Een Jolig Troepje

Part 3

Chapter 3 4,166 words Public domain Markdown

Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo stil vond zonder haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we den hoek van de straat omsloegen, kwamen we Pollo tegen. Dat was een vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. 't Was, alsof ze elkaar in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig naast elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en ik denk, dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste even later renden ze uitgelaten over 't weiland. De schapen, die daar liepen, wisten zich van angst niet te bergen. Een klein lammetje drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen, o mijn kaboutertjes, als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den kant van de sloot juist eventjes uit te blazen, met de tong uit zijn bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke kikker, zeker door Bruno opgejaagd, boven op Pollo's tong sprong. Ma en ik wisten werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo'n spektakel maakte Pollo op eens.

Hij rolde zich om en om op 't gras, de vier pooten in de hoogte, en het had niet veel gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu, zoo'n bad was misschien wel goed geweest voor den schrik."

"O, die kikker," schaterde Dolf. "Hij zag Pollo's tong voor een rozeblaadje aan."

"Ja, of voor een vischje," lachte Nel.

"O, eenig, eenig!" proestte Door. "Maar stil, laat mij nu verder lezen."

"Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam.

En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie een briefje te schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal heb ik haar al van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt zij weer terug, zoodat ik haar nu maar laat zitten. 't Is een klein, nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke eenmaal een plannetje heeft, dan laat zij dit niet varen.

Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje van links naar rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is Miekies schuld: die wilde met haar pootje den penhouder grijpen. 't Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij eens benieuwen, wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten, dat weet ik wel, die deugniet!"

"Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten," lachte Dolf.

"Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen rug en duizend kusjes van paatje.

Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de dwergjes nog bedroefd zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en alle kindertjes."

"Is hij nu uit?" vroeg Bob.

"Ja, is het geen onmogelijk lange brief?"

Door moest den brief nòg eens en nòg eens voorlezen, vonden Leni, Bob en Hansje. Op 't laatst kenden ze hem bijna van buiten.

"Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, hè Door?" vroeg Hans.

"En dáár onder-aan dat van Mieke?"

"Mammi, waar is de kikker nu?" vroeg Fritsje.

"Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over 't land. Och, och, wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen het zag, dat het verdwaald was."

"En hoe verdwaald!" lachte Dolf.

"'t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het kikkertje stellig opgepeuzeld."

"Brr!" Fritsje schudde zijn krullebol. "Ik vind kikkers niet lekker, Mammi wèl?"

"Neen hoor, ik eet liever appelbollen."

"En ik, en ik," riepen Leni en de anderen.

"Hoera! Vanavond appelbollenpartij!"

"En hoe is 't nu met de patiëntjes? Zouden jullie vanavond wel trek hebben in een appelbol?" vroeg mevrouw Van Brakel.

"Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet."

"En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit."

"Dat dacht ik wel," zei Door. "Brieven zijn zoo goed voor verstuikte voeten en bloedende neuzen."

"Ja, en vooral zulke lange," lachte Nel.

"Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen meer an," kwam Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord met appelbollen op zijn hoofd balanceerende.

"O, jongen, denk om het porseleinen bord," riep mevrouw Van Brakel.

"En om onze heerlijke appelbollen," lachte pa. "Als ze over den grond rollen, wil niemand ze meer hebben."

"Ik wel, ik wel," riepen Leni, Hans en Bob.

"Dan zal ik ze maar gauw neerzetten," zei Dolf, "want als jelui in dat geval alle appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we morgen drie zieke kinderen, en dat zou wel zonde en jammer zijn van de heerlijke vacantie."

"Hoera voor de vacantie!" riep Nel en stak een oogenblik later een appelbol op haar vork in de hoogte.

"Hoera voor oom Karel!" juichte Door en deed hetzelfde.

"'t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, zoo opgewonden worden jullie," zei vader. "Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes smaken uitstekend."

"Ja, ze zijn onmogelijk lekker," beaamde Dora. Hans, Bob en Leni hadden het veel te druk met hun bol om iets te zeggen.

"Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen," zei moeder, en een half uur later: "Fritsje ligt al lang in bed."

"Fritsje is ook nog zoo klein," zei Hans. Hij vond het zeker wel wat kinderachtig, bij Fritsje vergeleken te worden.

"Ja zeker," lachte ma, "maar ik geloof tòch, dat het zandmannetje al even bij Hansje Pansje op bezoek is geweest."

Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door naar bed gebracht.

"Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt," zei Bobbie tot Door, die hem had uitgekleed.

"Tegen je ooren?" vroeg Door verwonderd.

"Ja, kun je ze goed zien?"

"Niet zoo heel goed," lachte ze, "ze spelen zoo'n beetje verstoppertje, dunkt me."

"Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?"

Toen barstte Door in lachen uit. "O, wacht maar eens," en ze drukte het kussen flink plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal boven op het kussen kwam te liggen. "Nu maar goed luisteren morgen vroeg. Wel te rusten, kindertjes."

"Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?" bromde ze. "Je bent een echte treuzel."

"Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen."

"Wat valt er nu aan zoo'n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies kleeren...."

"Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij heeft gisteren den geheelen dag met één kouseband geloopen. Waar die andere nu weer is, begrijp ik niet."

"O, ja, éénig," gierde Dora. "Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn rechterbeen. Of ik zijn spulletjes ook goed opberg, hè?"

Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden naar de huiskamer.

"Alweer een dagje om, ma," zei Nel, toen ze dien avond met Door naar bed ging.

"Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken."

"En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen we," zei vader lachend: "'t Is vacantie, 't blijft vacantie...."

"Hoera, vacantie boven!" vielen Door en Nel in.

"Nacht vader, nacht moes!" En zingende gingen, ze naar boven.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE VERDWAALDE DWERGJES.

"Er zijn dieven," fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten durfde ze niet.

Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed.

"Hoor je 't?" fluisterde Nel.

Door knikte. De angst benam haar bijna den adem.

"Zullen we vader en moeder roepen?" fluisterde Nel weer.

"'k Durf niet," kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond.

"Ik ook niet," klonk het wanhopig naast haar.

"Luister eens. 't Is precies, of ze met sleutels rammelen," zei ze en kneep Door van angst in den arm.

"Ik durf onmogelijk opstaan," kermde Door. "Mijn mooien armband heb ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee en Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, 't is vreeselijk," zuchtte ze. "En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat zijn ze nu stil. Misschien steken ze het wel aan een van hun vingers."

"Het zal hun toch wel niet passen," zei Nel geruststellend.

"Om de pink wel," snikte Door.

"'t Is precies, of ze hierheen komen," fluisterde Nel en kroop stijf tegen Door aan.

"Maak toch zoo'n leven niet."

"Konden we maar dood liggen, zooals Foxje."

Weer was 't even stil in de voorkamer.

"Ik probeer 't," zei Nel kordaat.

"Wat?"

"Ik houd het hier niet langer uit."

"Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan," zei Door, toch alles behalve moedig.

Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit 't bed glijden. Door volgde klappertandend....

"De deur staat op een kiertje," fluisterde Door.

Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, stonden Nel en Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken.

"Zie je iemand?" fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond.

"Niemand."

"Ze zullen onder de canapé gekropen zijn."

"Ik ga eens kijken," zei Nel moedig.

"Ik zie niemand," zei ze, op haar buik liggende.

"Kijk eens op 't inktstel naar mijn ringetje."

"'t Ligt er nog" zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende.

"Ligt het er nòg?" Door was een en al verbazing. "Hoe is 't mogelijk; dieven zijn anders dol op goud."

"Misschien zijn ze boven op de kast gekropen," begon Door weer, nu half in de kamer staande.

"Op de kast?" vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het tafelkleed oplichtte.

"Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt ma altijd."

"Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd zoek zijn. St.--hoor je dat?" Nel stond stijf van schrik.

Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten.

"Daar hoor ik 't weer," zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats staande. "Maar--maar--ik geloof--dat--ja nu hoor--ik--het--duidelijk," riep ze opgewonden....

"'t Is ... een vogel!"

"Een vogel?" Door wist niet, wat ze hoorde. "Een vogel?" herhaalde ze hoogst verwonderd en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle kanten kijkende en luisterende. "Ja, je hebt gelijk, nu hoor ik het ook en heel duidelijk zelfs."

"Hij zit stellig in den schoorsteen."

"Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn pret ook wel op."

"Ja, werkelijk, arm dier," zei Nel.

"Wat wil je doen?" voeg Door, toen Nel naar het raam liep.

"Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het zal wel een verdwaalde kraai of spreeuw zijn."

"Uitstekend," vond Door. "Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten, let op, een, twee, drie--rustverstoorder."

Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige glinsteroogjes verbaasd rond, zag het open raam--en was verdwenen.

"Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij," riep Nel opgetogen. "Zie hij 't eens druk hebben en de veertjes glad strijken, zoo'n ijdeltuitje.--Dag plaaggeest!"

"Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en asch in de kachel liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft er veel van, dat hij zijn avontuur in geuren en kleuren aan die twee dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen."

"Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren, hoe hij ons heeft beet gehad," lachte Door.

"En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden," zei Nel.

"Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog lekker een paar uurtjes in bed."

"En ik," zei Nel geeuwend. "Brr, wat een nacht."

Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust.

Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg in den morgen hadden ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en de tweelingen zaten met open mond te luisteren en moesten natuurlijk de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de spreeuw gezeten had. Het drietal raakte niet uitgevraagd.

"St, zacht loopen," zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen naar den zolder ging. "Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof ik. Jullie moet mij eventjes helpen met de doozen, ze zijn zoo zwaar." Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes de doos op te lichten.

"O, Bob," juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had opgetild. "Kijk eens, een rood mutsje en een grijs. En wat is dat?" vroeg hij, een met zilverpapier beplakte kroon in de hand houdende.

"Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes heeft gespeeld," legde Leni uit. "Maar voorzichtig, jelui moet er nu niet alles uit halen. Ik zal eerst eens kijken, waar de pakjes van de dwergjes zijn."

"O, Leni, worden wij dwergjes?" Hans klapte in de handen van pleizier.

"Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?"

"Is dat voor mij?"

"Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga maar op deze kist zitten, dan zal ik je wel even helpen."

"Zou het niet te groot zijn?" vroeg Hans.

"Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten altijd nogal ruim," voegde zij er vertroostend aan toe.

"Wat mag ik aan hebben?" vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van Asschepoes op zijn aardigen krullebol en een papieren sabel om, verlangend in den koffer keek.

"Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk gekleed zijn."

"O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen."

"Ja," zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te zetten. "Klaar! Nu, wat zeg je er van? Is 't niet leuk?" Hans knikte lachend. "Wacht, je moet nog den leeren riem om hebben, die zal ook wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer, dat hier geen spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken."

"Hebben dwergjes dan spiegels?"

"O, neen, 't is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want dwergjes bezitten die niet."

"Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik," zei Leni verschrikt. "Gauw, Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je gauw." Voorzichtig deed Leni de deur open en verrast bleef ze staan, toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar streek en in twee sprongen op een koffer stond.

"O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te maken! Kom maar weer uit je schuilhoekje, jongens. 't Is Julia en die verklapt ons niet."

"Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen."

"Een, twee, drie, hopsa," zei Leni. "Past het niet mooi? Wacht, hier is het een beetje te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!" riep ze opgetogen. "Wat zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu maar op deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is 't hier warm. Ik zal het raam open zetten."

"Word jij ook een dwergje?" vroeg Bob.

"Drie dwergjes," lachte Hans.

"Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes zijn altijd klein."

"Zijn er geen groote dwergen?" vroeg Hans.

"Zijn er nooit pa-dwergjes?"

"Jawel," zei Leni; "want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is waar ook, jullie moet ook nog de baarden om hebben."

En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. "Ik kan ze nergens vinden, dat is jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi."

Dat vonden Hans en Bob ook.

"Ik wordt sneeuwwitje," zei ze.

"Als deze koffer van glas was," zei Hans, "dan moest jij daarin gaan liggen en konden wij je dragen."

Leni lachte.

"St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!" Haastig trok ze haar jurk weer aan.

"Stil blijven zitten, hoor! Ik kom gauw terug."

't Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode puntmutsjes op de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers, doozen, manden enz.

"O wee, kijk Julia eens," zei Hans even later. "Zij wil, geloof ik, op het dak gaan en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!" riep hij, zoo hard hij kon.

"Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken."

"Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen," zei Hans wanhopig.

Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich er in 't geheel niet aan en stapte kalm het raam uit.

Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen naar het raam om te kijken, waar poes gebleven was.

"Zie je haar?" vroeg Bob aan Hans, die 't meest vooraan stond.

"Ja, ze loopt in de goot."

"Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op."

"Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje."

"O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart knijpen. Jaap heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert, in den staart knijpt, ze het vogeltje of muisje niet kan krijgen."

"Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje."

Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor voetje, gingen ze op poes af.

Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier passen genaderd waren, scheen ze onraad te bespeuren, tenminste ze verliet haar plaatsje en liep verder.

"O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen," zei Bob half schreiend. "Stil, daar zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet gezien. Niet praten," zei hij, toen Bob weer iets wilde zeggen.

Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek vreemd op, toen ze de tweelingen niet op de kist zag zitten.

"Jullie deugnieten, heb je je verstopt?" zei ze lachend. "Ik zal je wel vinden." Vroolijk zingend ging ze zoeken. "Hans, Bob!" riep ze eenige keeren, toen zij ze niet vond.

"Misschien zijn ze in slaap gevallen," dacht ze toen. "Maar dan moeten ze hier toch zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou Julia op het dak zijn gegaan?" Op eens kreeg ze een vreeselijken schrik. "Als-als-de tweelingen...."

Leni holde naar beneden. "Ma--vader--Bob en Hansje zijn nergens te vinden en Julia is op het dak."

"Kom, kom, kleine meid," zei pa, "Julia zal wel gauw terugkomen; ze vond het zeker frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo gauw geen ongeluk krijgen."

"Och ja, maar ... paatje, Hans en Bob zijn er ook niet."

"Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak geklauterd? Kom, kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De bengels zullen zich zeker verstopt hebben."

"Ik heb ze overal gezocht," zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld.

Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een vreeselijke angst zich van hen meester. Er was geen twijfel meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen en naar beneden gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld en stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren, wat ze zoo zeer vreesden. Kee kwam naar boven hollen en vloog vader bijna omver, die juist naar beneden wilde. "Ze--ze--" stotterde ze,--"ze--zitten--dáár," en Kee wees met den vinger,--"dáár gunder--op het--dak.--De slagersjongen kwam--het mij--zeggen"--hijgde ze,--"och, die wurmen, die wurmen! Het--staat--daar vol menschen, de politie--is er ook, och hemeltje--och, och! Enne, die kan--niet bij ze--komen, omdat de menschen--die--daar wonen--uit--de stad zijn. Die stakkers! Wat ze--aan hebben, weet ik niet, maar--ze zien er heel gek--uit--zegt de slager."

Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna geen voet verzetten.

Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee parkietjes, Hans en Bobbie.

Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was een agent naar boven geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap ging op uit de volksmenigte, toen ze den agent op het dak zagen. En een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans, en mijnheer Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis kwamen. Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van hen wist van blijdschap wat te doen.

"Kindertjes, kindertjes," zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje van den schrik bekomen was, "hoe kwamen jullie er toch toe?"

"Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?" vroeg Hans.

"Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?"

"Julia," zei Bob, en toen vertelde hij alles. "lederen keer, als ik haar staart wilde grijpen, liep zij verder en op 't laatst zagen wij Julia nergens meer."

"En waarom liepen jullie toen niet terug?" vroeg Nel.

"Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten ook heelemaal niet, hoe ver we geloopen waren." En op eens barstte Hans in een zenuwachtig schreien uit.

"O, we waren toch zoo bang."

"Jullie kleine, domme kereltjes," zei mijnheer Van Brakel troostend. "Wisten jullie nu nog niet, dat dwergjes op den grond hooren en niet op het dak?"

"O, daar heb je de schuldige," zei Door, toen poes de kamer binnen kwam. "Poesje, poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons een onmogelijken angst bezorgd."

"Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is," zei mevrouw Van Brakel.

"Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze dwergjes presenteeren en de andere kinderen mogen mee snoepen."

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN DAGJE BUITEN.

"Kinderen," zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, "nu heb ik een mooi plan. 't Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van, als we eens een groote wandeling gingen maken?"

"Heerlijk, leuk!" klonk het van alle kanten.

"Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor."

"Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel wat boterhammen gesmeerd worden," zei moeder. "Dolf, jongen, maak jij de sportkar eens keurig schoon, want voor Fritsje moeten wij die wel meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen rijden."

Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de tweelingen zorgden voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje bracht ze naar de sportkar.

"Hoe staat het er mee?" vroeg vader, op zijn horloge ziende. "Het wordt tijd."

"We zijn klaar, vader," zei Nel.

"Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch."

"Mag Foxje mee?"

"Zeker."

Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van blijdschap. Als een pijl uit den boog vloog hij vooruit, rende weer terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen dien op en was zoo dol, dat het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn blijdschap omgegooid.

"Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent," zei Dolf, "maar als je zoo begint te rennen, hou je het nooit uit."

"Wat is het toch heerlijk buiten," zei moeder.

"Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een glaasje melk drinken."

"O, ja," zei Leni, "misschien heeft ze wel weer een ziek geitje, zooals den vorigen keer."

Vader begon hartelijk te lachen.

"Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid."

Leni lachte verlegen. "Och ja, vader, maar u wéét ook niet, hoe goed vrouw Pruim haar ziek geitje oppaste."

"Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt, dan zie ik liever een gezond dan een ziek geitje."

"Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger," zei Nel plagend, "omdat ze die dan flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu maar een zieke kikvorsch of een half doode spreeuw," zei ze grappig wanhopig, "wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere hapjes brengen."

"Ja, ja, je bent me een stumperd," lachte Dolf, "en zoolang je nog zoo'n verbazende massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er vooreerst van jou geen sprake zal zijn."

"En tot kikker zul je 't zeker wel nooit brengen," zei Door, "want in plaats van in het water te springen, bleef jij 't liefst aan den kant staan."

"En jij niet tot spreeuw," plaagde Nel terug, "want aan vroeg opstaan heb jij een broertje dood."

"Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht worden; want vogeltjes, die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?"

"En nu stel ik voor," zei vader, "dat wij hier eens een poosje aan den kant van den weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling achter den rug en 't wordt warm vandaag."

"Hè ja," vond Door, "eventjes uitblazen."

"Hoe is 't met mijn kleine broekemannetje?"

"Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan, Mammi?" vroeg Fritsje met een bedroefd stemmetje.

"Welk broertje toch, kleine man?"

Allen keken naar Fritsje, want 't was duidelijk, dat het schreien hem nader stond dan 't lachen.

"O, ik begrijp het, ik begrijp het," gierde Door. "Hij heeft gehoord, dat Nel tegen mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had."