Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers
Chapter 11
Ten noorden, op een kwart mijl van de plaats van de stranding, bevond zich de monding eener kleine rivier, die uit volle zee niet kon gezien worden. Langs haar oevers hingen talrijke "rhizophoren" over het water, een soort van wortelboomen, geheel verschillende van die van hetzelfde geslacht in Indië.
De steile kust was aan den top bedekt door een dicht bosch, dat steeds een door den wind in golvende beweging verkeerende groene massa aanbood en zich uitstrekte tot de bergen op den achtergrond. Wel zou neef Benedictus, zoo hij in plaats van entomoloog botanist ware geweest, opgetogen zijn door het ontzaglijk aantal voor hem vreemde boomen!
Het waren hooge baobabs of apenbroodboomen,--waaraan men verkeerdelijk een buitengewoon hoogen ouderdom heeft toegeschreven,--plataanboomen, witte pijnboomen, tamarindeboomen, peperboomen van een bijzondere soort en honderd andere gewassen, die een Amerikaan uit de noordelijke streken der nieuwe wereld niet gewoon is te zien.
Maar als een zonderlinge omstandigheid moet vermeld worden dat men onder al deze boomsoorten geen enkel exemplaar ontmoet van de talrijke familie der palmboomen, die meer dan duizend soorten telt en verspreid zijn over bijna de geheele oppervlakte der aarde.
Boven het strand zweefde een groot aantal schel schreeuwende vogels, die grootendeels tot verschillende soorten van zwaluwen behoorden, zwart van veeren met een staal blauwen weerschijn, maar kastanje-bruin van kleur boven op den kop. Hier en daar vlogen ook eenige patrijzen op met een geheel kalen hals en grijs van kleur.
Mevr. Weldon en Dick Sand merkten op, dat al deze vogels niet zeer wild schenen te zijn. Men kon ze naderen zonder ze te verjagen. Hadden zij dan nog niet geleerd den mensch te vreezen en was die kust zoo verlaten, dat de losbarsting van een vuurwapen er nog nooit was gehoord?
Aan den rand der klippen wandelden eenige pelikanen, die zich druk bezig hielden met den zak dien zij tusschen de takken van hun onderkaak dragen met kleine vischjes te vullen.
Eenige meeuwen uit volle zee gekomen, begonnen om den _Pelgrim_ heen te vliegen.
Maar deze vogels waren dan ook de eenige wezens die dit gedeelte van de kust schenen te bezoeken,--ongerekend, voorzeker, een aantal belangwekkende insecten, die neef Benedictus wel zou opsporen. Maar, hoe het den kleinen Jack ook ter harte ging, hun kon men den naam van het land niet vragen, en om dien naam te weten diende men zich wel tot een inboorling te richten.
Doch er waren geen inboorlingen, of men zag er althans geen. Evenmin een hut of tent, noch ten noorden aan den anderen oever van het kleine riviertje, noch ten zuiden, noch eindelijk op den top van de steile kust, te midden van de boomen van het dichte woud. Geen rookkolom zag men boven het bosch ten hemel kronkelen. Geen enkel bewijs, teeken of indruk gaf te kennen dat dit gedeelte van het vasteland door menschelijke wezens bezocht werd.
Dick Sand was tamelijk verwonderd.
"Waar zijn we? Waar kunnen we zijn?" dacht hij bij zich zelven. "Er is niemand wien het te vragen!"
Niemand, inderdaad, en indien zich een inboorling in de nabijheid bevond, zou Dingo hem stellig geroken en door blaffen aangemeld hebben. De hond liep heen en weder op de zandige kust met den neus langs den grond, den staart omlaag, dof knorrende, ongetwijfeld met zeer vreemde bewegingen, maar noch de nadering van een mensch, noch die van eenig dier verradende.
"Zie Dingo toch eens!" zei Mevr. Weldon.
"Ja, 't is vreemd!" antwoordde de leerling. "Het schijnt dat hij tracht een spoor te vinden!"
"Zeer vreemd, dat is zeker!" mompelde Mevr. Weldon.
"Wat doet Negoro?" vroeg zij.
"Hij doet, wat Dingo doet," antwoordde Dick Sand. "Hij komt, hij gaat!.... Maar in alle geval, is hij hier vrij. 'k Heb het recht niet meer hem bevelen te geven. Zijn dienst is geëindigd met het stranden van den _Pelgrim_!"
Werkelijk liep Negoro met groote schreden heen en weder, keerde zich om, bekeek het strand en de steile kust, als iemand die tracht zich een of ander feit te herinneren. Kende hij dan dat land? Hij zou waarschijnlijk geweigerd hebben die vraag te beantwoorden als men hem haar gedaan had. Het beste was nog, zich niet met den ongezelligen mensch te bemoeien. Dick Sand zag weldra dat hij zich naar de zijde van het kleine riviertje begaf, en toen Negoro bij de bocht van den hoogen oever verdween, dacht hij niet meer aan hem.
Dingo had wel geblaft toen de kok op den oever verscheen, maar hij was bijna dadelijk uitgescheiden.
Men moest nu bedacht zijn op 't geen het noodzakelijkst was. Nu was het hoog noodig een beschutting, een wijkplaats te vinden, waar men zich voorloopig kon vestigen en eenig voedsel nemen. Daarna zou men dan raad schaffen en beslissen wat te doen.
Over voedsel behoefde men zich niet ongerust te maken. Om niet te spreken van de hulpbronnen die het land moest opleveren, was de kombuis of voorraadkamer van het schip geledigd ten voordeele van de overlevenden van de schipbreuk. De branding had hier en daar, te midden der klippen die de eb nu bloot had gelegd, een groote menigte voorwerpen geworpen. Tom en zijn kameraden hadden reeds eenige vaatjes beschuit, blikken bussen met allerlei voedingstoffen en kisten met gedroogd vleesch opgevischt. Daar het water ze niet beschadigd had, was de voeding van den kleinen troep voor langer verzekerd dan ze noodig zouden hebben om een dorp of vlek te bereiken. In dit opzicht was er niets te vreezen. Deze verschillende goederen waren reeds door hen in zekerheid gebracht, zoodat zij bij den vloed niet door de zee hernomen konden worden.
Ook aan zoet water was geen gebrek. Dadelijk had Dick Sand zorg gedragen door Hercules eenige pinten uit de kleine rivier te laten halen. De sterke neger had zich echter niet met eenige pinten vergenoegd, maar een ton op den schouder genomen en dezen met versch en zuiver water gevuld.
Indien het noodig was vuur aan te steken, was er geen gebrek aan dood hout in den omtrek en daarenboven konden de wortels der oude wortelboomen al de brandstof leveren die men noodig had. De oude Tom was een sterke rooker en als zoodanig steeds voorzien van een zekere hoeveelheid zwam, goed bewaard in een hermetisch gesloten doos, en als men het wilde zou men vuurslaan, al was het met de keisteenen uit het zand aan den oever.
Er bleef dus nu nog over een plek op te sporen waar de kleine troep zich zou kunnen verschuilen, indien zij mochten goedvinden één nacht rust te nemen voordat zij zich weder op marsch begaven.
En daar was het nu waarlijk de kleine Jack die de bedoelde slaapkamer vond. Terwijl hij aan den voet van den steilen oever heen en weer trippelde, ontdekte hij achter een rotswand een van die fraaie, ruime grotten met gladde wanden, die de zee zelf uitholt, als haar onstuimige golven de kust beuken.
Het kind was verrukt. Hij riep zijn moeder, en juichend kwam hij haar halen om haar zegevierend zijn ontdekking te toonen.
"Goed, mijn Jack!" antwoordde Mevr. Weldon. "Als we Robinsons waren, die deze kust lang moesten bewonen, zouden we haar stellig naar jou een naam geven!"
De grot was slechts tien of twaalf voet diep en even zoo breed, maar in de oogen van den kleinen Jack, was het een ontzaglijk hol. Genoeg dat zij ruim genoeg was om de schipbreukelingen te bergen, en--'t geen met genoegen door Mevr. Weldon en Nan werd opgemerkt,--zij was zeer droog. De maan was in haar eerste kwartier, en het was niet te vreezen dat het getij den voet der steile kust en dus de grot zou bereiken. Men kon zich dus zonder zorg eenige uren te rusten leggen.
Tien minuten later waren allen op een tapijt van zeegras uitgestrekt. Zelfs Negoro had gemeend zich bij het troepje te moeten voegen en zijn aandeel in den maaltijd te nemen, die gezamenlijk zou gehouden worden. Ongetwijfeld was het hem minder aangenaam voorgekomen zich alleen te wagen in het dichte woud, waar doorheen de bochtige rivier kronkelde.
Het was één uur na den middag. Het in bussen bewaarde vleesch, de beschuit, het versche water met eenige druppels rum, waarvan Bat eenige flesschen gered had, maakten de menu van dezen maaltijd uit.
Maar al nam Negoro er deel aan, toch mengde hij zich volstrekt niet in het gesprek, waarin over de maatregelen beraadslaagd werd, die in den toestand der schipbreukelingen zouden moeten genomen worden. Evenwel hoorde hij toe, zonder het te laten blijken, en trok ongetwijfeld zijn voordeel uit hetgeen hij hoorde.
Gedurende dien tijd waakte Dingo, dien men niet vergeten had, buiten de grot. Geen levend wezen zou zich op het strand vertoond hebben zonder dat het getrouwe dier bij tijds gewaarschuwd had.
Mevr. Weldon, die haar kleinen Jack half liggende en bijna ingeslapen op haar schoot hield, nam het woord.
"Dick, mijn vriend," zeide zij, "uit naam van allen zeg ik je dank voor de zorg en opofferingen die ge u voor ons getroost hebt, maar we laten je nog niet los. Je zult onze leidsman zijn te land, zooals je onze kapitein aan boord waart. Al onze hoop is op je gevestigd. Spreek dus! Wat moeten we doen?"
Mevr. Weldon, de oude Nan, Tom en zijn kameraden, allen hadden de oogen op den leerling gevestigd. Zelfs Negoro zag hem met een zonderlinge belangstelling aan. Blijkbaar was hij zeer nieuwsgierig naar 't geen Dick zou zeggen.
Nadat Dick Sand eenige oogenblikken had nagedacht, zeide hij:
"Mevrouw Weldon, in de eerste plaats is het van het grootste belang te weten, waar we zijn. Ik geloof dat ons schip geland is op dat gedeelte van het Amerikaansche strand dat de Peruviaansche kust vormt. De winden en de stroomen hebben het tot deze breedte gebracht. Maar.... bevinden we ons hier in een van de zuidelijke provinciën van Peru, namelijk in het minst bewoonde gedeelte, dat aan de pampa's grenst? Misschien. Bij het zien van deze woeste kust, die slechts weinig schijnt bezocht te worden, zou ik het haast zelf gaan gelooven. In dat geval, zou het kunnen zijn dat we vrij ver van het dichtstbij zijnde dorp verwijderd waren, 't geen zeer noodlottig zou zijn."
"Welnu, wat te doen?" herhaalde Mevr. Weldon.
"Ik zou raden," hernam Dick Sand, deze schuilplaats niet te verlaten voor dat we goed omtrent onzen toestand zijn ingelicht. Morgen, na een nacht rust, zouden twee van ons op ontdekking kunnen uitgaan. Zij moeten dan trachten, zonder zich te ver te verwijderen, eenige inlanders te ontmoeten, inlichtingen bij hen in te winnen en daarna naar de grot terugkeeren. Het is niet mogelijk dat men binnen tien of twaalf mijlen niemand zou vinden."
"Zouden we ons van elkander scheiden!" zei Mevr. Weldon.
"Dat komt me noodzakelijk voor," antwoordde de leerling. "Zoo we op deze wijze volstrekt geen inlichtingen kunnen verkrijgen en wat bijna onmogelijk is, de streek geheel verlaten blijkt, welnu! dan zullen we ons best doen om ons op een andere manier uit onze verlegenheid te redden."
"En wie van ons zou op ontdekking uitgaan?" vroeg Mevr. Weldon, na een oogenblik nagedacht te hebben.
"Dat zouden we moeten bepalen," antwoordde Dick Sand. "Evenwel dunkt me, dat u, mevrouw, Jack, mijnheer Benedictus en Nan, deze grot niet moet verlaten. Bat, Hercules, Actéon en Austin zouden dan bij u blijven, terwijl Tom en ik op verkenning zouden gaan.--Negoro zal wel liever hier blijven?" voegde Dick Sand er bij, terwijl hij den kok aankeek.
"Dat zou wel kunnen zijn," antwoordde Negoro, die de man niet was om zich verder uit te laten.
"We nemen dan Dingo mede," hernam de leerling. "Hij zou ons op onzen tocht nuttig kunnen zijn."
Toen Dingo zijn naam hoorde noemen, vertoonde hij zich aan den ingang der grot en scheen door een zacht geblaf de plannen van Dick Sand goed te keuren.
Sedert de leerling dit voorstel gedaan had, bleef Mevr. Weldon in gedachten verdiept. Met tegenzin dacht zij aan een scheiding, hoe kort dan ook. Was het niet mogelijk dat de schipbreuk van den _Pelgrim_ bij de Indiaansche stammen die de kust, hetzij ten noorden hetzij ten zuiden bezochten, bekend werd, en was het, ingeval er strandroovers opdaagden, niet beter dat allen vereenigd waren om hen terug te dringen.
Deze tegenwerping tegen het voorstel van Dick Sand, verdiende werkelijk wel overwogen te worden.
Zij viel evenwel voor zijn bewijsgronden, daar hij deed opmerken dat de Indianen niet verward moesten worden met de wilden van Afrika of Polynesië en dat een aanval van hun zijde waarschijnlijk niet te vreezen was. Maar dit land binnen te dringen zonder zelfs te weten tot welke provincie van Zuid Amerika het behoorde, noch op welken afstand zich het naaste dorp dezer provincie bevond, zou een hoogstvermoeiende taak geweest zijn. De scheiding kon weliswaar met ongelegenheden gepaard gaan, maar minder dan een tocht te ondernemen door een bosch dat zich scheen uit te strekken tot den voet der bergen.
"Ook," herhaalde Dick Sand, aandringende, "kan ik niet gelooven dat deze scheiding van langen duur zal zijn, en ik durf wel zeggen dat zij het niet zal zijn. Als Tom en ik na twee dagen op zijn hoogst geen woning of geen bewoner ontmoet hebben, keeren we naar de grot terug. Maar dat zou al te onwaarschijnlijk zijn en we zullen geen twintig mijlen in het binnenland afgelegd hebben, of we zullen met de geographische ligging bekend zijn. 't Is mogelijk dat ik me vergist heb, omdat de middelen om de ligging astronomisch te bepalen me ontbroken hebben, zoodat het niet onmogelijk is, dat we op een hoogere of een lagere breedte zijn."
"'k Moet je gelijk geven, mijn kind!" antwoordde Mevr. Weldon, die zich zeer ongerust maakte.
"En u, mijnheer Benedict," vroeg Dick Sand, "wat dunkt u van dit plan?"
"Ik?...." antwoordde neef Benedictus.
"Ja, hoe zoudt u er over denken?"
"Ik kan geen raad geven," antwoordde neef Benedictus. "Ik vind alles goed wat men voorstelt en ik zal alles doen wat men wil. 't Zou me heel goed bevallen hier een paar dagen te blijven, dan kon ik dien tijd besteden om dit strand uit een zuiver entomologisch oogpunt te bestudeeren."
"Doe dan zoo als ge wilt," zei Mevr. Weldon tot Dick Sand. "Wij zullen hier blijven en gij zult met den ouden Tom vertrekken."
"Dat is dus afgesproken," zei neef Benedictus met de grootste bedaardheid. "Ik ga een bezoek aan de insecten van het land brengen."
"Verwijder u niet te ver, mijnheer Benedict," zei de leerling. "We kunnen u dat niet genoeg op het hart drukken!"
"Maak je maar niet ongerust, mijn jongen."
"En breng ons vooral maar niet te veel muskieten mee!" voegde de oude Tom er bij.
Eenige minuten later verliet de entomoloog de grot, met zijn kostbare blikken bus aan een band over den schouder.
Bijna op hetzelfde oogenblik verliet ook Negoro de grot. Het scheen zoo in het karakter van den man te liggen zich met niemand af te geven dan met zich zelven. Maar terwijl neef Benedictus de steile kust beklom, om den rand van het bosch te gaan doorsnuffelen, verwijderde Negoro zich, naar de rivier terugkeerende, met langzame schreden en verdween hij terwijl hij den steilen waterkant voor de tweede maal beklom.
Jack bleef altijd door slapen. Mevr. Weldon liet hem op den schoot van Nan en daalde naar het strand af. Dick Sand volgde haar met zijn kameraden. Zij wilden zich vergewissen of de toekomst der zee zou toelaten zich naar den romp van den _Pelgrim_ te begeven, alwaar zich nog een menigte voorwerpen bevonden die de kleine troep kon gebruiken.
De klippen waarop de schoenerbrik gestrand was, lagen nu droog. Temidden van overblijfselen van allerlei aard vertoonde zich de romp van het vaartuig, gedeeltelijk overdekt door de hooge zee. Dit wekte wel eenigszins de bevreemding op van Dick Sand, want hij wist dat de vloed op de Amerikaansche kust van de Stille Zuidzee niet hoog is. Maar dit verschijnsel liet zich toch ook zeer goed verklaren door den wind die op de kust stond.
Het terugzien van hun vaartuig maakte op Mevr. Weldon en haar metgezellen een pijnlijken indruk. Daar hadden zij te zamen zoovele dagen in lief en leed doorgebracht! Het gezicht van dat arme schip, half gebroken, zonder mast en zeilen, op zijde liggende als een wezen van het leven beroofd, deed hun smartelijk aan.
Maar voordat de zee dien romp geheel zou verzwelgen, moest men hem bezoeken.
Dick Sand en de negers konden zich gemakkelijk in het ruim laten afzakken, na zich door middel van de touwen, die langs de zijde van de _Pelgrim_ hingen op het dek geheschen te hebben. Terwijl Tom, Hercules, Bat en Austin zich bezighielden met alles uit de kombuis te halen wat hun nuttig kon zijn, zoowel spijzen als dranken, drong de leerling in de kerk door. Den hemel zij dank was het water nog niet in dit gedeelte van het vaartuig binnengedrongen, daar het achterschip na de branding boven was gebleven.
Daar vond Dick Sand vier geweren in goeden staat--uitmuntende remmingtons,--alsmede een honderdtal patronen. Dit was voldoende om zijn kleinen troep te wapenen en hen in staat de stellen weerstand te bieden, indien zij onverhoopt onder weg door Indianen werden aangevallen.
De leerling verzuimde ook niet een zakkompas mede te nemen; maar de scheepskaarten, in een hut van de voorplecht geborgen en door het water beschadigd, waren nutteloos.
Ook bevonden er zich in het arsenaal van de _Pelgrim_, eenige van die stevige houwers of hartsvangers die dienen om den walvisch in stukken te hakken. Dick Sand koos er zes uit, die bestemd waren om de bewapening zijner metgezellen volledig te maken, en hij vergat ook niet een onschadelijk kindergeweer mede te nemen dat den kleinen Jack toebehoorde.
Wat de overige voorwerpen betreft, die het schip nog bevatte, zij lagen hier en daar verspreid, of zij konden niet meer dienen. Bovendien was het niet noodig zich zoo zwaar te belasten voor de weinige dagen dat de reis zou duren. Van levensmiddelen, wapenen, ammunutie, was men meer dan voorzien. Evenwel verzuimde Dick Sand, op raad van Mevr. Weldon, niet om al het geld mede te nemen dat zich aan boord bevond,--ongeveer vijfhonderd dollars.
Het was waarlijk niet veel! Mevr. Weldon had een veel grootere som in haar bezit gehad, maar men vond ze niet terug.
Wie anders dan Negoro had gezorgd de eerste bezoeker van het schip te zijn en wie anders dan hij had den geldvoorraad van kapitein Hull en van Mevr. Weldon geplunderd? Niemand anders dan hij kon verdacht worden. Toch twijfelde Dick Sand een oogenblik. Wat hij van hem wist en opmerkte was wel geschikt om dit sombere karakter, wien het leed van anderen een glimlach kon afpersen, te vreezen! Ja, Negoro was een slecht mensch, maar mocht men daaruit besluiten dat hij een misdadiger was? Zoover kon Dick Sand met zijn rechtschapen karakter niet gaan. En toch, kon men vermoeden op iemand anders hebben? Neen, de brave negers hadden geen oogenblik de grot verlaten, terwijl Negoro over het strand had loopen dwalen. Hij alleen moest de schuldige zijn. Dick Sand besloot dus Negoro te ondervragen en des noods zijn zakken te laten doorzoeken, zoodra hij terugkwam. Hij wilde met zekerheid weten waaraan zich te houden.
De zon neigde toen ter kim. Op dezen datum, had zij den aequator nog niet overschreden om warmte en licht in het noordelijk halfrond te verspreiden, maar zij naderde den evenaar. Zij viel dus bijna loodrecht op die cirkelvormige lijn waar zee en lucht ineenliepen,--'t geen den leerling in het denkbeeld versterkte dat hij aangeland was op een punt van de kust, tusschen den Steenbokskeerkring en den evenaar.
Mevr. Weldon, Dick Sand en de negers keerden naar de grot terug om eenige uren rust te genieten.
"De nacht zal onstuimig zijn," deed Tom opmerken terwijl hij naar den horizon wees, door dikke wolken verduisterd.
"Ja," antwoordde Dick Sand, "er zal een stevige koelte waaien. Maar wat doet het er nu toe! Ons arm schip is verloren en de storm kan ons niet meer deren!"
"Gods wil geschiede!" zei Mevr. Weldon.
Men kwam overeen dat de negers in dezen nacht, die zeer donker zou zijn beurt om beurt aan den ingang der grot de wacht zouden houden. Daarenboven kon men zich veilig op de waakzaamheid van Dingo verlaten.
Men bemerkte toen dat neef Benedictus, nog niet terug was.
Hercules riep hem met alle kracht zijner machtige longen, en bijna onmiddellijk daarop zag men den entomoloog haastig den steilen oever afklimmen, op gevaar af zich den nek te breken.
Neef Benedictus was woedend. Hij had geen enkel nieuw insect in het bosch gevonden, neen, geen enkel dat waard was in zijn verzameling te prijken! Schorpioenen, duizendpooten en andere myriapoden, zooveel men maar wilde en zelfs nog meer! En men weet dat neef Benedictus niet bijzonder ingenomen was met de myriapoden.
"'t Was wel de moeite waard," voegde hij er bij, "vijf of zes duizend mijlen te hebben afgelegd, vreeselijke stormen getrotseerd te hebben, op de kust geworpen te zijn, en dan geen enkele van die Amerikaansche hexapoden te vinden, die den roem uitmaken van een entymoloogsch museum! 't Was waarlijk wel de moeite waard!"
Tot besluit vroeg neef Benedictus, om maar verder te gaan. Hij wilde geen uur langer op die ellendige kust blijven.
Mevr. Weldon trachtte haar groot kind tot bedaren te brengen. Zij gaf hem de hoop dat hij den volgenden dag gelukkiger zou zijn, waarna allen zich in de grot begaven om er tot zonsopgang te slapen, toen Tom de opmerking maakte dat Negoro niet teruggekeerd was, hoewel de nacht reeds was aangebroken.
"Waar zou hij zijn?" vroeg Mevr. Weldon.
"Wat scheelt het ons!" zei Bat.
"Het scheelt ons integendeel veel," antwoordde Mevr. Weldon. "'k Had liever dat die man bij ons was."
"U hebt gelijk, mevrouw Weldon," zei Dick Sand; "maar, zoo hij uit eigen beweging stil uit ons gezelschap verdwenen is, zie ik niet in hoe we hem zouden kunnen dwingen om weer bij ons te komen! Wie weet of hij geen reden heeft ons gezelschap voor altoos te mijden!"
En zoo, dat de anderen hem niet hooren konden, deelde Dick Sand haar zijn vermoeden mede. Het verwonderde hem niet van haar te hooren dat ook zij hem verdacht had. Alleen verschilden zij in één punt.
"Als Negoro terugkomt," zei Mevr. Weldon, "zal hij zijn diefstal op een veilige plaats geborgen hebben. Mij dunkt, daar we hem toch niet kunnen overtuigen, zal het beste zijn, hem ons vermoeden verborgen te houden en hem daardoor in den waan te brengen dat we zijn dupes zijn."
Mevr. Weldon had gelijk. Dick Sand stemde dan ook geheel met haar in.
Evenwel riep men Negoro herhaaldelijk naar alle kanten.... Hij antwoordde niet. Of hij was reeds te ver om te hooren of hij wilde niet terugkeeren.
De zwarten waren er niet rouwig om dat zij van zijn tegenwoordigheid verlost waren, maar zooals Mevr. Weldon terecht gezegd had, hij was misschien nog meer in de verte dan dichtbij te vreezen! Maar hoe te verklaren dat Negoro zich geheel alleen in dat onbekende land ging wagen? Was hij misschien verdwaald, en trachtte hij in dien donkeren nacht te vergeefs den weg naar de grot te vinden?
Mevr. Weldon en Dick Sand wisten niet wat zij denken moesten. Hoe het zij, men mocht, om op Negoro te wachten, zich niet van de rust berooven die allen zoo noodig hadden.
Op dit oogenblik begon de hond die op het strand liep, met kracht te blaffen.
"Wat scheelt Dingo toch?" vroeg Mevr. Weldon.
"We moeten het volstrekt weten," antwoordde de leerling. "Misschien is het Negoro wel!"
Onmiddellijk begaven Hercules, Bat Austin en Dick Sand zich naar de monding der rivier.
Maar toen zij aan den oever kwamen, zagen en hoorden zij niets. Dingo zweeg nu.
Dick Sand en de negers keerden naar de grot terug.
De slaapgelegenheden werden zoo goed mogelijk ingericht.
De zwarten maakten zich gereed om beurtelings buiten te waken.
Maar Mevr. Weldon was ongerust en kon niet slapen. Het land waarnaar zij zoo vurig verlangde, gaf haar tot nog toe niet wat zij gehoopt had, veiligheid voor de haren en rust voor haar zelf.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
HARRIS.
Den volgenden morgen, 7 April, zag Austin, die met het krieken van den dag de wacht hield, Dingo blaffende naar het kleine riviertje snellen. Bijna op hetzelfde oogenblik traden Mevr. Weldon, Dick Sand en de negers uit de grot te voorschijn.