Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers
Chapter 10
Dick Sand kon er nog niet aan denken zeilen aan te slaan. Het kleinste zeil ware weggerukt geworden. Evenwel hoopte hij dat er geen vier-en-twintig uur zouden verloopen zonder dat hem mogelijk was een stormzeil bij te zetten.
En werkelijk ging de wind 's nachts vrij belangrijk liggen, vooral als men hem vergeleek met 't geen hij tot nog toe geweest was, en nu ook had het schip minder van het vreeselijke slingeren te lijden, dat vroeger dreigde het te vernielen.
De passagiers begonnen zich weder op het dek te vertoonen. Zij liepen geen gevaar meer door de stortzee medegevoerd te worden.
Mevr. Weldon verliet het eerst de kerk waar Dick Sand haar uit voorzichtigheid gedwongen had zich den geheelen duur van den storm op te sluiten. Zij kwam eens praten met den leerling, dien een waarlijk bovenmenschelijke geestkracht het vermogen geschonken had zoovele vermoeienissen te weerstaan. Vermagerd, verweerd en bleek van gelaat, had hij verzwakt moeten zijn door het gemis aan den voor zijn leeftijd zoo noodigen slaap! Neen! zijn krachtige natuur weerstond alles. Eenmaal misschien zou hij dit tijdperk van beproevingen duur moeten betalen! Maar het was de tijd niet zich te laten ontmoedigen. Dick Sand had dit alles reeds bij zich zelven nagegaan en Mevr. Weldon vond hem sterker en moediger dan ooit.
En daarenboven bezat de moedige Dick een hoedanigheid die, in moeielijke omstandigheden des levens bergen verzet, hij had vertrouwen.
"Dick, mijn kind, mijn kapitein!" zei Mevr. Weldon hem de hand reikende.
"'k Moet u zeggen, mevrouw Weldon," riep Dick Sand glimlachend uit, "u komt de bevelen van uw kapitein niet na! U komt weer op het dek, u verlaat uw kajuit in weerwil van zijn.... verzoek!"
"Ja, 'k ben je ongehoorzaam," antwoordde Mevr. Weldon; "maar 'k heb als een voorgevoel dat de storm bedaart of zal bedaren!"
"Hij bedaart werkelijk, mevrouw Weldon," antwoordde de leerling. "U bedriegt u niet! De barometer is sedert gisteren niet gedaald. De wind is niet zoo hevig meer, en 'k heb alle reden te gelooven dat onze ergste beproevingen voorbij zijn."
"God geve het, Dick! Wat heb je geleden, arm kind! Je hebt...."
"Niets dan mijn plicht gedaan, mevrouw Weldon."
"Maar zou je nu niet wat rust gaan nemen?"
"Rust!" antwoordde de leerling. "'k Heb geen rust noodig, mevrouw Weldon! 'k Gevoel me zeer wel. Goddank, en 'k moet tot het einde toe volhouden! U hebt me den kapitein genoemd, 'k zal kapitein blijven tot het oogenblik dat al de passagiers van den _Pelgrim_ behouden zijn."
"Dick," hernam Mevr. Weldon, "mijn man en ik, we zullen nooit vergeten, wat je gedaan hebt."
"God heeft alles gedaan," antwoordde Dick Sand "alles."
"Mijn kind, 'k zeg nog eens dat je door je zedelijken en lichamelijken moed je als een man gedragen hebt, als een man waard om het commando te voeren, en spoedig, zoodra je studies geëindigd zijn,--'k weet zeker dat mijn man geheel met mij zal instemmen,--zal je gezagvoerder worden voor het huis James W. Weldon!"
"Ik.... ik!" riep Dick Sand uit, wiens oogen zich met tranen vulden.
"Dick!" antwoordde Mevr. Weldon, "je waart ons aangenomen kind reeds en nu ben je onze zoon, de redder van je moeder en je broertje Jack! Mijn waarde Dick, 'k omhels je voor mijn man en voor mij!"
De moedige vrouw had zich goed willen houden, toen ze Dick aan haar hart drukte, maar 't was haar niet mogelijk. Doch welke pen zou kunnen beschrijven wat Dick Sand gevoelde! Hij vroeg zich af of hij niet meer kon doen dan zijn leven voor zijn weldoeners opofferen, en hij nam nu reeds al de beproevingen aan, die hem in de toekomst zouden worden opgelegd.
Na dit onderhoud gevoelde Dick Sand zich sterker. Als de wind handelbaarder werd en het hem mogelijk zou zijn een zeil bij te zetten, twijfelde hij geen oogenblik of hij zou zijn schip naar een haven kunnen voeren waar allen die het droeg eindelijk gelukkig zouden zijn.
Toen de wind, den 29n een weinig bedaard was, dacht Dick er over om de fok en het marszeil weder aan te slaan en bij gevolg de snelheid van den _Pelgrim_ te bevorderen.
"Komaan, Tom! komaan, mijn vrienden!" riep hij uit, toen hij bij het krieken van den dag aan dek kwam. "Kom! 'k Heb je armen noodig!"
"We zijn gereed, kapitein Sand," antwoordde Tom.
"Gereed tot alles," voegde Hercules er bij. "Er was niets te doen, terwijl het zoo stormde en 'k begon me mooi te vervelen!"
"Je hadt moeten blazen met je grooten mond," zei de kleine Jack. "'k Wed dat je net zoo sterk als de wind geweest waart!"
"Daar zeg je zoo wat, Jack!" antwoordde Dick Sand lachende. "Als er windstilte is, zullen we Hercules in de zeilen laten blazen!"
"Tot je dienst, mijnheer Dick!" antwoordde de brave neger, terwijl hij zijn wangen opblies als een reusachtige Boreas.
"We zullen beginnen, vrienden," hernam de leerling, "met een waarloos zeil aan te slaan, want ons marszeil is in den storm weggewaaid. 't Zal misschien wel moeilijk zijn, maar 't moet gebeuren."
"Dan zal 't ook gebeuren!" antwoordde Actéon.
"Kan ik je helpen?" vroeg de kleine Jack.
"Ja, Jack," antwoordde de leerling. "Ga jij maar naar 't roer om onzen vriend Bat te helpen sturen."
Men kon zich voorstellen hoe trotsch Jack was op het vertrouwen door Dick Sand in hem gesteld.
"Nu aan 't werk," hernam deze "en laten we ons zoo min mogelijk blootstellen."
De negers gingen door Dick geleid, dadelijk aan hun moeielijken arbeid. Een marszeil aanslaan was voor Tom en zijn kameraden een moeielijke taak. Men moest eerst het opgerolde zeil naar boven hijschen en het dan aan de ra bevestigen.
Evenwel commandeerde Dick zoo goed en werd zoo goed gehoorzaamd, dat het zeil na verloop van een uur was aangeslagen, de ra geheschen en het marszeil met twee reven behoorlijk bijgezet.
Wat de fok en stagfok betreft, die voor den storm hadden ingenomen kunnen worden, deze zeilen werden vrij gemakkelijk bijgezet, niettegenstaande de kracht van den wind.
Dienzelfden dag, des morgens tien uur, zeilde de _Pelgrim_ onder fok, marszeil en stagzeil.
Dick Sand had het niet voorzichtig geoordeeld meer zeilen bij te zetten. De zeilen toch die hij droeg, moesten hem, zoolang de wind niet afnam, een snelheid verzekeren van tweehonderd mijlen minstens per vier-en-twintig uur, en meer was niet noodig om over tien dagen de Amerikaansche kust te bereiken.
De leerling was wezenlijk voldaan, toen hij het roer overnam, na meester Jack, den onderstuurman van den _Pelgrim_ bedankt te hebben. Hij behoefde zich nu niet meer op genade aan de golven over te geven. De _Pelgrim_ kwam nu werkelijk goed vooruit. Iedereen die maar een weinig met zeezaken bekend is, zal zijn vreugde kunnen begrijpen.
Den volgenden dag jaagden de wolken nog met dezelfde snelheid door het luchtruim, maar zij lieten nu groote openingen tusschen haar over, waar doorheen de zonnestralen de oppervlakte der wateren beschenen. De _Pelgrim_ baadde zich somtijds in dat alles bezielende licht! Dan weder verschool het zich achter een dichte massa dampen in het oosten, maar in het volgende oogenblik verscheen het nogmaals om wederom te verdwijnen, doch het weder werd opnieuw schoon.
De luiken werden geopend om de frische lucht in het inwendige van het schip te laten stroomen, die doordrong tot in het ruim, de achterkajuit en in het verblijf der bemanning. Men hing de natte zeilen te drogen en spreidde ze daartoe op het waarloos rondhout uit. Ook werd het dek geschrobd. Dick Sand wilde niet dat zijn schip een haven binnenkwam zonder een weinig toilet te hebben gemaakt. Wilde hij de equipage niet te veel vermoeien, dan konden slechts eenige uren per dag aan dit werk besteed worden.
Alhoewel de leerling niet meer loggen kon, had hij door gewoonte genoeg geleerd de vaart van een schip te schatten om zich nagenoeg rekenschap van zijn snelheid te geven. Hij twijfelde dus niet of hij zou binnen zeven dagen land in 't gezicht hebben en deze meening deelde hij aan Mevr. Weldon mede, na haar op de kaart de waarschijnlijke positie te hebben aangetoond.
"Welnu! op welk punt van de kust zullen we aankomen, Dick! vroeg zij hem.
"Hier, mevrouw," antwoordde de leerling, terwijl hij haar de lange kustlijn aanwees, die zich uitstrekt van Peru naar Chili. Ik kan het niet juister aangeven. Dit is het Paasch-eiland, dat wij in het westen hebben laten liggen, en uit de richting van den wind die bestendig geweest is, besluit ik dat wij land in het oosten zullen zien. Er zijn genoeg havens aan de kust, maar 't is me op dit oogenblik niet mogelijk te zeggen, welke wij het eerst in 't gezicht zullen krijgen."
"Welnu, Dick, welke die haven zij, ze zal ons welkom zijn."
"Welzeker, mevrouw Weldon, en u zult er zeker gelegenheid vinden om spoedig naar San-Francisco terugtekeeren. Er bestaat een Stoomboot-Maatschappij van de Stille Zuidzee, die een zeer goed georganiseerden dienst op deze kust heeft. Haar stoombooten doen de voornaamste punten der kust aan en u zult zeer gemakkelijk met een dezer booten de reis naar Californië kunnen afleggen."
"Maar is het dan je plan niet den _Pelgrim_ naar San-Francisco te brengen?" vroeg Mevr. Weldon.
"Jawel, mevrouw, na u ontscheept te hebben. Als we ons een officier en een equipage kunnen verschaffen, zullen we onze lading te Valparaiso lossen, zooals kapitein Hull zou gedaan hebben. Daarna zullen we dan naar San-Francisco terugkeeren. Maar dat zou u te lang ophouden, ofschoon 't me zeer spijten zou afscheid van u te moeten nemen....
"Ja, ja, Dick," antwoordde Mevr. Weldon. "We zullen later zien, wat ons te doen staat.--Zeg eens, je scheen bang te zijn om aan land te komen?"
"'k Kan dat niet ontkennen," antwoordde de leerling, "maar ik hoop altijd een vaartuig in deze streken te ontmoeten en 't verwondert me zeer er nog geen te zien. Zoodra er een passeerde, zouden we 't praaien, 't zou ons juist zeggen waar we ons bevinden en dat zou onze landing zeer gemakkelijk maken."
"Zijn er dan geen loodsen die op deze kust dienst doen?" vroeg Mevr. Weldon.
"Die moeten er wel zijn," antwoordde Dick Sand, "maar veel dichter bij de kust. We moeten dus steeds voortgaan."
"En als we nu geen loods ontmoeten," vroeg Mevr. Weldon, die volstrekt wilde weten hoe de leerling al die moeilijkheden dacht te boven te komen.
"In dat geval, mevrouw, als het weer goed en de wind kalm blijft, zal ik trachten dicht genoeg bij de kust te houden om er een schuilplaats te zoeken, maar als de wind opsteekt, dan...."
"Dan?.... Wat zal je dan doen, Dick?"
"Dan," antwoordde Dick Sand, "zal 't in den toestand waarin de _Pelgrim_ verkeert, eenmaal aan lager wal geraakt, zeer moeielijk zijn hem weer in volle zee te brengen!"
"Wat zal je dan doen?" herhaalde Mevr. Weldon.
"'k Zal dan genoodzaakt zijn mijn schip op het strand te zetten," antwoordde de leerling, wiens gelaat een oogenblik een droevige uitdrukking aannam. "'t Is waar, 't is een harde noodzakelijkheid, en God geve dat het niet zover zal komen! Maar, 'k zeg u nog eens, mevrouw Weldon, het voorkomen van de lucht is geruststellend en 't is niet mogelijk dat we geen schip of een loodsvaartuig zouden ontmoeten! Goeden moed dus! We hebben den steven naar de kust gericht en we zullen haar gauw zien!"
Ja, zijn schip op het strand zetten, dat is een uiterste waartoe de flinkste zeeman slechts noode besluit! Ook verbande Dick Sand met geweld de gedachte aan een dergelijke ramp, zoolang er maar eenige kans voor hem was haar te vermijden.
Gedurende eenige dagen waren er in den toestand van den dampkring afwisselingen die de leerling opnieuw zeer ongerust maakten. Steeds bleef er een flinke bries waaien en uit zekere schommeling der kwikkolom was duidelijk op te maken dat de wind nog zou aanwakkeren. Dick Sand dacht er dus niet zonder vrees aan of hij zich niet weer zou genoodzaakt zien voor top en takel te gaan loopen. Hij had er evenwel zulk een groot belang bij althans zijn marszeil te behouden, dat hij besloot het niet te laten bergen, zoolang het geen gevaar liep weg te waaien. Maar om de stevigheid der masten te verzekeren, liet hij want en stagen aanzetten. Bovenal was het zaak de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, want hun toestand zou nog erger geworden zijn, indien de _Pelgrim_ masteloos rond had gedreven.
Een paar malen ook moest men, daar de barometer rees, vreezen dat de wind geheel om zou loopen, namelijk dat hij naar het oosten zou gaan. In dat geval zouden zij zoo dicht mogelijk aan den wind moeten houden!
Een nieuwe zorg voor Dick Sand. Wat zou hij met tegenwind gedaan hebben? Laveeren? Maar, zoo hij zich daartoe verplicht zag, welke nieuwe vertraging en hoe licht kon hij dan weder in volle zee teruggeworpen worden?
Deze vrees werd gelukkig niet bewaarheid. De wind bleef, na gedurende eenige dagen gezocht te hebben, nu eens naar het noorden, dan weder naar het zuiden loopende, eindelijk in het westen staan. Maar het was altijd een stijve koelte die in het tuig van den _Pelgrim_ blies.
Het was de 5e April en dus reeds meer dan twee maanden geleden, dat de _Pelgrim_ Nieuw-Zeeland had verlaten. Twintig dagen achtereen was zijn loop door tegenwind en langdurige windstilte vertraagd. Vervolgens had hij zich in gunstige omstandigheden bevonden om spoedig land te bereiken. Zelfs had zijn snelheid gedurende den storm zeer belangrijk moeten zijn. Dick Sand schatte de gemiddelde vaart op niet minder dan op twee honderd mijlen per dag! Hoe kwam het dan dat men nog altijd geen kust in het gezicht kreeg! Ontvluchtte zij den _Pelgrim_? Het was volkomen onverklaarbaar!
En evenwel werd geen land gezien, hoewel een der negers voortdurend op den uitkijk stond.
Dikwijls begaf Dick Sand zich zelf in het want. Daar trachtte hij dan met den verrekijker iets van bergen te ontdekken. De bergketen der Andes is zeer hoog en het was dus in de wolken dat aan den verren horizont zich te midden der nevelen een top zou voorgedaan hebben.
Meermalen werden Tom en zijn kameraden door valsche teekenen van land misleid. Dampen van vreemde vormen vertoonden zich op den achtergrond. Het gebeurde soms dat de goede menschen halsstarrig bleven volhouden dat zij land zagen, maar na eenigen tijd waren zij dan genoodzaakt te erkennen dat zij de dupes van een gezichtsbedrog geweest waren. Het gewaande land verplaatste zich, veranderde van gedaante en verdween eindelijk geheel.
Maar den 6en April was er eindelijk geen twijfel mogelijk. Het was acht uur 's morgens. Dick Sand was zoo even in het want geklommen. In dit oogenblik verdichtten de nevelen zich onder de eerste stralen der zon en klaarde de horizont geheel op.
Eindelijk deed Dick Sand den reeds zoo dikwijls geuiten kreet hooren:
"Land! land! vlak voor den boeg!"
Bij dezen kreet liep iedereen op het dek, zoowel de kleine Jack, nieuwsgierig als men op dien leeftijd is, Mevr. Weldon, wier beproevingen met de landing zouden ophouden, Tom en zijn kameraden, die eindelijk het Amerikaansche vasteland weder zouden betreden, en zelfs neef Benedictus, die hoopte een rijke verzameling nieuwe insecten bijeen te garen.
Alleen Negoro verscheen niet.
Iedereen zag toen wat Dick Sand gezien had, deze zeer duidelijk, gene stellig meenende dat zij het zagen. Maar voor den leerling die zoo gewoon was den horizont waar te nemen, was er geen dwaling mogelijk en een uur later bleek het dat hij zich niet bedrogen had.
Op een afstand van ongeveer vier mijlen strekte zich een vrij lage kust uit of althans iets dat zich als zoodanig voordeed. Op den achtergrond moest zich de hooge keten der Andes vertoonen, maar een wolkensluier belette er de toppen van te zien.
De _Pelgrim_ liep rechtstreeks en snel op deze kust toe, die zich zienderoog verder uitstrekte.
Twee uur later was hij er nog slechts drie mijlen van verwijderd.
Dit gedeelte van de kust liep in het noord-oosten uit in een vrij hooge kaap, die een soort van open ree verborg. In het Zuid-oosten daarentegen, verlengde zij zich tot een smalle landtong.
Eenige boomen bekroonden een reeks van niet zeer verheven rotsachtige steilten, die zich scherp tegen den hemel afteekenden. Maar op het geografisch karakter van het land was het duidelijk, dat de achtergrond gevormd werd door de hooge bergketen der Andes.
Overigens was er geen woning, geen haven, geen riviermonding in 't gezicht die aan een vaartuig tot schuilplaats had kunnen dienen.
Op dit oogenblik liep de _Pelgrim_ rechtstreeks op het land toe.
Met het kleine aantal zeilen waarover hij nu beschikken kon en den wind op de kust, was het Dick Sand onmogelijk hem er af te houden.
Vooraan liep een lange lijn klippen waartegen de hoog opbruisende golven braken en een eind weegs het strand op, wit schuimend uiteenspatten. Er moest daar een geduchte branding zijn.
Dick Sand, die eenigen tijd op den bak gebleven was om de kust te observeeren, kwam op het achterschip terug en nam het roer weder in handen.
De wind wakkerde steeds aan. De schoenerbrik bevond zich weldra nog slechts een mijl van het strand af.
Dick Sand merkte toen een soort van kleine baai op waarin hij besloot binnen te loopen; maar vóór haar te bereiken moest hij de lijn van klippen door, waartusschen het moeielijk zou geweest zijn een doortocht te vinden. De branding toonde aan dat het water overal ontbrak.
Op dit oogenblik sprong Dingo, die op het dek heen en weder liep, naar voren en deed, met den kop naar de kust gewend, een klaaglijk geblaf hooren. Men zou gezegd hebben dat de hond dit strand herkende en dat zijn instinct hem een smartelijke herinnering in het geheugen terugbracht.
Negoro hoorde het zeker, want een onweerstaanbaar gevoel drong hem buiten de kombuis, en hoewel hij den hond moest vreezen, ging hij bijna dadelijk over de verschansing hangen.
Zeer gelukkig voor hem, merkte Dingo, wiens droevig geblaf steeds tot dat land gericht was, hem niet op.
Negoro scheen zich over de woeste branding volstrekt niet ongerust te maken. Mevr. Weldon, die hem waarnam, meende op te merken dat er zich een lichte blos over zijn gelaat verspreidde en zijn trekken zich een oogenblik samentrokken.
Zou Negoro het punt van het vaste land herkend hebben waar de wind den _Pelgrim_ heen dreef?
Op dit oogenblik verliet Dick Sand het roer dat hij aan den ouden Tom overgaf. Een laatste maal nam hij den inham op, die zich allengs opende. Toen, zich tot Mevr. Weldon wendende, sprak hij met vaste stem:
"'k Heb geen hoop meer, Mevrouw een schuilplaats te vinden! Over een half uur zal, niettegenstaande al mijn pogingen, de _Pelgrim_ op de klippen stooten. We moeten hem op het strand zetten! Ik zal het schip niet meer naar een haven kunnen brengen! 'k Ben genoodzaakt het op te offeren om u te redden! Maar tusschen uw geluk en het mijne mag ik niet aarzelen!"
"Heb je alles gedaan wat mogelijk was, Dick?" vroeg Mevr. Weldon.
"Alles," antwoordde de leerling.
Een oogenblik later ging hij over tot de toebereidselen voor de schipbreuk.
Vooreerst werden Mevr. Weldon, Jack, neef Benedictus en Nan met zwemgordels voorzien. Dick Sand, Tom en de andere zwarten, bekwame zwemmers namen eveneens maatregelen om de kust te bereiken, indien zij misschien in zee geworpen werden.
Hercules werd speciaal belast met de zorg voor Mevr. Weldon.
De leerling zou voor den kleinen Jack zorgen. Neef Benedictus, die overigens zeer bedaard was, verscheen op het dek, omhangen met zijn insectendoos. De leerling beval hem aan Bat en Austin aan. Wat Negoro aangaat, zijn zonderlinge bedaardheid deed genoeg zien dat hij van niemand hulp behoefde.
Dick Sand liet, als uiterste voorzorg, een tiental vaten met walvischtraan op den bak brengen.
Deze olie op het juiste oogenblik dat de _Pelgrim_ zich in de branding zou bevinden, uitgegoten, moest de zee een oogenblik doen bedaren door de watermolecule glad te maken, hetgeen het passeeren van het schip tusschen de klippen misschien gemakkelijk zoude maken.
Dick Sand wilde niets verzuimen dat misschien het geluk van allen kon verzekeren.
Nadat al deze voorzorgen genomen waren, kwam de leerling zijn plaats aan het roerrad weder innemen.
De _Pelgrim_ was nog slechts twee kabellengten van de kust verwijderd, in de onmiddellijke nabijheid van de klippen. Zijn bakboordszijde baadde reeds in het witte schuim der branding. Elk oogenblik kon de kiel van het vaartuig tegen een verborgen klip stooten.
Eensklaps zag Dick Sand aan een verandering van de kleur van het water, dat er een doorvaart tusschen de klippen liep. Hij moest het vaartuig zonder aarzeling in de opening sturen, om zoo dicht mogelijk bij de kust te stranden.
De leerling aarzelde dan ook niet. Een wending van het roer wierp het schip in de nauwe en bochtige geul.
Op deze plaats was de zee nog onstuimiger en de golven stoven tot op het dek.
De negers waren voor, bij de vaten geposteerd, en wachtten op de orders van den leerling.
"Stort de traan uit!" riep Dick Sand.
Als door tooverij bedaarde de zee onder deze olie, al werd zij in het volgende oogenblik woedender dan ooit.
De _Pelgrim_ gleed snel over het gladde water en richtte zich rechtstreeks naar het strand.
Plotseling had er een schok plaats. Het schip werd door een geduchte golf in de hoogte getild en op het strand gezet, terwijl de masten daarbij vielen zonder iemand te verwonden.
De romp van den _Pelgrim_, midden doorgebroken door den schok, werd met geweld door het water overstroomd. Maar het strand was slechts een halve kabellengte verwijderd, en langs een keten van kleine zwartachtige rotsen was het gemakkelijk te bereiken.
Ook waren drie minuten later allen die zich op den _Pelgrim_ bevonden, aan den voet van het rotsachtige strand ontscheept.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
WAT MEN DOEN MOET.
Na een overtocht dus, langen tijd door windstilte belemmerd, daarna door noord- en zuidwestenwinden begunstigd--een overtocht die niet minder dan vier-en-zeventig dagen geduurd had,--werd de _Pelgrim_ op het strand geworpen.
Evenwel dankten Mevr. Weldon en haar metgezellen de Voorzienigheid, zoodra zij behouden aan land waren.
Het was werkelijk een vasteland en niet een der noodlottige eilanden van Polynesië waarop de storm hen geworpen had. Den terugkeer in hun vaderland, op welk punt van Zuid-Amerika zij ook geland waren, stond naar het scheen, geen ernstige beletselen in den weg.
Wat de _Pelgrim_ aangaat, deze was verloren. Het was slechts een geraamte zonder waarde, welks overblijfselen binnen weinige uren door de branding zouden verspreid zijn. Het zou onmogelijk geweest zijn er iets van te redden. Maar al mocht Dick Sand het genoegen niet smaken zijn reeder een onbeschadigd vaartuig thuis te brengen, toch waren, dank zij hem, zij die er zich op bevonden, frisch en gezond op een gastvrije kust aangeland en onder deze de vrouw en het kind van James W. Weldon.
Wat nu de vraag betreft op welk gedeelte van de Amerikaansche kust de schoener-brik gestrand was, daarover had men lang kunnen beraadslagen. Was het, zooals Dick Sand moest veronderstellen, op de kust van Peru? Misschien, want hij wist door de verkenning van het Paasch-eiland, dat de _Pelgrim_ door de werking der winden en ongetwijfeld ook onder den invloed der aequatoriale stroomen, naar het noord-oosten was gedreven. Van den drie-en-veertigsten breedtegraad, had hij zeer goed tot den vijftienden kunnen afdrijven.
Het was dus van belang zoo spoedig mogelijk het juiste punt der kust te weten waar de schoenerbrik gestrand was. Gesteld dat deze kust die van Peru was, dan ontbraken de havens, de steden en dorpen er niet en zou het bijgevolg gemakkelijk zijn de eene of andere bewoonde plaats te bereiken. Wat dit gedeelte van het strand betrof, het scheen geheel verlaten.
Het was een smalle, hier en daar door zwarte rotsen afgewisselde oever, die door een kustrand van tamelijke hoogte werd afgesloten; deze kustrand werd zeer onregelmatig doorsneden door groote, trechtervormige openingen, gevormd door het doorbreken der rots. Hier en daar gaven eenige zachte hellingen toegang tot den top.