Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers

Chapter 15

Chapter 153,884 wordsPublic domain

Wat Harris aangaat, hij scheen tegen de ongemakken van die langdurige tochten door de bosschen bestand te zijn en 't bleek dat de vermoeienissen geen vat op hem hadden. Alleen merkte Dick Sand op, dat hij, naarmate zij de hacienda naderden, meer in gedachten en minder rond in zijn omgang was dan vroeger. Het tegendeel zou natuurlijker geweest zijn. Dat was althans de meening van den leerling, die den Amerikaan hoe langer hoe meer begon te wantrouwen. En toch, welk belang dreef Harris aan hen te bedriegen? Dick Sand zou het niet hebben kunnen zeggen, maar nog meer dan vroeger hield hij hun gids in 't oog.

De Amerikaan, van zijn kant, gevoelde dat Dick hem niet vertrouwde, en dit wantrouwen deed hem in tegenwoordigheid van zijn "jongen vriend" nog stilzwijgender zijn.

Men was weder op marsch gegaan.

In het bosch, dat nu minder dicht was, waren de boomen hier en daar in groepen verspreid en vormden geen ondoordringbare massa's meer. Zou dat nu de werkelijke pampa zijn, waarvan Harris gesproken had?

Gedurende de eerste uren van den dag, werd de ongerustheid van Dick Sand door geen enkel voorval vergroot. Alleen werden er twee feiten door hem opgemerkt. Misschien waren zij niet van groot gewicht, maar in de omstandigheden waarin zij verkeerden, mocht geen enkele bijzonderheid onopgemerkt voorbijgaan.

Het was vooreerst de houding van Dingo, die meer bijzonder de aandacht van den leerling trok.

De hond namelijk, die gedurende den ganschen tocht een spoor scheen te volgen, werd geheel anders, en dat bijna plotseling. Tot nog toe slechts met den neus op den grond, het gras of de struiken beruikende, zweeg hij, of deed hij een soort van klagend geblaf hooren, naar het scheen de uitdrukking van smart of van verdriet.

Dien dag nu werd het geblaf van het zonderlinge dier weder luid klinkend, somtijds woedend, zooals het vroeger was, toen Negoro op het dek van den _Pelgrim_ verscheen.

Eensklaps kwam er een vermoeden bij Dick Sand op, in welk vermoeden hij door Tom versterkt werd, die zeide:

"'t Is toch vreemd, mijnheer Dick! Dingo snuffelt niet meer langs den grond, zooals hij gisteren nog deed! Hij loopt met den neus in den wind, hij is ontsteld en zijn haar staat overeind! Men zou zeggen, dat hij in de verte...."

"Negoro ruikt, niet waar?" antwoordde Dick Sand, die den arm van den ouden neger aangreep en hem een teeken gaf om zacht te spreken.

"Negoro, mijnheer Dick. Zou 't niet kunnen zijn, dat hij ons spoor gevolgd heeft?..."

"Ja, Tom, en dat hij op dit zelfde oogenblik niet ver af is?"

"Maar.... waarom?" zei Tom.

"Of Negoro kende dit land niet," hernam Dick Sand, "en in dat geval had hij het grootste belang erbij ons niet uit het gezicht te verliezen...."

"Of?...." zei Tom, die den leerling ontsteld aankeek.

"Of," hernam Dick Sand, "hij kende het, en dan...."

"Maar hoe zou Negoro dit land kennen? Hij is er nog nooit geweest!"

"Nog nooit geweest!" mompelde Dick Sand. "Maar zeker is het dat Dingo doet alsof de man dien hij verfoeit, weder dicht bij is ons!"

Daarna viel hij zich in de rede, om den hond te roepen die aarzelend naar hem toe kwam.

"Wel," zei hij, "Negoro, Negoro!"

Dingo beantwoordde dit met een woedend geblaf. Deze naam had de gewone uitwerking op hem, en hij sprong vooruit, alsof Negoro zich achter het kreupelhout had verscholen.

Harris had dit geheele tooneel gezien. Met de lippen een weinig op elkaar gedrukt, trad hij op den leerling toe.

"Wat vraag je toch aan Dingo?"

"O! dat beteekent niet veel, mijnheer Harris," antwoordde de oude Tom gekscheerend. "We vragen hem naar den scheepsmakker dien we verloren hebben!"

"Ah!" zei de Amerikaan, "naar dien Portugees, den scheepskok, van wien je me al verteld hebt?"

"Ja," antwoordde Tom. "Als men Dingo hoort, zou men zeggen dat Negoro in de buurt is!"

"Hoe zou hij hier hebben kunnen komen!" antwoordde Harris. "Hij is nooit in dit land geweest, voor zoover ik weet!"

"Of hij moet het voor ons geheim gehouden hebben," antwoordde Tom.

"Dat zou vreemd zijn," zei Harris. "Maar als je wilt, zullen we 't kreupelhout doorzoeken. 't Kan wezen dat de arme drommel hulp behoeft, dat hij in nood is...."

"'t Is onnoodig, mijnheer Harris," antwoordde Dick Sand. "Als Negoro den weg hierheen heeft kunnen vinden, zal hij wel verder terecht komen. Hij is mans genoeg!"

"Zooals je wilt," antwoordde Harris.

"Koest, stil, Dingo," zei Dick gebiedend tot den hond, om een eind aan het gesprek te maken.

De tweede opmerking van den leerling had betrekking op het paard van den Amerikaan.

Het bleek niet "dat hij den stal rook," zooals paarden gewoonlijk doen. Het snoof geen lucht op, verhaastte zijn stap niet, het blies niet door zijn neusgaten, liet geen gehinnik hooren, zooals zij gewoonlijk doen als zij den stal naderen. Hij scheen even onverschillig alsof de hacienda, die hij toch goed moest kennen, eenige honderden mijlen daar vandaan geweest was.

"Het is geen paard dat thuis komt!" dacht de leerling.

En evenwel had Harris den vorigen dag reeds gezegd, dat zij nog slechts zes mijlen van hun doel af waren en van die zes mijlen hadden zij er zeker vier afgelegd.

Behalve dat nu het paard niets van den stal rook, dien het toch zeker hoog noodig had, was er ook niets waaruit zij de nabijheid eener groote nederzetting konden opmaken, zooals toch de hacienda van San-Felice moest zijn.

Hoe onverschillig Mevr. Weldon ook moest zijn voor alles wat haar kind niet betrof, was zij toch getroffen door de verlatenheid der streek. Hoe! geen enkele inlander, geen enkele bediende van de hacienda, en nog wel op zulk een kleinen afstand! Was Harris verdwaald? Neen, dat denkbeeld verwierp zij. Een nieuwe vertraging zou de dood van haren kleinen Jack zijn?

Intusschen ging Harris altijd vooruit; maar hij scheen de diepten van het bosch te peilen en naar rechts en links te kijken, als iemand die niet zeker van zich zelven.... of van den weg is!....

Mevr. Weldon sloot de oogen om hem niet meer te zien!

Na een vlakte van omstreeks een mijl te zijn doorgetrokken, kwamen zij weder in het bosch, dat hier evenwel niet zoo dicht meer was als in het westen en zette de kleine troep haren marsch onder de groote boomen voort.

Ten vier ure 's avonds kwam men bij een kreupelbosch, waar niet lang geleden een troep machtige dieren zich een doortocht had gebaand.

Dick Sand nam alles om zich heen met de grootste attentie op.

Op een hoogte, die de menschelijke lengte ver overtrof, waren de takken afgescheurd of gebroken. Daarbij was het groen met geweld van een gerukt en waren er op den eenigszins moerassigen grond, die nu bloot gekomen was, voetstappen van jaguars of conguars te zien.

Zouden het "ai's" of andere luiaards geweest zijn, welke die indrukken op den grond hadden achtergelaten? Doch hoe dan de gebroken takken op zulk een hoogte te verklaren?

Alleen olifanten hadden dergelijke indrukken, zulke breede sporen kunnen achterlaten en een verwoesting in het kreupelbosch aanrichten. Maar olifanten zijn er niet in Amerika. Die ontzaglijke dikhuidige dieren worden in de Nieuwe-Wereld niet gevonden en zijn er ook nooit geweest, terwijl men ze er ook nooit heeft kunnen acclimatiseeren.

De onderstelling dat daar olifanten zouden doorgetrokken zijn, was dus volstrekt onaannemelijk.

Hoe het zij, Dick Sand liet niet blijken wat dit onverklaarbare feit hem zoo al te denken gaf en te overwegen. Hij ondervroeg zelfs den Amerikaan niet meer in dit opzicht. Wat toch kon hij verwachten van iemand die getracht had hem giraffen voor struisvogels te doen aanzien? Harris zou ook daarvan de een of andere meer of minder goed verzonnen verklaring hebben gegeven, die toch niets aan den toestand veranderd had.

Hoe het zij, de meening van Dick omtrent Harris was gevestigd. Hij was nu overtuigd dat hij te doen had met een verrader en wachtte slechts op een gelegenheid om zijn valschheid aan de kaak te stellen, alles zeide hem dat deze gelegenheid zich weldra zou voordoen.

Maar wat kon het geheime doel van Harris zijn? Welke toekomst gingen de overlevenden van de _Pelgrim_ te gemoet? Dick Sand gevoelde dat zijn verantwoordelijkheid met de stranding van de _Pelgrim_ niet geëindigd was. Hij moest altijd, en meer dan ooit, zorgen voor het heil van hen, die de schipbreuk op deze kust geworpen had. Hij alleen was het, die deze vrouw, dit jonge kind, deze negers, al zijn lotgenooten moest redden! Mocht hij aan boord al iets hebben kunnen beproeven, mocht hij als zeeman hebben kunnen handelen, welk besluit zou hij hier nemen, te midden van de vreeselijke beproevingen die hij voorzag?

Dick Sand wilde de oogen niet sluiten voor de ontzettende werkelijkheid die elk oogenblik onbetwistbaarder werd. In deze omstandigheid werd hij weder de kapitein van vijftien jaren, die hij aan boord van de _Pelgrim_ geweest was. Maar hij wilde niets zeggen, dat de arme moeder kon verontrusten, voordat het oogenblik van handelen gekomen was!

En hij zeide niets, zelf niet, toen hij aan den oever van een vrij breeden stroom gekomen zijnde en de kleine troep een honderd schreden vooruit gaande, eenige reusachtige dieren zag, die zich in het hooge riet en gewassen aan den oever verborgen.

"Nijlpaarden! nijlpaarden!" was hij op het punt om uit te roepen.

En werkelijk waren het van die dikhuiden met groote koppen en lange gebochelde snuiten, wier bek bezet is met groote tanden, die meer dan een voet ver uitsteken, ineengedrongen op hun korte pooten, en waarvan de huid, onbehaard, taankleurig rood is? Nijlpaarden in Amerika!

Den geheelen dag werd de marsch voortgezet, maar bezwaarlijk. Zelfs de sterksten konden van vermoeidheid bijna niet verder. Het werd inderdaad tijd, dat men aankwam of wel zou men genoodzaakt zijn halt te houden.

Mevr. Weldon, die zich uitsluitend met haar kleinen Jack bezighield, voelde misschien geen vermoeidheid, maar haar krachten waren uitgeput. Allen waren meer of minder afgemat. Een verheven geestkracht, in het gevoel van plicht, hield Dick Sand staande.

Tegen zes uur 's avonds vond de oude Tom in het gras een voorwerp dat zijn aandacht trok. Het was een wapen, een soort van mes, van bijzondere gedaante, gevormd uit een breed, gebogen lemmet en gevat in een ivoren heft van vrij ruwe bewerking.

Tom gaf dit mes aan Dick Sand, die het nauwkeurig bekeek en het eindelijk aan den Amerikaan toonde, met de woorden:

"De inboorlingen zijn ongetwijfeld niet ver meer!"

"Inderdaad," antwoordde Harris, "en toch...."

"Toch?...." herhaalde Dick Sand, die Harris strak aankeek.

"We moesten nu zeer dicht bij de hacienda zijn," hernam Harris aarzelend, "en 'k weet niet...."

"Waar we zijn?" zei Dick Sand driftig.

"We kunnen nu niet verder dan drie mijlen van de hacienda meer af zijn. Maar ik wilde den kortsten weg door het bosch nemen en ik heb misschien ongelijk gehad!"

"Misschien!" herhaalde Dick Sand.

"'t Zou dunkt me niet kwaad zijn als ik vooruit ging," zei Harris.

"Neen, mijnheer Harris, we gaan niet van elkaar," antwoordde Dick Sand op stelligen toon.

"Zooals ge wilt!" hernam de Amerikaan. "Maar in den nacht zal 't me moeilijk vallen u te geleiden."

"Dat doet er niet toe!" antwoordde Dick Sand. "We zullen halt houden. Mevr. Weldon zal 't zeker goedvinden nog één nacht in het bosch door te brengen, en morgen, als 't helder dag is, gaan we weer op weg! Nog twee of drie mijlen, die we in een uurtje zullen afleggen!"

"Goed," antwoordde Harris.

Op dit oogenblik liet Dingo een woedend geblaf hooren.

"Hier, Dingo, hier!" riep Dick Sand. "Je weet wel dat er niemand is, en dat we hier in de wildernis zijn!"

Men besloot dus nog eens halt te houden. Mevr. Weldon liet haar metgezellen hun gang gaan, zonder een woord te zeggen. Haar kleine Jack was met de koorts in haar armen ingesluimerd.

Men zocht naar een goed plaatsje om er den nacht door te brengen.

Dick Sand was druk bezig met onder het dichte gebladerte van eenige bijeenstaande boomen alles voor den nacht in gereedheid te brengen, toen de oude Tom, die hem hierin te hulp kwam, plotseling stil hield, uitroepende:

"Mijnheer Dick, kom eens gauw hier en kijk eens!"

"Wat scheelt er aan, ouwe Tom?" vroeg Dick Sand op den bedaarden toon van iemand, die op alles voorbereid is.

"Daar.... daar...." zei Tom, "op die boomen.... bloedvlekken!.... En op den grond.... verminkte leden!...."

Dick Sand vloog naar de plaats die de oude Tom hem aanwees. Toen, tot zich zelven komende, zeide hij:

"Zwijg toch, Tom, zwijg."

En werkelijk lagen daar op den grond afgesneden handen, en bij die menschelijke overblijfselen, eenige gebroken jukken, en een gesprongen ketting!

Mevr. Weldon had gelukkig niets van die afschuwelijke voorwerpen gezien.

Wat Harris aangaat, hij hield zich ter zijde en wie hem op dit oogenblik bespied had, zou getroffen zijn geweest door de verandering die bij hem plaats greep. Zijn gelaat had iets woests.

Dingo had zich bij Dick Sand gevoegd en blafte als razend tegen die bloedige overblijfselen.

Het kostte den leerling moeite den hond weg te jagen.

Intusschen was de oude Tom, op het gezicht van die jukken, van dien gebroken ketting onbeweeglijk, als in den bodem vastgeworteld, blijven staan. De oogen bovenmate wijd gesperd, de handen saamgewrongen, keek hij strak vóór zich en mompelde deze onsamenhangende woorden:

"Heel klein.... als heel klein kind, heb ik die jukken gezien!...."

En ongetwijfeld kwamen de herinneringen uit zijn eerste kindsheid, als in nevelen gehuld, bij hem op. Hij trachtte zich zekere zaken te binnen te brengen!... Hij was op het punt te spreken!....

"Spreek niet, Tom!" herhaalde Dick Sand. "Voor mevrouw Weldon, voor ons allen, zwijg!"

En de leerling nam den ouden neger mede.

Een andere plaats op eenigen afstand, werd nu gekozen en voor den nacht in gereedheid gebracht.

Ofschoon de maaltijd toebereid was, had niemand lust er deel aan te nemen. Zij waren te zeer afgemat om te eten, maar daarenboven verkeerden allen onder den indruk eener ongerustheid die aan schrik grensde.

Allengs begon het nacht te worden, die dezen keer buitengewoon donker was. De hemel was met dikke onstuimige wolken bedekt. Men zag tusschen de boomen door aan de westerkim, tengevolge van de warmte, eenige bliksemflitsen flikkeren. De wind was gaan liggen, geen blad bewoog zich. Een diepe stilte volgde op het geruisch van den dag, en het was alsof de zware dampkring, met electriciteit verzadigd, ongeschikt werd tot het overbrengen van geluiden.

Dick Sand, Austin en Bat waakten te zamen. Zij trachtten in dien stikdonkeren nacht te zien, te hooren of eenig lichtschijnsel, eenig verdacht geluid hun oogen of ooren trof. Maar niets verstoorde de stilte noch de duisternis van het woud.

Tom was niet ingesluimerd, maar in zijn herinneringen verdiept, zat hij met gebogen hoofd onbeweeglijk, alsof hij door een plotselingen slag was getroffen.

Mevr. Weldon wiegde haar kind in haar armen en had slechts gedachten voor hem.

Alleen neef Benedictus sliep misschien, want hij was de eenige die den algemeenen indruk niet deelde. Zijn voorgevoelens gingen zoo ver niet.

Plotseling tegen elf uur, deed zich een langgerekt, grootsch gebrul hooren.

Tom richtte zich in zijn volle lengte op en strekte zijn hand uit naar een dicht kreupelbosch, op zijn hoogst een mijl van daar verwijderd.

Dick Sand pakte hem bij den arm, maar kon niet beletten dat Tom luidkeels uitriep:

"De leeuw! de leeuw!"

De oude neger had het gebrul herkend, dat hij zoo dikwijls in zijn kindsheid had gehoord!"

"De leeuw!" herhaalde hij.

Dick Sand kon zich niet langer inhouden en vloog met den hartsvanger in de hand op de plaats toe, door Harris ingenomen....

Maar Harris was weg, en zijn paard verdwenen met hem.

Als door den donder getroffen, had er nu een soort van omkeering plaats in het gemoed van Dick Sand.... Hij was niet waar hij gemeend had te zijn!

De _Pelgrim_ was dus niet op de Amerikaansche kust gestrand? 't Was dus niet op het Paasch-eiland welks ligging de leerling had opgenomen, maar een ander eiland, juist ten westen van dit vasteland gelegen, evenals het Paascheiland ten westen van Amerika ligt.

Het kompas had hem gedurende een gedeelte van de reis bedrogen, men weet hoe! Door den storm op een verkeerden weg gebracht, was hij kaap Hoorn omgevaren en van de Stille zuidzee in den Atlantischen Oceaan geraakt. De snelheid van zijn schip, die hij slechts onvolkomen kon berekenen, was, buiten zijn weten, door de kracht van den orkaan verdubbeld geworden!

Dat was de reden waarom er geen caoutchouc- noch kinaboomen waren en de voortbrengselen van Zuid-Amerika aan dat land ontbraken, dat noch de hoogvlakte van Atacama, noch de Boliviaansche pampa was!

Er was nu geen twijfel aan, het waren giraffen en geen struisvogels, die bij de open plek in het woud op de vlucht waren gegaan! Het waren olifanten die door het dichte kreupelhout trokken! Het waren nijlpaarden, wier rust in het hooge gras door Dick Sand gestoord was! Het was wel degelijk de tsetsé-vlieg, dat tweevleugelig insect, door Benedictus gevangen, de geduchte tsetsé die de dieren der karavanen door haar steken doet bezwijken!

En om de kroon op dit alles te zetten, het was wel het gebrul van den leeuw, dat door het bosch weerklonk! En de jukken, die ketens, dat wonderlijk gevormde mes, dat alles was het gereedschap van den slavenhandelaar! Die afgesneden handen, het waren handen van opgevangen menschen!

De Portugees Negoro en de Amerikaan Harris moesten het samen eens zijn!

En het vreeselijk woord, door Dick geraden, ontsnapte eindelijk aan zijn lippen:

"Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!"

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

DE SLAVENHANDEL.

De slavenhandel! Iedereen kent de beteekenis van dit woord, dat nooit in de menschelijke taal had moeten opgenomen worden. De afschuwelijke handel die langen tijd gedreven werd ten voordeele der Europeesche volken, in 't bezit van overzeesche koloniën, is reeds sedert een aantal jaren verboden. Toch wakkert het menschonteerend misbruik nog steeds voort op uitgebreide schaal en voornamelijk in Midden-Afrika. En nog altijd, in onze XXe eeuw, de eeuw van verlichting en beschaving, ontbreekt de handteekening van eenige zoogenaamde christelijke staten aan het verbond, gesloten tot afschaffing der slavernij.

Men zou misschien meenen dat er geen slavenhandel meer is, dat nu koop en verkoop van menschelijke wezens hebben opgehouden te bestaan! Helaas in geenen deele! en dit is het wat de lezer moet weten, indien hij het belang in het vervolg dezer geschiedenis wil stellen, dat het onderwerp verdient. Hij moet weten dat nog in den tijd waarin wij leven, de menschenjachten werkelijkheid zijn, die een geheel vasteland dreigen te ontvolken, om te voorzien in het onderhoud van eenige slaven-koloniën, waar en hoe die barbaarsche strooptochten plaats hebben, het bloed dat zij kosten, wat al branden en plunderingen zij uitlokken en eindelijk ten voordeele van wie zij plaats hebben.

De geschiedenis leert, dat de handel in negers het eerst in de XVe eeuw in zwang kwam en wel onder de volgende omstandigheden:

Na uit Spanje verdreven te zijn, hadden de Mohamedanen de wijk genomen naar de kust van Afrika, aan gene zijde der straat. Hier werden zij evenwel hardnekkig vervolgd door de Portugeezen, die toen dit gedeelte van het kustland bewoonden. Een zeker aantal dezer vluchtelingen werd gevangen genomen en naar Portugal gevoerd. Tot slavernij gebracht, maakten zij de eerste kern uit van Afrikaansche slaven, die sedert de Christelijke jaartelling in westelijk Europa is gevormd geworden.

Nu behoorden deze Muzelmannen meerendeels tot rijke families, die hen tegen hooge prijzen wilden los koopen, 't geen evenwel de Portugeezen weigerden, hoe hoog het losgeld ook ware, dat hun werd aangeboden. Zij wilden het vreemde goud niet, maar wel de armen die hun ontbraken voor den arbeid der opkomende koloniën, of beter gezegd, zij hadden slavenarmen noodig.

Daar nu de Muzelmaansche familie hun gevangen bloedverwanten niet konden loskoopen, boden zij aan hen in te ruilen tegen een grooter aantal Afrikaansche negers, waarvan zij zich maar al te gemakkelijk konden meester maken. Dit aanbod werd aangenomen door de Portugeezen, die hun voordeel in dezen ruilhandel vonden, en ziedaar de wijze waarop de slavenhandel in Europa ontstond.

Tegen het einde der XVIe eeuw was deze schandelijke handel algemeen in zwang gekomen en geenszins in strijd met de nog barbaarsche zeden. Alle staten beschermden hem, teneinde des te sneller en zekerder de eilanden der Nieuwe-Wereld te koloniseeren. Want het waren juist de negerslaven die het dáár konden uithouden, waar de blanken, niet aan het klimaat gewoon en nog ongeschikt om de hitte van de tropische luchtstreek te verdragen, bij duizenden waren omgekomen. Het vervoer der negers naar de Amerikaansche koloniën had dus geregeld plaats met bijzondere, daartoe bestemde vaartuigen en deze overzeesche handelstak gaf het aanzijn aan belangrijke kantoren op verschillende punten der Afrikaansche kust. De "koopwaar" kostte weinig aan het land van uitvoer en de winsten waren aanzienlijk.

Maar hoe noodig in alle opzichten de stichting der overzeesche koloniën ook ware, kon zij toch die markten van menschenvleesch niet rechtvaardigen. Weldra verhieven zich edelmoedige stemmen, die openlijk tegen den slavenhandel der negers opkwamen en bij de Europeesche gouvernementen aandrongen uit naam der menschelijkheid er de afschaffing van uit te vaardigen.

In 1751 stelden de kwakers zich aan het hoofd der afschaffingsbeweging, in den boezem zelf van dat Noord-Amerika, waar honderd jaren later de oorlog tusschen de noordelijke en zuidelijke Staten zou losbarsten, waarvan deze kwestie der slavernij de aanleiding was. Verschillende Staten van het Noorden: Virginië, Connecticut, Massachusets, Pennsylvanië vaardigden de afschaffing der slavernij uit en stelden de slaven in vrijheid, die met groote kosten naar hun bezittingen gevoerd waren.

Maar de strijd door de kwakers begonnen, bepaalde zich niet tot de noordelijke Staten der Nieuwe-Wereld. De voorstanders der slavernij werden hevig bestreden tot aan gene zijde van den Oceaan. Frankrijk, en meer in het bijzonder Engeland, wierven aanhangers voor deze rechtvaardige zaak.

"Mogen de koloniën te gronde gaan, eerder dan een beginsel!" was de leus die door de gansche oude wereld weerklonk, en, ondanks de groote staatkundige en commercieele belangen in de zaak betrokken, verspreidde zij zich door Europa.

De stoot was gegeven. In 1807 schafte Engeland den slavenhandel in zijn koloniën af en Frankrijk volgde dat voorbeeld in 1814. De twee machtige natiën sloten een verbond betreffende deze zaak, dat door Napoleon gedurende de Honderd Dagen werd bevestigd.

Intusschen was dit nog niets meer dan een zuiver theoretische verklaring. De slavenhalers doorkruisten onophoudelijk de zeeën en losten hun "ebbenhouten lading" in de koloniale havens.

Om een einde te maken aan dezen handel, moesten meer praktische maatregelen worden genomen. De Vereenigde Staten in 1820, Engeland in 1824, verklaarden den slavenhandel als een daad van zeerooverij en als zeeroovers hen die hem dreven. Als zoodanig beliepen zij de doodstraf en werden hardnekkig vervolgd. Frankrijk trad weldra toe tot dit nieuwe verbond. Maar de Zuidelijke Staten van Amerika, de Spaansche en Portugeesche koloniën namen geen deel aan het afschaffingsverbond en de uitvoer der negers duurde ten hunnen voordeele voort, niettegenstaande het algemeen erkende recht van visitatie, dat zich bepaalde tot het onderzoek naar de vlag der verdachte schepen.

Evenwel had de nieuwe wet der afschaffing geen terugwerkende kracht meer. Men maakte wel geen nieuwe slaven meer, maar de ouden hadden hun vrijheid nog niet teruggekregen.

In deze omstandigheden was het, dat Engeland het voorbeeld gaf. Den 14n Mei 1833 stelde een algemeene verordening alle negers der koloniën van Groot-Brittannië in vrijheid en in Augustus 1838, werden zeshonderd-zeventigduizend slaven vrij verklaard.