunt begrijpen dat ik, toen 'k daar was, geheel vervuld rondliep met de gedachte om naar Angola terug te keeren en mijn vak van slavenhandelaar weer op te nemen."
"Ja!" antwoordde Harris, "men heeft zijn vak lief.... door gewoonte!"
"Achttien maanden lang...."
Nauwelijks had Negoro deze woorden uitgesproken, of hij zweeg eensklaps. Hij had den arm van zijn makker beetgepakt en luisterde.
"Harris," zei hij met gesmoorde stem, "heb je daar in die biezen geen geruisch gehoord?"
"'k Meende 't ook te hooren," antwoordde Harris, die zijn geweer opnam, waarvan de haan altijd gespannen was.
Negoro en hij sprongen op, keken om zich heen en luisterden met de grootste aandacht.
"'t Is niets," zei weldra Harris. "'t Is de beek die door den stroom gezwollen is en nu meer geruisch maakt. Je bent in die twee jaren de geluiden van het woud ontwend, maar dat zal wel weer terugkomen. Ga dus voort met verhaal van je avonturen. Als ik met het verleden bekend ben, zullen we over de toekomst praten."
Negoro en Harris hadden zich wederom aan den voet van den vijgeboom geplaatst. De Portugees hernam het gesprek met deze woorden:
"Gedurende achttien maanden heb ik te Auckland een plantenleven geleid. Toen de stoomboot eenmaal was aangekomen, had ik zonder gezien te worden van boord kunnen gaan, maar zonder een piaster, zonder een dollar op zak! 'k Heb om te leven allerlei ambachten bij de hand moeten nemen...."
"Zelfs het ambacht van eerlijk man, Negoro?"
"Zooals je zegt, Harris."
"Arme jongen!"