# Een Jolig Troepje

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-jolig-troepje-12070/index.md

"Kijk eens," zei Leni, "dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het staat er op, leest u maar."

"Van Toetie op uw verjaardag."

"Wel verbazend, dat is kranig," zei vader.

"En dit witte van Snoetie."

"Zulke kippen moesten we meer hebben."

"En dit," zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, "van...?"

"Asschepoes," raadde Nel gierend.

"Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk, Haantje-Kukelekaantje staat er op en aan den anderen kant:

"Lief jarig pleegmoedertje, In 't kraaien ben ik wel een baas, In 't eier leggen niet, helaas! Maar op het feest van pleegmama Legde ik toch een ei van chocola Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen."

"Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk."

Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, 't Was dan ook wel een groote bijzonderheid; zelfs vader, die al zoo oud was, beweerde, er nog nooit een gezien te hebben.

"Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet," zei Leni tegen Fritsje. Dat leek Frits wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de suikereieren beloofd.

"Waar is Kee? Die moet ze ook zien," riep Leni.

"Daar komt ze juist aan."

"Asjeblieft," zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, "omdat jij mij gisteren zoo geholpen hebt," en meteen duwde ze Leni een klein, beeldig poppenkoffiemolentje in de hand.

"Och moes, maatje, zie eens, van Kee!"

"Kindje! Maar 't is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend."

Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en Haantje-Kukelekaantje, sloeg Kee de armen van verbazing in de hoogte. "Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! Nu begrijp ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, 't Is dan ook geen kleinigheid, een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na, ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder knap zijn. Maar, liefje, ik moet nu weer naar mijn boontjes," zei Kee en holde weg.

"Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch zoo aan den stok?" zei mijnheer Van Brakel. "Hij keft ons de ooren doof. Daar zit toch soms geen vreemde poes onder die struik?"

"O wee!" riep Door, "ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad doet. Leni, kom eens gauw hier. Kijk eens onder die struik."

Leni bukte zich. "Een egel?" vroeg ze verwonderd, "voor mij?"

"Een extraatje van Door en mij," zei Nel lachend.

"Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht, dat jij hem wel "snoezig" zou vinden, omdat je nu eenmaal alles snoezig vindt, wat dier is. We hebben hem aan den weg gevonden."

"Laat eens kijken," zei Dolf, "hoe grappig, ik heb nog nooit een egel zoo dichtbij gezien."

Hans en Bob vonden het in 't geheel geen aardig beestje, beweerden ze, en Frits bleef op een eerbiedigen afstand.

"Als Fox hem maar geen kwaad doet," zei Door.

"Wel neen, 't blijft bij blaffen," zei vader, "daar behoef jullie niet bang voor te zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden ze in den regel van."

Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje met melk terug. 't Was eerst, of de egel 't niet zag, maar al gauw begon hij te drinken tot groote vreugde van allen.

"Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is," zei moeder.

"Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom Karel komt," zei moeder.

"Ik verlang ook naar paatje," zei Bob.

"Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?" vroeg Hans.

"Nog maar een beetje geduld," lachte moeder.

"Morgen gaan we naar huis, hè tante?"

"Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!" hoorde men oom Karel dien middag plotseling zeggen. "Daar ben ik al. Waar zijn mijn kaboutertjes en waar is de jarige dame?"

"Hier paatje," en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals.

"Ja, ja, kereltjes, hoe is 't met jullie? Druk aan 't feestvieren zie ik. Wel, wel Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in feestgewaad! 't Is geen kleinigheid, 'k Ben wat blij, dat ik gekomen ben. Kijk eens, dat is nu _mijn_ cadeautje. Ik hoop, dat je 't mooi vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe bedroefd je was over 't verlies van sneeuwwitje en daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje meegebracht."

"Een pop!" riep Lena opgetogen. "Oompje, hoe heerlijk!"

"En als sneeuwwitje gekleed," zei Door, "hoe beeldig! Kijk toch eens, moeder!"

"Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar," zei moeder lachend.

"Dat heb ik wel begrepen," zei Nel, "dat jarig zijn in de vacantie lang niet voor de poes is."

"En nu 't geheimpje, oom," zei Dolf. "Wij branden allen van verlangen."

"Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten, ieder op een knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te vertellen heb."

Allen keken oom vol verwachting aan.

"Zoo'n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen," begon oom, "is er bij ons in huis gekomen."

"Ook een sneeuwwitje?" vroeg Bob verbaasd.

"Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen," zei Hans teleurgesteld.

Oom Karel glimlachte. "Er is bij ons in huis een levend popje--een kindje gekomen."

"Een echt?" Hans schoot van de knie af.

"Ja, een echt."

"O, oom, hoe leuk, hoe aardig!"

Even was er doodsche stilte.

"Maar, maar,--wat doet ze, kan ze al praten?" zei Bob, die 't eerst van zijn verbazing bekomen was.

"Eet ze al?" vroeg Hans.

"Hoe groot is ze?--Heeft ze al haar? Slaapt ze?--Kan ze al lachen? Toe, paatje, toe vertel eens alles."

"Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen antwoorden? Neen, praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar alleen slapen, drinken en schreien."

"Schreien is praten, hè paatje?"

"Vindt moesje 't prettig, dat het zusje er is?"

"En Jaap?"

"Jaap ook. En Griet, die anders zoo'n leven kan maken in de keuken, doet nu alles even zacht."

"En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?" vroeg Bob opgewonden.

"Niet grooter dan Leni's pop."

"Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn."

"Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes heeft ze."

"Nu hebt u nog in 't geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom," zei Leni.

"Ze heet Else, ons kleine meisje."

Allen vonden dit een prachtigen naam. "Zou ze 't prettig vinden, dat we morgen terugkomen?"

"Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes," zei oom Karel, Bob in de wang knijpende.

"O paatje, ik verlang zoo," zei Hans met een diepen zucht.

"Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan in de sportkar te zitten, jij wordt paard en ik koetsier."

"Neen, dan wil ik koetsier zijn," zei Bob.

"Neen," pruilde Hans, "ik heb het 't eerst gezegd."

"Weet jullie wat," zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er gekibbel kwam. "Zusje mag dan kiezen, die is de dame, die gereden wordt."

"Ja, dat vind ik best," zei oom. "En zal ik jullie nu eens vertellen, waarom zusje _nu_ gekomen is?"

Ja, dat wist niemand.

"Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig te zijn."

"Òf ze gelijk heeft," riepen Nel en Door tegelijk.

"Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen heeft. Morgen in den trein kunnen we den geheelen tijd over zusje praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier aan 't versieren geweest. Wat een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel wil ik vandaag vast een spelletje doen."

"Ja, ja, dat moet ingewijd worden," zei Dolf.

"En nu moet u nog eens iets zien," zei Nel.

"Extraatje van Door en mij," stelde ze voor, op den egel wijzend.

"Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen."

"Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo'n aantrekkelijk diertje mee te nemen," lachte oom. "Wat zei zusje wel van zoo'n cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet te vragen. Bij Leni is immers elk dier welkom."

"Dat zei ik ook, oompje."

"Hoe jammer," zei Leni, "dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft."

"Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag, zal ik hem wel gauw afleeren," zei oom. "Dolf, haal mij eens een kopje water, dan zullen we "extraatje," eens een bad geven."

Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te ontrollen.

"O, kijk hem eens, kijk hem eens," riepen Dolf en Nel.

"Zie hem eens boos kijken," lachte Door. "Foei, oude jongen, niet zoo ernstig en dat nog wel op zoo'n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo, zoo mag ik je liever, nu ben je ons tevreden "extraatje" weer."

"Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is," zei oom en nam Fritsje op zijn schouder en 't heele jolige troepje holde achter hem aan.

"Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!"

"Ja, ja," lachte moeder, "jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij een wedstrijd onder de vogels, wie 't hoogste vliegen kon, onder de vleugels van den adelaar kroop en zoo den strijd won, maar de andere vogels leelijk fopte."

Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond, heerlijk was.

"Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel," riep Dolf, die de tweede overwinnaar was. "Ter eere van 't zusje," zei mevrouw Van Brakel.

's Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote en kleine menschen, maar niet het minst van Fox en Julia, die elken bal naholden. Tot slot van het feest onthaalde moeder nog op een heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje gestoken had en waarop stond: "Wie in Augustus geboren is, hoezee!"

Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven was. Toen werden er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni "Toetie" raden uit: begraven steden en Door "vacantie."

Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni mocht een uurtje langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en Dolf goeden nacht hadden gezegd, zongen ze nog als op den eersten dag van de vacantie met een kleine verandering, door Door in het schoone lied gebracht:

"'t Is vacantie, nog vacantie, Hoera vacantie boven! En ieder, die 't niet zingen wil, Die moet er aan gelooven."

Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten dag van de vacantie, twee vlaggetjes uit een portier van den trein wapperen. Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden bij den trein met even vroolijke gezichten een afscheid toe.

"Toe, kinderen, voor 't laatst nog eens," zei oom Karel plagend: "'t Is vacantie!"

"Neen, oompje," zei Door, lachend op haar boeken wijzende, "dat zal niet gaan!"

En de anderen gaven Door volkomen gelijk.

"Onmogelijk, meisje?"

"Onmogelijk, oompje," bevestigde Door. "Maar met de Kerstvacantie is 't weer: "'t Is vacantie,"--zou Door juist beginnen te zingen, toen de trein zich in beweging zette. Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes en van oom Karels witten zakdoek en 't vroolijke troepje groette van 't perron terug.

Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school.

"'t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse," vonden Door en Nel. Dolf en Leni hadden allerlei prettige verhalen.

"Dat mag ik zien," zei moeder. "Vroolijk op school en vroolijk thuis."

"Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje," zei vader lachend.

