# Een Jolig Troepje

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-jolig-troepje-12070/index.md

Ze schaterden het uit.

"Jou kleine, kleine krullebol," zei Ma, en trok haar kereltje liefkoozend op den schoot.

"Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en ook geen dood gegaan. Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron van alle goeds, en laten we dan allen een eierkoek gaan eten op het heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen spreeuw is, en op het broertje, dat niet ziek geworden is. Wat zit het hier toch heerlijk, 'k was werkelijk al een beetje moe," zei mevrouw Van Brakel.

"Maar waar is Leni nu weer?" vervolgde ze. "Daar loopt ze warempel met Bob en Hans ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie voortvluchtigen eens terug. Ze moeten wat rusten, anders worden ze veel te moe."

"O, daar komen ze al."

"O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien hebben!" zei Leni. "Hansje had er bijna eentje gevangen."

"Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen," zei Bob.

"Zoo, heeft Jaap dat verteld?"

"Ja oom. 't Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, 'k wou dat ik een rups was."

"En wat zegt de rups?" lachte ma.

"De rups? Hansje, zegt die ook wat?" vroeg Bob. Hans wist het niet.

"Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, 'k wou, dat ik weer een kappelletje was, en dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?"

"Dat zal ik Jaap vertellen," zei Bob.

"Kijk Foxje eens," zei Dolf, "òf hij ook moe is. Pas maar op je tong, zoo meteen springt er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou, als ik jou was, mijn rood lapje maar gauw naar binnen halen. Hier, dit is beter dan zoo'n springertje," en hij gaf Fox een stuk van zijn koek.

"Ik weet een mooi spelletje," zei Leni, "zullen we bloemencorso spelen?"

"Bloemencorso?"

"Goed," zei Door en sprong op, "er zijn hier zulke beeldige bloemen."

"Vader en moeder zijn 't publiek," stelde Dolf voor.

"Ja," zei Nel, "u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen, als alles klaar is."

"Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo'n mooien dag met je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd."

Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide, terwijl de meisjes bloemen gingen plukken, 't Was niet zoo'n heel gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen alles klaar was, wel een paar pioenen.

"Nu den optocht opstellen," zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan een krans voor Leni.

"Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat zeg je wel van dit kransje?"

"Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje Pansje daar opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu eerst dat kleine heuveltje op," commandeerde Nel verder. "Ziezoo, Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek verzoeken te kijken. Vader, moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni, vooruit nu."

't Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den heuvel te zien komen.

"Beeldig, beeldig," riep Ma.

"Prachtig," vond vader ook.

Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en steeds wapperde zijn vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was gepasseerd, vonden allen, dat het lang genoeg geduurd had.

"'t Is mooi geweest, 't is mooi geweest, 't is drommels mooi geweest," begon vader te zingen en allen vielen mee in.

"En nu stel ik voor," zei ma, "dat we bij vrouw Pruim ons glaasje melk gaan halen. Oef, wat is het warm!"

"Ik weet den weg wel, vader," zei Leni.

"Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit."

Dat vond Leni wàt gewichtig, en parmantig stapte ze voort.

"St!" zei mijnheer Van Brakel even later, "ik hoor geritsel."

"Een eekhoorntje," fluisterde Dolf.

Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje te smullen aan een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes ronddraaien en knabbelde er zoo stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken, toen hoe jammer, Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd.

"Fox, hier!" commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den eekhoorn zag.

"Die stoute Fox," zei Bob boos. "Ik vind dat eekhoornhondje veel aardiger."

"Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven Fox. Zullen we Fox dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje meenemen?"

Even bedacht Bob zich. "Blijft Fox dan vannacht hier in 't bosch en slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?"

"Ja zeker."

"Och, laten we Foxje dan maar liever houden," zei hij. Maar nog eens even keek hij door de takken, waar toch wel het mooie "eekhoornhondje," zooals hij het noemde, gebleven was.

"Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn," zei pa na een half uurtje. "Wij hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen wel ongeduldig worden en niet begrijpen, waar wij blijven."

Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje nergens.

"Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken," zei vader lachend. "Ga haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn, dan zal ik ondertusschen voor jullie een glas melk bestellen."

"Ze zijn nergens," zei Nel, terugkomende.

"Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de logé's op het dak en een paar dagen later verdwaalt Leni op de hei."

"Ze konden toch al lang hier zijn," zei moeder.

"Hoe is 't mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet."

"Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen," zei Nel.

"Ik wou toch, dat ze er maar vast waren," zei moeder. "Ik ben er niet zoo heel gerust op."

"Ja," zei Dolf lachend, "als ze achter een hagedis aanloopt, moeder, dan zal u ze wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar komen ze. Ik zie ze heel in de verte."

Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam naderkomen.

"Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als 't niet zoo "onmogelijk" warm was, liep ik ze te gemoet," zei Door.

"Dat dient nergens toe, kindje. Ja, 't is verbazend warm. De lucht ziet er werkelijk uit, of we onweer zullen krijgen, 't Is te hopen, dat de bui nog maar wat uitblijft," zei mijnheer Van Brakel.

"Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege magen zijn en die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben."

"Hier zijn de schuldigen," zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet geloopen was en nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond.

"Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!" riep mevrouw Van Brakel verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende.

Allen zetten groote oogen op.

"Wat is er gebeurd?" riepen Dolf en Door.

"Dit jongetje," zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, "was op eens heelemaal vergeten, dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker daar ginds in den plas zijn broertje Bob was. En toen hij zag, dat zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen, dacht hij: stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker, maar Hansje Pansje was."

"Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was," lachte mijnheer Van Brakel.

Hans schudde heftig zijn hoofd.

"Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?" vroeg Bob lachend.

Nog heviger ging Hansjes bolletje.

"Hansje dacht," zei mevrouw Van Brakel, "dat een bad op zoo'n warmen dag wel frisch zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken."

"Ik kon het heusch niet helpen," zei Leni, half schreiende, "maar ik zag een klein vogeltje, dat o zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht ik, dat het dood neer zou vallen, en juist toen ik het wilde grijpen, vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek, zag ik Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er uit getrokken."

"Dat vogeltje was een kleine grappenmaker," zei vader. "Dat heeft jou leelijk gefopt, meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal ik je eens wat vertellen? Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien, waarin zijn kindertjes zaten daar in de buurt, en toen dacht het: als dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan ze mijn kleintjes niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was, vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je tranen, kleine meid. Zoo'n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel kan nu wel eens hooren, of vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren kan leenen van een van haar jongens. Gerrit of Piet zullen wel iets hebben, dat Hansje past."

"Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best aanhebben. Kom jij maar mee, hoor," zei vrouw Pruim tot Hans, "dan zal ik je die spulletjes gauw aantrekken." Maar Hans had hierin in 't geheel geen lust, tot eindelijk mevrouw Van Brakel meeging.

Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als boertje met lange broek en klompen aan weer in den tuin verscheen.

"O, "onmogelijk" leuk, onmogelijk," gilde Door. Hans kreeg nu ook pret in 't geval, stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze wijd uitstonden, draaide zich om en om en liet zich van alle kanten bekijken.

"Nu, wat zegt ge nu?" lachte vrouw Pruim, "heb ik niet een aardig Pruimpje van je gemaakt?"

"Och, zoo'n aardig Pruimpje," schaterde Dolf.

"Maar nu zijn we geen tweelingen meer," riep Bob met een grappig ongelukkig gezicht. "Hoe moet dat nu, tante?"

"Dat is niets, ventje," zei mevrouw Van Brakel, "vanavond zijn jullie weer tweelingen in je hanssopjes."

Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en holde van den een naar den ander.

Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe werd van 't ongewone loopen op de klompjes, werd hij bij Frits in de sportkar gezet, 't Was nog een heele wandeling en bij de greppel gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze "onmogelijk" verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met die warmte. Dolf ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de wacht bij zijn vriendje.

"Nu maar weer opgemarcheerd," zei mijnheer Van Brakel na een kwartiertje. "Ik ben anders bang, dat we niet voor de bui thuis zullen zijn!"

't Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en vriendinnetjes weer thuis waren. Ze deed niets dan langs de deurposten strijken en zacht miauwen en duwde haar aardig kopje dan tegen dezen, dan tegen dien aan.

"Stil nu, stil nu," zei Door troostend. "Wat wil je toch, Julia? Wacht, ik geloof dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg je tot "welkom thuis" en morgen zullen we spelletjes doen; maar als je te veel naar de vogeltjes kijkt in plaats van op te letten dan neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom lezen, hoor!"

"Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, groot en klein. Een, twee, drie naar bed. 't Is een vermoeiende dag geweest."

"Ik kruip alléén onder 't laken," zei Leni.

"En ik," riepen Dolf en Nel.

"Och, moezekepoes, wat is 't warm!"

"Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze logé's, niet waar?"

"Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, 'k wou, dat ons boertje weer Hansje was, en dan ..." lachte Nel.

"Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan," zei Bob. "Dan zijn we weer tweelingen."

"Nacht vader, nacht moeder!"

ZEVENDE HOOFDSTUK.

TWEE KNAPPE HUISHOUDSTERS.

"Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen," zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later. "Jullie moet Kee nu maar een beetje helpen en vooral niet te veel leven maken, 't Is wel vacantie, maar..."

"Dat treft juist heel goed," zei Door geruststellend. "Ik zal-wel voor de boterhammen zorgen en thee schenken. Nel kan dan--ja, Nel, wat zul jij doen?"

"'k Zal het Kee eens vragen," zei Nel. "Deze boontjes moeten afgehaald worden, dat vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen," en vol ijver wilde Nel dadelijk al beginnen.

"Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes maar staan tot na 't ontbijt."

"Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: ""asjeblieft een portie voor een kazerne."" Nu, dat kan nogal, dunkt me."

"Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje ben ik kwijt," en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad, op den stoel. "O, daar is 't gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en Leni? Wil je even kijken?"

"Fritsje een glaasje melk, Door," vleide de kleine jongen.

"Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, 'k heb 't zoo druk.

Och, Nel! Nel! Nè-èl! Hè, waar is ze nu weer?" zei Door in zich zelf. "Waarom loopt ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen...."

"Ze waren in den tuin," zei Nel, met de tweelingen terugkomende.

"Wie waren in den tuin?"

Nel proestte het uit. "Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers: ik zou ze zoeken."

"Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom niet klaar. Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen, dat is--dat is zes. Hoeveel sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?"

"Ik heb trek," zei Nel.

"Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, àls je trek hebt?"

"Twee."

"En Dolf, denk je?"

"Wel drie."

"En vader?"

"Ook wel zooveel."

"Acht," telde Door. "En Leni?"

"Ja, dat weet ik niet."

"Leni, Leni!" riep Door, met in de eene hand het mes en de andere het brood.

"Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?" riep Door, 't brood in de hoogte houdende.

"Vier," riep Leni terug.

"Vier, hoe is 't mogelijk," zei Door, "dat is dus twaalf."

"Och," zei Nel, "waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit."

"Ma wéét, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht hebben, dat Leni vier sneetjes at?"

"En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft," lachte Nel.

"Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien," telde Door. "Nu Kee nog. Ik hoop maar niet, dat ze al te grooten honger heeft," zei ze met een kleur van inspanning, "want 't mes is zoo akelig stomp. Help jij vast smeren."

"Kee!" riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. "Hoeveel?"

"Hoeveel?" riep Kee verwonderd terug. "Gewoonlijk driehonderd, maar nu nog vijftig meer." Door proestte het uit.

"O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?" verder kwam Door niet.

"Wat zegt Kee?" vroeg Nel, lachend om Door.

"Toe, zeg het nu," zei Nel ongeduldig, omdat Door maar blééf lachen.

"Verbeeld je, Kee zegt ""gewoonlijk--,"" weer proestte Door 't uit.

"Hè toe, wees nu niet zoo flauw," zei Nel half boos, half lachend.

"Kee zegt," zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken: "gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer," wéér gierde Door. "O, nee, maar Nel, wat zou ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp mes heb!"

Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen de helft van de melk over het kroesje. "Ik begrijp het," schaterde ze. "Ze bedoelt de slaboonen."

"'t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes met een stomp mes."

"Hoeveel _boterhammen_?" riep Door gierend terug.

"Wie kan dat nou ook denken," zei Kee goedig; "drie, maar als ik haast heb twee. En ik heb nu haast."

"Dat is--hoeveel had ik ook weer?"

"Veertien," hielp Nel.

"Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, 'k hèb honger, maar ook haast, net als Kee, dus ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is zoo'n huishouding toch "onmogelijk" druk," zei ze, Fritsjes boterham in smalle reepjes snijdende. "Je komt gewoon niet klaar."

"Ziezoo, daar ben ik weer," zei mijnheer Van Brakel. "Ik zie wel, dat je goed voor allen gezorgd hebt."

"Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar," riep Nel; "je boterhammen zijn gesmeerd."

"Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken brengen. Zijn al die boterhammen voor mij?" vroeg ze, verbaasd naar haar bordje kijkende.

"Ja, natuurlijk," zei Door. "Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je hebben wou? Je eet nu maar op, wat op je bordje ligt."

"Maar ik _heb_ niet gezegd, dat ik er vier wou hebben," zei Leni, wanhopig naar den berg boterhammen kijkende. "Zoo veel eet ik nooit."

"Wat is er toch, kinderen?" vroeg mijnheer Van Brakel.

"Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer wilde snijden dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij de kippen was: "hoeveel?"

"En toen?"

"Toen riep ze van vier, dus...."

"En vier kon _on_mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes brood; zoo'n huishoudstertje," lachte vader.

"Nu begrijp ik het," zei Door, "vier kon bij Leni _on_mogelijk iets anders zijn dan eieren."

"Of kippen," zei Nel.

"Dus kippeneieren," lachte Dolf. "Wat wil jij, Julia, kleine vleister! Bob, zij wil, geloof ik, dolgraag een stukje van jouw boterham hebben."

"Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben," zei vader.

"O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook wel trek in een kopje. Leni, wil jij eens even vragen?"

"Wat is dat?" riep Door verschrikt uit. "Er komt water uit de tuit, alléén water. En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb gedaan."

"Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer," zei vader.

"O, neen, paatje," zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel haar plaagde, "'t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de hand gehad, ik weet het zeker."

"Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over de boterhammen. Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je."

"Ja, maar het theebusje," begon Door verdrietig, "waar is dat dan toch gebleven. Ik zie het hier niet staan en toch...."

"Ik heb het, ik heb het!"

"Waar?" vroeg Door.

"Hier, onder het deksel van het botervlootje," zei Nel.

"Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen morgen maar een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd."

"Nu, paatje," zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar theeschenken zoo treurig afliep, "dan schenk ik u vanmiddag een extra lekker kopje."

"Water of thee?" lachte vader.

"Wat is u toch een plaaggeest!"

"Ik op 't lage stoeltje!" riep Nel een kwartier later en rende naar het priëel zoo vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor zich uit. "Jullie moet mij allen helpen. Dolf, haal jij even een paar couranten voor de draden en een grooten bak voor de afgehaalde boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor nu geen tijd. Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen, breng dit boek eens naar binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren weer laten liggen, je weet wel, wie ik bedoel. Fox sprong en blafte, dat Bob de vingers in zijn ooren stak. "Fox, apporte, bedaar nu, apporte," gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen.

"Allo, marsch," riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer.

Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de kleine huishoudsters.

"Dat is Asschepoes," legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij bij het kippenhok stond, "en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch eens. Ik wou wel zoo'n kuikentje in de hand hebben."

"Ik ook wel," zei Bob. "Misschien zouden ze 't wel prettig vinden, als ze ook eens door den tuin mochten wandelen," opperde hij.

"Ja," zei Hans, "en die arme Asschepoes zeker ook. 't Is toch ook niet prettig, altijd in zoo'n hok te zitten."

"Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo'n lief kuikentje?" en hij trappelde al van ongeduld.

"Is er ook een deurtje om in 't hok te komen?" onderzocht Hans.

"Hier is een deurtje," zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien openen.

"Wat een kleintje," lachte Bob.

"Ja, dit is eigenlijk 't kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip zijn," stelde Bob voor, "en Frits een kuikentje."

"Neen," zei Hans, "ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik met jou."

"Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje," zei Frits, angstig naar den haan kijkende.

"Dat hoort ook zoo," zei Bob. "Kuikentjes vinden 't ook niet prettig in een hok. Kijk eens, daar loopen warempel al twee op 't gras. Kijk Asschepoes eens en de haan. En Snoetie en Toetie!"

Voorzichtig stapte hij 't hok binnen, wel een klein beetje bang, toen eenige kippen begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor Hans en Fritsje niet weten en liep daarom moedig verder.

"Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen," en eigenlijk had Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te keeren, maar toen hij Bob zoo dapper voort zag stappen, wilde hij niet minder zijn.

"Nu is er geen meer in 't hok! Hoe leuk," riep Hans, "nu doen we het deurtje dicht!" Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een doordringende gil van Leni te gelijk met een nog doordringender van Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes genoten zoo buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder waren getrippeld tot aan 't priëel, waarin allen zoo ijverig bezig waren, dat ze Bob en Hans geheel hadden vergeten. Tot op eens Toetie met haar kleine kraaloogjes om 't hoekje kwam kijken en de haan zijn blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken, dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni's oor te laten hooren.

"De haan! de kippen! de kuikens!" klonk het van alle kanten. Door viel bijna over den bak met slaboonen. "Wie is bij 't kippenhok geweest?"

Leni sprong op en Nel zat als versteend.

Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas zag hij de niets vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af, als Dolf hem niet met geweld bij den halsband vastgehouden en in huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten. Tot driemaal toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en de kleine kuikentjes trippelen nù voor, dàn achteruit, in 't geheel niet begrijpend, wat er van hen verlangd werd.

"Niet zoo wild, niet zoo wild," riep Door, "dan kunnen we ze onmogelijk krijgen. O wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg." Julia was blijkbaar over dezen daad van Nel zóó diep beleedigd, dat ze, zonder Nel ook maar met één blik te verwaardigen, rechtsomkeert maakte om boven op de schutting haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig bezig was geweest, te voltooien.

"Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf, ga jij hier staan, dan jagen we het er voorzichtig onder uit."

"Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen pootjes," zei Leni.

Op eens schaterde Dolf het uit. "O neen maar, kijk toch eens, kijk eens. Bob, Hans en Fritsje in het kippenhok!"

Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en niettegenstaande de groote verwarring door de "kippenoverstrooming", zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig gelach op, toen ze de drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf tegen 't gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht.

"Nu nog mooier," zei Nel. "Willen jullie wel eens één, twee, drie, uit het hok komen? Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie niet in een kippenhok."

"We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin," zei Bob.

"Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes en kippen zijn nog maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in den tuin zijn. Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken en dat willen jullie toch zeker ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig in het hok jagen."

Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken.

"Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen," zei Frits, blij, dat hij uit het hok was.

"Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet."

