Een Jolig Troepje

Part 6

Chapter 6 4,198 words Public domain Markdown

"Juffrouw," begon ze stotterend, "is..." maar Door kon bijna niet verder spreken, toen ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. "Is de," hakkelde ze. Maar op eens schaterde de juffrouw het uit: "Hebt u zoo door de stad geloopen?"

"Ja," knikte Door verlegen. "Ja."

Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om.

"Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?" Door knikte; begreep er niets van. "Voelt u dan eens op uw hoed." Nu schaterde Door het uit. "O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles."

"Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens achter de lus."

"Ja warempel," lachte Door. "Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat blij, dat u 't mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn boodschap vergeten. Ik kwam eens hooren, of de mand klaar was. Morgen is mijn zusje jarig."

De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend nam Door afscheid.

"Net iets voor jou, net iets voor jou," riep Nel, toen Door het heele verhaal thuis deed.

"Prachtig," zei vader, "prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje wordt nog een professor."

"Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je voeten en de schoenen aan je handen," plaagde Dolf.

"Dat denk ik niet," zei Door; "want gewoonlijk mis ik een van beide."

En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht, liepen Hans en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de trap op. "Pas op, dat Leni ons niet hoort," zei Hans.

"Leni morgen jarig," zei Fritsje.

"Ja, Leni krijgt iets heel moois," zei Hans gewichtig.

"Ja," zei Bob, "Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van kuikentjes houdt."

"Waar is het?" vroeg Frits belangstellend.

"Kom maar mee, het ligt in dezen koffer," zei Hans, terwijl hij den koffer open deed. Nieuwsgierig keek Frits er in.

"Ik zie geen kuikentje," zei hij teleurgesteld.

"Zie je dat ei daar liggen?" vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei kleedingstukken van hem en Bob uit den koffer had genomen.

Frits knikte.

"Dat ei wordt een kuikentje," legde Bob uit.

"Ja," zei Hans, Bobs woorden herhalend, "dat ei wordt een kuikentje."

"Een echt?" vroeg Frits ongeloovig.

"Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd héél warm liggen, voor er kuikentjes uit kunnen komen," onderwees Bob weer. "Ik zal het daarom maar weer gauw toedekken."

"Als wij hier een kip hadden," bepeinsde Hans, "dan konden wij die er op zetten."

"Ja," zei Bob, wien dit ook wel toelachte, "dan kroop er misschien morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn."

"Durf jij een kip uit den tuin halen?" vroeg Hans.

Bob schudde heftig zijn hoofd. "Een doode misschien wel," kwam er flauwtjes uit.

"Ja, maar die is er niet," zei Hans, met een bedenkelijk gezicht naar de plaats kijkende, waar het ei lag, bedolven onder blousjes en broeken.

"Zal Fritsje kipje zijn?" stelde Frits moedig voor.

Hans en Bob keken elkaar aan.

"Kun je stil zitten?" vroeg Bob.

Frits knikte.

"Kippen zitten altijd doodstil op de eieren," zei Hans, die zich verplicht gevoelde Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het oog te brengen.

"Ik kan wel voor kipje spelen," zei Frits, die bij zijn voorstel bleef.

"Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen."

"Kun je er alleen in stappen?" vroeg Bob.

Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen.

"Daar is Julia ook," zei Bob, "die mag hier niet in deze kamer, dan wil ze misschien ook in den koffer."

"Als 't kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen," waarschuwde Hans.

Frits knikte.

"Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan," zei Bob angstig.

Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in 't geheel niet aan gedacht.

"Laten we dan maar liever de kleeren weer op 't ei leggen," stelde Bob voor, die in zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist zou Frits maar weer kip af zijn, toen vreeslijk gegil van beneden tot hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam aan den voorkant en zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd.

"Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!" Bob en Hans vergaten Frits en liepen, zoo vlug ze konden, naar beneden.

"Och, lieve poes, lieve Julia," riep Leni schreiende. "Zie ze eens beven. Als ze maar niet dood gaat." Zacht streelde ze poes; allen stonden om haar heen.

"Ze heeft gelukkig niets gebroken," zei mijnheer Van Brakel, de pootjes onderzoekend. "Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij is natuurlijk erg geschrokken."

"Zie ze toch eens beven," zei Leni.

"Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet opengestaan hebben."

"Poes wou in den koffer," versprak Hans zich, "maar dat mocht niet, want Fritsje...."

"Fritsje? Is Frits dan boven?" vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. "Ik dacht, dat jullie met hem in den tuin speelden."

"Fritsje zit in den koffer," lichtte Bob toe.

"In den koffer?" Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans, die opeens aan de verrassing van Leni dacht, zei: "Ja, 't is een geheimpje, hé Bobbie?"

De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje snikkend in den koffer vond zitten.

"Och, kleine vent, wat scheelt er aan?" Maar niettegenstaande het diep ongelukkige gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet bedwingen, toen Frits tusschen het schreien door riep: "Ik--ik--wil geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje zijn."

Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd werd, zei ze lachend:

"Wij vertellen niets, dat is nu _ons_ geheimpje, wat zeg jij, kleine man?" Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en weer bij moesje was, was spoedig geleden.

Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer uit was, stelde vader voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te photografeeren. Kee werd in het geheim genomen. Die kwam daarom even later Leni vragen, haar wat te helpen.

"Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet mij zooveel pleizier," beweerde ze. "Je werkt nog beter dan ik zelf." En ze liet Leni koffie malen uit den treuren, totdat ze wel voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en Hans had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een onuitputtelijk geduld bezig Julia te "nemen." Juist op 't moment, dat het gaan zou, zag Julia, onbewust van 't gewichtige oogenblik, een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te voren geheel veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot trachtte te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond Julia er "prachtig" op. Fox, die eigenlijk ook op een kiekje moest, was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes en de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren, maar deze twee waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans zou zijn, dat Snoetie met twee koppen en Toet er misschien met twee staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni op zoo'n portret van haar lievelingskippen niet gesteld was.

"Jammer, dat Foxje er niet is," zei Dolf, "ik wil nog eens kijken, misschien is hij wel in de buurt." En juist zou Dolf de kamer uitgaan, toen Nel hem lachend tegen hield.

"Weer een brief van oom Karel," zei ze, "dien moet je eerst hooren, ik zal hem voorlezen. Jongens, een brief van vader, kom eens gauw," riep ze den tuin in. "Waar is Leni, die moet ook bij de voorlezing wezen."

"Hoera, hier zijn we al," juichte het drietal.

"Toe, Nel, begin nu gauw," zei Door.

Nel las:

"Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is van Miekie. Ik vond het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen postzegel, daarom heb ik het briefje maar in het couvert gedaan en aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets in haar schild voerde, was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl ik zat te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken gezeten te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik haar zei: "maar, Miekie, postpapier is er toch niet om op te zitten," dan knipte ze een paar keer met haar groene oogjes en keek het raam uit, alsof ze 't onschuldigste poesje van de wereld was."

"Precies zooals Julia doen kan," zei Door. "En toen ik klaar was," las Nel verder, "en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld, zoo hield zij zich tenminste, zoodat ik het blaadje wel moest laten liggen. Toen ik later den brief zag, begreep ik, waarom zij dit grapje uitgehaald had.

Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik weet, dat er dan een klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen feliciteeren en 't is dan mijn plan, de kaboutertjes den volgenden dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar hen en dan ... sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats gehad, maar ik _schrijf_ niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes zelf _vertellen_. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader en moeder."

"Komt Paatje morgen hier?" riepen Bob en Hans opgetogen.

"Ja, hoe vindt jullie dat?"

"Heerlijk!" zei Bob, "juist op Leni's verjaardag."

"En gaan we dan gauw naar huis?"

"Zeker, dan nog één nacht hier slapen," zei Nel, lachend om de opgewonden gezichtjes.

"Dan gaan we weer naar Maatje," zei Hans blij.

"Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun en Jaap, dan zitten wij helaas weer op school," zei Dolf zuchtend.

"Maar nu kunnen we nog zingen," zei Door en met een potlood de maat slaande, begon ze:

"'t Is vacantie, nog vacantie. Hoera vacantie boven."

En allen vielen mee in:

"En ieder, die 't niet zingen wil, Die moet er aan gelooven."

Dolfs stem hoorde men boven allen uit.

"Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote letters," zei Nel, den brief in de hoogte houdende.

"Leuk," riep Leni, "begin nu maar."

"Lieve baasjes," las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier gezichtjes straalden van genot. "Ik verlang zoo naar jullie en Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar dat kan mij niet schelen; want op Jaap ben ik boos. Dat is zóó gekomen. Ik was gisteren op de muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een muis moest komen. Ik kreeg op 't laatst erg veel verlangen naar mijn schoteltje met melk, maar toch bleef ik zitten, omdat ik bang was, dat mij 't muisje ontsnappen zou. Bruno kwam ook een paar keeren bij mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou het muisje hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het gaatje. Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit, zag overal rond, tot het opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen sprong ik er op af, maar toch ontkwam het mij en schoot achter een kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij de kist zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk, waarom ik zoo stil zat. "Jij boosdoenster," zei hij. "'t Is jou zeker weer om een muis te doen." En toen eindelijk de muis van achter de kist te voorschijn kwam, zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte mij het heerlijke kluifje. Toen ik het achtervolgen wilde, smeet hij de deur toe en zei: "Dat kun je begrijpen! Jij er weer achter aan zoodat je het op 't laatst tòch zou krijgen? Neen, daar komt niets van in." Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was zóó boos, dat ik mij direct omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij mij met allerlei mooie praatjes, maar ik deed, alsof ik sliep en toen ging hij gauw weer weg.

"O, die oom Karel," lachte Dolf, "wat kan die toch aardige...."

"Nu, wat kan oom Karel?" vroeg vader plagend.

"Neen, neen," zei Dolf. "Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige brieven schrijven."

"Alsof Julia 't niet zoo kan," lachte Ma.

"Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes," zei Door.

"Laat mij nu verder lezen," zei Nel, "de brief is nog lang niet uit."

"Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als gewoonlijk buiten en speelde op 't grasveld met andere honden. Aan den kant van het grasveld staan boomen, zooals jullie weet, en nu had iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan een van die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen kon nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond, vooral, omdat hij al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was al eenige malen naar den armen gevangene toegeloopen om een praatje met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo'n lust om te stoeien, dat hij wel driemaal 't bloemperk omrende, tot hij op eens op de gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten, te bijten--nu, je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden hond begon te kwispelstaarten en te blaffen, Bruun rustte even, begon weer met vernieuwde krachten te rukken en te bijten. Tot hij het touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel niet eenmaal, maar wel zesmaal 't grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun achter hem aan. Het werd een dolle jacht.

Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil stond, kwam zijn baas er aan. Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij keek van den boom naar den poedel en van den poedel naar den boom en dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles gezien hadden, wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en jawel, daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan, schoorvoetend naar hem toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas boos zou zijn, maar die klopte zijn hond op den rug, streek hem over den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en met hem meeliep."

"Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?" vroeg Dolf.

"Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft natuurlijk een sterk gebit."

"Kom maar terug naar je zoo zéér verlangende Miekie," las Nel.

"Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?" vroegen Nel en Leni.

"Dat zul je morgen wel hooren," lachte ma.

"Misschien heeft vader kuikentjes gekocht," zei Hans, die aan zijn ei in den koffer dacht. "Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen," raadde Bob.

"Of, of," zei Leni, "heeft Miekie jonge poesjes gekregen."

"Ik wou, dat 't al morgen was," zuchtte Hans.

"Ik kan bijna zoolang niet wachten," zei Bobbie.

"Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten eerste, omdat ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo verlangend ben naar hetgeen oom Karel heeft te vertellen."

"Moes, u weet het," zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger dreigend. "Toe, vertelt u het ons eens."

"Dat kun je begrijpen," lachte moeder.

En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg, of er ook een verfkwastje was, zei mijnheer Van Brakel lachend: "'t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat moet ik zeggen."

"Nu, kinderen, 't is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni slapen zeker al lang."

"Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op," zei Door, "want"....

"St., niets vertellen," zei Nel, den vinger op den mond houdende.

"Och, lieve tijd," zuchtte Door, "ik vind het toch zoo "onmogelijk" lastig, geheimen te bewaren."

TIENDE HOOFDSTUK.

LENI'S VERJAARDAG.

"'t Is zes uur, sta op," fluisterde Nel.

"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.

"'t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom er uit."

"Nu al?"

"Ja zeker, anders komen we niet klaar."

"Ik ben zoo "onmogelijk" slaperig."

"Dat ben je om zeven uur ook nog," was 't kalme antwoord.

"Je hebt ook nooit medelijden met mij," kwam er grappig klagend uit.

"Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je." zei Nel. "Stil, Leen draait zich om; als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af."

"Ik kom al," zuchtte Door, haar kousen aantrekkend.

Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door, zich aan.

"Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede," zei Nel, toen Door haar waschkom vol schonk, ''dan wordt Leni stellig wakker."

"'k Vang dan anders twee vliegen in één klap," zei Door lachend.

"Hoe zoo?"

"Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de druppeltjes, die mij voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw klaar."

"Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen," zei Nel, "'t is gewoonlijk een volslagen fontein. Stil, Leni beweegt zich weer, sta nu toch doodstil."

Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend naar de kleine jarige.

"Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd," zei Door, toen zij zich weer durfde bewegen, "dat merk ik wel."

"En ik niet," zei Nel.

Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes stonden als palen; want nu volgde een onrustbarend geschuifel in het ledikant.

"Ga op den grond liggen," commandeerde Nel en zeeg zelf ook behoedzaam neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna van 't lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige kam recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen onder haar eigen ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans stond met verbaasde oogen naar het eigenaardige tooneeltje te kijken.

Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes verwondering. Hij dacht zeker niet anders, of de beide meisjes waren door een aardschok neergesmeten. Door wenkte met de kam, dat hij weg moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef onbeweeglijk staan.

"W-e-g," spelde Door met de lippen en wees naar Leni's ledikant.

"Het-ei-is," fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen, maar Door zwaaide zóó wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte bedrukt wegging.

"Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je gelach, je zult alles nog bederven," waarschuwde Nel boos.

"Zag je Hansjes gezicht?" fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel knikte. Tot overmaat van ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar Door zette hem er voorzichtig uit en zoo kwamen de beide meisjes toch eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het geheim genomen; ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles voor de jarige klaar was.

"Kom nu maar gauw mee," zei Nel tot Door; "want er zijn heel wat vaasjes te vullen."

"Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd," zei Door, op de nieuwe mand voor Julia wijzend. "Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni die nog, voor we thuis zijn."

"Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet voortmaken. Een verjaardag zonder bloemen en dat nog wel in den zomer, dat gaat toch niet. 't Is heerlijk, dat jullie een veldbouquet gaat plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, als het niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang pleizier van."

"Ja, moes, we komen gauw terug," zei Door, die den botaniseertrommel van Dolf nam. Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen ruiker geplukt.

"Ik pluk ook nog wat papavers," zei Nel, "die staan zoo beeldig."

"Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept," vond Door.

"Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het valt niet mee, alles te moeten rangschikken."

"Is Leni al beneden?" was 't eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis kwamen.

"Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren het tegendeel beweerde," zei mevrouw Van Brakel. "Hè, kinderen, kinderen, wat een schat van bloemen brengen jullie mee."

Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen gevuld, wat aan de kamer een echt feestelijk aanzien gaf.

"Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik om? Dat is ongehoord." En Nel bond Fox een blauw lint om den hals en maakte aan een kant een flinken strik. Zoo heel pleizierig vond Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over hebben, had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals een gehoorzaam en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was met Fox, bond Door Julia een rood lint om. Blauw was meer haar kleur, vond Door, maar met het oog op de rood gevoerde mand was het beter de halsversiering ook in die kleur te nemen.

"Daar komt Leni aan!" riep Nel. "Waar is Dolf en waar zijn de tweelingen en vader? We moeten toch allen in de kamer zijn, voor Leni binnenkomt."

"Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje."

"Jongens, op 't appèl!" riep Door.

"'t Is vandaag feest, zooals 't nooit is geweest," zong vader en kwam met Leni binnen. Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou, toen allen haar in de kamer opwachtten.

Verrukt keek ze naar de bloemen.

"Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel van?" zei moeder.

"Beeldig," vond Leni.

"Een spel voor den tuin," zei moeder en zette een groote kist op de tafel.

"Een croquetspel," juichte Leni, "heerlijk!" En ze vloog op moeder en vader toe om beiden te bedanken.

"Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht," zei Door.

"Een ledikant voor je Snoes," voegde Nel er bij en zette ter verduidelijking de poes in de nieuwe mand.

"Hoe leuk!" riep Leni. "Och, zie haar eigenwijs gezicht eens."

"Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje heeft," zei Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde.

"Maar hoe staan onze logé's zoo stil te kijken?" vroeg mijnheer Van Brakel.

"Er is geen kuikentje uitgekomen," zei Bob.

"Geen kuikentje uitgekomen, ventje?" vroeg moeder verwonderd.

Door proestte het uit.

"Neen," zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. "Het heeft al dien tijd in den koffer gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden wij er niet opzetten, omdat we bang waren, dat het kuikentje dan dood zou gaan."

"Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt," zei vader, die moeite deed ernstig te kijken; "vertel mij eens, wàt lag in den koffer, kereltje?"

"Dit ei," zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer bedwingen. Hij schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een hartelijk gelach.

"'t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!"

Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in 't geheel niet aantrokken, dat er geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet, toen moesten Hans en Bob toch wel meelachen.

"Kijk eens, dit màg jullie Leni geven," zei moeder en gaf Bob een doos met flikjes. "Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag, als paatje er is."

Dat was goed.

"Fisjeleer," zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de cologne vereerde. Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne ruiken en daar Fritsjes zakdoek nergens te vinden was, kreeg hij een beetje op de punt van zijn schort.

"Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes," zei vader, de portretten van de tweelingen en Julia gevende.

"Och, paatje, hoe aardig," zei Leni verrukt. "Wanneer hebt u dat gedaan? Bob en Hans hebben me er niets van verteld."

"Ja, dat _die_ geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt," zei vader, "maar Julia doet voor hen niet onder."

"Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?" zei Dolf.

"In den tuin?" vroeg Nel.

"Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin."

"Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd," riep Leni opgetogen.

"Hoe leuk!"

"Dat noem ik nog eens een verrassing," zei vader. "Ik wist werkelijk niet, dat ik zoo'n knappen zoon had."

"Wanneer heb je dat gedaan?" vroeg Door.

"Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin," zei Dolf, blij, dat allen het zoo aardig vonden. "Maar nu moet je er ook eens even in gaan," zei hij tot Leni; "ik heb de kippenfamilie zoo met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, als zij ook een verrassing voor je hadden."

Lachend ging Leni in het hok. "Kom eens hier," riep ze en stond te dansen voor de nesten van Toetie en Snoetie. "Komt toch eens allen hier!"

"Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd," zei vader; "het heele gezelschap in het kippenhok! Laat ons liever eens zien, welke verrassing je kippenfamilie jou bereid heeft: wij branden van verlangen."

"Toe, Leen, kom er uit," zei Door, "je maakt ons zoo "onmogelijk" nieuwsgierig."