Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers

Chapter 12

Chapter 124,029 wordsPublic domain

Het leed geen twijfel of er was iets gaande.

"Dingo heeft een levend wezen geroken, een mensch of een beest," zei de leerling.

"In alle geval is het Negoro niet," deed Tom opmerken, "want dan zou Dingo woedend blaffen."

"Als het Negoro niet is, waar zou hij dan toch kunnen zijn?" vroeg Mevr. Weldon, terwijl zij een blik naar Dick Sand wierp die alleen door haar begrepen werd, "en als hij het niet is, wie is het dan?"

"Wij zullen het spoedig weten, Mevr. Weldon," antwoordde de leerling.

Daarna, zich tot Bat, Austin en Hercules wendende:

"Wapent u, vrienden, en komt mee!"

De negers namen ieder een geweer en een hartsvanger, evenals Dick Sand gedaan had. Na de geweren geladen te hebben, richtten allen zich naar den oever der rivier.

Mevr. Weldon, Tom en Actéon bleven bij den ingang der grot, waar de kleine Jack en Nan zich nog bevonden.

De zon kwam op. Haar stralen, die door de hooge bergen van het oosten werden opgevangen, kwamen niet rechtstreeks tot het strand; maar tot den westelijken horizon, zoover het oog reikte, schitterde de zee onder het eerste licht van den dag.

Dick Sand en zijn metgezellen hielden het midden van het strand welks kromming zich met de monding der rivier vereenigde.

Daar zagen zij Dingo onbeweeglijk als een staande hond, steeds blaffende. Blijkbaar zag of rook hij een inboorling.

En werkelijk had de hond het dezen keer niet tegen Negoro, zijn vijand aan boord.

Van achter den laatsten hoek van den rotsachtigen oever kwam een man te voorschijn. Hij naderde voorzichtig en trachtte door vriendelijke gebaren Dingo te doen bedaren. Men kon zien dat hij volstrekt niet onverschillig was voor den toorn van het krachtige dier.

"'t Is Negoro niet!" zeide Hercules.

"We verliezen niets met den ruil!" antwoordde Bat.

"Neen," zei de leerling, "'t Is waarschijnlijk een inboorling die ons het onaangename van onze scheiding zal besparen. Eindelijk zullen we dan toch eens te weten komen waar we juist zijn!"

En alle vier wierpen hun geweer op den schouder en liepen snel op den vreemdeling toe.

Toen deze hen zag naderen gaf hij in 't eerst teekenen van de grootste verbazing. Ongetwijfeld verwachtte hij geen vreemdelingen op dit gedeelte van de kust te ontmoeten. Blijkbaar ook had hij het wrak van de _Pelgrim_ nog niet opgemerkt, want anders had hij de tegenwoordigheid van schipbreukelingen zeer natuurlijk gevonden. Trouwens had ook de branding gedurende den nacht den romp van het schip geheel vernietigd en bleef er niets anders van over dan wrakhout dat naar volle zee wegdreef.

Toen de onbekende de vier gewapende mannen naar zich zag toe komen, maakte hij in het eerste oogenblik een beweging om terug te keeren. Hij droeg een geweer aan een riem tegen den schouder en liet het snel van zijn schouder in zijn hand en uit zijn hand weder tegen zijn schouder overgaan. Men begrijpt licht dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.

Dick Sand maakte een gebaar van begroeting, dat de vreemdeling zeker begreep, want na eenige aarzeling, deed hij eenige stappen voorwaarts.

Dick Sand kon hem toen goed opnemen.

Het was een krachtig gebouwd man van hoogstens veertig jaar, met een levendig oog, grijzende haren en baard, een verweerde gelaatskleur als van iemand die altijd in de open lucht, in de bosschen of op de vlakte gezworven heeft. Een soort van kiel van gelooid leder diende hem voor buis of jas, een breedgerande hoed bedekte zijn hoofd, leeren laarzen reikten hem tot boven de knie en sporen met groote wieltjes weerklonken aan de hooge hielen.

Dick Sand zag dadelijk, 't geen ook werkelijk het geval was, dat hij niet een van die Indianen, gewone zwervers der pampa's, voor zich had, maar een van die avonturiers van vreemd bloed, gewoonlijk niet veel bijzonders, die men menigmaal in verafgelegen streken ontmoet. Het scheen zelfs, aan zijn stijve houding, aan de roodachtige kleur van eenige baardharen dat deze onbekende van anglo-saxische oorsprong moest zijn. In dat geval was hij noch Indiaan, noch Spanjaard.

En dat bleek werkelijk zoo te zijn, toen hij Dick Sand, die hem in 't Engelsch zei "wees welkom!" in dezelfde taal zonder eenig vreemd accent antwoordde.

"Wees ook gij welkom, jonge vriend," zei de onbekende, naar den leerling toekomende, wiens hand hij drukte.

Wat de zwarten aangaat, vergenoegde hij zich met hun een gebaar te maken, zonder het woord tot hen te richten.

"Zijt gij Engelschen?" vroeg hij den leerling.

"Amerikanen," antwoordde Dick Sand.

"Van het Zuiden?"

"Van het Noorden."

Dit antwoord scheen den onbekende te bevallen, die de hand van den jongeling nog krachtiger en ditmaal goed op zijn Amerikaansch schudde.

"En mag ik weten jonge vriend," vroeg hij, "hoe ge u op deze kust bevindt?"

Maar op dit oogenblik, nam de onbekende den hoed af en groette, zonder te wachten dat de leerling zijn vraag beantwoord had.

Mevr. Weldon was tot aan den oever genaderd en stond toen tegenover hem.

Zij was het die zijn vraag beantwoordde.

"Mijnheer," zeide zij, "we zijn schipbreukelingen wier schip gisteren op die klippen verbrijzeld is!"

Een gevoel van medelijden was duidelijk op het gelaat van den onbekende te lezen, wiens blikken het vaartuig zochten dat op het strand was gezet.

"Er is niets meer van ons schip overgebleven!" voegde de leerling er bij. "De branding heeft het van nacht geheel vernield."

"En onze eerste vraag," hernam Mevr. Weldon, "zal zijn waar we ons bevinden."

"Maar weet u dan niet dat dit de kust van Zuid-Amerika is?" antwoordde de onbekende, die verwonderd scheen over de vraag. "Hadt u eenigen twijfel hieromtrent?"

"Ja, mijnheer, want de stroom heeft ons van onzen weg doen afwijken, dien ik niet met de noodige juistheid heb kunnen opnemen," antwoordde Dick Sand. "Maar 'k wilde nog wel wat nauwkeuriger weten waar we zijn. Zijn we niet op de kust van Peru?"

"Neen, mijn jonge vriend, neen! Een beetje zuidelijker. Ge hebt op de Boliviaansche kust schipbreuk geleden."

"O!" was de verbaasde uitroep van Dick Sand.

"En nog wel op dat zuidelijk gedeelte van Bolivia dat aan Chili grenst."

"En welke kaap is dat dan?" vroeg Dick Sand, op het noordelijk voorgebergte wijzende.

"Ik kan er u den naam niet van zeggen," antwoordde de onbekende, "want al ken ik het binnenland vrij goed, omdat ik het zoo dikwijls doorkruist heb, zoo bezoek ik voor de eerste maal dit strand."

Dick Sand dacht na over 't geen hij van den vreemdeling vernam. Het verwonderde hem maar half, want zijn berekening had hem kunnen en moeten bedriegen, wat de stroomen betrof; maar toch was de vergissing niet onbelangrijk. Hij meende zich toch te bevinden ongeveer tusschen de zeven en dertigste en dertigste parallel, volgens zijn verkenning van het Paasch-eiland, en op de hoogte van de vijf-en-twintigste parallel was hij gestrand. Het was volstrekt niet onmogelijk dat de _Pelgrim_ op zulk een lange reis betrekkelijk zoo weinig ter zijde was afgedreven.

Bovendien hadden zij volstrekt geen reden om de mededeelingen van den onbekende in twijfel te trekken, en daar deze kust die van Beneden-Bolivia was, was er niets vreemds in gelegen dat zij zoo verlaten was.

"Mijnheer," zei toen Dick Sand, "ik moet uit uw antwoord besluiten dat we hier vrij ver van Lima af zijn."

"Ohé! Lima ligt ver.... daarheen! in het noorden!"

Mevr. Weldon die eerst vrij wantrouwig was, wegens de verdwijning van Negoro, nam den vreemdeling met de grootste attentie op, maar zij kon noch in zijn houding, noch in zijn wijze om zich uit te drukken, iets ontdekken, dat zijn goede trouw kon doen betwijfelen.

"Mijnheer," zeide zij, "ik hoop niet dat u mijn vraag indiscreet zal voorkomen.... u schijnt niet van Peruviaanschen oorsprong te zijn?"

"Ik ben een Amerikaan zooals u, mevrouw....!" zeide de onbekende, die een oogenblik wachtte totdat de Amerikaansche hem haar naam deed kennen.

"Mevrouw Weldon," antwoordde deze.

"Mijn naam is Harris, en ik ben geboren in Zuid-Carolina. Maar 't zal nu twintig jaar geleden zijn dat ik mijn land verliet, om naar de pampa's van Bolivia te gaan, en het doet me genoegen landgenooten te ontmoeten."

"Bewoont u dit gedeelte der provincie, mijnheer Harris?" vroeg Mevr. Weldon.

"Neen, mevrouw Weldon," antwoordde Harris, "ik woon in het Zuiden op de Chiliaansche grens, maar, op dit oogenblik ga ik naar Atacama, in het noord-oosten."

"Zijn we dan hier op den rand van de woestijn van dien naam?" vroeg Dick Sand.

"Juist, mijn jonge vriend, en deze woestijn strekt zich ver aan de andere zijde der bergen uit die zich aan den horizon vertoonen."

"De woestijn van Atacama?" herhaalde Dick Sand.

"Ja," antwoordde Harris. "Deze woestijn is zooveel als een land op zich zelf in dit uitgestrekte Zuid-Amerika, waarvan het toch in vele opzichten verschilt. Het is tegelijk het belangrijkste en het minst bekende gedeelte van dit vasteland."

"En reist u er alleen naar toe?" vroeg Mevr. Weldon.

"O! 't Is niet de eerste keer dat ik die reis maak!" antwoordde de Amerikaan. "Er is op tweehonderd mijlen van hier een aanzienlijke hoeve, de hacienda van San-Felice, die het eigendom is van een mijner broeders, naar wien ik mij voor mijn handel begeef. Als u met mij wilt gaan, zult u er goed ontvangen worden, en de middelen van vervoer om naar Atacama te reizen, zullen u daar niet ontbreken. Mijn broeder zal ze u met genoegen verschaffen."

Dit aanbod uit eigen beweging gedaan, nam Mevr. Weldon zeer voor den Amerikaan in, die zich nu tot haar richtte met de vraag:

"Zijn deze negers uw slaven?"

En hij wees op Tom en zijn kameraden.

"We hebben geen slaven meer in de Vereenigde Staten," antwoordde Mevr. Weldon. "Het Noorden heeft sedert lang de slavernij afgeschaft, en het Zuiden heeft het voorbeeld van het Noorden wel moeten volgen!"

"Dat's waar ook," antwoordde Harris. "Ik had vergeten dat de oorlog van 1862 die ernstige vraag beslist heeft.--Ik hoop dat die brave menschen 't me zullen vergeven," voegde Harris er bij met een zweem van spotternij die een Amerikaan uit het Zuiden, tegen negers sprekende, altijd laat doorschemeren. "Maar toen ik die heeren in uw dienst zag, dacht ik...."

"Ze zijn niet en waren niet in mijn dienst, mijnheer," antwoordde Mevr. Weldon ernstig.

"We zouden ons vereerd gevoelen u te dienen, mevrouw Weldon," zei toen de oude Tom. "Maar, mijnheer Harris moet weten dat we aan niemand toebehooren. Ik ben slaaf geweest, 't is waar en werd als slaaf in Afrika verkocht toen ik nog maar zes jaar oud was, maar mijn zoon Bat, die daar staat, is de zoon van een vrijgemaakten vader en onze kameraden zijn allen uit vrije ouders geboren."

"Ik moet er u wel zeer geluk mee wenschen!" antwoordde Harris op een toon dien Mevr. Weldon niet ernstig genoeg vond. "Ook op dezen grond van Bolivia hebben we geen slaven. Ge hebt dus niets te vreezen en ge kunt even vrij hier rondwandelen als in de Staten van Nieuw-Engeland."

Op dit oogenblik kwam de kleine Jack, gevolgd door Nan, de grot uit, zich de oogen wrijvende.

Toen hij zijn moeder in 't oog kreeg, liep hij naar haar toe. Mevr. Weldon omhelsde hem teeder.

"Wat een aardige, kleine jongen!" zei de Amerikaan.

"Dat's mijn zoon," antwoordde Mevr. Weldon.

"O! mevrouw Weldon, u moet u dubbel ongerust gemaakt hebben, nu uw kind in al uw gevaren deelde!"

"God heeft hem gespaard, zoowel als ons, mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon.

"Mag ik hem een kus op zijn gezonde wangen geven?" vroeg Harris.

"Gaarne," antwoordde Mevr. Weldon.

Maar "mijnheer Harris" scheen den kleinen Jack niet bijzonder te bevallen, want hij drukte zich nog vaster tegen zijn moeder aan.

"Wat!" zei Harris, "wil je niet dat ik je kus! Ben je bang voor me, mannetje?"

"Neem 't hem niet kwalijk, mijnheer," haastte zich Mevr. Weldon te zeggen, "'t Is niets anders dan verlegenheid van hem."

"Nu, we zullen wel nader kennismaken!" antwoordde Harris. "Als we maar eens op de hacienda zijn en hij een mooien pony van me krijgt om op te rijden, zal hij wel veel van me houden!

"Maar het aanbod van den 'mooien pony' was evenmin geschikt om Jack te streelen als het voorstel om zich door mijnheer Harris te laten kussen."

Mevr. Weldon, die het hinderde dat Jack zoo onaardig was, haastte zich het gesprek op iets anders te brengen Men moest oppassen den man niet te kwetsen, die zoo beleefd zijn diensten had aangeboden.

Dick Sand dacht intusschen over het voorstel na, dat hun zoo ter rechter tijd gedaan werd, om de hacienda van San-Felice te bereiken. Het was, zooals Harris gezegd had, een tocht van meer dan twee honderd mijlen, nu eens door bosschen, dan weder door vlakten, een zeer vermoeiende reis ongetwijfeld, omdat de middelen van vervoer volstrekt ontbraken.

De jeugdige leerling maakte dus eenige opmerkingen in dit opzicht en wachtte het antwoord af dat de Amerikaan hierop zou geven.

"'t Is waar, de reis is wat lang," antwoordde Harris, "maar 'k heb daar op een honderd of wat schreden van den oever een paard dat ik ter beschikking van mevrouw Weldon en haar zoon wilde stellen. Wat ons betreft, voor ons is er niets bezwarends en zelfs niet veel vermoeiends in gelegen den weg te voet af te leggen en als ik van twee honderd mijlen spreek, wil ik daarmede zeggen door den loop dezer rivier te volgen, zooals ik 't al eens gedaan heb. Maar, als we onzen weg dwars door het bosch namen, zou dit den afstand minstens tachtig mijlen verkorten. Als we dan tien mijlen per dag maakten, dunkt me dat we de hacienda zonder veel moeite zouden bereiken."

Mevr. Weldon dankte den Amerikaan.

"U kunt me niet beter bedanken dan door mijn voorstel aan te nemen," antwoordde Harris. "'k Heb wel nooit dit bosch doorkruist maar ik geloof toch wel er mijn weg in te zullen vinden, omdat ik zoo gewoon ben in de pampa te reizen. Maar er is een ernstiger zaak te bespreken, die der levensmiddelen namelijk. Ik heb slechts het hoog noodige om de hacienda van San-Felice te bereiken...."

"Wat dat aangaat, mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon, "we hebben gelukkig meer dan genoeg levensmiddelen en 't zal ons genoegen doen ze met u te deelen."

"Als dat zoo is, mevrouw Weldon, dunkt me dat alles zich best zal schikken en we maar vertrekken moesten."

Harris wilde nu zijn paard gaan halen op de plaats waar hij het gelaten had, toen Dick Sand hem nog even ophield om hem een vraag te doen.

Het beviel den jeugdigen leerling niet bijzonder, de kuststreek te verlaten, om zoover in het binnenland door te dringen. De zeeman kwam bij hem boven en hij had liever de reis langs de kust genomen.

"Mijnheer Harris," zeide hij, "waarom, in plaats van honderd twintig mijlen in de woestijn van Atacama af te leggen, niet liever de kust gevolgd? Was het niet beter de dichtstbij zijnde stad te bereiken, het zij ten noorden, hetzij ten zuiden?"

"Maar, mijn jonge vriend," antwoordde Harris, het voorhoofd licht fronsende. "'k geloof niet dat er op een afstand van drie of vier honderd mijlen een stad op deze kust is, die ik--het is waar--zeer weinig ken."

"Ten noorden, ja," antwoordde Dick Sand, "maar ten zuiden?...."

"Ten zuiden," hernam de Amerikaan, "zouden we tot Chili de kust moeten afzakken. Nu is die afstand bijna even ver, en in uw plaats zou ik liever niet langs de pampa's van de Argentijnsche Republiek willen reizen. Wat mij betreft, tot mijn groote spijt, zou ik u niet kunnen vergezellen."

"Gaan dan de schepen, die van Chili naar Peru varen, niet in 't gezicht van deze kust voorbij?" vroeg daarop Mevr. Weldon.

"Neen," antwoordde Harris. "Zij kiezen liever het ruime sop en u hebt er ook zeker geen ontmoet."

"Dat is ook zoo," antwoordde Mevr. Weldon."--"Nu, Dick, heb je nog iets aan mijnheer Harris te vragen?"

"Nog een enkele vraag, mevrouw Weldon," antwoordde de leerling, die noode toestemde, "'k Wilde mijnheer Harris nog vragen in welke haven hij denkt dat we een schip kunnen vinden om naar San-Francisco terug te keeren?"

"Dat zou ik u waarlijk niet kunnen zeggen, mijn jonge vriend," antwoordde de Amerikaan. "Alles wat ik weet, is dat we u op de hacienda van San-Felice de middelen zullen verschaffen de stad Atacama te bereiken, en van daar...."

"Mijnheer Harris," zei nu Mevr. Weldon, "meen niet dat Dick Sand aarzelt uw aanbod aan te nemen!"

"Neen, mevrouw Weldon, neen, ik aarzel niet," antwoordde de leerling, "maar 't spijt me zoo dat we niet eenige graden meer ten noorden of ten zuiden gestrand zijn! We zouden dan dichter bij een haven geweest zijn en door deze omstandigheden niet hebben behoeven gebruik te maken van den goeden wil van mijnheer Harris, omdat we dan gemakkelijker naar ons vaderland hadden kunnen terugkeeren."

"Beschik vrij over mij, mevrouw Weldon," hernam Harris. "Ik zeg nog eens, dat ik maar al te zelden in de gelegenheid ben eens landgenooten te ontmoeten. 't Is voor mij een wezenlijk genoegen u te verplichten."

"We nemen uw aanbod aan, mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon, "maar 'k zou u toch niet gaarne van uw paard willen berooven. 'k Ben een goede voetgangster...."

"En ik een zeer goede voetganger," antwoordde Harris buigende, "'k Ben aan lange marschen door de pampa's gewoon en ik zal geen vertraging in onze karavaan brengen. Neen, mevrouw Weldon, u en uw kleine Jack zult u van dat paard bedienen. 't Is trouwens ook mogelijk dat we onderweg eenige bedienden van de hacienda ontmoeten, en daar deze gewoonlijk te paard zitten, kunnen ze ons hunne paarden afstaan."

Dick Sand zag nu zeer goed in, dat hij door nieuwe tegenwerpingen te maken Mevr. Weldon geen pleizier zou doen.

"Wanneer vertrekken we, mijnheer Harris?" vroeg hij.

"Van daag nog, mijn jonge vriend," antwoordde Harris. "De regentijd begint met April en we moeten het mogelijke doen om vóór dien tijd de hacienda van San-Felice te bereiken. De weg door het woud is nog de kortste en misschien ook de veiligste. Hij is minder dan de kust blootgesteld aan de invallen der zwervende Indianen, die onverbeterlijke plunderaars zijn."

"Tom, mijn vrienden," zei nu Dick Sand zich tot de negers wendende, "er blijft ons nu slechts over de toebereidselen tot het vertrek te maken. Kiest dus uit den scheepsvoorraad, wat het gemakkelijkst te vervoeren is, en laten we pakken maken, waarvan ieder zijn deel moet dragen."

"Mijnheer Dick," zei Hercules, "als u 't wilt, zal ik alles wel dragen!"

"Neen, mijn brave Hercules!" antwoordde de leerling, "'t Is beter dat we den last onder ons verdeelen."

"Je bent een stevige kameraad, Hercules," zei toen Harris, die den neger mat alsof deze te koop ware geweest. "Je zoudt veel opgebracht hebben op de markten van Afrika!"

"'t Is mogelijk dat ik veel zou kosten," antwoordde Hercules lachende, "maar de koopers zouden hard moeten loopen, als ze me vangen wilden!"

Alles was nu afgesproken en om het vertrek te verhaasten, zette ieder zich aan 't werk. Men had slechts zooveel voorraad voor den kleinen troep mede te nemen als noodig was voor de reis van de kust naar de hacienda, namelijk slechts voor een tiental dagen.

"Maar, voordat we vertrekken, mijnheer Harris," zeide Mevr. Weldon, "voordat we van uw gastvrijheid gebruik maken, wilde ik u verzoeken de onze aan te nemen. We bieden haar u van harte aan!"

"Dat neem ik aan, mevrouw Weldon, volgaarne!" antwoordde Harris opgeruimd.

"Binnen eenige minuten zal ons ontbijt klaar zijn."

"Goed, mevrouw Weldon. Ik maak me die tien minuten ten nutte om mijn paard te gaan halen. Hij zal wel ontbeten hebben...."

"Wilt u dat ik met u mee ga, mijnheer?" vroeg Dick Sand den Amerikaan.

"Zooals ge wilt, mijn jonge vriend," antwoordde Harris. "Kom! Ik zal u den loop dezer rivier leeren kennen."

Beiden vertrokken.

Gedurende dien tijd werd Hercules uitgezonden om den entomoloog op te zoeken. Neef Benedictus verontrustte zich waarlijk wel over 't geen rondom hem voorviel! Hij zwierf op dat oogenblik op den top van het rotsachtige strand en zocht naar een insect dat niet te vinden was en dat hij dan ook trouwens niet vond.

Hercules nam hem tegen wil en dank mee. Mevr. Weldon vertelde hem dat het vertrek bepaald was en dat ze nu een tiental dagen in het binnenland zouden reizen.

Neef Benedictus antwoordde dat hij gereed was om te vertrekken en dat hij met pleizier geheel Amerika wilde doorkruisen als men hem onderweg maar liet verzamelen.

Mevr. Weldon hield zich daarop bezig, om met behulp van Nan een krachtig maal gereed te maken. Een goede voorzorg alvorens zich op weg te begeven.

In dien tijd was Harris, vergezeld van Dick Sand, den hoek der rotsen omgegaan. Zij volgden den oever een drie honderd schreden ver. Op een zeker punt aangekomen, liet een paard, aan een boom gebonden, bij de nadering van zijn meester, een vroolijk gehinnik hooren.

Het was een krachtig dier, van een ras dat Dick Sand niet kende. Met zijn langen hals, zijn korte lenden en uitgestrekt kruis, zijn platte schouders, zijn bijna gebocheld voorhoofd, bood dit paard de onderscheidingskenmerken aan van Arabischen oorsprong.

"Ge ziet, mijn jonge vriend," zei Harris, "dat het een krachtig dier is, en ge kunt er op rekenen dat hij ons onderweg niet in den steek zal laten."

Harris maakte zijn paard los, nam het bij den toom en klom van den steilen oever weder naar omlaag, terwijl hij Dick Sand hierbij voorging. Deze had een vluchtigen blik geworpen, zoowel op de rivier als op het bosch dat haar beide oevers omzoomde. Doch hij zag niets dat hem kon verontrusten.

Toen hij zich wederom bij den Amerikaan gevoegd had, deed hij hem evenwel plotseling de volgende vraag, die deze moeilijk had kunnen verwachten.

"Hebt u van nacht geen Portugees ontmoet, mijnheer Harris, die zich Negoro noemde?"

"Negoro?" antwoordde Harris op een toon van iemand die niet begrijpt wat men wil zeggen. "Wat is er dat voor een, die Negoro?"

"Dat was de scheepskok," antwoordde Dick Sand, "en hij is eensklaps verdwenen."

"Verdronken misschien?" zei Harris.

"Neen, neen!" antwoordde Dick Sand. "Gisteren avond was hij nog bij ons, maar van nacht heeft hij ons verlaten en zich waarschijnlijk langs den oever der rivier uit de voeten gemaakt. Daarom vroeg ik of u, die van dezen kant gekomen is, hem niet ontmoet hebt?"

"'k Heb niemand ontmoet," antwoordde de Amerikaan, "en als uw kok zich alleen in het bosch gewaagd heeft, is er veel kans dat hij verdwaald is. Misschien nemen we hem onderweg wel op?"

"Ja.... misschien!" antwoordde Dick Sand.

Bij hun terugkomst vonden zij het ontbijt gereed. Het bestond als het maal van den vorigen avond, uit ingemaakte voedingsmiddelen, pekel-vleesch en beschuit. Harris deed er eer aan als iemand dien de natuur met een flinken eetlust begiftigd heeft.

"Kom, kom," zeide hij, "ik zie dat we onderweg niet van honger zullen omkomen! Dat zal ik niet zeggen van dien armen Portugees, van wien onze jonge vriend me verteld heeft."

"O!" riep Mevr. Weldon uit, "heeft Dick Sand u gezegd dat we Negoro niet terug gezien hebben?"

"Ja, mevrouw Weldon," antwoordde de leerling, "'k Wilde eens hooren of mijnheer Harris hem niet ontmoet had."

"Neen," antwoordde Harris. "Laten we dus dien deserteur, waar hij is, en houden we ons alleen met het vertrek bezig!--Als 't u blieft, mevrouw Weldon!"

Ieder nam het pak op dat voor hem bestemd was. Herkules hielp Mevr. Weldon te paard en de ondankbare kleine Jack, met zijn geweer aan den schouderriem, zette zich schrijlings, zonder er zelfs aan te denken den man te bedanken, die zulk een uitmuntend rijdier te zijner beschikking stelde.

Jack, vóór zijn moeder geplaatst, zeide haar toen dat hij het "paard van den mijnheer" zeer goed mennen kon.

Men gaf hem dus den teugel in handen, en natuurlijk twijfelde hij geen oogenblik of hij was het hoofd der karavaan.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ONDERWEG.

Niet zonder eenige bezorgdheid,--die trouwens door niets gerechtvaardigd scheen,--drong Dick Sand, op driehonderd schreden van den steilen oever der rivier, in het dichte woud door, welks moeielijke voetpaden door hem en zijn metgezellen tien dagen lang gevolgd zouden worden.

Integendeel was Mevr. Weldon, zij, die als vrouw en moeder, dubbele reden had zich ongerust te maken, vol vertrouwen.