Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers
Chapter 13
Zij had twee zeer ernstige redenen om gerust te zijn: vooreerst werd deze streek der pampa's niet onveilig gemaakt door inboorlingen, noch door wilde dieren; vervolgens, omdat men onder de leiding van Harris, een gids zoo zeker van zich zelven als de Amerikaan scheen te zijn, niet bevreesd hoefde zijn te verdwalen.
De marschorder, die zooveel mogelijk gedurende de reis moest gehandhaafd worden, was de volgende:
Aan het hoofd van den kleinen troep hadden zich Dick Sand en Harris gesteld, beiden gewapend, de een met zijn lang geweer, de ander met zijn remmington.
Daarna kwamen Bat en Austin, insgelijks gewapend ieder met een geweer en een hartsvanger.
Achter hen volgden Mevr. Weldon en de kleine Jack te paard; daarna Nan en Tom.
Achteraan werd de marsch gesloten door Actéon, gewapend met een vierde remmington-geweer en door Herkules met een bijl in den gordel.
Dingo liep heen en weer en zooals Dick Sand deed opmerken, altijd als een hond die een spoor zocht. Sedert de schipbreuk van de _Pelgrim_ den hond op deze kust had geworpen, was hij in zijn wijze van doen geheel veranderd. Hij scheen onrustig en bijna onophoudelijk liet hij een dof gebrom hooren, eer klaaglijk dan woedend. Hoewel niemand het zich kon verklaren, werd het door allen opgemerkt.
Wat neef Benedictus betreft, ook deze had men evenmin als aan Dingo een plaats in de marschorde kunnen aanwijzen. Tenzij men hem aan een leiband gehouden had, zou hij haar niet bewaard hebben. Zijn blikken doos met een band over den schouder geslagen, zijn netje in de hand, zijn groot oogglas om den hals gehangen, nu eens achter, dan weder vooraan, kroop hij door het hooge gras, bespiedde hij de orthoptera (rechtvleugelige insecten), of andere insecten op "ptera", op het gevaar af van zich door de een of andere vergiftige slang te laten bijten.
In het eerst maakte Mevr. Weldon zich ongerust en riep hem elk oogenblik, maar niets mocht baten.
"Neef Benedict," zeide zij eindelijk, "'k verzoek u dringend u niet te verwijderen en voor de laatste maal druk ik u op het hart mijn waarschuwing niet in den wind te slaan."
"Maar nicht," antwoordde de onhandelbare entomoloog, "als ik een insect zie...."
"Als u een insect ziet," hernam Mevr. Weldon, "zult u het arme diertje wel met vrede willen laten of u zult me in de noodzakelijkheid brengen u uw bus te ontnemen!"
"Me mijn bus ontnemen!" riep Neef Benedictus uit, alsof het gold hem zijn ingewanden uit het lijf te scheuren.
"Uw bus en uw net," voegde Mevr. Weldon er onmeedoogend bij.
"Mijn net, nicht! En waarom niet mijn bril! U zoudt het niet durven! Neen! u zoudt het niet durven!"
"En zelfs uw bril, dien vergat ik nog! Ik dank u, neef Benedict, er mij aan te herinneren dat ik het middel had u blind te maken en u daardoor te noodzaken gehoorzaam te zijn!"
Na deze driedubbele bedreiging hield neef zich een uur lang bedaard, die ongehoorzame neef. Daarna begon hij opnieuw af te dwalen, en daar hij het toch gedaan zou hebben, ook zonder net, zonder bus en zonder bril, zoo was het maar het best hem zijn gang te laten gaan. Maar Hercules nam op zich speciaal op hem te letten,--'t geen ook meer bijzonder tot zijn taak behoorde,--en men kwam overeen dat hij met hem zou handelen als neef Benedictus met een insect, dat hij hem namelijk, als hij 't noodig oordeelde, zou vangen en hem even voorzichtig zou terugbrengen als de andere met een zeldzaam exemplaar der lepidoptera (schubvleugeligen) zou gedaan hebben.
Nadat dit geregeld was, hield men zich niet meer met neef Benedictus bezig.
Men heeft gezien dat de kleine troep goed gewapend en op haar hoede was. Doch, zooals Harris telkens verzekerde, was er geen andere ontmoeting te vreezen dan met zwervende Indianen en waarschijnlijk zou men ook die niet zien.
In ieder geval waren de genomen beschikkingen voldoende om dezen des noods in toom te houden.
De paden, die door het dichte woud liepen, verdienden dien naam eigenlijk niet. Het waren meer sporen voor dieren dan doorgangen voor menschen. Men kon er dan ook slechts moeielijk op vooruitkomen en daarom had Harris den gemiddelden afstand van vijf tot zes mijlen, dien de kleine troep zou afleggen, dan ook wijselijk op twaalf uren berekend.
Het weer was overigens zeer schoon. De zon stond hoog en verspreidde bijna loodrecht haar schitterende stralen. Op de vlakte zou deze warmte onverdraaglijk geweest zijn, 't geen Harris niet verzuimde te doen opmerken; maar onder dat ondoordringbare dak van bladeren, verdroeg men haar gemakkelijk en ongestraft.
De meeste boomen in dit bosch waren, zoowel Mevr. Weldon als haren zwarten en blanken medereizigers, onbekend. Toch zou een deskundige opgemerkt hebben dat zij merkwaardiger waren door hunne hoedanigheid dan door hunne grootte. Hier was het de "bauhinia" of ijzerhout-boom; daar de "molompi", identisch met den pterocarpus of sandelhoutboom, vast en licht hout, goed om pagaaien of roeiriemen van te maken, en welks stam een groote hoeveelheid hars oplevert: verderop waren het "geelboomen", vol beladen met hun gele kleurstof, en "pokhoutboomen," tot twaalf voet dik, maar van mindere hoedanigheid dan de gewone pokhoutboomen.
Dick Sand vroeg onder het gaan den naam dezer verschillende houtsoorten.
"Zijt ge dan nooit op de kust van Zuid-Amerika geweest?" vroeg Harris hem, alvorens op zijn vragen te antwoorden.
"Nooit," antwoordde de leerling, "nooit was ik op mijn reizen in de gelegenheid deze kusten te bezoeken en om de waarheid te zeggen geloof ik niet dat iemand mij ooit als deskundige er iets van verteld heeft."
"Maar de kusten van Columbië, die van Chili of Patagonië hebt ge toch wel bezocht?"
"Neen, nooit."
"Maar Mevr. Weldon heeft misschien dit gedeelte van het nieuwe vasteland bezocht?" vroeg Harris. "De Amerikaansche dames zijn niet bang om een reisje te maken en ongetwijfeld...."
"Neen, mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon. "De handelsbelangen van mijn man voerden hem nergens dan naar Nieuw-Zeeland en ik ben nergens anders met hem mee geweest. Geen van ons kent dus dit gedeelte van beneden-Bolivia."
"Welnu, mevrouw Weldon, u en uwe reisgenooten, u zult een zonderling land zien, dat zeer verschilt van de streken van Peru, Brazilië of de Argentijnsche Republiek. Zijn bloemen- en dierenschat wekken de verbazing op van den natuurkundige. Men kan met recht zeggen dat u op een goede plaats schipbreuk hebt geleden, en als men ooit het toeval mag dankzeggen...."
"'k Geloof liever dat het niet het toeval is, dat ons geleid heeft, mijnheer Harris, maar God."
"Ja, ja, God!" antwoordde Harris, op den toon van iemand die niet veel hecht aan de tusschenkomst der Voorzienigheid in de wereldsche zaken.
Daar dus niemand van den kleinen troep noch het land, noch zijn voortbrengselen kende, maakte Harris er zich een waar genoegen van om de vreemdste boomen van het woud op te noemen.
Het was waarlijk jammer dat neef Benedictus behalve entomoloog ook niet botanist was! Had hij tot nog toe geen zeldzame of nieuwe insecten gevonden, in plantenkunde zou hij prachtige ontdekkingen gedaan hebben. Er was een rijkdom van planten en gewassen van allerlei grootte, welks bestaan in de tropische wouden der Nieuwe-Wereld nog niet vastgesteld had kunnen worden. Neef Benedictus zou anders zeker zijn naam aan eenig voortbrengsel van het plantenrijk geschonken en hem daardoor vereeuwigd hebben. Maar hij hield niet van de kruidkunde en wist er ook niets van. Hij had zelfs, zeer natuurlijk, een afkeer van bloemen, onder voorwendsel dat er waren die zich veroorloven de insecten in haar bloemkronen op te sluiten en ze met haar giftige sappen te dooden.
Het bosch was somtijds moerassig en overal met dunne waterstraaltjes doorsneden, die door de kleine rivier gevormd werden. Eenige dezer beken waren wat breeder, en konden slechts op sommige plaatsen doorwaad worden.
Langs haar oevers groeiden bundels biezen, waaraan Harris den naam van papyrus gaf. Hij vergiste zich niet en deze grasachtige planten schoten in overvloed van onder den vochtigen waterkant uit.
Na het moeras, overdekte het dichte geboomte opnieuw de smalle paden van het bosch.
Harris deed aan Mevr. Weldon en aan Dick Sand zeer schoone ebbenhoutboomen opmerken, dikker dan de gewone ebbenboom en die zwarter en harder hout opleveren dan het hout dat gewoonlijk in den handel voorkomt. Verder waren het mangoboomen, die nog talrijk voorkwamen, alhoewel zij vrij ver van de zee af waren. Zij waren als bekleed met verfmos dat langs de stammen tot de takken opklom. Door hun dichte schaduw, hun heerlijke vruchten, mochten zij met recht kostbare boomen heeten en toch, zoo vertelde Harris, zou geen inlander er de soort van durven voortplanten. "Die een mangoboom plant, sterft!" Dat was de bijgeloovige machtspreuk van het land.
Op den middag van deze eerste dagreis, begon de kleine troep, na een poos halt gehouden te hebben, een licht hellend terrein te beklimmen. Het waren nog de hellingen niet van de keten op den voorgrond, maar een soort van golvend bergvlak dat de vlakte met de bergen verbond.
Daar zouden de iets minder dicht staande boomen, hier en daar in groepen vereenigd, het gaan gemakkelijker gemaakt hebben, indien de bodem niet met grasachtige planten bedekt was. Men zou zich daar in de bamboes- en kreupelbosschen van Oost-Indië gewaand hebben. De plantengroei scheen minder weelderig dan in de lage vallei van de kleine rivier, maar toch nog weelderiger dan die der gematigde luchtstreken van de Oude of de Nieuwe Wereld. De indigo groeide er rijkelijk en volgens Harris ging deze plant met recht voor de weelderigst groeiende plant van het land door. Niet zoodra werd er een veld verlaten of deze woekerplant, die daar even veracht wordt als de distel of netel bij ons, maakte er zich dadelijk meester van.
Eén boom scheen er in dit bosch te ontbreken, die in dit gedeelte van het nieuwe vasteland zeer algemeen had moeten voorkomen. Het was de caoutchouc-boom. Werkelijk zijn de "ficus prinoïdes," de "castilloa elastica," de "cecropia peltato," de "collophora utilis," de "emeraria latifolia," en vooral de "syphonia elastica," die tot verschillende familiën behooren, in de provinciën van Zuid-Amerika rijkelijk voorhanden. En toch zag men er--vreemd genoeg--geen enkele.
Nu had Dick Sand juist aan zijn kleinen vriend Jack beloofd hem caoutchouc-boomen te laten zien. Hoe groot was dus nu de teleurstelling voor den kleinen jongen, die zich verbeeldde dat de kalbasflesschen, de sprekende poppen, de gelede hansworsten en de elastieke ballen, heel natuurlijk aan die boomen groeiden. Hij beklaagde er zich bitter over.
"Geduld maar, mannetje!" zei Harris tot hem. "We zullen van die caoutchoucfiguren bij honderden, in den omtrek der hacienda vinden!"
"Van die mooie, echt elastieke?" vroeg de kleine Jack.
"Zoo elastiek mogelijk.--Maar kom, wil ik je al vast eens een lekkere vrucht geven om je dorst te lesschen?"
En dit zeggende plukte Harris van een boom eenige vruchten die zoo saprijk als perziken waren.
"Is u wel zeker, mijnheer Harris," vroeg Mevr. Weldon, "dat deze vrucht niet ongezond is?"
"'k Zal u geruststellen, mevrouw," antwoordde de Amerikaan die met smaak in een van deze vruchten beet. "'t Is een mango."
En zonder zich langer te bedenken, volgde de kleine Jack het voorbeeld van Harris. Hij verklaarde dat "die peren" zeer lekker waren, zoodat de boom dadelijk schatting moest betalen.
Deze mangoboomen behooren tot de soort welker vruchten in Maart en April rijp zijn, terwijl andere het eerst in September zijn, en bijgevolg waren hun mango's juist goed.
"Ja! dat 's lekker!" zei de kleine Jack, met den mond vol. "Maar mijn vriend Dick heeft me caoutchouc-speelgoed beloofd, als ik zoet was, en nu wil ik het hebben!"
"Je zult het hebben, Jack," antwoordde Mevr. Weldon, "mijnheer Harris belooft het u immers.
"Maar dat is 't niet alleen," hernam Jack, "mijn vriend Dick heeft me nog meer beloofd!"
"Wat heeft je vriend Dick je dan nog meer beloofd?" vroeg Harris glimlachende.
"Vliegenvogeltjes, mijnheer."
"En je zult vliegenvogeltjes ook hebben, mijn ventje, maar verder op.... verder!" antwoordde Harris.
Nu had de kleine Jack werkelijk het recht eenige van die bekoorlijke kolibrietjes te vorderen, want hij bevond zich in een land waar zij in overvloed moesten voorkomen. De Indianen, die de kunst verstaan hun veeren te vlechten, hebben de dichterlijkste namen aan deze juweelen van vogeltjes gegeven. Zij noemen ze of de "stralen" of "de haren der zon." Hier is het "de kleine koning der bloemen," daar, "de hemelsche bloem, die in haar vlucht de aardsche bloem komt liefkoozen." Dan weder noemen zij den kolibri "de bundel edelgesteenten, die in de stralen der zon schittert!" Men kan zelfs aannemen dat hun verbeelding voor ieder der honderd vijftig soorten waaruit dit bewonderenswaardige geslacht der kolibries bestaat een nieuwe dichterlijke benaming heeft weten te vinden.
Hoe talrijk nu evenwel deze vliegenvogeltjes in de bosschen van Bolivia hadden moeten zijn, moest de kleine Jack zich vooralsnog met de belofte van Harris vergenoegen. Volgens den Amerikaan was men nog te dicht bij de kust en hielden de kolibries niet van deze woeste streken, zoo dicht bij den Oceaan. De tegenwoordigheid van den mensch verschrikte ze niet en in de hacienda hoorde men den ganschen dag niets anders, dan hun geschreeuw van "téretére", en het gegons hunner vleugels, gelijk aan dat van een spinnewiel.
"O! hoe graag was ik er al!" riep de kleine Jack uit.
Het zekerste middel spoedig aan de hacienda van San-Felice te zijn, was zich onderweg niet op te houden. Mevr. Weldon en haar reisgenooten besteedden dus slechts den kortst mogelijken tijd aan den slaap.
Het bosch veranderde reeds van gedaante. Hier en daar vertoonden zich reeds open plekken tusschen het minder dichte geboomte. De bodem, die nu en dan door het grastapijt heendrong, vertoonde nu zijn samenstelling uit rooskleurig graniet, gelijk aan vakken lapis-lazuli. Op eenige hoogten woekerden de salsaparrilla (steekwinde), een plant met vleeschachtige knollen, die een onbegrijpelijke verwarde massa vormden. Dan was het bosch met zijn smalle voetpaden ver te verkiezen.
Vóór het ondergaan der zon bevond zich de kleine troep op ongeveer acht mijlen van het punt waarvan zij vertrokken was. Deze tocht was zonder eenige bijzondere gebeurtenis en zelfs zonder groote vermoeienis afgelegd geworden. Weliswaar was het de eerste dagreis en de volgende marschen zouden ongetwijfeld vermoeiender zijn.
Met algemeen goedvinden besloot men op deze plaats halt te houden. Zij wilden nu geen eigenlijk kamp inrichten, maar eenvoudig een plek in orde brengen om te rusten. Eén man, die om de twee uur afgelost werd, zou voldoende zijn om 's nachts wacht te houden, daar noch de inlanders, noch de wilde dieren werkelijk te vreezen waren.
Men vond niets beters voor schuilplaats dan een kolossale mangoboom, welks uitgebreide, zeer dichte takken een soort van natuurlijke veranda vormden. Desnoods had men zich in zijn loof kunnen nestelen.
Alleenlijk deed zich bij de aankomst van den kleinen troep een oorverdoovend concert in den top van den boom hooren.
De mangoboom diende tot verblijf van een gansche kolonie veelkleurige papegaaien, babbelachtige, twistzieke, wreede vogels, die andere levende vogels aanvallen, en waarin men zich als men ze wilde beoordeelen naar haar familieleden die in Europa in kooien gehouden worden, schromelijk zou bedriegen.
Deze papegaaien maakten zulk een geraas, dat Dick Sand er over dacht een geweerschot op hen te lossen, om ze tot zwijgen te brengen of op de vlucht te jagen. Maar Harris ried het hem af, onder voorwendsel dat het beter was in deze eenzame streken zijn tegenwoordigheid door de losbarsting van een vuurwapen niet te verraden.
"Laten we ons stil houden," zei hij "dan hebben we geen gevaar te vreezen."
Terstond hield men zich nu bezig met het bereiden van den avondmaaltijd zonder dat men zelfs noodig had tot het koken der spijzen over te gaan. Het souper bestond namelijk uit ingemaakt voedsel en uit beschuit. Een beekje dat zich door het gras kronkelde, verschafte drinkbaar water, 't welk men echter niet dronk, zonder er eenige druppels rum bijgevoegd te hebben. En wat het dessert betreft, de mangoboom bood in overvloed zijn saprijke vruchten aan, die de papegaaien evenwel niet lieten plukken zonder er door een vervaarlijk geschreeuw tegen op te komen.
Toen het souper was afgeloopen, begon de avond te vallen. De duisternis verhief zich langzaam van den grond naar den top der boomen, waarvan het gebladerte zich weldra sterk tegen den nog helderen hemel afteekende. De eerste sterren geleken op schitterende bloemen, die aan het eind der hoogste takken glinsterden. De wind ging met den naderenden nacht liggen en suisde niet meer in de twijgen. Zelfs de papegaaien waren stom geworden. De natuur sliep in en noodigde alle levende wezens uit, haar in haren diepen slaap te volgen.
De toebereidselen voor het nachtverblijf konden niet dan hoogst eenvoudig zijn.
"Zouden we van nacht geen groot vuur aansteken?" vroeg Dick Sand den Amerikaan.
"Waarom?" antwoordde Harris. "De nachten zijn gelukkig niet koud en onze kolossale mangoboom zal den grond voor uitdamping bewaren. We behoeven noch voor kou, noch voor vochtigheid bang te zijn. Nogmaals zeg ik u, wat ik u straks zeide! Laten we ons incognito houden. Geen vuur, noch geweervuur, of er moet nood zijn."
"Ik geloof nu ook wel," zei Mevrouw Weldon, "dat we niets van de Indianen en zelfs van de woudloopers te vreezen hebben, waarvan u ons vertelde, mijnheer Harris. Maar zijn er nog geen andere loopers, op vier pooten, die het gezicht van een vuur op een afstand houdt?"
"Mevrouw Weldon," antwoordde de Amerikaan, "u doet de wilde dieren van dit land te veel eer aan! Werkelijk zijn zij banger voor den mensch dan deze voor hen!"
"We zijn in een bosch," zei Jack, "en er zijn altijd dieren in de bosschen."
"Er zijn bosschen en bosschen, mijn jongen, zooals er dieren en dieren zijn!" antwoordde Harris lachende. "Verbeeld je dat je in een groot park bent. Inderdaad zeggen de Indianen niet zonder reden van dit land: 'Es como el paradiso!' Het is als een aardsch paradijs!"
"Zouden er dan ook geen slangen zijn?"
"Neen, Jack, er zijn geen slangen, je kunt gerust slapen," antwoordde Mevr. Weldon.
"En leeuwen dan?" vroeg Jack.
"Geen schaduw van leeuwen mannetje!" antwoordde Harris.
"Tijgers dan?"
"Vraag eens aan je Mama, of ze ooit gehoord heeft dat er tijgers in dit land zijn."
"Nooit," antwoordde Mevr. Weldon.
"Nu goed!" zei neef Benedictus, die bij toeval op de hoogte van het gesprek was, "al zijn er dan geen tijgers of geen leeuwen in de Nieuwe-Wereld, wat volkomen waar is, dan vindt men er toch conguars en jaguars."
"Zijn die ondeugend?" vroeg de kleine Jack.
"Ondeugend?" antwoordde Harris, "één inlander durft die dieren wel aanvallen en wij zijn niet zoo velen,--Hercules alleen is sterk genoeg om twee jaguars tegelijk te verbrijzelen, een met elke hand!"
"Zal je goed oppassen, Hercules," zei toen de kleine Jack, "en als je een beest ziet dat komt om ons te bijten...."
"Dan zal ik het bijten, mijnheer Jack!" antwoordde Hercules, zijn mond met prachtige tanden gewapend, openend.
"Ja, je zult oppassen, Hercules," zei de leerling, "maar je kameraden en ik, we zullen je om beurten aflossen."
"Neen, mijnheer Dick," antwoordde Actéon. "Hercules, Bat, Austin en ik, we kunnen dat werk met ons vieren best af, u gaat den geheelen nacht maar gerust slapen."
"'k Dank u, Actéon," antwoordde Dick Sand, "maar ik moet...."
"Neen! Laat die goede menschen doen zooals ze willen, waarde Dick!" zei toen Mevr. Weldon.
"Ik zal ook de wacht houden!" voegde de kleine Jack er nog bij, wiens oogleden zich reeds sloten.
"Ja, ja, Jack jij zult ook de wacht houden!" antwoordde zijn moeder die hem niet wilde tegenspreken.
"Maar," zei de kleine jongen toen weder, "al zijn er geen leeuwen en al zijn er geen tijgers in het bosch, dan zijn er toch wel wolven!"
"'t Zijn er ook wolven naar!" antwoordde de Amerikaan, "'t Zijn zelfs geen wolven, maar een soort van vossen, of liever van die boschhonden die men 'guara's' noemt.
"En die guara's, die bijten dan toch?" vroeg de kleine Jack.
"Kom, kom! Dingo zou die beesten in eens ophappen!"
"'t Doet er niet toe," antwoordde Jack, al geeuwende, "guara's zijn toch wolven, omdat men ze wolven noemt!"
En daarop sliep Jack gerust in, in de armen van Nan, die tegen den stam van den mangoboom zat geleund. Mevr. Weldon, bij haar uitgestrekt, gaf haren kleinen jongen nog een kus en ook hààr vermoeide oogen sloten zich weldra.
Eenige oogenblikken later bracht Hercules neef Benedictus naar de rustplaats terug; hij was juist weggeslopen om een jacht op de "cocuyo's" of vuurvliegen te beginnen, die de elegante dames in het haar dragen, als zooveel levende edelgesteenten. Deze insecten, die een helder, blauwachtig licht verspreiden uit twee onder hun borstschild gelegen vlekjes, zijn zeer talrijk in Zuid-Amerika. Neef Benedictus meende er dus een goeden voorraad van op te doen; maar Hercules liet er hem den tijd niet toe, en bracht hem, ondanks zijn tegenstribbelen, naar de halte terug. Want als Hercules een consigne had, dan bracht hij het op militaire wijze ten uitvoer,--'t geen voorzeker een aanzienlijk aantal lichtvliegen van gevangenschap redde in de blikken bus van den entomoloog.
Eenige oogenblikken later waren allen, uitgenomen de reus die de wacht hield, gerust ingeslapen.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
HONDERD MIJLEN IN TIEN DAGEN.
Gewoonlijk worden de boschreizigers of woudloopers, die in de bosschen onder den blooten hemel geslapen hebben, gewekt door een fantastisch en onaangenaam gehuil. Er is van alles in dit morgenconcert, gekakel, geknor, gekras, gegrinnik, geblaf en bijna "gepraat", als men dat zoo noemen mag, dat de reeks van al deze verschillende geluiden besluit.
Het zijn de apen, die op deze wijze het begin van den dag in het woud begroeten. Daar ontmoet men de kleine "marikina", de gestreepte meerkat, de "grijze mono", wiens huid de Indianen gebruiken om het slot hunner geweren te bedekken, de sagoe's, herkenbaar aan hunne twee lange haarbossen en nog vele andere soorten van die talrijke familie.
Van al die vierhandige dieren zijn de "guéribas", met den grijpstaart en het Beëlzebub-gezicht ontegenzeglijk de merkwaardigste. Zoodra de zon opkomt, heft de oudste van den troep met indrukwekkende en sombere stem een eentonig psalmgezang aan. Hij is de bariton van de bende. De jonge tenors herhalen na hem de morgen-symphonie. De Indianen zeggen dan dat de guériba's "hun paternosters opzeggen".
Maar dien morgen scheen het dat de apen hun gewoon gebed niet deden, want men hoorde ze niet en toch hebben zij een vèr klinkende stem, want het geluid ontstaat door de snelle trilling van een soort van beenachtige trommel, gevormd door een uitzetting van het tongbeen.
In één woord, wegens de een of andere reden hielden noch de guériba's, noch de sagoe's, noch de andere vierhandige dieren van dat onmetelijke woud dien morgen hun gewoon concert.
Dat zou den zwervenden Indianen niet bijzonder bevallen zijn. Niet omdat deze inboorlingen zoo bijzonder gesteld zijn op deze soort van koraalmuziek, maar omdat zij gaarne jacht maken op de apen, wier vleesch, vooral gekookt, uitmuntend is.
Dick Sand en zijn reisgenooten waren zeker niet bekend met deze gewoonten der guériba's, want dan zou het voor hen een reden tot verwondering geweest zijn ze niet te hooren. Zij ontwaakten dus de een na den ander, verkwikt door die weinige uren slaap, die door geen enkel alarm was gestoord geworden.
De kleine Jack was niet de laatste om zich uit te rekken. Zijn eerste vraag was of Hercules 's nachts ook een wolf had opgegeten. Geen wolf had zich vertoond en bijgevolg had Hercules nog niet ontbeten.
Dit was trouwens met allen het geval en na het morgengebed hield Nan zich bezig met het toebereiden van den maaltijd.