Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers

Chapter 14

Chapter 143,876 wordsPublic domain

De spijskaart was dezelfde als die van het souper van den vorigen dag, maar met den eetlust, die door de morgenlucht van het bosch gescherpt was, dacht niemand er aan om in dit opzicht lastig te zijn. Het was vóór alles noodig kracht op te doen voor een flinken dagmarsch en dit werd dan ook terecht door allen begrepen. Voor het eerst misschien snapte neef Benedictus dat eten geen onverschillige of nuttelooze verrichting van het leven was. Alleen verklaarde hij dat hij dit land niet was komen "bezoeken", om er met de handen in de zakken in rond te wandelen en dat, zoodra Hercules hem weer belette jacht te maken op de cocuyo's en andere vuurvliegen, Hercules met hem, neef Benedictus, zou te doen hebben.

Deze bedreiging scheen den reus nog al geen bijzondere vrees in te boezemen. Evenwel nam Mevr. Weldon hem ter zijde en zeide hem dat hij haar groot kind maar wat rechts en links moest laten rondloopen, maar hem toch niet uit het oog verliezen. Men diende neef Benedictus niet geheel en al de genoegens te onthouden, op zijn leeftijd zoo natuurlijk.

Ten zeven ure 's morgens hernam de kleine troep den weg naar het oosten en behield daarbij dezelfde orde in het marcheeren als den vorigen dag.

Nog altijd niets dan bosch. Op dien maagdelijken grond waar warmte en vochtigheid zich vereenigden om den plantengroei sneller te doen ontwikkelen, was het wel te denken dat het plantenrijk zich in al zijn rijkdom zou voordoen. De parallel van dat uitgestrekte bergvlak liep bijna ineen met de tropische breedten en de zon schoot er gedurende eenige maanden van den zomer haar loodrechte stralen. Er was dus een ontzaglijke warmtevoorraad in de terreinen opgestapeld, welker ondergrond vochtig bleef. Ook was er niets prachtiger om te aanschouwen dan die opeenvolging van bosschen of liever dat eindelooze woud.

Toch had Dick Sand het volgende opgemerkt, namelijk dat men zich in de streek der pampa's bevond. Nu is pampa een woord uit de taal "quichna", dat "vlakte" beteekent. En, indien zijn geheugen hem niet bedroog, meende hij zich te herinneren dat die vlakten de volgende kenmerken aanboden: gebrek aan water, afwezigheid van boomen, gemis aan steenen; verder een weelderigen overvloed van distels in het regenseizoen, distels, die in het warme jaargetijde struiken worden en alsdan ondoordringbare kreupelbosschen vormen, dan ook dwergboompjes, doornachtige struiken, wat vereenigd, aan deze vlakten een dor en woest voorkomen verleent.

Nu was dit, sedert de kleine troep onder het geleide van den Amerikaan het kustland verlaten had, geenszins het geval. Altoos bleef het woud zich tot de grenzen van den horizon uitstrekken. Dat kon onmogelijk de pampa zijn zooals de leerling zich die had voorgesteld. Had het dan werkelijk de natuur behaagd om, zooals Harris gezegd had, een afzonderlijke streek te maken van die hoogvlakte van Atacama, waarvan hij overigens niets anders wist dan dat zij een der uitgestrektste woestijnen van Zuid-Amerika, tusschen de Andes en de Stille Zuidzee vormde?

Dick Sand wierp dienzelfden dag eenige vragen over dit onderwerp op en gaf den Amerikaan zijn verwondering over dit zonderling voorkomen der pampa te kennen.

Maar hij werd dadelijk door Harris uit den waan geholpen, die hen over dit gedeelte van Bolivia de nauwkeurigste bijzonderheden mededeelde en daardoor bewijzen gaf van zijn groote kennis van het land.

"Ge hebt gelijk, mijn jonge vriend," zei hij tot den leerling. "De werkelijke pampa is wel degelijk zoo als de reisbeschrijvingen haar u hebben afgeschilderd, dat is te zeggen een vrij dorre vlakte, die dikwijls moeilijk te bereizen is. Zij doet ons denken aan onze prairiën van Noord-Amerika,--met het onderscheid dat deze wat moerassiger zijn. Ja, zoodanig is wel de pampa van den Rio-Colorado; zoodanig zijn de 'Llanos' van den Orinoco en van Venezuela. Maar hier zijn we in een landstreek welker voorkomen me zelf doet verbaasd staan. 't Is waar, 't is de eerste keer dat ik dezen weg over het bergvlak neem, omdat hij het voordeel heeft onze reis te verkorten. Maar al heb ik de eigenlijke pampa nog nooit gezien, weet ik toch wel dat deze streek zeer van haar verschilt. Wat de pampa aangaat, ge zoudt haar vinden, niet tusschen de Cordilleras van het westen en de hooge keten der Andes, maar aan gene zijde der bergen, op het geheel oostelijk gedeelte van het vasteland dat zich uitstrekt tot den Atlantischen Oceaan."

"Moeten we de keten der Andes overtrekken?" vroeg Dick Sand levendig.

"Wel neen, mijn jonge vriend, wel neen," antwoordde de Amerikaan glimlachend. "'k Zei: ge zoudt haar vinden, en niet: ge zult haar vinden. Stel je gerust, we verlaten dit bergvlak niet, waarvan de grootste hoogten zich niet boven de vijftien honderd voet verheffen. Als we de Cordilleras hadden moeten overtrekken met de eenvoudige middelen van vervoer waarover we beschikken, zou ik je nooit tot een dergelijke onderneming hebben overgehaald."

"Dan zou het ook waarlijk beter zijn geweest," antwoordde Dick Sand, "noordelijk of zuidelijk de kust te volgen."

"O! honderdmaal beter!" hernam Harris. "Maar de hacienda van San-Felice is aan deze zijde van de Cordilleras gelegen. Onze reis zal dus evenmin nu, als later, eenige wezenlijke moeilijkheid opleveren."

"En vreest u niet te verdwalen in de bosschen die u voor 't eerst doortrekt?" vroeg Dick Sand.

"Neen, mijn jonge vriend, neen," antwoordde Harris. "'k Weet wel dat zulk een woud als een onmetelijke zee is, of liever als de bodem eener zee, waar zelfs een zeeman geen hoogte zou kunnen nemen om zijn positie te verkennen. Maar, ik ben gewoon in de bosschen te reizen, en heb niets noodig om mijn weg te vinden als de schikking van zekere boomen, de richting hunner bladeren, de gedaante of de samenstelling van den bodem, een menigte bijzonderheden die u ontgaan! Wees er zeker van dat ik u en de uwen zal brengen waar ge wezen wilt!"

Dit alles werd zeer stellig door Harris gezegd. Dick Sand en hij liepen vooraan en praatten dikwijls, zonder dat iemand zich in hun gesprek mengde. Mocht de leerling soms al eens eenige zorg hebben, die de Amerikaan niet altijd kon verdrijven, dan hield hij die liever voor zich.

De 8e, 9e, 10e, 11e en 12e April verliepen op deze wijze zonder dat er iets bijzonders op de reis voorviel. Men legde niet meer dan acht of negen mijlen per twaalf uur af. De oogenblikken aan den maaltijd of aan de rust gewijd, volgden elkander geregeld op, en hoewel zich reeds eenige vermoeienis begon te openbaren, was de gezondheidstoestand nog zeer voldoende.

De kleine Jack had wel wat te lijden tengevolge van dit leven in de bosschen, waaraan hij niet gewoon was en dat zeer eentonig voor hem werd. En daarbij was men al de beloften die men hem gedaan had niet nagekomen. De mannetjes van caoutchouc, de vliegenvogeltjes, dat alles scheen hoe langer zoo meer op den achtergrond te geraken. Er was ook sprake geweest hem de prachtigste papegaaien van de wereld te laten zien en zij moesten in deze rijke bosschen niet ontbreken. Waar waren ze dan nu, die papegaaien met hun groen gevederte, bijna alle uit deze streken afkomstig, de ara's met kale wangen, zeer lange puntige staarten en schitterende kleuren, wier pooten nooit den grond aanraken, en de camindé's, die meer bijzonder tot de tropische gewesten behooren, verder de veelkleurige langstaartpapegaaien, met het gevederde gelaat, en eindelijk al die snapachtige vogels die, naar het zeggen der Indianen, nog de taal der uitgestorven stammen spreken?

Van papegaaien zag de kleine Jack slechts de jako's of ongekuifde aschkleurige boomlorries, met rooden staart, die onder de boomen krioelden. Maar deze jako's waren niet nieuw voor hem. Zij zijn door de geheele wereld verspreid. In alle deelen der aarde doen zij de huizen van hun onverdraaglijk gekakel weergalmen en van de gansche familie der "psittacini", zijn zij het gemakkelijkst praten te leeren.

Doch, Jack was niet de eenige die ontevreden was, neef Benedictus was het ook. Men had hem onderweg wat heen en weer laten loopen en evenwel vond hij geen enkel insect dat waardig was zijn verzameling te verrijken. 's Avonds weigerden zelfs de vuurvliegen hardnekkig zich aan hem te vertoonen en hem door hun lichtgevende borstschilden aan te trekken. De natuur scheen waarlijk den spot te drijven met den ongelukkigen entomoloog, wiens humeur onuitstaanbaar werd.

Nog vier dagen lang bleven zij den marsch onder dezelfde omstandigheden voortzetten. Den 16en April moest men den van de kust af aan afgelegden weg op niet minder dan honderd mijlen schatten. Indien Harris niet verdwaald was,--en hij verzekerde dit zonder aarzelen,--dan was de hacienda van San-Felice niet meer dan twintig mijlen verwijderd van het punt waar de halte dien dag gehouden werd. Nog omstreeks acht-en-veertig uren en de kleine troep zou een veilig dak vinden, waaronder hij eindelijk van zijn vermoeienissen zou kunnen uitrusten.

Alhoewel zij nu de hoogvlakte in haar gansche uitgestrektheid waren doorgetrokken, hadden zij geen enkelen inboorling, geen enkelen zwervenden Indiaan in het onmetelijk woud ontmoet.

Meermalen had Dick Sand, zonder er iets van te zeggen, spijt gevoeld dat zij niet op een ander gedeelte der kust gestrand waren! Meer ten zuiden of meer ten noorden zouden zij in overvloed gehuchten, dorpen en plantages op hun weg ontmoet en Mevr. Weldon en haar reisgenooten een schuilplaats gevonden hebben.

Maar, scheen deze streek al door den mensch verlaten te zijn, met de dieren was dit in de laatste dagen geenszins het geval. Somwijlen hoorde men een langgerekten klagenden kreet, dien Harris toeschreef aan eenige van die groote luiaards, de gewone gasten van die uitgestrekte boschachtige streken die men "ai's" noemt.

Dien zelfden dag liet zich ook, onder de middaghalte een gefluit in de lucht hooren, zoo vreemd klinkend, dat Mevr. Weldon er zich ongerust over maakte.

"Wat is dat?" vroeg zij, opspringende.

"Een slang!" riep Dick Sand, terwijl hij met zijn geladen geweer zich voor Mevr. Weldon wierp.

En werkelijk kon het zeer goed zijn dat er eenig kruipend gedierte in het gras tot nabij de plaats der halte was geslopen. Er was niets vreemds in gelegen dat het een dier enorme "sukuru's", een soort van boa's was, die somtijds veertig voet lengte hebben.

Maar Harris herinnerde dadelijk Dick Sand, dat de negers reeds volgden en hij stelde Mevr. Weldon gerust.

Volgens hem had geen sukuru dit gefluit kunnen voortbrengen, omdat deze slang niet fluit, maar het verkondigde de tegenwoordigheid van zekere onschadelijke viervoetige dieren, die vrij talrijk in dit land zijn.

"Verontrust u dus niet," zeide hij, "en maak vooral geen beweging, die de dieren kan doen verschrikken."

"Maar welke dieren zijn het toch?" vroeg Dick Sand, die het zich tot wet maakte den Amerikaan te ondervragen en te doen spreken, terwijl deze zich trouwens nooit liet bidden om hem te antwoorden.

"Het zijn antilopen, mijn jonge vriend," antwoordde Harris.

"O! wat zou ik ze graag eens zien!" riep Jack.

"Dat zal moeielijk gaan, mijn ventje," antwoordde de Amerikaan, "zeer moeielijk!"

"Zouden we niet kunnen probeeren die fluitende antilopen te naderen?" hernam Dick Sand.

"O! ge zoudt geen drie stappen gedaan hebben," antwoordde de Amerikaan het hoofd schuddend, "of de gansche troep zou op de vlucht gaan! 'k Raad je dus je niet te bewegen!"

Maar Dick Sand had zijn redenen om nieuwsgierig te zijn. Hij wilde zien, en met het geweer in de hand, sloop hij in het gras. Onmiddellijk vlogen een dozijn bevallige gazellen, met kleine puntige horens bliksemsnel voorbij. De helroode kleur van hun haar teekende zich als een vurige wolk tegen het geboomte af.

"Ik heb het je wel gezegd," zei Harris, toen de leerling zijn plaats weder innam.

Was het wezenlijk onmogelijk deze antilopen door hun verbazende vlugheid duidelijk te onderscheiden, zoo was dit niet het geval met een anderen troep dieren, die denzelfden dag werden opgemerkt. Die dieren kon men, hoewel onvolkomen, zien, maar hun verschijning gaf aanleiding tot een vrij zonderlinge woordenwisseling tusschen Harris en eenigen zijner metgezellen.

De kleine troep had zich tegen vier uur 's avonds een oogenblik op een open plek in het bosch opgehouden, toen drie of vier ontzaglijk groote beesten uit een kreupelbosch op een honderd schreden van hen af te voorschijn kwamen en oogenblikkelijk met verwonderlijke snelheid op de vlucht gingen.

Ondanks de aanbevelingen van den Amerikaan had de leerling vlug zijn geweer aangelegd en op een dezer dieren vuur gegeven. Maar, op het oogenblik dat het schot afging, was het wapen snel door Harris afgewend en Dick Sand had, hoe handig hij ook was, zijn doel gemist.

"Geen geweerschoten! geen geweerschoten!" zei de Amerikaan.

"Maar, dat zijn giraffen!" riep Dick Sand uit, zonder iets anders op de opmerking van Harris te antwoorden.

"Giraffen!" herhaalde Jack, terwijl hij zich op zijn zaal oprichtte. "Waar zijn ze gebleven, die groote dieren?"

"Giraffen!" antwoordde Mevr. Weldon. "Je vergist je, mijn waarde Dick. Er zijn geen giraffen in Amerika."

"U hebt gelijk," zei Harris, die mede verbaasd scheen, "er kunnen geen giraffen in dit land zijn!"

"Maar hoe dan?...." zei Dick Sand.

"'k Weet waarlijk niet wat ik er van denken moet!" antwoordde Harris. "Heeft je gezicht je niet bedrogen en zouden die dieren geen struisvogels geweest zijn?"

"Struisvogels!" herhaalden Dick Sand en Mevr. Weldon, terwijl zij elkander zeer verwonderd aankeken.

"Ja, eenvoudig struisvogels," herhaalde Harris.

"Maar struisvogels zijn vogels," hernam Dick Sand, "en ze hebben maar twee pooten!"

"Welnu," antwoordde Harris, "'k meende juist te zien dat de dieren die daar zoo snel op de vlucht gingen, tweebeenige waren!"

"Tweebeenige dieren!" herhaalde de leerling.

"Me dunkt toch dat ik beesten met vier pooten gezien heb," zei Mevr. Weldon.

"Ik ook," voegde de oude Tom er bij, wiens woorden door Bat, Actéon en Austin bevestigd werden.

"Viervoetige struisvogels!" riep Harris lachend uit. "Dat zou nog al aardig zijn!"

"Ook meenden we," hernam Dick Sand, "dat het giraffen en geen struisvogels waren."

"Neen, mijn jonge vriend, neen!" zei Harris. "Je hebt stellig verkeerd gezien, maar dat laat zich best verklaren door de snelheid waarmee die beesten op de vlucht zijn gegaan. 't Is trouwens jagers meermalen overkomen zich even als gij te vergissen!"

Wat de Amerikaan zeide, was zeer aannemelijk. Tusschen een grooten struisvogel en een giraffe van gemiddelde grootte, op zekeren afstand gezien, is het gemakkelijk zich te vergissen. Of ze een bek of een snuit aan het eind van hun langen naar achteren gebogen hals hebben, is op een afstand niet zoo gemakkelijk te onderscheiden en desnoods zoude men kunnen zeggen dat een struisvogel slechts een halve giraffe is. De achterpooten ontbreken hem slechts. Dit tweebeenig en dit vierbeenig dier, onvoorzien snel voorbijgaande, kunnen desnoods met elkander verward worden.

Het beste bewijs overigens dat Mevr. Weldon en de anderen zich vergisten is, dat er geen giraffen in Amerika zijn.

Dick Sand maakte toen de volgende opmerking:

"Maar ik dacht dat er evenmin struisvogels als giraffen in de Nieuwe wereld zijn?"

"Ja wel, mijn jonge vriend," antwoordde Harris, "en juist bezit Zuid-Amerika er een bijzondere soort van. Tot deze soort behoort de 'nandoe', die je daar zoo even gezien hebt!"

Harris had gelijk. De nandoe is een steltlooper, die in de vlakten van Zuid-Amerika vrij veel voorkomt, en zijn vleesch, vooral van een jong dier, is een zeer goed voedsel. Dit sterke dier, dat somtijds twee vademen hoog is, heeft een rechten bek, lange vleugels, bestaande uit dichte vederen van blauwachtige kleur, de pooten gevormd uit drie vingers met nagels voorzien,--hetgeen hem duidelijk onderscheidt van de struisvogels van Afrika.

Deze zeer nauwkeurige bijzonderheden werden door Harris medegedeeld, die bijzonder goed op de hoogte van de gewoonten der nandoes bleek. Mevr. Weldon en haar reisgenooten moesten toestemmen dat zij zich vergist hadden.

"'t Is bovendien zeer goed mogelijk dat we nog een anderen troep van die struisvogels ontmoeten. Mocht dat zoo zijn, kijk dan beter en zie nooit meer vogels voor viervoetige dieren aan! Maar vooral, mijn jonge vriend, vergeet mijn raad niet en schiet op geen dieren meer! 't Is gelukkig niet noodig dat we jagen om ons levensmiddelen te verschaffen.... en nog eens, de losbarsting van een vuurwapen moet onze tegenwoordigheid in dit bosch niet verraden."

Dick Sand bleef evenwel in gedachten verzonken. Andermaal kwam twijfel bij hem op.

Den volgenden dag, den 17en April, werd de reis hervat en verzekerde de Amerikaan, dat nu geen vier-en-twintig uren meer zouden verloopen of de kleine troep zou in de hacienda van San-Felice gehuisvest zijn.

"Dáár, Mevr. Weldon," voegde hij er bij, "zult u al de zorg ontvangen die uw toestand vereischt. Eenige dagen van rust moeten u weer geheel opknappen. Misschien zult u in die hoeve wel niet de weelde vinden, waaraan u in uw woning te San-Francisco gewoon zijt, maar u zult zien dat het in de woningen op onze ontginningen in het binnenland niet aan de geriefelijkheden des levens ontbreekt. We zijn nu juist niet heelemaal wilden."

"Mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon, "al kunnen we niet anders dan u dankzeggen voor uw edelmoedige hulp, zoo doen we dat althans van ganscher harte. Ja! 't is tijd dat we aankomen!"

"Gevoelt u zich bijzonder vermoeid, mevrouw Weldon?"

"Aan mij is niets gelegen!" antwoordde Mevr. Weldon, "maar ik merk dat mijn kleine Jack langzamerhand uitgeput raakt! De koorts begint hem tusschenbeide beet te nemen!"

"Ja," antwoordde Harris, "en ofschoon het klimaat van dit bergvlak zeer gezond is, kan het niet ontkend worden dat er in Maart en April tusschenpoozende koortsen heerschen."

"Dat is zeker," zei nu Dick Sand, "maar de steeds zorgende natuur heeft dan ook weder hier het geneesmiddel voor de kwaal bij de hand!"

"En hoe dat, mijn jonge vriend?" vroeg Harris, die zich onwetend hield.

"Zijn we dan hier niet in de streek der kinasoorten?" vroeg Dick Sand.

"'t Is waar ook," zei Harris, "je hebt volkomen gelijk. De boomen die den kostbaren kinabast verschaffen, zijn hier thuis."

"'k Heb me al verwonderd dat ik er nog geen gezien heb," hernam Dick Sand.

"Ja, mijn jonge vriend," antwoordde Harris, "die boomen zijn zoo gemakkelijk niet te onderscheiden. Hoewel zij dikwijls vrij hoog en hun bladeren groot zijn, hun bloemen rooskleurig en heerlijk van geur, ontdekt men ze toch niet gemakkelijk. Zeldzaam ontmoet men ze in groepen. Ze zijn eerder hier en daar in het bosch verspreid, zoo dat de Indianen die de kina inoogsten, ze niet anders dan aan hun altijd groene bladeren herkennen."

"Zoudt u zoo goed willen zijn, mijnheer Harris," zei Mevr. Weldon, "om, als u een van die boomen ziet, hem mij dan te wijzen?"

"Welzeker, mevrouw Weldon, maar u zult in de hacienda sulphas chinini vinden en dat zout is nog beter om de koorts te verdrijven dan de eenvoudige bast van een boom." [24]

Deze laatste dagreis liep zonder eenig bijzonder voorval ten einde. De avond kwam en de gewone toebereidselen voor den nacht werden gemaakt. Tot nog toe had het niet geregend, doch het weder scheen te zullen veranderen, want er steeg een warme walm uit den bodem op, die weldra in een dikken mist overging.

Men naderde nu werkelijk het regenseizoen. Gelukkig zou den volgenden dag een geriefelijk thuis aan den kleinen troep worden aangeboden. Nog eenige uren slechts moesten er verloopen.

Alhoewel men volgens Harris, die zijn berekening niet anders kon maken dan naar den tijd dat de reis geduurd had, niet verder dan zes mijlen van de hacienda kon verwijderd zijn, werden de gewone voorzorgen voor den nacht genomen. Tom en zijn kameraden zouden om beurten wacht houden. Dick Sand was er op gesteld dat niets in dit opzicht verzuimd werd. Minder dan ooit wilde hij zijn gewone voorzichtigheid uit het oog verliezen, want een vreeselijk vermoeden had in zijn gemoed wortel geschoten, maar hij wilde nog niets zeggen.

De rustplaats voor den nacht bevond zich aan den voet van een groep groote boomen. Tengevolge van sterke vermoeidheid waren Mevr. Weldon en de haren reeds in slaap, toen zij door een luiden kreet gewekt werden.

"Wat is er?" vroeg Dick Sand, die de eerste van allen, onmiddellijk overeind was.

"Ik ben het! ik heb geschreeuwd!" antwoordde neef Benedictus.

"En wat scheelt er aan?" vroeg Mevr. Weldon.

"'k Ben daar juist gebeten!"

"Door een slang....? vroeg Mevr. Weldon verschrikt.

"Neen, neen! 't Is geen slang, maar een insect," antwoordde Benedictus. "Daar heb ik hem, ik heb 'm."

"Welnu, dood het dan, je insect," zei Harris, "en laat ons gerust slapen, mijnheer Benedict!"

"Een insect dood maken!" riep neef Benedictus. "Verstrekt niet! 'k moet eens zien wat het is!"

"Een muskiet!" zei Harris, de schouders ophalende.

"Welnu! 't is een vlieg," antwoordde neef Benedictus, "en zeker een heel vreemde!"

Dick Sand had een klein zaklantaarntje aangestoken en ging er mee naar den lastigen neef.

"Groote goedheid!" riep deze uit. "Dat maakt al mijn teleurstellingen goed! Eindelijk heb ik dan toch een ontdekking gedaan!"

De geestvervoering van den goeden man grensde aan waanzin. Hij beschouwde zijn vlieg met zegevierende blikken! Hij had ze wel willen kussen!

"Maar wat is het dan toch?" vroeg Mevrouw Weldon.

"Een diptera (tweevleugelig insect) nicht, een prachtige diptera!"

En neef Benedictus liet haar een vlieg zien, kleiner dan een bij, van een doffe kleur en aan het onderste gedeelte van haar lichaam geel gestreept.

"Die vlieg is toch niet vergiftig?" vroeg Mevr. Weldon.

"Neen, nicht, neen, althans niet voor menschen. Maar voor dieren, zooals voor antilopen, voor buffels, zelfs voor olifanten, is 't wat anders!"

"Maar zeg ons nu eindelijk toch eens welke vlieg het is," zei Dick Sand.

"Die vlieg," antwoordde de entomoloog, "die vlieg, die ik hier tusschen mijn vingers heb, die vlieg! is een tsetsé!.... Dat is de vermaarde diptera, de roem van haar land, maar toch wel vreemd, tot nog toe heeft men nog nooit een tsetsé in Amerika gevonden!"

Dick Sand had den moed niet neef Benedictus te vragen in welk werelddeel die geduchte tsetsé alleen wordt aangetroffen!

En toen zijn reisgenooten, na dit voorval, hun afgebroken slaap hervat hadden, deed Dick Sand, ondanks zijn zware vermoeidheid, den ganschen nacht geen oog meer dicht!

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

HET VREESELIJK WOORD!

Het werd tijd dat de reizigers de hacienda bereikten. Ten gevolge van buitengewone vermoeidheid was Mevr. Weldon in de onmogelijkheid een reis te vervolgen onder zulke bezwarende omstandigheden. Het was waarlijk een treurig gezicht, die kleine jongen met dat hoog roode gezicht in de aanvallen van koorts, en dan weder zoo bleek in de tusschenpoozen. Zijn moeder maakte zich zoo ongerust, dat zij Jack zelfs niet aan de zorgen van de goede Nan had willen toevertrouwen en hem aanhoudend half liggend in haar armen hield.

Ja! het was tijd dat zij aankwamen! Volgens den Amerikaan zouden zij dan ook denzelfden avond van den dag, die aan den hemel kwam, den avond van den 18n April, eindelijk in de hacienda van San-Felice een veilige schuilplaats vinden.

Welk een moedige en sterke natuur Mevr. Weldon ook had, zoo was toch een reis van twaalf dagen en daarbij twaalf nachten onder den blooten hemel doorgebracht, meer dan genoeg om haar geheel aftematten. Maar voor een kind was het nog erger en het gezicht van den kleinen zieken Jack die zelfs de eenvoudigste oppassing moest missen, was alleen voldoende haar geheel neer te slaan.

Dick Sand, Nan, Tom en zijn reismakkers hadden de vermoeienissen der reis beter verdragen.

Wel begonnen de levensmiddelen te verminderen, maar gebrek hadden zij nog geenszins gehad, zoodat hun gezondheid dan ook voldoende was.